Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI4236

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
AWB 08/3121
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Dienst Stadstoezicht heeft eisers auto weggesleept van een tijdelijke laad- en losplaats. Aan het plaatsen van verkeerstekens moet een verkeersbesluit ten grondslag liggen. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn uitleg dat het enkele gegeven dat tijdelijke verkeersmaatregelen regelmatig moeten worden ingesteld reeds daarom een dringende omstandigheid oplevert om daarvan af te wijken. Nu de verkeersborden zonder verkeersbesluit zijn geplaatst, ontbreekt de voor rechtsgevolg vereiste wettelijke grondslag. Eiser heeft dan ook geen bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift overtreden. Daaruit volgt dat verweerder niet bevoegd was tot het wegslepen van eisers auto. Daar komt bij dat de verkeersborden ook in strijd met de daarvoor geldende bepalingen waren aangebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/3121 GEMWT inzake [eiser]

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuider-Amstel van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. E.A.M. Groentjes.

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 27 februari 2008 besloten eisers auto weg te slepen.

Bij besluit van 11 juli 2008 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2009.

Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. E.A.M. Groentjes.

2. Overwegingen

Feiten en achtergronden

2.1. Verweerder heeft in de Deurlostraat ter hoogte van huisnummer 24 te Amsterdam op 27 februari 2008 een (tijdelijke) laad- en losplaats ingesteld door middel van de plaatsing van het verkeersbord E7.

2.2. Volgens een aan eiseres uitgereikt besluit tot toepassing van bestuursdwang heeft verweerders Dienst Stadstoezicht op 27 februari 2008 het voertuig van eiser, voorzien van het kenteken [kenteken], weggesleept omdat het in strijd met artikel 24, eerste lid, sub f, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV) stond geparkeerd op deze tijdelijke laad- en losplaats.

2.3. Eiser voert in beroep aan dat de borden, waarop stond aangegeven dat ter plaatse een wegsleepregeling gold, niet zichtbaar waren toen hij zijn auto in het donker parkeerde. De volgende dag bleek hem ook dat de borden waren aangebracht op een hoogte van ongeveer 1.50 meter in plaats van de wettelijk vereiste 2.20 meter. Ook waren de borden vanuit de positie van bestuurders van voertuigen niet zichtbaar omdat ze aan de achterzijde van bomen waren aangebracht. Voorts voert eiser aan dat verweerder zijn stelling dat sprake was van een spoedeisend geval, waarin mag worden afgeweken van de bepalingen van Hoofdstuk II van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW), niet heeft onderbouwd. Ten slotte vraagt eiser de rechtbank verweerder te veroordelen tot (terug)betaling van de door hem gemaakte proceskosten en de betaalde wegsleepkosten.

2.4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de borden conform de wettelijke regelgeving waren aangebracht. Verweerder wijst er op dat bij tijdelijke verkeersmaatregelen de plaatsing van verkeerstekens op grond van artikel 35 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) kan geschieden zonder een daaraan ten grondslag liggend verkeersbesluit. Ook mag op grond van de Uitvoeringsvoorschrtiften BABW in spoedeisende gevallen van de voorschriften over de plaatsing van verkeersborden worden afgeweken. In Amsterdam worden tijdelijke maatregelen, gezien de regelmaat waarmee deze worden ingesteld, de dringendheid, het korte tijdsbestek en het ontbreken van een andere snelle oplossing, beschouwd als spoedeisende gevallen, aldus verweerder. Hier was sprake van een dergelijk geval en dus konden de borden in afwijking van de in de Uitvoeringsvoorschrtiften BABW aangegeven wijzen worden aangebracht.

Beoordeling van het geschil

2.5. Ingevolge artikel 170, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) behoort tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders de toepassing van bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.

2.5.1. Ingevolge artikel 15 van de WVW dient de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, te geschieden krachtens een verkeersbesluit.

Dit gebod is tevens neergelegd in artikel 12 van het BABW dat bepaalt dat de plaatsing of verwijdering van het bord E7 geschieden krachtens een verkeersbesluit.

2.5.2. Ingevolge artikel 35 van het BABW kan de plaatsing van verkeerstekens, bedoeld in artikel 34, geschieden zonder een daaraan ten grondslag liggend verkeersbesluit.

De in artikel 34 van het BABW genoemde omstandigheden die plaatsing van verkeerstekens zonder verkeersbesluit mogelijk maken zijn:

a. de uitvoering van werken, opdooi, de doorweekte toestand van een weg of weggedeelte, dreigend gevaar of andere dringende omstandigheid van voorbijgaande aard;

b. een door het wegverkeer veroorzaakte ernstige aantasting van voorbijgaande aard van de in het tweede lid, onder a, van artikel 2 van de wet genoemde belangen.

2.6. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn uitleg dat het enkele gegeven dat tijdelijke verkeersmaatregelen regelmatig moeten worden ingesteld reeds daarom een dringende omstandigheid oplevert als bedoeld in artikel 34 van het BABW. Naar het oordeel van de rechtbank kan het korte tijdsbestek waarin de maatregel soms moet zijn opgezet, of het ontbreken van een andere snelle oplossing, op zich evenmin leiden tot de conclusie dat sprake is van een dringende omstandigheid. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd niet kunnen toelichten waaruit de dringendheid voor het in dit geval instellen van een tijdelijke laad- en loshaven aan de Deurlostraat ter hoogte van huisnummer 24 te Amsterdam was gelegen. Dit betekent dat niet is gebleken dat de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 35 van het BABW zich heeft voorgedaan en de verkeersborden ingevolge artikel 15 van de WVW had dienen te geschieden krachtens een verkeersbesluit. Nu de betreffend verkeersborden in dit geval zonder verkeersbesluit zijn geplaatst, ontberen deze verkeerstekens de voor rechtsgevolg vereiste wettelijke grondslag. Eiser heeft dan ook geen bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift overtreden. Daaruit volgt dat verweerder niet bevoegd was tot het wegslepen van eisers auto.

2.7. Daar komt bij dat betreffende verkeersborden tevens in strijd met de daarvoor geldende bepalingen waren aangebracht.

2.7.1. In de hoofdstukken II en III van de Uitvoeringsvoorschriften BABW zijn voorschriften neergelegd omtrent de toepassing, plaatsing en uitvoering van verkeerstekens.

Ingevolge hoofdstuk II, § 2, onder 12, onder A, van de Uitvoeringsvoorschriften BABW bedraagt de hoogte van de onderkant van het bord ten opzichte van het wegdek binnen de bebouwde kom minimaal 2.20 meter.

2.7.2. In hoofdstuk I, § 3, onder 5, van de Uitvoeringsvoorschriften BABW is bepaald dat bij de tijdelijke toepassing van verkeersborden overeenkomstig het bepaalde in pararaaf 8 van het BABW, waarin onder meer de artikelen 34 en 35 zijn opgenomen, in spoedeisende gevallen van de voorschriften in de hoofdstukken II en III mag worden afgeweken.

Zoals hierboven overwogen was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een spoedeisende situatie. Dit betekent dat verweerder de verkeersborden op een hoogte van minimaal 2.20 meter had moeten aanbrengen. Niet in geschil is dat de verkeersborden op ongeveer 1.50 meter hoogte waren geplaatst. Dit betekent dat de verkeersborden in strijd met de wettelijke voorschriften - en daardoor minder goed zichtbaar - waren aangebracht.

2.8. Gelet op bovenstaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, omdat het niet berust op een deugdelijke motivering en daarom in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.9. De rechtbank zal, omdat verweerder niet bevoegd was eisers auto weg te slepen, met verwijzing naar artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 27 februari 2008 te herroepen.

2.10. Voor de door eiser gevraagde veroordeling van verweerder in proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding. Ingevolge artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een dergelijke veroordeling uitsluitend betrekking hebben op de kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu eiser het beroepschrift zelf heeft ingediend en zelf ter zitting is verschenen is er geen vergoeding mogelijk.

2.11. Verder is de rechtbank niet bevoegd verweerder te gebieden de door eiser betaalde wegsleepkosten aan hem te restitueren.

2.12. Nu de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaart, houdt deze uitspraak op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb tevens in dat de gemeente Amsterdam het door eiser betaalde griffierecht van € 145,- moet vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 27 februari 2008;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door eiser betaalde griffierecht ad € 145,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H. van Hoeven, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2009.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB