Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI5969

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
13-420961-08 PROMIS
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 9 juli 2008 een politieagente in Amsterdam vermoord. Voorts acht de rechtbank onder meer bewezen dat hij een poging tot moord op de ouders van zijn ex-vriendin heeft gepleegd en dat hij voorbereidingen heeft getroffen voor het met voorbedachte rade zwaar mishandelen van zijn ex-vriendin.

Overwegingen omtrent voorwaardelijk opzet en voorbedachte rade.

De rechtbank veroordeelt verdachte voor moord, poging moord, voorbereiding van zware mishandeling met voorbedachte rade, bedreiging en het voorhanden hebben van een wapen tot een gevangenisstraf van 12 jaar en de TBS-maatregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 37a
Wetboek van Strafrecht 37b
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 303
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Wet wapens en munitie
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2009/233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/420961-08 (PROMIS)

Datum uitspraak: 2 juni 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op[geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in het Huis van Bewaring “Het Schouw” te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 januari 2009, 6 maart 2009 en 19 mei 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. K. Gerritsen en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.P. Plasman en

door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat

ten aanzien van het onder 1 telastegelegde:

hij op of omstreeks 09 juli 2008 te [woonplaats] opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een vuurwapen een kogel op die [slachtoffer 1] afgevuurd, welke kogel de (rechterzijde van) de nek, in elk geval het lichaam, van die [slachtoffer 1] is binnengedrongen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

Artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht

ten aanzien van het onder 2 telastegelegde:

primair:

hij op of omstreeks 09 juli 2008 te [woonplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, twee maal, althans één of meerdere malen, met een vuurwapen (een) kogel(s) op de voordeur van de woning (gelegen aan de [adres 1]) van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft afgevuurd, terwijl die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] op dat moment in de hal en/of in de woonkamer van die woning, in elk geval in die woning, aanwezig waren;

Artikel 289/287 juncto 45 Wetboek van Strafrecht

subsidiair:

hij op of omstreeks 09 juli 2008 te [woonplaats] [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend twee maal, althans één of meerdere malen, met een vuurwapen (een) kogel(s) op de voordeur van de woning (gelegen aan de [adres 1]) van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] afgevuurd, terwijl die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] op dat moment in die woning aanwezig waren;

Artikel 285 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 09 juli 2008 te [woonplaats] opzettelijk en wederrechtelijk de voordeur van een woning (gelegen aan de [adres 1]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door twee maal, althans één of meerdere malen, met een vuurwapen (een) kogel(s) op voornoemde voordeur af te vuren;

Artikel 350 Wetboek van Strafrecht

ten aanzien van het onder 3 telastegelegde:

hij op of omstreeks 09 juli 2008 te [woonplaats] ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op althans zware mishandeling met voorbedachte rade van [slachtoffer 4], hetgeen het misdrijf van artikel 289 althans 303 van het Wetboek van Strafrecht oplevert, opzettelijk (een) voorwerp(en), te weten een pistool en/of één of meerdere (kogel)patro(o)n(en) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

Artikel 46 juncto 289 junctio 303 Wetboek van Strafrecht

ten aanzien van het onder 4 telastegelegde:

hij op of omstreeks 09 juli 2008 te [woonplaats] een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk Zavodi Crvena Zastava, kaliber 7.62 mm), voorhanden heeft gehad en/of munitie van categorie III, te weten één of meerdere (kogel)patro(o)n(en), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Artikel 26 juncto 55 Wet wapens en munitie

ten aanzien van het onder 5 telastegelegde:

hij op of omstreeks 09 juni 2008 en/of 9 juli 2008 te Amsterdam en/of [woonplaats], in elk geval in Nederland, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte telkens (door de voicemail van de mobiele telefoon van voornoemde [slachtoffer 4] in te spreken) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd:"Ik zal je stuk maken. Er is niemand om mij tegen te houden. Er is geen uitweg voor jou. Schuil maar waar je wilt. Maakt niet uit waar je bent of met wie je bent." en/of "Je moet wegwezen, anders moet je vluchten, niemand kan je helpen. Je bent de lul in mijn handen. Want vandaag zal je moeten verhuizen" en/of (in het Papiamento) "Maar een ding wil ik benadrukken, je valt bij mij onder de Italiaanse wet en dat betekent dat ik je onder mijn hand kapot zou maken" (9 juni 2008) en/of "Ik schiet je dood. Ik maak je kapot" (9 juli 2008), althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Artikel 285 Wetboek van Strafrecht

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

Met betrekking tot het onder 1 telastegelegde is de officier van justitie van mening dat bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer 1] heeft vermoord. Verdachte heeft haar opzettelijk en met voorbedachte rade neergeschoten. Verder heeft de officier van justitie geconcludeerd dat verdachte wist dat hij een politieagente doodde. Hier samengevat weergegeven, maar in detail uitgewerkt in haar op schrift gestelde requisitoir, heeft de officier van justitie daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte moet mevrouw [slachtoffer 1] al hebben opgemerkt voordat hij zijn auto tot stilstand had gebracht, en voordat hij schoot, aangezien zij op korte afstand achter verdachte is aangereden terwijl het donker was en de verlichting van haar auto aan was. Verdachte heeft dus de gelegenheid gehad om te bedenken hoe hij zou reageren op de persoon die hem achtervolgde. Verdachte heeft ook nog tijd gehad om na te denken toen hij uit zijn auto stapte en om de auto heen liep. Mevrouw [slachtoffer 1] is neergeschoten toen zij helemaal uit haar auto was.

Uit getuigenverklaringen blijkt dat verdachte zeer doelgericht heeft gehandeld. Volgens artikel 2 van de ambtsinstructie voor de politie moet de ambtenaar in burgerkleding zich bij optreden ongevraagd legitimeren. Mevrouw [slachtoffer 1] was dus verplicht om te melden wie zij was en het is onlogisch dat zij die plicht zou hebben verzaakt. Daarbij wijst de officier van justitie op de politielegitimatiepas van mevrouw [slachtoffer 1] die naast haar op de grond is aangetroffen. Uit de omstandigheid dat het linkervoorraam van de auto van mevrouw [slachtoffer 1] alsook het rechtervoorraam van de auto van verdachte geopend was, blijkt dat verdachte en mevrouw [slachtoffer 1] contact met elkaar hebben gehad.

Het voorgaande past bij de inhoud van het proces-verbaal opgemaakt door buurtregisseur [buurtregisseur], aldus nog steeds de officier van justitie, waaruit blijkt dat verdachte tegen een Vangnet - en Adviesmedewerker zeer gewetenloos zou hebben verteld dat hij een vrouw had neergeknald omdat hij door haar werd lastiggevallen. Daarnaast heeft verbalisant [verbalisant 1] gerelateerd dat zij van deze Vangnet- en Adviesmedewerker had gehoord dat verdachte iets tegen hem had gezegd over het legitimeren door mevrouw [slachtoffer 1]. Dit is bevestigd door de verklaring van een collega van de Vangnet- en Adviesmedewerker, inhoudende dat zij van die medewerker had gehoord dat verdachte wist dat hij een agente had neergeschoten omdat zij haar legitimatiebewijs had getoond. Verdachte heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat hij wilde dat de Vangnet- & Adviesmedewerker en zijn collega zich zouden beroepen op hun verschoningsrecht. Hieruit blijkt dat hij iets wil verbergen en dat zijn stelling dat hij zich van het neerschieten van mevrouw [slachtoffer 1] nauwelijks meer iets herinnert, onwaar is.

Daar komt bij dat verdachte na aankomst op het cellencomplex uitlatingen heeft gedaan waaruit kan worden afgeleid dat hij uit eigen waarneming wist dat hij iemand van de politie had doodgeschoten. De verklaring van verdachte dat hij wist dat het om een politieagent ging omdat hij dat vanuit het raam van de woning van zijn ex-vriendin mevrouw [slachtoffer 2] had gehoord, is niet aannemelijk omdat er geen bloedsporen van verdachte bij de ramen zijn aangetroffen, terwijl die op andere plekken in de woning wel zijn gevonden. Bovendien heeft verdachte op 9 juli 2008 een voicemailbericht ingesproken bij zijn ex-vriendin waarin hij doodsbedreigingen naar de politie heeft geuit.

De officier van justitie acht de onder 2 primair telastegelegde poging tot moord op de ouders van de ex-vriendin van verdachte, bewezen. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat verdachte, van zeer dichtbij, op romphoogte door de voordeur heeft geschoten, terwijl hij wist dat de bewoners thuis waren. Verdachte heeft derhalve willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij hen dodelijk zou treffen en door aldus te handelen, heeft hij het voorwaardelijke opzet gehad om hen te doden. De voorbedachte rade kan bewezen worden omdat verdachte blijkens de aangifte van [slachtoffer 2] 30 tot 40 seconden de tijd heeft gehad om na te denken, nadat hem de deur in het gezicht dicht was gesmeten.

Met betrekking tot het onder 3 telastegelegde acht de officier van justitie voorbereiding van moord op de ex-vriendin van verdachte bewezen. Dit blijkt onder meer uit de bedreigende inhoud van de berichten die verdachte op 9 juli 2008 op de voicemail van zijn ex-vriendin heeft ingesproken, Bovendien heeft verdachte thuis proefschoten gelost. In zijn woning zijn twee hulzen aangetroffen en een getuige heeft verklaard dat zij omstreeks 10 juli 2008 twee pistoolschoten heeft gehoord vanuit de richting van de parkeerplaats van de woning van verdachte. Uit het aantreffen van de patroon met doorlaadsporen op de stoep bij de woning van zijn ex-vriendin, volgt dat verdachte het wapen gebruiksklaar heeft gemaakt. Dat de doorlaadsporen zijn ontstaan door het vallen van de patroon, het vuurwapen of de patroonhouder, is niet aannemelijk. Ook de aanwezigheid van een bebloed mes in de woning en sporen, waaruit blijkt dat verdachte de woning min of meer heeft doorzocht, zijn aanwijzingen voor de plannen van verdachte, aldus de officier van justitie.

Dat het onder 4 en 5 telastegelegde bewezen kan worden verklaard, volgt behalve uit het dossier, uit de bekennende verklaring van verdachte, aldus de officier van justitie.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 telastegelegde moord, van het onder 2 primair telastegelegde en van het onder 3 telastegelegde en heeft daartoe – hier kort samengevat en in detail uitgewerkt in de pleitnotities – het volgende aangevoerd.

Met betrekking tot feit 1 geldt dat uit niets blijkt dat verdachte anders dan in een reflex heeft gehandeld. Uit het feit dat de ramen van beide auto’s openstonden kunnen geen dwingende conclusies getrokken worden. De twee getuigenverklaringen wijzen volgens de verdediging op doodslag.

Dat verdachte wist dat hij met een politieambtenaar van doen had, blijkt nergens uit. De verklaringen van de Vangnet- en Adviesmedewerkers lopen uiteen. Uit het feit dat de legitimatiepas van mevrouw [slachtoffer 1] naast haar is aangetroffen kan niet worden afgeleid dat zij daadwerkelijk aan het legitimeren is toegekomen. Onduidelijk is gebleven hoe en op welk moment het legitimatiebewijs op de grond terecht is gekomen. Uit onderzoek is gebleken dat het bloed van verdachte is aangetroffen op het bed dat stond onder het geopende raam in de slaapkamer aan de voorkant. Cliënt heeft verklaard dat hij langdurig vanachter dit raam naar buiten heeft gekeken en dat hij daar heeft gehoord dat iemand riep: “Het is een collega!”. Uit het dossier blijkt dat meerdere keren is gesproken over een ‘collega’.

Met betrekking tot het onder 2 telastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat poging tot moord of doodslag niet bewezen kan worden. Het feit dat verdachte niet meteen heeft geschoten toen [slachtoffer 2] de voordeur had geopend is een sterke contra-indicatie voor het willen doodschieten van hen. Verdachte wist dat er niemand in het voorste halletje stond op het moment van het schieten omdat hij had gezien en had gehoord dat de ouders van zijn ex-vriendin na het sluiten van de voordeur de eerste hal hadden verlaten en de tweede deur achter zich hadden dichtgedaan. Verdachte heeft, voordat hij schoot, gekeken waar de ouders van zijn ex-vriendin zich bevonden. Niet staat vast dat de kogels na de tweede deur voldoende kracht over hadden om personen achter die deur te doden of ernstig te verwonden. Verdachte had derhalve niet het opzet tot doden, ook niet in voorwaardelijke zin.

Met betrekking tot het onder 3 telastegelegde heeft de raadsman gesteld dat uit niets blijkt dat verdachte van plan was om zijn ex-vriendin om het leven te brengen of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Dat de op de stoep aangetroffen patroon met doorlaadsporen alleen kan betekenen dat verdachte zijn wapen schietklaar heeft gemaakt, is onjuist en speculatief.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

3.3.1. Redengevende feiten en omstandigheden

Verdachte heeft gekozen voor een verdedigingsstrategie waarbij hij, maanden na zijn aanhouding en kennisname van de resultaten van het onderzoek, uitsluitend op de terechtzitting van 13 januari 2009 een verklaring over de telastegelegde feiten heeft afgelegd. Toen hij op de terechtzitting van 19 mei 2009 werd geconfronteerd met onderzoeksresultaten die aan de juistheid van zijn verklaringen in de weg lijken te staan, beriep hij zich op zijn zwijgrecht. Zelfs waar het geven van opheldering geboden leek, weigerde verdachte te reageren. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank, in het algemeen gesteld, weinig waarde hecht aan de verklaringen van verdachte. Bovendien is zijn verklaring op onderdelen aantoonbaar onjuist. Andere onderdelen van zijn verklaring zijn zonder verdere toelichting, die niet is gegeven, ongeloofwaardig.

De rechtbank zal derhalve de verklaring van verdachte alleen voor het vaststellen van de redengevende feiten en omstandigheden gebruiken voor zover deze verklaring wordt ondersteund door feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat een aantal van de door de officier van justitie in rubriek 3.1. genoemde redeneringen een te speculatief karakter hebben om de conclusies die vervolgens door haar zijn getrokken, te kunnen dragen. Voor zover deze redeneringen louter op aannames berusten, welke in het dossier geen, althans onvoldoende, steun vinden, neemt de rechtbank deze niet over bij het vaststellen van de redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het in rubriek 3.3.3. bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en in het navolgende nader zijn uitgewerkt en als vaststaand worden aangenomen.

[slachtoffer 4] heeft aangifte gedaan van bedreiging op 9 juni 2008 door haar ex-vriend, zijnde verdachte.i Blijkens verklaringen van [slachtoffer 4] heeft verdachte haar ook op 9 juli 2008 bedreigd.ii Verdachte heeft bekend dat hij de onder 5 telastegelegde bedreigingen heeft geuit.iii

Verdachte heeft tevens bekend dat hij op 9 juli 2008 een vuurwapen en kogelpatronen voorhanden heeft gehad.iv Uit onderzoek is gebleken dat het gaat om een vuurwapen en munitie in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie.v

Verdachte heeft verklaard dat hij op 9 juli 2008 in de loop van de avond driekwart liter wodka heeft gedronken.vi Voorafgaande aan het verhoor inverzekeringstelling rook de adem van verdachte naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank.vii Toxicologisch onderzoek heeft aangetoond dat verdachte enige tijd na zijn aanhouding 0,43 mg/ml alcohol in zijn urine had. Het is niet mogelijk gebleken om een terugrekening te maken naar de tijdstippen van het telastegelegde.viii

Verdachte is op 9 juli 2008 in de avond gebeld door [zwager ex-vriendin], zwager van zijn ex-vriendin, naar aanleiding van de hiervoor bedoelde bedreigingen aan het adres van verdachtes ex-vriendin. [zwager ex-vriendin] heeft in dat gesprek tegen verdachte gezegd dat hij naar het park tegenover hun schoonouders moest komen om het uit te praten. Verdachte is vervolgens met zijn geladen vuurwapen naar de nabijheid van dat park gereden. Tot een ontmoeting tussen [zwager ex-vriendin] en verdachte is het niet gekomen.ix

Vervolgens heeft verdachte aangebeld bij [adres 1], de woning van de ouders van zijn ex-vriendin.x [slachtoffer 2] opende kort na 22.00 uur de deur. Hij gaf verdachte te kennen dat hij niets met hem te maken wilde hebben en hij duwde de voordeur dicht. Hij heeft de telefoon gepakt en hij is de trap opgelopen. Zijn vrouw, [slachtoffer 3], was nog in de woonkamer.xi Het is niet mogelijk vanaf buiten door het draadglas links van de voordeur te zien of er iemand op de trap staat.xii [slachtoffer 2] hoorde, toen hij aan het bellen was, gerinkel en zag dat er dingen die op het tafeltje in de hal stonden, gevallen waren of kapot waren gegaan. Zijn vrouw zei: “Hij heeft geschoten”. Toen rook hij kruitdamp en zag hij een gaatje in de tweede deur.xiii

Verdachte heeft tweemaal door de voordeur van [adres 1] geschoten. De kogelgaten zaten op buikhoogte, op een hoogte van 114 cm en 106,5 cm. De perforaties waren ook aan de achterzijde van de toegangsdeur te zien. Voor de woning zijn twee hulzen aangetroffen. In de deur van de hal werd rechts alsook in het deurbeslag een perforatie aangetroffen. Voorts werd een projectiel aangetroffen op de vloer van de gang, direct achter de eerste hal. Op de gang lagen scherven van bloempotjes. Gelet op de onderzochte en vastgestelde schootsbanen door de toegangsdeur, is het goed mogelijk dat een achter de deur staand persoon door een of door beide kogels geraakt wordt. Voorts is geconcludeerd dat, gezien de vastgestelde schootsbanen, het mogelijk is dat bij een geringe afwijking de kogels de haldeur niet zouden raken, waardoor een of beide kogels de in het verlengde gelegen woonkamer zouden kunnen bereiken.xiv

Uit schotrestenonderzoek is gebleken dat er aanwijzingen zijn dat er tenminste één schootsafstand was van tussen de 0 en 50 centimeter.xv

Tussen het dichtduwen van de deur en het gerinkel in het halletje zat volgens [slachtoffer 2] 30 tot 40 seconden.xvi Verdachte heeft verklaard dat er 20 tot 30 seconden tijd zat tussen het dichtdoen van de deur en het schieten daarop.xvii Verscheidene getuigen hebben twee knallen gehoord. De getuigen hebben allen verklaard dat er enige tussentijd tussen de schoten heeft bestaan.xviii

Verdachte is na het schieten op de voordeur van [adres 1] naar het huis van zijn ex-vriendin [slachtoffer 4] op de [adres 2] te [woonplaats] gereden.xix Uit onderzoek is gebleken dat deze route gemiddeld in achttien tot negentien minuten is af te leggen.xx

Politieagente [slachtoffer 1] achtervolgde de auto van verdachte omdat zij zag dat de auto heel hard reed en slingerde.xxi Uit getuigenverklaringen blijkt dat de twee auto’s met een meer dan gemiddelde snelheid reden.xxii Vaststaat dat de rit eindigde op de [adres 2], omstreeks 22.35 uur.xxiii Verdachte is eerst gestopt.xxiv Verdachte heeft zijn auto niet in een parkeervak geparkeerd, maar met de voorzijde in oostelijke richting neergezet waardoor enkele auto’s in de parkeervakken geblokkeerd werden.xxv Uit onderzoek is gebleken dat alle parkeervakken bezet waren.xxvi De auto van mevrouw [slachtoffer 1] is vlak naast de auto van verdachte gestopt.xxvii Verdachte is als eerste uitgestapt, waarna ook mevrouw [slachtoffer 1] is uitgestapt. De rechtbank gaat er, conform de verklaring van verdachte die wordt ondersteund door getuigenverklaringen, van uit dat verdachte met zijn doorgeladen vuurwapen om zijn auto heen, naar de rechterachterkant van zijn auto is gelopen. Mevrouw [slachtoffer 1] stond toen tussen verdachte en de bestuurdersplek van haar auto in. Eén van de getuigen heeft verklaard dat hun onderlinge afstand 30 centimeter bedroeg en de andere getuige heeft verklaard dat het ging om 1,5 meter. Deze afstanden passen bij voornoemde posities van verdachte en mevrouw [slachtoffer 1] ten opzichte van hun auto’s. Verdachte heeft toen hij bij de rechterachterkant van zijn auto aankwam direct geschoten.xxviii De kogel is de rechterzijde van de nek van mevrouw [slachtoffer 1] binnengedrongen. Heftig bloedverlies in combinatie met bloedinademing en weefselschade ten gevolge van enkelvoudig schotletsel heeft geleid tot het intreden van haar dood.xxix

Het rechterraam van de auto van verdachte alsmede het linkerraam van de auto van mevrouw [slachtoffer 1] waren geopend.xxx De getuige die de auto van mevrouw [slachtoffer 1] heeft weggereden heeft verklaard dat hij niet meer weet of het raam van de auto geopend was toen hij deze wegreed.xxxi

Naast mevrouw [slachtoffer 1] is haar politielegitimatiepas op de grond aangetroffen.xxxii Uit onderzoek is gebleken dat zij deze pas altijd in haar tas had.xxxiii Aangezien haar tas in geopende toestand in de auto lag, heeft zij de pas kennelijk uit haar tas gehaald en mee naar buiten genomen.

Rond 22.42 uur arriveerde de politie op de plaats delict. Even later werd doorgegeven dat de gewonde vrouw een collega was.xxxiv

Nadat hij mevrouw [slachtoffer 1] had neergeschoten, is verdachte met zijn wapen naar de woning van zijn ex-vriendin gelopen. Op de stoep is een kogel met doorlaadsporen gevonden.xxxv Voor de keukendeur lag een magazijn van een vuurwapen op de grond.xxxvi Verdachte heeft zich met geweld de toegang tot de woning verschaft. De poortdeur en de ruit van de keukendeur zijn daartoe verbroken. Verdachte heeft zich daarbij verwond aan de hand.xxxvii In de woning was een bloedsporenbeeld zichtbaar dat past bij een tot bloedens toe verwond persoon die zich, zowel op de beneden als bovenetage, door de woning verplaatst heeft. Hierbij viel op dat de computerkamer op de begane grond doorzocht leek te zijn, er in een besteklade in de keuken bloed zichtbaar was en er in de slaapkamer op de bovenetage een bebloed mes lag.xxxviii In de voorslaapkamer stond het raam aan het hoofdeinde van het bed in open stand. Op het bed waren bebloede contactsporen te zien.xxxix Uit DNA-onderzoek is gebleken dat onder meer de volgende DNA-profielen matchen met het DNA-profiel verdachte: bloed op het vuurwapen, bloed op een kastdeur en bloed op het heft van het mes.xl

Verdachte is op 10 juli 2008 te 2.18 uur in de woning van zijn ex-vriendin aangehouden in de slaapkamer. Tijdens de aanhouding had verdachte zijn rechterhand onder het hoofdkussen. Onder het hoofdkussen werd een vuurwapen met gespannen hamer aangetroffen.xli

3.3.2. Bewijsoverwegingen en waardering van het bewijs

Feiten 4 en 5

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van voormelde bewijsmiddelen, waaronder de ter terechtzitting afgelegde en bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 en 5 telastegelegde heeft begaan.

Feit 3

Ten aanzien van de proefschoten overweegt de rechtbank dat de door de officier van justitie aangehaalde getuigenverklaring te vaag is om vast te stellen dat verdachte op 9 juli 2008 in of bij zijn woning heeft geschoten en dat het hierbij ging om proefschoten.

De rechtbank acht evenmin bewijs aanwezig voor de stelling van de officier van justitie dat verdachte zijn vuurwapen schietklaar heeft gemaakt toen hij voor de woning van zijn ex-vriendin stond. De officier leidt dit af uit de op de stoep aangetroffen patroon met doorlaadsporen. De conclusie van de officier kan echter niet overtuigend worden getrokken uit het hiernaar verrichte onderzoek. xlii. De rechtbank is er, anders dan de officier van justitie, niet van overtuigd dat de in het betreffende proces-verbaal van onderzoek genoemde andere scenario’s zich niet hebben voorgedaan.

De officier van justitie baseert de bewezenverklaring van het onder 3 telastegelegde onder meer op de bedreigingen die verdachte op 9 juli 2008 op de voicemail van zijn ex-vriendin heeft ingesproken. De rechtbank acht de bedreigende voicemailberichten echter niet redengevend voor het onder 3 telastegelegde, nu verdachte zijn ex-vriendin in de maanden voor 9 juli 2008 al vaker heeft bedreigd en aan deze bedreigingen nooit uitvoering heeft gegeven. De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte geuite bedreigingen op zichzelf staan en niet dwingend in verband moeten worden bezien met hetgeen onder 3 is telastegelegd. Zij gaat ervan uit dat het telefoongesprek met zijn zwager [zwager ex-vriendin], wat daarvan de exacte inhoud ook geweest moge zijn, verdachte ertoe heeft gebracht om met zijn geladen vuurwapen naar de omgeving van de ouders van zijn ex-vriendin te gaan.

De tekst van het als feit 3 telastegelegde is echter niet beperkt tot het verwijt dat verdachte al op het moment dat hij zijn woning verliet het voornemen had om zijn ex-vriendin te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank staat het aan een bewezenverklaring van het onder 3 telastegelegde dus niet in de weg dat verdachte op een later moment tot dit voornemen is gekomen.

Verdachte is vanaf de [adres 1] naar de woning van zijn ex-vriendin gereden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij dit deed omdat hij bij haar ‘een zooitje wilde maken’ in die zin dat hij schade wilde toebrengen aan haar woning.xliii De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig en wel op grond van het volgende.

Verdachte is met geweld de woning van zijn ex-vriendin binnengegaan. Gelet op het buiten aangetroffen magazijn van zijn vuurwapen, kan het niet anders dan dat dat wapen onbruikbaar is geraakt toen verdachte met dit wapen het raam van de keukendeur verbrak. Verdachte heeft een mes uit een keukenlade gepakt en zich door de woning verplaatst. In samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen is dit redengevend voor het bewijs van het onder 3 telastegelegde feit. Verdachte heeft geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven maar heeft slechts verklaard dat hij zich niets kan herinneren met betrekking tot het mes. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat verdachte zich enerzijds allerlei details kan herinneren van de periode voor het binnendringen in de woning en van de periode dat hij in de woning was, anderzijds dat hij zich niets herinnert met betrekking tot het mes, dat bloed van verdachte bevatte.Vastgesteld moet worden dat verdachte op dit punt geen volledige openheid van zaken heeft gegeven.

Het feit dat verdachte een mes heeft gepakt en mee naar boven heeft genomen, wijst er op dat verdachte van plan was om zijn ex-vriendin iets aan te doen. Had hij slechts materiële schade willen toebrengen, dan lag een mes niet voor de hand. Zou verdachte zijn ex-vriendin slechts hebben willen bedreigen, dan had het defecte vuurwapen volstaan. Dat verdachte, als hij niet meer beschikt over een functionerend vuurwapen, een mes als nieuw wapen tot zich neemt, wijst er op dat verdachte voornemens moet zijn geweest zijn ex-vriendin in ieder geval zwaar te verwonden. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat onvoldoende vaststaande feiten en omstandigheden aanwezig om tot een bewezenverklaring te komen van zijn voornemen haar van het leven te beroven.

De rechtbank acht, op grond van de in rubriek 3.3.1. genoemde bewijsmiddelen en het voorgaande, bewezen dat verdachte, ter voorbereiding van zware mishandeling met voorbedachten rade van [slachtoffer 4] een vuurwapen en kogelpatronen voorhanden heeft gehad. Dit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving in artikel 303 van het Wetboek van Strafrecht een gevangenisstraf van meer dan acht jaren is gesteld.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het vooronderzoek of het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat verdachte, voordat de deur werd opengedaan door [slachtoffer 2], van plan was om de ouders van zijn ex-vriendin, of andere eventueel in die woning aanwezige personen, dood te schieten. Bij de beoordeling van feit 2 gaat zij daarom uit van hetgeen is gebeurd nadat [slachtoffer 2] de deur heeft dichtgedaan.

Verdachte heeft verklaard dat hij na het sluiten van de deur naar achteren is gelopen, dat hij heeft gekeken waar de ouders van zijn ex-vriendin zich in de woning bevonden en dat hij, toen hij tegelijkertijd [slachtoffer 2] op de trap en [slachtoffer 3] in de woonkamer zag en daarom wist dat zijn kogels hen niet konden raken, tweemaal op de deur heeft geschoten.xliv De rechtbank acht dit kennelijk leugenachtig. Uit onderzoek is immers gebleken dat het niet mogelijk is om vanuit de positie waarin verdachte zich ten tijde van het schieten bevond te zien of er zich iemand op de trap bevindt. Verdachte heeft derhalve niet kunnen vaststellen dat [slachtoffer 2] zich ten tijde van de twee schoten op de trap bevond. Niet is uitgesloten dat verdachte gezien de plaats waar [slachtoffer 3] zich ten tijde van het eerste schot bevond, zoals hij heeft verklaard, heeft kunnen zien waar zij zich ten tijd van het eerste schot in de woning bevond. Uit niets blijkt evenwel dat verdachte zich ten tijde van het tweede schot, dat enige tijd na het eerste is gelost, heeft vergewist van de plaats waar [slachtoffer 3] zich toen bevond. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat verdachte ten tijde van het tweede schot niet wist waar [slachtoffer 3] zich bevond.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte door het schieten met een vuurwapen op de voordeur van de woning van de ouders van zijn ex-vriendin zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] dodelijk getroffen zou worden door de eerste kogel en dat beiden, dan wel een van beiden, dodelijke getroffen zouden worden door de tweede kogel.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte wist dat de tweede haldeur gesloten was en dat niet vaststaat dat de kogels voldoende kracht zouden hebben gehad om personen achter de tweede deur te doden of ernstig te verwonden. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dat uit onderzoek is gebleken dat het mogelijk is dat bij een geringe afwijking de kogels de haldeur niet zouden raken en dat zij daardoor de in het verlengde gelegen woonkamer hadden kunnen bereiken. Van een ondeugdelijke poging is daarom geen sprake, wel van een strafbare poging tot het doden van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

Met betrekking tot de vraag of sprake was van voorbedachte rade overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank gaat er op basis van de in rubriek 3.3.1. genoemde aangifte van

[slachtoffer 2] en de verklaring van verdachte van uit dat er ongeveer 30 seconden tussen het dichtdoen van de deur en het eerste schot zijn verstreken. In de betreffende getuigenverklaringen en aangiften is vermeld dat er enige tijd tussen het eerste en het tweede schot zat. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat er sprake was van ‘boem boem’, dus van het direct achter elkaar afvuren van de twee schoten daarom ongeloofwaardig.

Op grond van de verstreken tijd tussen zowel het dichtslaan van de deur en het eerste schot als tussen de beide schoten verstreken tijd, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit. Er heeft voor verdachte gelegenheid bestaan over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat op grond van deze vaststelling het bestanddeel voorbedachte rade bewezen kan worden verklaard. In tegenstelling tot wat de raadsman heeft betoogd behoeft dus niet vast te staan dat verdachte in deze tijdsperiode daadwerkelijk en voldoende lang heeft nagedacht over zijn voorgenomen daad. Het is naar het oordeel van de rechtbank aan de verdachte om aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. Verdachte is hierin niet geslaagd. Sterker: uit de verklaring van verdachte, dat hij, alvorens te schieten, moeite heeft gedaan om te onderzoeken waar de ouders van zijn ex-vriendin zich in de woning bevonden, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verdachte die gelegenheid heeft gehad.

Op basis van het voorgaande oordeelt de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 2 primair telastegelegde heeft begaan zoals hierna in rubriek 3.3.3. is weergegeven.

Feit 1

De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 1 telastegelegde het volgende.

Nu uit onderzoek is gebleken dat er een causaal verband bestaat tussen het door verdachte geloste schot en het intreden van de dood bij mevrouw [slachtoffer 1], acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd.

Met betrekking tot de vraag of sprake was van voorbedachte rade, en daarmee samenhangend de vraag of verdachte wist dat hij met een politieagente van doen had, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, niet van oordeel dat kan worden vastgesteld dat er, voordat beide auto’s op de [adres 2] tot stilstand kwamen, een moment is geweest waarop verdachte te weten is gekomen dat hij werd achtervolgd en dat dit door een politieagente geschiedde. Uitgaande van de consumptie van enige alcohol en gelet op feit dat hij kort daarvoor op de voordeur op de [adres 1] had geschoten als gevolg waarvan verdachte in een bepaalde gemoedstoestand is komen te verkeren, is niet buiten elke twijfel te stellen dat verdachte wist dat hij gedurende de rit vanaf de [adres 1] naar de [adres 2] werd gevolgd. De door de officier van justitie in dit verband genoemde geopende ramen van beide auto’s leiden naar het oordeel van de rechtbank niet dwingend tot het tegendeel. Immers is niet komen vast te staan op welk moment de beide ramen zijn geopend. Evenmin is duidelijk geworden of verdachte en mevrouw [slachtoffer 1] contact met elkaar hebben gehad voordat beide auto’s op de [adres 2] tot stilstand kwamen.

Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij was gestopt op de [adres 2], niet heeft opgemerkt dat er een auto naast hem was gestopt. Hij zou zijn uitgestapt met een vuurwapen in handen, in de veronderstelling zijnde de gebruikelijke route naar de woning van zijn ex-vriendin te lopen. Vervolgens zou hij in een reflex op een schim hebben geschoten, aldus verdachte.xlv

De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. Verdachte kon, in tegenstelling tot wat hij heeft verklaard, zijn auto niet in een van de parkeervakken plaatsen. Deze waren immers alle bezet op dat moment.

Het waarnemingsvermogen van verdachte was op dat moment intact. Dit volgt al uit de omstandigheid dat hij in staat is geweest om als bestuurder van zijn auto met hoge snelheid zonder incidenten van de [adres 1] naar de [adres 2] te rijden.xlvi Ook is dit af te leiden uit zijn verklaring dat hij heeft gekeken of de auto van zijn ex-vriendin geparkeerd stond en of de lichten in haar woning brandden.

Het kan niet anders dan dat verdachte, op het moment dat hij met zijn auto is komen stil te staan, heeft opgemerkt dat er een auto naast hem tot stilstand is gekomen. Het motorgeluid van die andere auto zal op het late tijdstip in de avond goed te horen zijn geweest. Van andere auto’s met draaiende motoren in de buurt is niet gebleken. Gelet op het tijdstip, zullen de lampen van de auto van mevrouw [slachtoffer 1] ontstoken zijn geweest. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat de auto van mevrouw [slachtoffer 1] snel na de verdachte is aangekomen op de [adres 2].

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen en het voorgaande af dat verdachte, nadat hij met een doorgeladen pistool in de hand was uitgestapt, in de richting van de bestuurder van de andere auto is gelopen en dat hij bewust de confrontatie met die persoon heeft gezocht. De rechtbank acht het aannemelijk dat hij dit heeft gedaan omdat die persoon hem stoorde bij zijn voornemen om zijn ex-vriendin iets aan te doen.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte tijd en gelegenheid had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat gelegenheid heeft bestaan over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank acht voorbedachte rade dan ook bewezen.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 telastegelegde heeft begaan zoals hierna in rubriek 3.3.3. is weergegeven.

De rechtbank overweegt dat als verdachte had geweten dat hij op een politieambtenaar schoot dit een strafverzwarende omstandigheid is. Volgens de officier van justitie is zeer aannemelijk dat mevrouw [slachtoffer 1] zich heeft gelegitimeerd als zijnde een politieambtenaar, nu politieagenten in burger op grond van artikel 2 van de ambtsinstructie voor de politie verplicht zijn om zich te legitimeren. De rechtbank deelt deze mening in zoverre niet, dat deze verplichting niet meebrengt dat in dit concrete geval aangenomen dient te worden dat mevrouw [slachtoffer 1] zich naar verdachte ook daadwerkelijk heeft gelegitimeerd.

Met betrekking tot het feit dat de politielegitimatiepas naast mevrouw [slachtoffer 1] op de grond is gevonden, overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat zij er daadwerkelijk aan is toegekomen om zich te legitimeren.

De officier van justitie heeft voorts aangevoerd dat verdachte in een voicemailbericht aan zijn ex-vriendin tevens de politie met de dood heeft bedreigd. Maar zoals hiervoor is overwogen, staan de bedreigende voicemailberichten naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf, althans leiden deze berichten niet tot de dwingende conclusie dat dit bewijs vormt voor de wetenschap bij verdachte dat hij met een politieagente van doen had.

De officier van justitie heeft er vervolgens op gewezen dat verdachte tegenover het arrestatieteam een aantal uitlatingen heeft gedaan waaruit kan worden afgeleid dat verdachte wetenschap had van het feit dat mevrouw [slachtoffer 1] een politieagente was. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van deze uitlatingen wel worden vastgesteld dat verdachte kort na zijn arrestatie wist dat het om een politieagente ging, maar niet dat hij dit ten tijde van het schieten op mevrouw [slachtoffer 1] wist. Verdachte heeft verklaard dat hij bij het geopende raam in de woning van zijn ex-vriendin heeft gehoord dat het om een collega ging en dat hij politiemensen zag.xlvii Deze verklaring vindt steun in het dossier, aangezien bloed op het bed onder het raam is aangetroffen en uit verklaringen blijkt dat nadat de politie was gearriveerd, het woord ‘collega’ is gebruikt.

Tenslotte heeft de officier van justitie de verklaringen van buurtregisseur [verbalisant 1] en mevrouw [persoon 2] aangehaald waarin is gerelateerd dat zij informatie hebben ontvangen van een Vangnet & Adviesmedewerker, die op zijn beurt in hoedanigheid van psychiatrisch verpleegkundige contact heeft gehad met verdachte. Echter, de verklaring van mevrouw [persoon 2] is een de-auditu verklaring waarvan ter terechtzitting door de Vangnet & Adviesmedewerker is aangeven dat deze op onderdelen niet klopt. De rechtbank acht deze verklaring alsook de verklaring van buurtregisseur [verbalisant 1] onvoldoende betrouwbaar, nu de rechtbank deze verklaringen niet heeft kunnen toetsen omdat de Vangnet- en Adviesmedewerkers zich op hun verschoningsrecht hebben beroepen. Bovendien wijkt de verklaring van [verbalisant 1] zodanig af van hetgeen door de Vangnet- en Adviesmedewerker is verklaard, dat de rechtbank aan deze verklaringen geen overwegende betekenis toekent.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte ten tijde van het schieten wist dat hij met een politieagente van doen had.

3.3.3. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

ten aanzien van het onder 1 telastegelegde:

hij op 9 juli 2008 te [woonplaats] opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel op die [slachtoffer 1] afgevuurd, welke kogel de rechterzijde van de nek van die [slachtoffer 1] is binnengedrongen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

ten aanzien van het onder 2 primair telastegelegde:

hij op 9 juli 2008 te [woonplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, tweemaal met een vuurwapen kogels op de voordeur van de woning gelegen aan de [adres 1] van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft afgevuurd, terwijl die [slachtoffer 2] op dat moment in die woning aanwezig was en éénmaal, met een vuurwapen een kogel op de voordeur van de woning gelegen aan de [adres 1] van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft afgevuurd, terwijl die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op dat moment in die woning aanwezig waren;

ten aanzien van het onder 3 telastegelegde:

hij op 9 juli 2008 te [woonplaats] ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten zware mishandeling met voorbedachte rade van [slachtoffer 4], hetgeen het misdrijf van artikel 303 van het Wetboek van Strafrecht oplevert, opzettelijk voorwerpen, te weten een pistool en kogelpatronen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het onder 4 telastegelegde:

hij op 9 juli 2008 te [woonplaats] een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk Zavodi Crvena Zastava, kaliber 7.62 mm), voorhanden heeft gehad en munitie van categorie III, te weten kogelpatronen, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

ten aanzien van het onder 5 telastegelegde:

hij op 9 juni 2008 en 9 juli 2008 te Amsterdam [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig tegen het leven gericht, immers heeft verdachte telkens door de voicemail van de mobiele telefoon van voornoemde [slachtoffer 4] in te spreken opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd:"Ik zal je stuk maken. Er is niemand om mij tegen te houden. Er is geen uitweg voor jou. Schuil maar waar je wilt. Maakt niet uit waar je bent of met wie je bent." en "Je moet wegwezen, anders moet je vluchten, niemand kan je helpen. Je bent de lul in mijn handen. Want vandaag zal je moeten verhuizen" en (in het Papiamento) "Maar een ding wil ik benadrukken, je valt bij mij onder de Italiaanse wet en dat betekent dat ik je onder mijn hand kapot zou maken" (9 juni 2008) en "Ik schiet je dood. Ik maak je kapot" (9 juli 2008), althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de straf en maatregel

6.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 (moord), 2 primair (poging tot moord, meermalen gepleegd), 3 (voorbereiding van moord), 4 en 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd, om te voorkomen dat verdachte zonder behandeling vrijkomt en in herhaling zal vallen. De officier heeft daarbij gevorderd dat de TBS-maatregel zal aanvangen nadat verdachte tweederde van de gevangenisstraf heeft uitgezeten. De vorderingen benadeelde partij kunnen volgens de officier van justitie geheel worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tenslotte heeft de officier van justitie met betrekking tot het beslag gevorderd dat de auto van verdachte verbeurd wordt verklaard, dat het wapen, de munitie en alle aanverwante sporen worden onttrokken aan het verkeer en dat de overige voorwerpen worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaren.

6.2. Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de door de officier van justitie gevorderde straf heeft de verdediging aangevoerd dat te weinig rekening is gehouden met het feit dat verdachte voor vier van de vijf telastegelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar is verklaard. De verdediging heeft voorts betoogd dat het zwaarwegende consequenties voor de strafmaat moet hebben als de rechtbank niet de officier van justitie maar de verdediging volgt in hetgeen bewezen kan worden verklaard en als niet kan worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het schieten op mevrouw [slachtoffer 1] wist dat zij werkzaam was bij de politie.

De verdediging heeft aangegeven dat zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot oplegging van de TBS-maatregel met dwangverpleging, het beslag en de vorderingen van de benadeelde partijen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen oplegging van straf en maatregel is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Motivering van de op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer 1] doodgeschoten. Hij heeft daarmee een einde gemaakt aan het leven van een jonge vrouw en haar het meest wezenlijke bezit, haar leven, ontnomen. Het benemen van iemands leven is de ernstigste en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven. Verdachte heeft hiermee bovendien onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer, zoals de moeder, de partner en de broer van het slachtoffer in hun slachtofferverklaringen hebben laten verwoorden. Een dergelijk handelen draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en in de samenleving aanwezige gevoelens van angst en onveiligheid worden hierdoor versterkt.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting tevens in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een poging tot moord en aan de voorbereiding van zware mishandeling met voorbedachten rade. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige bedreigingen van zijn ex-vriendin en aan verboden wapenbezit.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging verder rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 juli 2008 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten.

Gelet op de ernst van de feiten, in samenhang bezien met het justitiële verleden van verdachte, kan niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de hierna te bespreken deskundigenrapportage waarin geconcludeerd wordt dat verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 5 telastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar is. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank ook betrokken dat aan verdachte de TBS-maatregel met het bevel tot dwangverpleging wordt opgelegd en dat uit de verklaring ter terechtzitting van psychiater [psychiater] blijkt dat en waarom zij de prognose van (de duur van) de tbs-behandeling van verdachte somber inschat.

De rechtbank is, naast hetgeen hiervoor is aangegeven ten aanzien van de prognose van (de duur van) de op te leggen tbs-maatregel, van oordeel dat, gelet op het feit dat inzake feit 3 niet bewezen is geacht dat sprake was van voorbereiding van moord en dat niet bewezen is verklaard dat verdachte wist dat hij met een politieagente van doen had, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Motivering van de op te leggen maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege

De rechtbank heeft kennis genomen van het pro justitia rapport d.d. 10 december 2008. De rechtbank heeft tevens kennis genomen van het aanvullende pro justitia rapport d.d. 29 april 2009 van het Pieter Baan Centrum, opgemaakt door psycholoog [psycholoog] en psychiater [psychiater]. Dit rapport houdt onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende in:

“Samenvattend is er bij betrokkene sprake van een theatrale en narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken in combinatie met psychopathie. Vastgesteld kan worden dat er sprake is van ernstig alcoholmisbruik dat een functie heeft binnen de persoonlijkheidspathologie. Er is tevens sprake van stemmingsdisregulatie passende bij een bipolaire stoornis type II. Ten tijde van het telastegelegde waren voornoemde stoornissen aanwezig. Het alcoholgebruik in combinatie met somatische factoren (schommelende bloedsuikerspiegel) hebben slechts een faciliterende rol gehad bij het telastegelegde.

Betrokkene was ten tijde van het plegen van de hem onder 1, 2, 3 en 5 telastegelegde feiten lijdende aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, dat deze feiten hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Het onder 4 telastegelegde kan betrokkene volledig worden toegerekend.

De kans op herhaling van soortgelijke delicten is op basis van het klinische oordeel en de risicotaxatie aanwezig. Het recidivegevaar is te onderbouwen door het feit dat betrokkene door zijn storende en ongepaste gewelddadige gedrag agressie tegen zichzelf kan oproepen en dat hij zich vervolgens niet kan onttrekken aan zijn positie, hetgeen ook in de toekomst tot escalaties kan leiden. In het verlengde hiervan wordt een kans op impulsief handelen vergroot door zijn krenkbaarheid, moeite met begrenzing van buitenaf en zijn neiging om maatregelen te nemen door zich te bewapenen tegen een (vermeende of reële) aanval. Daarnaast is het vanuit gedragskundig oogpunt van belang dat door de samenhang tussen de persoonlijkheidsstoornissen, het alcoholmisbruik en de slecht gereguleerde suikerziekte, het beeld nog verder kan verslechteren waardoor het bovengenoemde risico in de toekomst nog kan toenemen. Betrokkene’s alcoholmisbruik is immers verweven met zijn persoonlijkheidspathologie en gebleken is, ook tijdens zijn detentie, dat hij niet gemotiveerd is – ondanks inspanningen daartoe – om zich te laten instellen op insuline.

Gelet op het voorgaande adviseren wij Uw College betrokkene de maatregel van terbeschikkingsstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Voor een behandeling in een minder gedwongen kader (zoals een terbeschikkingstelling met voorwaarden of een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel) ontbreekt bij betrokkene voldoende inzicht in zijn problematiek. Met betrekking tot de behandelbaarheid van betrokkene’s pathologie dient tevens te worden opgemerkt dat de eerdere pogingen om betrokkene te behandelen, deels vrijwillig, deels in het kader van bijzondere voorwaarden, zijn mislukt door het gebrek aan motivatie van betrokkene”.

Gelet op de ernst van de feiten en de inhoud van voornoemd rapport, waarvan de rechtbank de adviezen inzake de toerekeningsvatbaarheid en op te leggen maatregel overneemt, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ter beschikking gesteld dient te worden en van overheidswege dient te worden verpleegd. Aan de eisen die de wet stelt aan het opleggen van de TBS-maatregel, te weten het bestaan van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens, een op het gepleegde feit gestelde gevangenisstraf van vier jaren of meer, en het gevaarscriterium is blijkens voornoemd rapport voldaan. De rechtbank volgt het oordeel van de deskundigen dat behandeling in het kader van TBS met voorwaarden onvoldoende waarborg biedt voor de noodzakelijke behandeling van verdachte teneinde het recidiverisico terug te dringen.

In geval dat er een combinatie van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met de maatregel TBS met dwangverpleging wordt opgelegd, vangt de maatregel in de regel ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Penitentiaire Maatregel aan zodra eenderde van de gevangenisstraf ten uitvoer is gelegd. De rechtbank ziet, mede gezien hetgeen hiervoor is aangegeven ten aanzien van de prognose van (de duur van) de op te leggen TBS-maatregel, geen reden om in deze zaak hiervan af te wijken en wijst het andersluidende verzoek van de officier van justitie dienaangaande derhalve af.

Verbeurdverklaring

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: voorwerp 1 van de aangehechte beslaglijst (personenauto BMW [nummer]), dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het onder 1, 2 primair, 3 en 4 bewezen geachte is begaan.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten voorwerpen 2 tot en met 14 en 22 van de aangehechte beslaglijst, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het onder 1, 2 primair, 3 en 4 bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.411, 85 (tweeduizendenvierhonderdenelf euro en vijfentachtig eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 298,00 (tweehonderdenachtennegentig euro en nul eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 45, 46, 57, 285, 289, 303 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

8. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.3.3. is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

moord;

ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

poging tot moord, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

voorbereiding van zware mishandeling met voorbedachte rade;

ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking gesteld zal worden en beveelt dat hij van overheidswege verpleegd zal worden.

Verklaart verbeurd: voorwerp 1 van de aangehechte beslaglijst.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

Voorwerpen 2 tot en met 14 en voorwerp 22 van de aangehechte beslaglijst.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], domicilie kiezende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 2.411,85 (tweeduizendenvierhonderdenelf euro en vijfentachtig eurocent).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij[benadeelde partij], te betalen de som van € 2.411,85 (tweeduizendenvierhonderdenelf euro en vijfentachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 34 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], domicilie kiezende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 298,00 (tweehonderdenachtennegentig euro en nul eurocent).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij[benadeelde partij], te betalen de som van € 298,00 (tweehonderdenachtennegentig euro en nul eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de teruggave aan de rechtmatige eigenaren conform de aangehechte beslaglijst van de voorwerpen 15 tot en met 21 en de voorwerpen 23 tot en met 68.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. J. Knol en Q.R.M. Falger, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Riani el Achhab, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2009.

i Een proces-verbaal van aangifte van datum 10 juni 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] (doorgenummerde bladzijden 984 tot en met 988).

ii A) Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] van datum 10 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] (doorgenummerde bladzijden 14 tot en met 15); B) Een proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 4] d.d. 24 september 2008 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

iii Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 13 januari 2009.

iv Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 13 januari 2009.

v A) Een proces-verbaal van wapenexpertise van datum 14 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] (doorgenummerde bladzijden 714 tot en met 715); B) Een proces-verbaal van bevindingen van datum 4 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 4].

vi Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 13 januari 2009.

vii Een proces-verbaal van verhoor bij inverzekeringstelling d.d. 10 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 5] (doorgenummerde bladzijden 100 tot en met 101).

viii Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 2 september 2008, opgemaakt door [persoon 3], op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte (doorgenummerde bladzijden 894 tot en met 897).

ix A) Een proces-verbaal van verhoor van getuige [zwager ex-vriendin] van 10 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 6] (doorgenummerde bladzijden 18 tot en met 24); B) Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 13 januari 2009.

x Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 13 januari 2009.

xi Een proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 24 september 2008 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

xii Een proces-verbaal van bevindingen van 6 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaren 7 en 8].

xiii Een proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 24 september 2008 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

xiv Een proces-verbaal van bevindingen van 6 augustus 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaren 9 en 10] (doorgenummerde bladzijden 518 tot en met 523).

xv Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 5 november 2008, opgemaakt door [persoon 4] op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte (doorgenummerde bladzijden 1406 tot en met 1412).

xvi Een proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 24 september 2008 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

xvii Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 13 januari 2009.

xviii A) Een proces-verbaal van verhoor getuige van 18 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 7] en [opsporingsambtenaar 11] (doorgenummerde bladzijden 260 tot en met 262); B) Een proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsabtenaar 28] (doorgenummerde bladzijden 263 tot en met 264); C) Een proces-verbaal van verhoor getuige van 15 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 7] en [opsporingsambtenaar 11] (doorgenummerde bladzijden 265 tot en met 267); D) Een proces-verbaal van verhoor getuige van 2 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 12] en [opsporingsambtenaar 13] (doorgenummerde bladzijden 786 tot en met 788).

xix Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 13 januari 2009.

xx Een proces-verbaal van 27 augustus 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 11] en [opsporingsambtenaar 7] (doorgenummerde bladzijden 711 tot en met 712).

xxi Een proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 14] (doorgenummerde bladzijden 78 tot en met 79).

xxii A) Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 2 september 2008 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank; B) Een proces-verbaal van bevindingen van 13 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 7] (doorgenummerde bladzijden 268 tot en met 272).

xxiii Een proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 7] (doorgenummerde bladzijden 1320 tot en met 1322).

xxiv Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 2 september 2008 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

xxv A) Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 13 januari 2009; B) Een proces-verbaal van sporenonderzoek van 15 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaren 20 en 21] (doorgenummerde bladzijden 825 tot en met 885, zie bladzijde, 827, 835 en 836).

xxvi Een proces-verbaal van bevindingen van 4 maart 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 27] en [opsporingsambtenaar 7].

xxvii A) Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 10 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaren 15 en 16] (doorgenummerde bladzijden 243 tot en met 244); B) Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 24 september 2008 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

xxviii A) Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 24 september 2008 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank; B) Een proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaren 17, 18 en 19] (doorgenummerde bladzijden 113 tot en met 114).

xxix Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 14 augustus 2008, opgemaakt door [persoon 4] op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed/belofte (doorgenummerde bladzijden 1370 tot en met 1374).

xxx Een proces-verbaal van sporenonderzoek van 15 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaren 20 en 21] (doorgenummerde bladzijden 825 tot en met 885, zie bladzijde 827).

xxxi Een proces-verbaal van nader verhoor getuige van 3 april 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 20].

xxxii Een proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 21] (doorgenummerde bladzijden 86 tot en met 87).

xxxiii A) Een proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 22] (doorgenummerde bladzijde 301); B) Een proces-verbaal van bevindingen van 26 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 23] en [opsporingsambtenaar 24] (doorgenummerde bladzijden 929 tot en met 930).

xxxiv Een proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 7] (doorgenummerde bladzijden 1320 tot en met 1322).

xxxv A) Een proces-verbaal van sporenonderzoek van 15 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaren 20 en 21] (doorgenummerde bladzijden 825 tot en met 885, zie bladzijde 828); B) Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 12 september 2008, opgemaakt door [persoon 5] op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte (doorgenummerde bladzijden 909 tot en met 923).

xxxvi Een proces-verbaal van sporenonderzoek van 15 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaren 20 en 21] (doorgenummerde bladzijden 825 tot en met 885, zie bladzijde 828).

xxxvii Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 13 januari 2009.

xxxviii Een proces-verbaal van sporenonderzoek van 15 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaren 20 en 21] (doorgenummerde bladzijden 825 tot en met 885, zie met name bladzijde 832).

xxxix Een proces-verbaal van sporenonderzoek van 15 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaren 20 en 21] (doorgenummerde bladzijden 825 tot en met 885, zie bladzijde 831).

xl Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 12 september 2008, opgemaakt door [persoon 5] op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte (doorgenummerde bladzijden 909 tot en met 923).

xli Een proces-verbaal van aanhouding van 10 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaren 25 en 26], (doorgenummerde bladzijde 97).

xlii Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 30 december 2008, opgemaakt door [persoon 6] op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte (doorgenummerde bladzijden 1520 tot en met 1523).

xliii Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 13 januari 2009.

xliv Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 13 januari 2009.

xlv Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 13 januari 2009.

xlvi Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 13 januari 2009.

xlvii Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 13 januari 2009.

Inzake: [verdachte]

Parketnumer: 13/420961-08(PROMIS)