Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI6271

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
04-06-2009
Zaaknummer
1007039 DX EXPL 08-2734
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

effectenleaseovereenkomst; cessie; wettelijke rente

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Zaak en rolnummer: 1007039 DX EXPL 08-2734

Vonnis van: 25 februari 2009

F.no.: 640

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

de vennootschap naar Iers recht VARDE INVESTMENTS (IRELAND) LIMITED,

gevestigd te Dublin (Ierland),

eiser,

nader te noemen Varde,

gemachtigde: [gemachtigde],

t e g e n

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

nader te noemen [gedaagde],

procederend in persoon.

Procedure

1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende, hier als herhaald en ingelast te beschouwen stukken, waaruit tevens het procesverloop blijkt:

- de dagvaarding van 6 november 2008, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 24 december 2008, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de door Varde in het geding gebrachte producties;

- het procesverbaal van de comparitie na antwoord van 22 januari 2009.

1.2. Tenslotte is vonnis bepaald op heden.

Feiten

2.1. Dexia Bank Nederland N.V. is rechtsopvolgster onder algemene titel van de te

Leiden gevestigde Bank Legio Lease B.V. Uit dien hoofde is Dexia met betrekking tot de hierna vermelde overeenkomst in alle rechten en verplichtingen van Legio-Lease B.V. getreden. Dexia en haar rechtsvoorganger worden hierna tezamen aangeduid als Dexia.

2.2. [gedaagde] heeft met Dexia een effectenlease-overeenkomst gesloten onder

contractnummer 41000785. Deze effectenlease-overeenkomst wordt hierna aangeduid als de overeenkomst.

2.3. Op 12 december 2003 heeft Dexia de overeenkomst beëindigd wegens

betalingsachterstanden. Dexia heeft op voornoemde datum eveneens een eindafrekening opgesteld volgens welke [gedaagde] een restschuld van € 3.394,43 aan Dexia diende te voldoen. In de bijbehorende ongedateerde brief is [gedaagde] verzocht om binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief tot betaling van de eindafrekening over te gaan. [gedaagde] heeft de restschuld niet aan Dexia voldaan.

2.4. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft de door Dexia en belangenorganisaties gesloten

overeenkomst (hierna de WCAM-overeenkomst) algemeen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. De WCAM-overeenkomst bevat een regeling met betrekking tot afwikkeling van de schade ontstaan uit effectenlease-overeenkomsten. Deze regeling wordt ook wel aangeduid als de "Duisenberg-regeling".

2.5. [gedaagde] heeft niet vóór 31 juli 2007 een schriftelijke verklaring als bedoeld in

artikel 7:908 lid 2 BW (een zogenaamde opt-outverklaring) ingediend.

2.6. Dexia heeft haar vordering op [gedaagde] bij akte van cessie d.d. 18 december 2007

overgedragen aan Varde. Bij brief van 10 januari 2008 is hiervan mededeling gedaan aan [gedaagde].

Vordering

3.1. Varde vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen

om aan Varde tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van € 3.783,29, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.075,30 vanaf 10 januari 2008 tot de dag der algehele voldoening, alsmede hem te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder salaris van de gemachtigde en de nakosten.

3.2. Varde legt -kort en zakelijk weergegeven- het volgende aan haar vordering ten

grondslag. [gedaagde] is uit hoofde van de overeenkomst aan Dexia een bedrag van

€ 3.075,30 verschuldigd. Aangezien [gedaagde] geen opt-outverklaring heeft ingediend, is hij gebonden aan de WCAM-beschikking en heeft de daarbij verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst ingevolge artikel 7:109 BW ten aanzien van hem de gevolgen van een vaststellingsovereenkomst waarbij hij als partij geldt. Daarmee staat de betalingsverplichting van [gedaagde] vast. Hij is ondanks aanmaning en sommatie in gebreke gebleven met de voldoening daarvan.

Verweer

4.1. [gedaagde] betwist de omvang van de vordering van Varde en concludeert tot beperking van de vordering tot de hoofdsom van € 3.075,30 zonder enige berekening van buitengerechtelijke kosten en renten.

4.2. [gedaagde] legt -kort en zakelijk weergegeven- het volgende aan zijn verweer

ten grondslag. [gedaagde] heeft, ondanks herhaaldelijke verzoeken daartoe, de akte van cessie niet mogen ontvangen. [gedaagde] verkeerde hierdoor in onzekerheid over de rechtmatigheid van de cessie van de vordering. [gedaagde] is geen buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente verschuldigd vanwege de onzorgvuldige incassoprocedure van Varde. Nadat Varde bij brief van 10 januari 2008 mededeling heeft gedaan van de cessie, heeft Varde [gedaagde] op 21 mei 2008 geïnformeerd over de omvang van de vordering en zijn eerst op dat moment betalingsinstructies gegeven. In dit betalingsverzoek zijn aanstonds buitengerechtelijke kosten aan [gedaagde] in rekening gebracht, terwijl deze kosten niet zijn gemaakt. Voorts betwist [gedaagde] wettelijke rente of incassokosten aan Dexia verschuldigd te zijn geweest, zodat hij deze evenmin aan Varde moet betalen.

Beoordeling

5.1 Nadat Varde ten behoeve van de comparitie van partijen op 22 januari 2009 nadere

stukken in het geding heeft gebracht over de cessie van de vordering is niet langer in geschil dat Dexia haar vordering op [gedaagde] aan Varde heeft gecedeerd. Varde heeft derhalve een vordering op [gedaagde] ten bedrage van € 3.075,30 als hoofdsom. Partijen twisten echter over de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten.

5.2. Ten aanzien van de wettelijke rente oordeelt de kantonrechter als volgt. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment waarop [gedaagde] in verzuim is geraakt met terugbetaling aan Dexia. Dexia heeft op 12 december 2003 de eindafrekening aan [gedaagde] doen toekomen. Veronderstellende dat Dexia de bijbehorende brief op dezelfde dag heeft verstuurd, is het verzuim 14 dagen na voornoemde datum ingetreden zodat [gedaagde] vanaf 26 december 2003 in verzuim is geraakt. Dat Dexia op enig moment schorsing van de gerechtelijke procedure heeft aangezegd doet hier niet aan af.

5.3. [gedaagde] heeft na ontvangst van de brief van Varde van 10 januari 2008 aan Varde

verzocht om hem nader te informeren over de cessie. Ingevolge artikel 3:94 BW diende Varde hem deze informatie te verstrekken. Gelet op artikel 6:37 BW was [gedaagde] ook bevoegd zijn betaling op te schorten zolang hij geen duidelijkheid had over de cessie. Aangezien de akte van cessie eerst ter comparitie in het geding is gebracht, is [gedaagde] geen wettelijke rente verschuldigd over de periode vanaf 10 januari 2009 tot aan de datum van dit vonnis.

5.4. Varde heeft nog aangevoerd dat zij de akte van cessie bij brief van 3 juli 2008 aan [gedaagde] heeft doen toekomen. Deze brief is (zonder bijlage) bij de dagvaardig overgelegd. [gedaagde] stelt dat hij voornoemde brief nimmer heeft ontvangen. Gelet op de ontvangsttheorie, inhoudende dat de partij die in rechte een beroep doet op een brief zal moeten aantonen dat deze door de geadresseerde is ontvangen, had het op de weg van Varde gelegen feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat [gedaagde] de brief wél heeft ontvangen. Het bewijs hiertoe kan gelegen zijn in een bericht van ontvangst bij verzenden van aangetekend schrijven. Ter comparitie heeft Varde slechts verklaard dat voornoemde brief hoogstwaarschijnlijk per reguliere post is verstuurd. Hiermee is niet vast komen te staan dat de brief [gedaagde] daadwerkelijk heeft bereikt.

5.5. Ten aanzien van de beoordeling van de buitengerechtelijke kosten maakt de kantonrechter een onderscheid tussen de buitengerechtelijke kosten waarvan Varde stelt dat Dexia deze zou hebben gemaakt en de buitengerechtelijke kosten die Varde stelt te hebben gemaakt. Ter comparitie heeft Varde verklaard dat de vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten die door Dexia zijn gemaakt niet aan haar is gecedeerd. Dit leidt ertoe dat Varde deze buitengerechtelijke kosten niet van [gedaagde] kan vorderen. Naast de buitengerechtelijke kosten welke door Dexia zouden zijn gemaakt, stelt Varde zelf eveneens buitengerechtelijke kosten te hebben gemaakt. De kantonrechter hanteert als uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Varde stelt wel dat de gevorderde kosten zijn gemaakt, maar laat na een omschrijving van de verrichtingen te geven, anders dan die ter voorbereiding van de processtukken en ter instructie van de zaak. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat vóór de aanvang van het geding geen andere of meer kosten zijn gemaakt dan die welke ter voorbereiding van een geding in het algemeen redelijk en noodzakelijk zijn. Voor dergelijke kosten pleegt het bepaalde in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering al een vergoeding in te sluiten. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten daarom afwijzen.

Beslissing

De kantonrechter

I. veroordeelt [gedaagde] om aan Varde tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 3.075,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 december 2003 tot 10 januari 2008, en de som daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Varde gevallen, tot op heden begroot op:

voor verschuldigd griffierecht € 201,00

voor het exploot van dagvaarding € 88,19

voor salaris van gemachtigde € 437,50

totaal € 726,69

III. een en ander, voor zover verschuldigd, inclusief btw;

IV. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 februari 2009.