Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI4291

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
399542, 408048 en 395472
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

derdenbeslag treft een vordering waaraan een pandrecht is verbonden, opvatting van Hoge Raad uit zijn arrest van 11 maart 2005 (NJ 2006,362)

De opvatting van de Hoge Raad uit zijn arrest van 11 maart 2005 (NJ 2006,362) inhoudende dat de derdenbeslaglegger wiens beslag een vordering onder hypothecair verband heeft getroffen, profiteert van de aan de beslagen vordering verbonden hypothecaire voorrang boven andere schuldeisers die verhaal zoeken op het hypothecair verbonden registergoed, heeft evenzeer te gelden indien het derdenbeslag een vordering treft waaraan een pandrecht is verbonden. Immers, de derdenbeslaglegger verhaalt zich niet door incassering van een eigen vordering, maar door inning van de vordering van de beslagdebiteur. Dit heeft tot gevolg dat hij van de aan die vordering verbonden zekerheidsrechten als hypotheek én pand gebruik kan maken. Een andere opvatting zou, zo overwoog ook de Hoge Raad in genoemd arrest, aan het derdenbeslag het niet te rechtvaardigen effect verlenen dat de overige schuldeisers van de derdebeslagene bij de verdeling van de opbrengst van de goederen waar het pandrecht betrekking op heeft, door dat beslag worden bevoordeeld, terwijl diegene ten laste van wie dat beslag is gelegd, gedupeerd wordt door het verval van de aan de beslagen vordering verbonden voorrang.

De mededeling inhoudende openbaarmaking van het pandrecht heeft pas werking, wanneer zij de schuldenaar heeft bereikt. Enkel de verzending van de mededeling (faxberichten) maakt nog niet dat deze faxberichten de schuldenaar (op die dag) daadwerkelijk bereiken en de daarin vermelde mededeling vervolgens van kracht wordt. Ook overige omstandigheden wijzen erop dat geen bekendheid bestond met openbaarmaking van het pandrecht en de sommatie.

De mededeling inhoudende stopzetten van levering en opheffing van leverstop afhankelijk stellen van een (niet op enige afspraak gebaseerde) voorwaarde levert niet-nakoming en verzuim op (artikel 6:83 onder c BW).

De verrekeningen tussen de verschillende vennootschappen zijn gebruikelijk en ook gerechtvaardigd gezien alle feiten en omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2009, 58
JOR 2009/213 met annotatie van A. Steneker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

Vonnis in drie gevoegde zaken van 13 mei 2009

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 399542 / HA ZA 08-1567 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BALD HANDELSONDERNEMING B.V.,

gevestigd te Leek,

eiseres,

hierna te noemen: BHO,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

1. [A],

wonende te --,

hierna afzonderlijk te noemen: [A],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JAYA B.V.,

gevestigd te Laren,

hierna afzonderlijk te noemen: Jaya,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CVG VASTGOED B.V.,

gevestigd te Laren,

hierna afzonderlijk te noemen: CVG Vastgoed,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LUTA B.V.,

gevestigd te Laren,

hierna afzonderlijk te noemen: Luta,

gedaagden,

hierna ook gezamenlijk te noemen: [A] c.s.,

advocaat mr. A. van Hees,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 408048 / HA ZA 08-2615 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LUTA B.V.,

gevestigd te Laren,

eiseres,

hierna te noemen: Luta,

advocaat mr. A. van Hees,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BALD HANDELSONDERNEMING B.V.,

gevestigd te Dongen,

hierna afzonderlijk te noemen: BHO,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ART OF NATURE LEEK B.V.,

gevestigd te Leek,

hierna afzonderlijk te noemen: Art of Nature,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POSTFORMING LEEK B.V.,

gevestigd te Leek,

hierna afzonderlijk te noemen: Postforming Leek,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] BEHEER B.V.,

gevestigd te Leek,

hierna afzonderlijk te noemen: [B] Beheer,

gedaagden,

hierna ook gezamenlijk te noemen: BHO c.s.,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 395472 / 08-1099 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] BEHEER B.V.,

gevestigd te Leek,

eiseres,

hierna te noemen: [B] Beheer,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LUTA B.V.,

gevestigd te Laren,

hierna afzonderlijk te noemen: Luta,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JAYA B.V.,

gevestigd te Laren,

hierna afzonderlijk te noemen: Jaya,

gedaagden,

hierna ook gezamenlijk te noemen: Luta c.s.,

advocaat mr. A. van Hees.

1. De procedures

in de zaak 399542 / HA ZA 08-1567

1.1. Het verloop van deze procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 september 2008;

- het proces-verbaal van comparitie van 16 maart 2009.

in de zaak 408048 / HA ZA 08-2615

1.2. Het verloop van deze procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 januari 2009;

- het proces-verbaal van comparitie van 16 maart 2009.

in de zaak 395472 / HA ZA 08-1099

1.3. Het verloop van deze procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 december 2008;

- het proces-verbaal van comparitie van 16 maart 2009.

1.4. Partijen hebben de rechtbank verzocht in de drie gevoegde zaken van hetzelfde procesdossier uit te gaan. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten in de drie gevoegde zaken

2.1. Dhr. [B] staat als enig bestuurder van [B] Beheer bovenaan de [B] Groep, waaron-der de vennootschappen Bald Group B.V. (hierna: Bald Group), Bald Vastgoed B.V. (hier-na: Bald Vastgoed), Postforming Leek, Hakom Nederland B.V. (hierna: Hakom Nederland), Art of Nature en BHO vallen.

2.2. Bald B.V., een vennootschap die tevens behoorde tot de [B] Groep, is failliet ver-klaard op 1 augustus 2006. De failliete vennootschap is vervolgens doorgestart en inge¬bracht in Bald Productie Dongen B.V. (hierna: BPD), waarvan Luta enig aandeelhouder en bestuurder is. [C], een voormalig werknemer van de [B] Groep, werd op 1 augustus 2006 enig aandeelhouder en bestuurder van Luta.

2.3. De [B] Groep houdt zich hoofdzakelijk bezig met de fabricage en verkoop van (aanrecht)bladen en (onderdelen van) meubels voor de keuken- en meubelindustrie.

Zij levert halffabricaten en materialen aan BPD. BPD draagt zorg voor (af)montage van deze producten en levert deze weer door aan BHO. BHO zorgt vervolgens voor verkoop aan en distributie naar de klant.

2.4. Bij akte van 13 augustus 2006 heeft Luta ten behoeve van [B] Beheer een pand¬recht gevestigd op haar voorraden, alsmede op alle ten tijde van de datum van onderteke¬ning van de akte bestaande vorderingen en alle toekomstige vorderingen die recht¬streeks worden verkregen uit op de datum van ondertekening van de akte reeds bestaande rechts-verhoudingen. Dit pandrecht strekt tot zekerheid van hetgeen [B] Beheer van Luta te vorde-ren heeft uit hoofde van een door [B] Beheer aan Luta verstrekte geldle¬ning van EUR 520.000,00.

2.5. Bij akte van 15 augustus 2006 heeft BPD ten behoeve van Luta een pandrecht ge-ves¬tigd op haar voorraden, alsmede op alle ten tijde van de datum van ondertekening van de akte bestaande vorderingen en alle toekomstige vorderingen die rechtstreeks worden verkre-gen uit op de datum van ondertekening van de akte reeds bestaande rechtsverhoudingen. Dit pandrecht strekt tot zekerheid van hetgeen Luta van BPD te vorde¬ren heeft uit hoofde van een toen door Luta aan BPD verstrekte geldlening van ter grootte van EUR 520.000,00.

2.6. Op 16 augustus 2006 is de vordering van [B] Beheer op Luta met betrekking tot de aan haar verstrekte geldlening gecedeerd aan [D], die Luta gesommeerd heeft tot betaling over te gaan. Vervolgens is deze vordering teruggecedeerd aan [B] Beheer.

2.7. Op 17 augustus 2006 hebben [B] Beheer en Luta een overeenkomst gesloten, waarbij Luta onder meer bedrijfsinventaris huurde van [B] Beheer tegen betaling van EUR 3.750 (exclusief btw) per maand.

2.8. Op 4 september 2006 hebben [B] Beheer en Luta een overeenkomst gesloten, in-houdende – kort gezegd – de verlening van een (terug)kooprecht op de aandelen in (onder meer) BPD. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij vonnis in kort geding van 22 november 2007 de door [B] Beheer gevraagde voorzieningen, inhoudende – kort gezegd – Luta te veroordelen tot overdracht van de aandelen BPD aan haar, afgewezen en over-woog daartoe onder meer:

“Uit artikel 2 van die overeenkomst blijkt dat voor de uitoefening van het kooprecht door [B] een vastomlijnd, schriftelijk uitgewerkt management buy-out plan is vereist, waarin de rollen van [C], [E] en [B] jr. zijn aangegeven. De brief van 1 maart 2007 van O & C Consultancy, waarvan [B] Beheer heeft gesteld dat deze een dergelijk plan bevat, is hiertoe onvoldoende. (…) Aan de voor-waarde uit artikel 2 van de overeenkomst is dan ook niet voldaan. Afgezien daarvan is sprake van een zodanig ingewikkelde en verweven financiële achtergrond tussen partijen, waarbij Luta allerlei verplichtingen is aangegaan, dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor nakoming. Bovendien zijn ook de persoonlijke omstandigheden waaronder de overeenkomst is tot stand geko¬men ingewikkeld, nu Luta wordt bestuurd door de ex-werknemer van [B] Beheer, althans van een onder haar ressorte-rende B.V., en ook een zoon van [B] sr. bij het complex van transacties is betrokken. Naar dit alles is verder onderzoek nodig, waarvoor dit kort geding zich niet leent.”

2.9. Bij e-mailbericht van 17 oktober 2007 heeft [C] aan [B] geschreven dat in opdracht van [B] betalingen zijn verricht aan crediteuren van BPD. [C] geeft aan dat hij met deze betalingen niet akkoord gaat en sommeert [B] deze betalingen te stop¬pen. Op 30 oktober 2007 heeft [C] een brief met inhoud van gelijke strekking verzon¬den aan Control Finance, via welke onderneming dhr. [F] als boekhouder gedeta¬cheerd is bij Postforming Leek.

2.10. Op 24 december 2007 is CVG Vastgoed (destijds CPM Beheer B.V. genaamd) enig aandeelhouder en bestuurder geworden van Luta. Van CVG Vastgoed is Jaya enig aan¬deelhouder en bestuurder, van welke laatstgenoemde [A] weer enig aandeelhouder en be-stuurder is.

2.11. Bij faxbericht van 25 december 2007 heeft [A] (namens zijn vennoot¬schappen Luta, Jaya en het toenmalige CPM Beheer B.V.) aan [B] (namens BHO) me¬degedeeld dat de vorderingen van BPD aan [A] c.s. zijn verpand en dat blijkens de administratie van BPD BHO een bedrag van EUR 1.270.000,00 aan haar verschuldigd is.

2.12. Bij akte, gedateerd 2 januari 2008, hebben [B] Beheer, Bald Vastgoed, Bald Group, Hakom Nederland en Postforming Leek hun vorderingen op BPD aan BHO gece¬deerd, dat wil zeggen die gedeeltes van hun vorderingen die resteren na verrekening van hetgeen zij ieder rechtstreeks aan BPD verschuldigd zijn, hetgeen neerkomt op een totale vordering van BHO op BPD van EUR 1.135.987,93.

2.13. Bij brief van 7 januari 2008 heeft [A] (namens BPD) aan BHO geschre¬ven:

“Met ingang van heden geldt een leverstop van de door ons ten behoeve van u geproduceerde goede¬ren welke wij uitsluitend zullen opheffen indien u de factuurwaarde van de goederen welke wij aan u zouden leveren met de factor 4 vermenigvuldigd aan ons heeft betaald (…).”

2.14. Bij brief van 8 januari 2008 heeft [B] (namens [B] Beheer) aan [A] (namens BPD) geschreven dat BPD van BHO een bedrag te vorderen heeft van

EUR 1.147.671,00 en dat de [B] Groep nog van BPD een bedrag te vorderen heeft van EUR 1.113.951,41. Voorts heeft [B] in deze brief aan [A] geschreven:

“Deze vorderingen werden tot heden altijd in onderling overleg met elkaar verrekend c.q. voldaan.”

2.15. Bij brieven van 9 januari 2008 heeft (de raadsman van) de [B] Groep aan BPD, Luta en [A] bericht dat BPD in verzuim verkeert en dat namens BHO de over¬eenkomsten met BPD worden ontbonden. Bij brief van tevens 9 januari 2008 heeft (de raadsman van) [B] Beheer Luta gesommeerd tot betaling van EUR 17.850,00 in verband met achterstallige huurpenningen met betrekking tot de verhuur van inventaris.

2.16. Bij vonnis van 29 januari 2008 van de rechtbank Breda is de faillissements-

aan¬vraag door BPD voor BHO afgewezen.

2.17. Bij vonnis van 5 februari 2008 van de rechtbank Breda is BPD in staat van faillis-se¬ment verklaard, waarbij tot curator is benoemd mr. P.E. Butterman (hierna: de cu¬rator).

2.18. Bij brief van 6 februari 2008 heeft (de raadsman van) [B] Beheer de huurovereen¬komst met Luta inhoudende de verhuur van inventaris ontbonden.

2.19. Bij brief van 15 februari 2008 heeft [B] Beheer Luta in gebreke gesteld ten aanzien van de terugbetaling van de geldlening en tevens aanspraak gemaakt op het restant hiervan.

2.20. Op 7 maart 2008 heeft [B] Beheer ten laste van Luta onder de curator van BPD conservatoir derdenbeslag doen leggen.

2.21. Op 27 maart 2008 hebben de curator en [B] Beheer (en alle andere rechtsperso¬nen waarin [B] (in)direct zeggenschap heeft) enerzijds en de curator en Jaya en Luta (en alle andere vennootschappen waarin [A] (in)direct zeggenschap heeft) anderzijds overeenkom-sten gesloten onder voorbehoud van goedkeuring van deze overeenkomsten door de rechter-commissaris. In deze overeenkomsten hebben alle partijen ingestemd met vaststelling van de vordering van Luta op BPD van EUR 460.000,00.

Tevens hebben alle partijen ingestemd met uitoefening door Luta van een aan haar toeko¬mend eerste pandrecht op de voorraden, vorderingen en inventaris van BPD.

3. De geschillen

in de zaak 399542 / HA ZA 08-1567

3.1. Na wijziging van eis bij akte vordert BHO bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoer¬baar bij voorraad, [A] c.s. hoofdelijk te veroordelen des dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd:

1. om haar tegen kwijting te betalen een bedrag van EUR 296.502,16, alsmede een be¬drag aan schadevergoeding ter zake van de door haar gederfde winst, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

2. te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

3. met veroordeling van [A] c.s. in de kosten van deze procedure, die van de gelegde beslagen daaronder begrepen.

3.2. [A] c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 408048 / HA ZA 08-2615

3.3. Na wijziging van eis bij akte vordert Luta bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoer¬baar bij voorraad,

Primair

1. BHO te veroordelen tot betaling aan Luta tegen behoorlijk bewijs van kwijting van EUR 987.793,44, te vermeerderen met de wettelijke handelsvertragingsrente vanaf de datum van het uitbrengen van de dagvaarding;

2. Art of Nature te veroordelen tot betaling aan Luta tegen behoorlijk bewijs van kwij¬ting van EUR 40.000,00, te vermeerderen met wettelijke handelsvertragingsrente vanaf de datum van het uitbrengen van de dagvaarding;

3. Postforming Leek te veroordelen tot betaling aan Luta tegen behoorlijk bewijs van kwijting van EUR 14.000,00, te vermeerderen met wettelijke handelsvertragings¬rente vanaf de datum van het uitbrengen van de dagvaarding;

4. [B] Beheer te veroordelen tot betaling aan Luta tegen behoorlijk bewijs van kwij¬ting van EUR 238.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsvertra¬gingsrente vanaf de datum van het uitbrengen van de dagvaarding;

Subsidiair:

1. BHO te veroordelen tot betaling op rekeningnummer 67.98.01.669 t.n.v. mr. P.E. But¬terman q.q. inzake Bald tegen behoorlijk bewijs van kwijting van EUR 987.793,44, te vermeerderen met de wettelijke handelsvertragingsrente vanaf de da-tum van het uitbrengen van de dagvaarding;

2. Art of Nature te veroordelen tot betaling op rekeningnummer 67.98.01.669 t.n.v. mr. P.E. Butterman q.q. inzake Bald tegen behoorlijk bewijs van kwijting van EUR 40.000,00 te vermeerderen met wettelijke handelsvertragingsrente vanaf de datum van het uitbrengen van de dagvaarding;

3. Postforming Leek te veroordelen tot betaling op rekeningnummer 67.98.01.669 t.n.v. mr. P.E. Butterman q.q. inzake Bald tegen behoorlijk bewijs van kwijting van EUR 14.000,00, te vermeerderen met wettelijke handelsvertragingsrente vanaf de datum van het uitbrengen van de dagvaarding;

4. [B] Beheer te veroordelen tot betaling op rekeningnummer 67.98.01.669 t.n.v. mr. P.E. Butterman q.q. inzake Bald tegen behoorlijk bewijs van kwijting van EUR 238.000,00, te vermeerderen met wettelijke handelsvertragingsrente vanaf de datum van het uitbrengen van de dagvaarding;

In alle gevallen (primair en subsidiair):

5. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot hetgeen verschuldigd is, des dat als de een voldaan heeft de ander gekweten zal zijn, dan wel [B] Beheer hoofdelijk te veroor-delen tot hetgeen Art of Nature en BHO uit hoofde van het vonnis verschuldigd zul-len zijn, des dat als de een voldaan heeft de ander gekweten zal zijn;

6. In alle gevallen BHO c.s., zo mogelijk hoofdelijk, te veroordelen in de kosten van deze procedure, die van alle gelegde beslagen daaronder begrepen.

3.4. BHO c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 395472 / HA ZA 08-1099

3.5. [B] Beheer vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voor¬raad:

Ten aanzien van Luta:

I. haar te veroordelen tot betaling van de hoofdsom ad EUR 683.794,85, te vermeer-de¬ren met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

II. te bepalen dat Luta zal dienen te gehengen en gedogen dat [B] Beheer het aan haar toekomende pandrecht middels het aan Luta toekomende pandrecht kan uitoe¬fenen jegens de curator van het in staat van faillissement verklaarde BPD, althans te bepa-len dat Luta zal dienen te gehengen en gedogen dat [B] Beheer in haar hoedanig-heid van beslaglegger gerechtigd is de rechten uit te oefenen voortvloei¬ende uit het aan Luta toekomende pandrecht en op voorraden en debiteuren vorde¬ringen jegens de curator van het in staat van faillissement verklaarde BPD;

III. te verklaren voor recht dat de tussen [B] Beheer en Luta gesloten huurovereen¬komst rechtsgeldig ontbonden is;

IV. met veroordeling van Luta in de kosten van dit geding, waaronder de kosten van de beslaglegging;

Ten aanzien van Jaya:

I. voor recht te verklaren dat de rechtshandeling waarbij de op 12 december 2007 door BPD aan Jaya in pand gegeven vermogensrechten bij schrijven van 3 maart 2008 door [B] Beheer is vernietigd, althans deze verpanding als nietig te verklaren, althans deze verpanding thans te vernietigen;

II. met veroordeling van Jaya in de kosten van dit geding, waaronder de kosten van de beslaglegging.

3.6. Luta c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in de zaak 399542 / HA ZA 08-1567

4.1. BHO stelt dat BPD toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar ver-plichtingen, nu BPD de overeengekomen levering van goederen aan BHO heeft stopgezet. [A] c.s. betwist dat sprake is van wanprestatie en dat buitengerechtelijke ontbinding heeft plaatsgevonden, nu BPD nimmer in verzuim is geraakt.

4.2. De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende. BPD meldt in haar brief van

7 januari 2008 aan BHO dat zij gestopt is met het (op zichzelf verplichte) leveren van goe-deren aan BHO en vervolgens stelt BPD de opheffing van deze leverstop afhankelijk van het door BHO al dan niet voldoen aan de daarin genoemde (niet op enige afspraak gebaseerde) voorwaarde, namelijk betaling door BHO van viermaal de gebruikelijke factuurwaarde aan BPD. Uit deze (uitdrukkelijke) mededeling van BPD dat zij gestopt is met leveren aan BHO, mocht BHO afleiden dat BPD in de nakoming van haar verbintenis zou tekortschieten. Nu zij vervolgens de hervatting van de levering uitsluitend afhankelijk stelt van het al dan niet door BHO voldoen aan de genoemde voorwaarde is niet-nakoming en verzuim van de zijde van BPD zonder meer een gegeven (artikel 6:83 onder c BW).

4.3. Dit verzuim van BPD gaf aan BHO het recht om de overeenkomst te ontbinden (artikel 6:265 lid 2 BW), hetgeen zij heeft gedaan bij brief van 9 januari 2008.

4.4. De rechtbank volgt niet de opvatting van [A] c.s. dat BHO reeds in schuldeisers-verzuim verkeerde, omdat betaling door haar achterwege bleef na de openbaarmaking van het door BPD ten behoeve van Luta gevestigde pandrecht en de daaropvolgende sommatie. Hierbij is het volgende van belang.

[A] c.s. stelt dat hij het pandrecht op 25 december 2007 openbaar heeft gemaakt, middels het zenden van faxberichten op die dag naar drie adressen en biedt van deze stelling uit-drukkelijk bewijs aan. BHO betwist niet de verzending van de faxberichten op genoemde datum, maar stelt dat de mededeling haar pas na haar vakantie, op 7 januari 2008, heeft be-reikt. Een dergelijke mededeling heeft pas werking, wanneer zij de schuldenaar heeft be-reikt. Enkel de verzending van faxberichten maakt nog niet dat deze faxberichten de schul-denaar (op die dag) daadwerkelijk bereiken en de daarin vermelde mededeling vervolgens van kracht wordt.

4.5. Anders dan [A] c.s. leidt de rechtbank uit de beide transcripties van het telefoonge-sprek dat tussen [A] en [B] omstreeks de jaarwisseling 2007/2008 is gevoerd, niet af dat bij [B] reeds bekendheid bestond met de openbaarmaking van het pandrecht en de daaropvol-gende sommatie. Uit de bewoordingen van [B] leidt de rechtbank veeleer af dat [B] het eer-ste weekeinde van 2008 terug zou keren van zijn vakantie, zodat de stelling dat het ver-meende faxbericht pas op 7 januari 2008, de eerste werkdag in het nieuwe jaar (2008), is gelezen, aannemelijk voorkomt.

4.6. De rechtbank zal aan het bewijsaanbod van [A] c.s. voorbij gaan, nu

[A] c.s. heeft nagelaten zijn stelling nader te onderbouwen met voor bewijs vatbare feiten en omstandigheden die, indien bewezen, zouden kunnen bijdragen tot het aannemen van de juistheid van zijn standpunt dat op 25 december 2007 (eerste kerstdag) de mededeling BHO heeft bereikt en het pandrecht openbaar is gemaakt.

4.7. BHO stelt dat gedaagden ([A], Jaya, CVG Vastgoed en Luta) in hun hoedanigheid van (in)direct bestuurder aansprakelijk zijn voor de wanprestatie van BPD.

Deze stelling gaat niet op. De enkele stelling van BHO dat zij de verwachting heeft dat BPD in verband met haar faillissement onvoldoende verhaal zal bieden voor de geleden en nog te lijden schade, is onvoldoende om aansprakelijkheid van de (in)direct bestuurders aan te nemen. Voor aansprakelijkheid van bestuurders geldt dat deze bestuurders een ernstig per-soonlijk verwijt van het onrechtmatig handelen van de door hen bestuurde rechtspersoon moet kunnen worden gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat BHO hieromtrent onvol-doende heeft gesteld.

4.8. Ten slotte heeft BHO nog gesteld dat zij tevens schade heeft geleden door dreige-menten en de aanvraag van haar faillissement door (een aantal van) gedaagden. Hieromtrent heeft BHO opnieuw onvoldoende gesteld en voorts heeft zij ook geen enkel causaal verband aangetoond tussen de vermeende door (de betrokken) gedaagden gepleegde handelingen en de gestelde schade.

4.9. Samenvattend brengt vorenstaande mee dat de rechtbank van oordeel is dat welis-waar BPD toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen jegens BHO, maar dat daarmee niet is komen vast te staan dat gedaagden aansprakelijk zijn voor deze wanprestatie van BPD. Gedaagden zijn ook op de tweede gestelde grond niet aanspra-kelijk jegens BHO.

Vorenstaande brengt mee dat de vorderingen zoals BHO die heeft ingesteld tegen gedaag-den [A] c.s. zullen worden afgewezen.

4.10. BHO zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroor-deeld. De kosten aan de zijde van [A] c.s. worden begroot op:

- vast recht EUR 4.784,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2 punten × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 8.784,00

in de zaak 408048 / HA ZA 08-2615

4.11. Luta vordert in deze procedure op grond van het ten behoeve van haar gevestigde pandrecht door BPD op onder meer alle bestaande en toekomstige vorderingen die recht-streeks worden verkregen uit reeds bestaande rechtsverhoudingen, voldoening van de vorde-ringen die BPD zou hebben op BHO c.s.

4.12. In de eerste plaats is van belang vast te stellen of BPD in rechte (nog) een vorde-ring heeft op BHO c.s. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Vaststaat dat BHO op 31 december 2007 ten behoeve van BPD betalingen heeft gedaan aan crediteuren van BPD en dat deze crediteuren allen vennootschappen betreffen die onder de [B] Groep vallen, te weten [B] Beheer, Postforming Leek, Hakom Nederland en Bald Vast-goed. BHO stelt dat zij deze betalingen aan crediteuren van BPD (met subrogatie als ge-volg) mocht verrekenen met hetgeen BPD van haar te vorderen had.

Voorts heeft BHO bij brief van 8 januari 2008 erkend – na de betalingen op 31 december 2007 – nog EUR 1.147.671,00 aan BPD schuldig te zijn. Verder stelt BHO in deze brief dat BPD aan de [B] Groep nog verschuldigd is een bedrag van EUR 1.113.951,41. Ook ter zake van deze bedragen doet BHO een beroep op verrekening.

4.13. Uit de verklaringen ter comparitie van de boekhouders van zowel de [B] Groep als die van BPD/Luta, maakt de rechtbank op dat de bestaande praktijk was dat de rekening-courantverhoudingen van zowel BHO als BPD op elkaar werden afgestemd. Ook in de ver-schillende e-mailberichten van de boekhouders wordt gesproken over het onderling corrige-ren van rekening-courantverhoudingen. Een en ander wordt tevens geïllustreerd door de uitleg van [B] ter comparitie waarin hij stelt dat een inkomende order – bij de ene vennoot-schap – direct werd afgeboekt bij BPD (de andere vennootschap). Hieruit kan naar het oor-deel van de rechtbank worden afgeleid dat de saldi van de verschillende betrokken vennoot-schappen in de productiekring over en weer met elkaar in overeenstemming werden ge-bracht en dat dit aldus verrekeningen betrof. Een dergelijke praktijk is ook beslist niet onge-bruikelijk bij (alle aanvankelijk tot één groep behorende) vennootschappen die in een door-lopende kring voortdurend zaken doen met elkaar.

4.14. De verscheidene vennootschappen hebben door de productie- en betalingsstroom binnen de kring ([B] Beheer – BPD – BHO) een zekere mate van afhankelijkheid ten op-zichte van elkaar gecreëerd. Had [B] Beheer in het najaar van 2006 nog de verwachting dat zij de zeggenschap in BPD (de vennootschap die was opgericht om de doorstart van haar eigen failliete productievennootschap te faciliteren) zou kunnen verkrijgen, na het vonnis in kort geding eind 2007 werd duidelijk dat de koopoptie als overeengekomen in het contract tussen [B] Beheer en Luta (destijds nog bestuurd door [C]), niet zonder meer kon worden ingeroepen.

Kort daarna verscheen er een nieuwe speler op de markt; [A] trad aan als indirect aandeel-houder en bestuurder van BPD. De afstand tussen BPD en (de vennootschappen uit) de [B] Groep nam toe. [A] heeft [B] Beheer nog een aanbod gedaan om de aandelen in BPD over te nemen, maar dit heeft niet tot overname van de aandelen door [B] geleid. BPD zat als het ware klem tussen de vennootschappen uit de [B] Groep, zij het dat [A] welbewust voor deze situatie heeft gekozen, door als individualist in de kring met [B] vennootschappen te stap-pen. De verhoudingen tussen partijen verslechterden. De gebruikelijke manier van zaken doen (en de bijbehorende afhankelijkheid) bleek niet langer mogelijk. Partijen wensten niet langer op de gebruikelijke basis, maar veeleer op afstandelijke en zakelijke manier met el-kaar af te rekenen. De ene [B] Groep-vennootschap verrichtte betalingen aan andere ven-nootschappen binnen de [B] Groep (en sloeg als het ware BPD over), met als gevolg dat de betalingsstroom binnen de kring bleef doorlopen. Hieruit kan ook het belang van [B] bij het doen van dergelijke betalingen worden afgeleid, nu het varen van een andere koers door een enkele vennootschap een directe bedreiging vormde voor het voortbestaan van haar ven-nootschappen.

4.15. Zo blijft BPD – die tot op heden (indirect) wordt bestuurd door [A], maar thans in staat van faillissement verkeert – een voor [B] belangrijke schakel in de kring van vennoot-schappen. Tegelijkertijd staat de onderlinge (persoonlijke) strijd tussen [A] en [B] de nood-zakelijke samenwerking in de weg. Aldus zijn partijen in een impasse geraakt en zijn zij – ondanks inspanningen van hun raadslieden en de curator – niet in staat gebleken om tot een ontvlechting te komen van de samenwerking zoals die tot op heden is vastgelegd in de struc-tuur van de diverse vennootschappen.

4.16. In het licht van de bovengenoemde feiten en omstandigheden dienen dan ook de ingestelde vorderingen worden beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat het BHO c.s. was toegestaan om tot verrekening over te gaan. De twee e-mailberichten waarin [C] – die op dat moment nog indirect enig aandeelhouder en bestuurder was van BPD – bezwaar maakt tegen de betalin-gen door BHO voor BPD, maken dit niet anders.

Nu niet is komen vast te staan dat BPD thans (nog) een vordering heeft op BHO c.s., dienen de vorderingen van Luta – nu deze zijn gestoeld op dit vermeende aan BPD toekomend recht – te worden afgewezen.

4.17. Luta zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroor-deeld. De kosten aan de zijde van BHO c.s. worden begroot op:

- vast recht EUR 4.784,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2 punten × tarief EUR 3.211,00)

Totaal EUR 11.206,00

in de zaak 395472 / HA ZA 08-1099

De vorderingen tegen Luta

Vordering I (betaling van EUR 683.794,85)

4.18. [B] Beheer vordert van Luta betaling van een bedrag dat is samengesteld uit:

EUR 21.241,50 (achterstand huurpenningen), EUR 498.333,35 (restant uit de overeenkomst van geldlening) en EUR 164.220,00 (factuur voorraad transacties/verleende diensten door [B] Beheer voor Luta).

4.19. Het primaire verweer van Luta ten aanzien van de gevorderde huurpenningen en het restant uit de overeenkomst van geldlening komt er op neer dat betaling in beide geval-len niet (meer) van haar kan worden gevergd. Enerzijds omdat BPD als eigenlijke wederpar-tij bij deze overeenkomsten moet worden aangemerkt en anderzijds omdat [B] Beheer je-gens Luta onrechtmatig zou hebben gehandeld.

4.20. Met betrekking tot de stelling van Luta dat BPD (en niet Luta) de eigenlijke we-derpartij is met betrekking tot de huurovereenkomst en de overeenkomst tot geldlening, overweegt de rechtbank dat Luta in beide gevallen optrad als contractant jegens [B] Beheer. Luta heeft ook erkend dat zij heeft afgelost op de geldlening aan [B] Beheer. Dat Luta er vervolgens voor koos om het geld (door) te lenen en de bedrijfsinventaris (door) te verhuren aan BPD, doet geen afbreuk aan de eigen verplichtingen die Luta is aangegaan jegens [B] Beheer uit hoofde van beide overeenkomsten. Deze opvatting van Luta wordt dus niet ge-deeld.

4.21. Met betrekking tot de stelling van Luta dat [B] Beheer jegens Luta onrechtmatig zou hebben gehandeld voert laatstgenoemde aan dat [B] Beheer haar zorgplicht heeft ge-schonden doordat zij heeft nagelaten in te grijpen bij BHO, nu deze naliet BPD te betalen, maar wel tot betaling aan crediteuren van BPD overging. Zoals reeds volgt uit rechtsover-wegingen 4.13-4.16 is de rechtbank van oordeel dat BHO c.s. gerechtigd was om tot verre-kening over te gaan, zodat de stelling van Luta dat [B] Beheer haar zorgplicht heeft ge-schonden door niet in te grijpen bij BHO, thans geen nadere bespreking behoeft.

4.22. Het primaire verweer van Luta dat betaling van haar niet (meer) kan worden ge-vergd, faalt derhalve. Luta heeft nog opgemerkt dat met betrekking tot de huurovereenkomst één maand teveel huur is berekend. Nu partijen in de huurovereenkomst hebben vastgelegd dat de huurprijs telkens vooraf zou worden voldaan en [B] Beheer bij brief van 6 februari 2008 heeft aangegeven de huurovereenkomst te ontbinden, ligt het in de rede dat Luta over die maand nog huur verschuldigd is aan [B] Beheer.

4.23. Nu de hoogte van de door [B] Beheer gevorderde bedragen voor het overige niet door Luta worden betwist, zal de vordering die ziet op de achterstand van de huurpenningen en het restant uit de overeenkomst van geldlening worden toegewezen.

4.24. Ten slotte vordert [B] Beheer betaling van een factuur. [B] Beheer heeft een aan Luta (ter attentie van [C]) gericht ‘Rapport van bevindingen’ overgelegd, dat is opgemaakt door PricewaterhouseCoopers (hierna: PWC). In dit rapport stelt PWC vast dat uit de voor-raadtransactie tussen Luta en [B] Beheer inzake BPD nog een verplichting resteert aan [B] Beheer van EUR 138.000 (= inclusief btw EUR 164.220,00), die niet in de beginbalans (van Luta) is verwerkt. Nu Luta heeft aangegeven dat de factuur ‘haar bekend is’, maar de fac-tuur hoofdzakelijk wegens onvoldoende bepaaldheid heeft betwist en [B] Beheer vervolgens voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waar deze factuur precies betrekking op heeft, ligt ook dit deel van de vordering voor toewijzing gereed.

Vordering II (pandhouder / beslaglegger)

4.25. [B] Beheer stelt zich op het standpunt dat zij primair als pandhouder en subsidiair als beslaglegger gerechtigd is zich te verhalen op hetgeen de curator van BPD dient uit te keren aan Luta. Dit wordt door Luta gemotiveerd betwist.

4.26. De vraag die eerst ter beoordeling voorligt, is de vraag of het ten behoeve van [B] Beheer door Luta gevestigde pandrecht mede omvat de vordering (inclusief pandrecht) die Luta stelt te hebben op BPD. Het volgende is hierbij van belang.

Uit de op het laatste blad van de pandakte vermelde datum volgt dat de pandakte op 13 au-gustus 2006 is ondertekend door [B] Beheer en Luta. Deze pandakte bepaalt – onder meer – dat Luta als pandgever aan [B] Beheer die vorderingen verpandt die ten tijde van onderteke-ning reeds bestonden of die Luta nog zou verkrijgen uit ten tijde van de ondertekening van de pandakte bestaande rechtsverhoudingen.

4.27. Gesteld noch gebleken is dat Luta op 13 augustus 2006 een vordering had op BPD. Evenmin was er op die datum sprake van een reeds bestaande rechtsverhouding tussen Luta en BPD waaruit de vordering zou worden verkregen. Vaststaat immers dat eerst op 15 au-gustus 2006 (derhalve twee dagen na vestiging van het pandrecht door Luta ten behoeve van [B] Beheer) een overeenkomst tot geldlening tot stand is gekomen tussen Luta en BPD.

4.28. [B] Beheer stelt dat tussen haar en Luta vaststond dat het door [B] Beheer aan Luta verstrekte geldbedrag door Luta zou worden doorgeleend aan BPD en dat uit de administra-tie blijkt dat het door Luta geleende bedrag direct ten gunste kwam van BPD. Tegenover de voldoende gemotiveerde betwisting door Luta van deze stelling heeft [B] Beheer haar stel-ling niet nader onderbouwd en evenmin stukken overgelegd waaruit zulks zou kunnen blij-ken. Nu [B] Beheer aldus, ondanks dat dit wel op haar weg had gelegen, heeft verzuimd haar stelling nader toe te lichten en te onderbouwen gaat deze stelling van [B], reeds bij gebrek aan voldoende feitelijke onderbouwing niet op.

4.29. Uit het voorgaande blijkt dat niet is komen vast te staan dat Luta op 13 augustus 2006 een vordering had op BPD danwel dat op die datum sprake was van een reeds bestaan-de rechtsverhouding tussen deze vennootschappen op grond waarvan een toekomstige vor-dering (alsnog) onder het pandrecht zou komen te vallen. Dit leidt tot de conclusie dat de primaire stelling van [B] Beheer niet opgaat.

4.30. Vervolgens zal worden bekeken of de subsidiaire stelling van [B] Beheer doel treft. Hiervoor is onder meer van belang de vaststelling dat BPD op 5 februari 2008 in staat van faillissement is verklaard, terwijl [B] Beheer op 7 maart 2008 ten laste van Luta onder de curator van BPD conservatoir derdenbeslag heeft doen leggen.

De rechtbank volgt niet de stelling van Luta dat dit door [B] Beheer onder de curator geleg-de beslag is komen te vervallen ingevolge de overeenkomsten van 27 maart 2008, die zijn gesloten tussen de curator, [B] (en zijn vennootschappen) en [A] (en zijn vennootschappen). Uit de overeenkomsten blijkt juist dat nog niet is uitgemaakt wie gerechtigd is het aan Luta toekomende (eerste) pandrecht op de voorraad en vorderingen van BPD uit te oefenen. Evenmin kan uit de overeenkomsten worden afgeleid dat [B] Beheer heeft ingestemd met het verval van beslag of de opheffing hiervan. [B] Beheer heeft dit ter comparitie nog eens expliciet ontkend.

4.31. Vaststaat dat BPD krachtens de overeenkomst van geldlening, waaraan een pand-recht is gekoppeld, een bedrag van EUR 520.000,00 aan Luta verschuldigd is en dat deze vordering door het faillissement van BPD op 5 februari 2008 direct opeisbaar is geworden (artikel 5.1 van de overeenkomst van geldlening). Tevens staat vast dat [B] (en zijn ven-nootschappen) en [A] (en zijn vennootschappen) met de curator op 27 maart 2008 evenwel zijn overeengekomen dat de vordering van Luta op BPD is vastgesteld op EUR 460.000,00, dat deze vordering niet verder zal oplopen en dat Luta een eerste pandrecht heeft op (be-paalde activa van) BPD. Naar het oordeel van de rechtbank is de opeisbare vordering van Luta op BPD – die met instemming van [B] is vastgesteld op een lager bedrag – onder het derdenbeslag van [B] Beheer getroffen.

4.32. In zijn arrest van 11 maart 2005 (NJ 2006,362) heeft de Hoge Raad reeds beslist dat de derdenbeslaglegger wiens beslag een vordering onder hypothecair verband heeft ge-troffen, profiteert van de aan de beslagen vordering verbonden hypothecaire voorrang boven andere schuldeisers die verhaal zoeken op het hypothecair verbonden registergoed.

In de literatuur is betoogd dat bovenstaande opvatting evenzeer te gelden heeft indien het derdenbeslag een vordering treft waaraan een pandrecht is verbonden. De rechtbank deelt deze opvatting. De derdenbeslaglegger verhaalt zich niet door incassering van een eigen vordering, maar door inning van de vordering van de beslagdebiteur. Dit heeft tot gevolg dat hij van de aan die vordering verbonden zekerheidsrechten als pand en hypotheek gebruik kan maken. Een andere opvatting zou, zo overwoog ook de Hoge Raad in genoemd arrest, aan het derdenbeslag het niet te rechtvaardigen effect verlenen dat de overige schuldeisers van de derdebeslagene bij de verdeling van de opbrengst van de goederen waar het pand-recht betrekking op heeft, door dat beslag worden bevoordeeld, terwijl diegene ten laste van wie dat beslag is gelegd, gedupeerd wordt door het verval van de aan de beslagen vordering verbonden voorrang.

Dit leidt tot de conclusie dat [B] Beheer als derdenbeslaglegger gerechtigd is de aan de be-slagen vordering verbonden voorrang van het pandrecht in te roepen. Dit deel van de vorde-ring zal worden toegewezen.

Vordering III (verklaring voor recht)

4.33. [B] Beheer stelt dat zij bij brief van 6 februari 2008 de ontbinding heeft ingeroepen van de huurovereenkomst ter zake de verhuur van bedrijfsinventaris aan Luta.

Nu Luta deze ontbinding niet heeft betwist en zij heeft gesteld dat met het faillissement van BPD (aan wie de bedrijfsinventaris werd doorverhuurd), ook een einde kwam aan de

(onder)huurovereenkomst tussen Luta en BPD, brengt dit mee dat de vordering van [B] Beheer toewijsbaar is.

Vordering IV (proces- en beslagkosten)

4.34. [B] Beheer vordert Luta te veroordelen tot betaling van de beslagkosten.

Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar.

De beslagkosten worden begroot op EUR 296,67 voor verschotten en EUR 2.580,00 voor salaris advocaat (1 rekest x EUR 2.580,00).

4.35. Luta zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroor-deeld. De kosten aan de zijde van [B] Beheer worden begroot op:

- dagvaarding EUR 35,90 (0,5 × 71,80)

- vast recht 2.441,50 (0,5 × 4.685,00 + 99,00)

- salaris advocaat 2.580,00 (0,5 × 2 punten × tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 5.057,40

4.36. Nu Luta verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad, dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij dient in acht te worden genomen of op grond van die omstandigheden het belang van diegene die de veroordeling verkrijgt zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Hierbij geldt dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, in casu [B]

Beheer, wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. Een daartegenover door de wederpartij gesteld restitutierisico dient geconcretiseerd te wor-den. De rechtbank is van oordeel dat de enkele (niet nader onderbouwde) stelling van Luta dat een wijziging in de structuur van de [B] Groep de reële mogelijkheid heeft gecreëerd dat geen verhaal bij een eventueel geslaagd hoger beroep mogelijk zal zijn, onvoldoende ge-wicht in de schaal legt. Dit brengt mee dat de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal worden toegewezen.

De vorderingen tegen Jaya

4.37. [B] Beheer stelt zich op het standpunt dat het ten behoeve van Jaya door BPD ge-vestigde pandrecht paulianeus is, nu het geldbedrag van de aan het pandrecht gekoppelde geldlening nimmer feitelijk ter beschikking is gesteld van BPD. Door het pandrecht kwam Jaya in december 2008, zo stelt [B] Beheer, in een betere positie ten opzichte van de overige crediteuren van BPD. [B] Beheer ondervindt hiervan nadeel.

Jaya voert verweer tegen deze stellingen.

4.38. Gelijk Jaya stelt is de rechtbank van oordeel dat [B] Beheer heeft nagelaten haar stelling te onderbouwen dat zij benadeeld zou zijn in haar verhaalsmogelijkheden als gevolg van het door BPD ten behoeve van Jaya gevestigde pandrecht. Gelet op het overwogene onder 4.30-4.32 is voorts niet komen vast te staan dat [B] Beheer thans nog belang heeft bij deze vordering. De vordering zal worden afgewezen.

4.39. [B] Beheer zal als de jegens Jaya in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Jaya worden begroot op:

- vast recht EUR 2.392,00 (0,5 × 4.784,00)

- salaris advocaat 452,00 (0,5 × 2 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 2.844,00

5. De beslissing

De rechtbank

in de zaak 399542 / HA ZA 08-1567

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt BHO in de proceskosten van [A] c.s., tot op heden begroot op EUR 8.784,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voor-raad,

in de zaak 408048 / HA ZA 08-2615

5.4. wijst de vorderingen af,

5.5. veroordeelt Luta in de proceskosten van BHO c.s, tot op heden begroot op

EUR 11.206,00,

5.6. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voor-raad,

in de zaak 395472 / HA ZA 08-1099

5.7. veroordeelt Luta tot betaling van EUR 683.794,85 (zegge: zeshonderd drieëntach-tigduizend zevenhonderdvierennegentig euro en vijfentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 april 2008 tot de dag der algehele voldoe-ning,

5.8. bepaalt dat Luta zal dienen te gehengen en gedogen dat [B] Beheer in haar hoeda-nigheid van beslaglegger gerechtigd is de rechten uit te oefenen voortvloeiende uit het aan Luta toekomende pandrecht op voorraden en vorderingen jegens de curator van het in staat van faillissement verklaarde BPD,

5.9. verklaart voor recht dat de tussen [B] Beheer en Luta gesloten huurovereenkomst is ontbonden,

5.10. veroordeelt Luta in de beslagkosten van [B] Beheer, tot op heden begroot op EUR 2.876,67,

5.11. veroordeelt Luta in de proceskosten van [B] Beheer, tot op heden begroot op EUR 5.057,40,

5.12. veroordeelt [B] Beheer in de proceskosten van Jaya, tot op heden begroot op EUR 2.844,00,

5.13. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.14. wijst het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Vrakking en in het openbaar uitgesproken op

13 mei 2009.

type: ajr

coll: