Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI3717

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
14-05-2009
Zaaknummer
parketnummer 13-527312-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Amsterdam heeft een 35-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren voor (onder meer) poging tot verkrachting en verkrachting van een 27-jarige vrouw op de Herengracht in Amsterdam op 29 oktober 2008.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 316
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2009/231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/527312-08 (PROMIS)

Datum uitspraak: 13 mei 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] 1974,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Het Schouw” te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 april 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. P. van Laere, en van hetgeen door verdachte en diens raadsman, mr. B. Vink, naar voren is gebracht.

Aangeefster heeft als slachtoffer ter terechtzitting gebruik gemaakt van het spreekrecht door middel van het doen voorlezen van een schriftelijke verklaring. Mr. R.A. Korver heeft voorts namens aangeefster als benadeelde partij het woord gevoerd.

1. Tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 januari 2009. In de dagvaarding is verdachte aangeduid als [alias], geboren te Napels (Italië) op 27 maart 1973. Verdachte heeft ter terechtzitting van 29 april 2009 aanvankelijk opnieuw meegedeeld [alias] te zijn geheten, maar na geconfronteerd te zijn met de bevindingen van de Nederlandse liaison te Marokko heeft verdachte verklaard onjuiste gegevens omtrent zijn identiteit te hebben verstrekt. Hij heeft verklaard in werkelijkheid [verdachte] te zijn, geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] 1974, een en ander overeenkomstig voornoemde bevindingen. De rechtbank zal uitgaan van deze laatste persoonsgegevens.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 29 oktober 2008 te Amsterdam (aan de Herengracht), in elk geval op de openbare weg met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas en/of twee, althans een ring(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of

gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en / of het bezit van het gestolene te verzekeren, en/of met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas en/of twee, althans een ring(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte die [slachtoffer] bij de schouderband van haar tas heeft vastgepakt en/of die [slachtoffer] (met kracht) tegen een muur heeft geduwd en/of die [slachtoffer] heeft klem gezet tegen een muur en/of de tas over het hoofd van die [slachtoffer] heeft getrokken en/of die [slachtoffer] bij haar hand heeft vastgepakt en/of de ring(en) van haar vinger(s) heeft getrokken en/of geschoven;

Artikel 312/317 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 29 oktober 2008 te Amsterdam (tussen 01.00 uur en 03.00 uur) ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of met een (andere) feitelijkheid [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, opzettelijk (nadat hij, verdachte de geweldshandelingen heeft gepleegd zoals omschreven in feit 1 van de tenlastelegging) die [slachtoffer] bij haar broek heeft vastgepakt en/of vervolgens de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] in een ruk naar beneden heeft getrokken en/of die [slachtoffer] tegen een trap heeft geduwd en/of met zijn ontblote onderlichaam boven die [slachtoffer] is gaan hangen en/of zijn stijve penis naar de vagina van die [slachtoffer] heeft geleid (om in de vagina van die [slachtoffer] te kunnen binnendringen) en/of zijn stijve penis tegen de binnenzijde van de bovenbenen van die [slachtoffer] heeft geschoven;

Artikel 242 jo. 45 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 29 oktober 2008 (tussen 01.00 uur en 03.00 uur) te Amsterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij (nadat hij, verdachte de geweldshandelingen heeft gepleegd zoals omschreven in feit 1 van de tenlastelegging) die [slachtoffer] door haar bij haar hoofd vast te pakken en/of door haar jas open te rukken en/of haar truitje en/of hemdje omhoog te trekken gedwongen om te dulden dat hij zijn tong in haar mond binnen bracht en/of haar op haar gezicht en/of mond zoende en/of haar bij/in haar borsten vastpakte en/of wreef en/of kneep;

Artikel 246 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 29 oktober 2008 (tussen 01.00 uur en 03.00 uur, in ieder geval op een tijdstip gelegen na feit 2) te Amsterdam door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnen¬dringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte (nadat hij, verdachte de geweldshande¬lingen heeft gepleegd zoals omschreven in feit 1 en/of feit 2 van de tenlastelegging) die [slachtoffer] in een hoek geduwd tussen een trap en muur en/of die [slachtoffer] bij haar shawl vastgepakt en/of de shawl rond haar nek aangetrokken en/of de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] in een ruk naar beneden getrokken en/of die [slachtoffer] bij hem op schoot getrokken en/of die [slachtoffer] met zijn vinger(s) (hard) over haar vagina gewreven en/of zijn vinger(s) in haar vagina naar binnen gebracht en/of zijn penis tegen de mond van die [slachtoffer] geduwd en/of zijn penis in haar mond binnengebracht;

Artikel 242 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 29 oktober 2008 (tussen 01.00 uur en 03.00 uur, in ieder geval op een tijdstip gelegen na feit 2) te Amsterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of met een (andere) feitelijkheid [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam (te weten het brengen van zijn penis in haar vagina), opzettelijk (nadat hij, verdachte de geweldshandelingen heeft gepleegd zoals omschreven in feit 1 en/of feit 2 van de tenlastelegging) die [slachtoffer] in een hoek tussen een trap en muur heeft geduwd en/of die [slachtoffer] bij haar shawl heeft vastgepakt en/of de shawl rond haar nek heeft aangetrokken en/of in een ruk haar broek en/of onderbroek naar beneden heeft getrokken en/of zijn eigen broek en/of onderbroek naar beneden heeft getrokken en/of die [slachtoffer] bij hem op schoot heeft getrokken en/of die [slachtoffer] bij haar schouders heeft vastgehouden en/of heeft geprobeerd om zijn stijve penis in haar vagina binnen te brengen;

Artikel 242 jo. 45 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 29 oktober 2008 te Amsterdam met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 960 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte (nadat hij, verdachte de geweldshandelingen heeft gepleegd zoals omschreven in feit 1 en/of feit 2 en/of feit 3 van de tenlastelegging) die [slachtoffer] (aldus) heeft gedwongen haar pincode in zijn telefoon in te toetsen en/of terwijl hij de hand van die [slachtoffer] vasthield naar de pinautomaat(en) op het Leidseplein is gelopen en/of vervolgens die [slachtoffer] heeft gedwongen geld op te nemen en/of het geldbedrag aan hem, verdachte af te geven;

Artikel 317 Wetboek van Strafrecht

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid dagvaarding, bevoegdheid rechtbank en schorsing van de vervolging

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

2.2. Ontvankelijkheid officier van justitie

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat, voor zover in de dagvaarding cumulatief ten laste zijn gelegd een poging tot verkrachting en een voltooide verkrachting, dit tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie moet leiden. Volgens de raadsman is het niet mogelijk om zowel de poging als het voltooide delict bewezen te verklaren.

De officier van justitie heeft betoogd dat het bij het onder 2 en 3 tenlastegelegde gaat om afzonderlijke handelingen, die elk op een andere locatie en op een ander moment hebben plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de omschrijving van de ten laste gelegde feiten onder 2 en 3 voldoende duidelijk dat het om afzonderlijke feiten gaat. Het betreft verweten gedragingen op twee verschillende momenten en op twee verschillende locaties, welke in geval van een bewezenverklaring twee afzonderlijke strafbare feiten opleveren. Dat tussen de tenlastegelegde poging tot verkrachting en de tenlastegelegde voltooide verkrachting een relatief korte tijd heeft gezeten, doet hieraan niet af.

Voor zover onder feit 3 zowel verkrachting als poging tot verkrachting ten laste is gelegd, kan dat evenmin het door de raadsman bepleite gevolg van niet-ontvankelijkheid hebben. De verkrachting enerzijds – die onder meer is omschreven als het “zijn vinger(s) in haar vagina naar binnen brengen en/of zijn penis in haar mond binnenbrengen” – en de poging tot verkrachting anderzijds – die is omschreven als de poging om “zijn stijve penis in haar vagina binnen te brengen” – hebben immers elk betrekking op andere feitelijke gedragingen. De rechtbank vermag niet in te zien waarom deze feiten niet cumulatief ten laste kunnen worden gelegd.

De rechtbank stelt derhalve vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

3. De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

3.1. De aangifte

Aangeefster heeft verklaard, zakelijk weergegeven :

Op dinsdag 28 oktober 2009 omstreeks 21.30 uur verliet ik mijn woning. Ik had met een vriendin afgesproken. Wij liepen naar café Schiller op het Rembrandtplein. Ik dronk vijf glazen wijn. Na sluitingstijd verlieten wij het café. Ik liep samen met [naam 1] op. Ik liep met [naam 1] het Rembrandtplein over om via de Reguliersdwarsstraat te lopen in de richting van het Koningsplein. Eenmaal op het Koningsplein liep [naam 1] via het Singel door in de richting van Amsterdam-West. Ik ging linksaf de Herengracht op in de richting van de Vijzelgracht.

Ik vermoed dat ik ongeveer op tweederde van de afstand tussen de Leidsestraat en de Nieuwe Spiegelstraat liep toen een mij onbekende man mij tegemoet kwam lopen. Ik vermoed dat het inmiddels 01.30 uur was. Nog voor de man mij passeerde, hoorde ik deze man iets zeggen. Ik kon hem niet verstaan. Ik zag dat de man een pakje sigaretten vasthield. Ik vermoedde dat de man mij mogelijk om een vuurtje vroeg. Ik zei tegen de man dat ik geen vuurtje had, omdat ik niet rookte. Op dat moment stonden wij naast elkaar stil.

Ik zag en voelde dat de man plotseling de schouderband van mijn tas beetpakte. Ik vermoedde dat de man mijn tas wilde hebben. Ik pakte de band van mijn tas krampachtig vast en zei ook dat ik dat niet wilde hebben. De man hield de schouderband vast en vanwege het door hem uitgevoerde geweld werd ik als het ware verplaatst in de richting van de huizen. De man had de schouderband vast op borsthoogte. Ik hoorde de man zeggen: “Geef die tas” of iets dergelijks. De man herhaalde dit nog een keertje.

Ik zag en voelde dat de man mij met kracht tegen de muur aanduwde. Ik zag de gezichts-uitdrukking van de man veranderen, het leek mij wel dat de man serieus werd. Hij zette mij klem tegen de muur. Dit gebeurde op een hardhandige manier. Ik voelde mij angstig worden en liet de tas los, het hengsel van de tas was imiddels al over mijn hoofd geschoten. Ik zag dat de man de schouderband van mijn tas over zijn schouder sloeg. Hij deed mijn tas gewoon om.

De man ging maar niet weg. Ik hoorde de man iets zeggen: “…vijf minuten” en “...je krijgt je tas terug.” Ik verstond de man heel slecht. Zijn Nederlands was slecht. Ik kon niet weglopen, ik kon de man niet passeren. De afstand tussen de man en mij was te klein. De man hield een vreemde blik in zijn ogen.

Op dit moment passeerden ons mensen op de fiets. Ik wilde niet keihard om hulp roepen, dat durfde ik niet. Ik ging wel luider praten in het Engels. Ik had de hoop dat andere mensen mij zouden horen.

Ik zag en voelde dat de man de zakken van mijn jas doorzocht. Hij stond zodanig voor mij dat ik niet weg kon.

Ik zag en voelde dat de man mijn linkerhand beetpakte en een ring, die ik om mijn ringvinger droeg, van mijn vinger afschoof. Ik heb niet gezien waar de man de ring stopte. Het betrof een witgouden ring, redelijk hoekig van model.

Ik hoorde de man steeds maar iets zeggen over vijf minuten. Ik begreep hem niet, totdat ik door kreeg dat hij seks met mij wilde hebben. Ik zag en voelde dat de man mij wild op mijn gezicht begon te zoenen. Hij zoende op en rond mijn mond. Ook bracht hij zijn tong in mijn mond naar binnen. Ik wilde dat niet. De man moest echt moeite doen om met zijn tong in mijn mond te komen. Tijdens het zoenen hield de man mijn hoofd met beide handen vast.

Ik zag en voelde dat de man vervolgens de sluiting van mijn jas in een ruk openmaakte. Mijn jas heeft een drukknopjes sluiting. Ik zag en voelde dat de man met beide handen en met veel kracht onder de door mij gedragen trui en hemdje voelde aan mijn borsten. Hij greep naar mijn borsten en ging wild met zijn handen heen en weer. Ik was gigantisch bang, ik kon niet meer helder nadenken. Het deed ook pijn.

Aansluitend zag en voelde ik dat de man de riem, die om mijn spijkerbroek zat, losmaakte. Het was een oude, smalle, goudkleurige riem. Vervolgens maakte de man de knoop van mijn spijkerbroek los. De rits volgende aansluitend. Ik zag en voelde dat de man mijn spijkerbroek aan de bovenzijde beetpakte en die in een ruk naar beneden trok. De door mij gedragen onderbroek ging eigenlijk in deze beweging mee. De (onder)broek hingen nu ter hoogte van mijn knieën. Ik stond nu met ontbloot onderlichaam voor de man.

Ik zag dat de man zijn broek had losgemaakt. Ik zag het geslachtsdeel van de man, hij had een stijve penis. Ik zag en voelde dat de man mij tegen een trap aanduwde. Het betrof volgens mij een trap naar een bordes, naar een toegangsdeur toe. Ik hing als het ware ruggelings tegen de onderste treden van de trap aan. Ik zag dat de man boven mijn lichaam hing en aansluitend poogde om zijn penis in mijn vagina te duwen. Hij deed dit redelijk hardhandig en de man gaf het ook snel op. De man kon mij niet penetreren. Ik voelde zijn stijve penis tussen de binnenzijde van mijn bovenbenen schuiven. Toen de man opstond, maakte hij zijn kleding in orde. Ook ik stond vlug op, trok mijn broek omhoog en deed hem dicht.

Ik zag en voelde dat de man mijn rechterarm beetpakte bij de bij mouw van mijn jas en mij meetrok over de Herengracht in de richting van de Leidsestraat. Ik hoorde de man iets zeggen over een taxi. Ik vermoedde dat de man mij met een taxi ergens anders naartoe wilde brengen, niet naar huis. Ik was bang en had ook nog steeds de controle niet terug. Ik had het idee dat de man mij twee “trapblokken” verplaatste. Niet alle panden hebben trappen aan de buitenzijde. Wij hielden stil op de plaats waar de politie later mijn mobiele telefoon terugvond.

Ik zag en voelde dat de man mij duwde in een hoek tussen een trap en een muur. De man dwong mij om op die trap te zitten. Ik zei tegen die man dat hij mij met rust moest laten. Ik hoorde die man weer iets zeggen in het Nederlands, weer iets over die vijf minuten. Ik zag dat de man een beweging maakte alsof hij iets uit zijn rechter jaszak pakte. Hij verplaatste zijn hand in een snelle boogbeweging in de richting van mijn hals. Ik voelde iets duwen in mijn nek, door mijn jaskraag en shawl heen. Ik voelde mij bedreigd, meer door de man dan door de handeling. De man maakte een beweging alsof hij het voorwerp terugdeed in zijn jaszak.

Ik zag dat de man geïrriteerd raakte, hij keek kwaad. Ik zag en voelde dat de man mijn shawl beetpakte en met beide handen de shawl stevig aantrok. De man trok de knoop in de shawl aan. Ik kreeg eventjes tekort aan adem. Ik had het idee dat de man mij iets zou kunnen gaan aandoen.

De man begon opnieuw. De man trok heel erg hard aan mijn riem, zodanig dat hij in een klap uit mijn broek vloog. De man trok mijn (onder)broek weer naar beneden. De man nam nu iets meer tijd om mijn broek lager te krijgen dan de eerste keer. De broek kwam tot ongeveer halverwege mijn kuiten. Ik zag dat de man zijn broek naar beneden trok tot op zijn enkels. Ik zag en voelde dat de man mij redelijk hardhandig van de trap aftrok. Ik hing daar tegenaan. De man ging zitten en trok mij als het ware op schoot. Ik zat met mijn rug in de richting van zijn gezicht. De man hield mij bij mijn schouders vast.

De man probeerde mij vaginaal te penetreren. Ik voelde een erectie. Het lukte hem wederom niet. Dit ligt waarschijnlijk aan de hoek waarin wij ons bevonden. Ik voelde de man keihard wrijven langs mijn vagina. Ik voelde een vinger van de man naar binnen gaan. De man deed dit hardhandig en ik voelde ook pijn. Ik realiseerde mij eigenlijk toen pas dat ik ongesteld was. Ik vertelde de man ook dat ik ongesteld was. De man reageerde niet, maar hield wel op met zijn handelen. De man duwde mij van zijn schoot af, zijdelings de trap op. De man duwde mij aansluitend met mijn ontblote onderlichaam op een trede van de trap. De man ging voor mij staan. Ik zag en voelde dat de man zijn penis tegen mijn mond aanduwde met zijn hand. Ik begreep waar de man naartoe wilde, maar kon niet (NB de rechtbank voegt zelf het woord “niet’ toe omdat uit de aangifte blijkt dat aangeefster dit bedoelde te zeggen en per abuis dit woord niet is opgenomen in haar aangifte) bedenken hoe ik daar onderuit kon komen. Ik heb de man toen maar gepijpt. Ik hield mijn hand om zijn penis geklemd zodat ik nog enigszins controle over de situatie had. De man trok mijn hand op een gegeven moment wel weg. Toen de man mijn hand wegrukte, maakte hij de heen en weer gaande bewegingen met zijn penis in mijn mond. Eerst hield hij mijn hoofd vast met beide handen en maakte hij die bewegingen. Ik moest bijna overgeven, omdat hij zo gigantisch ruw heen en weer ging en de achterwand van mijn keel beroerde. Kort hierna kwam de man klaar in mijn mond. De man kreunde lichtjes, maar zei niets. Ik spuugde het sperma uit op de grond. Op de rechterzijde van mijn trui zit mogelijk zijn sperma. Dat zou goed kunnen want mijn jas stond open.

Ik zag dat de man zijn broek onmiddellijk omhoog trok. Ik maakte zelf mijn broek dicht. De man zag toen kennelijk mijn andere ring en trok die van mijn vinger af. Het was een geelgouden solitair ring met een zilveren zetting en daarin een diamant. Ik zag niet waar de man mijn ring stopte.

Ik zag dat de man mijn tas openmaakte. De man pakte mijn portemonnee uit de tas. Ik zag dat de man mijn postbank pinpas pakte. De man vroeg in het Nederlands om de pincode. Ik gaf de man mijn pincode. De man gaf mij zijn mobiele telefoon van het merk Samsung. Een gedeelte van de telefoon kun je uitschuiven. Ik moest mijn pincode intoetsen in het algemeen scherm.

Inmiddels liepen we, de man hield mijn hand vast. Ik kon nauwelijks meer staan van de shock. We liepen de Herengracht af en staken de Leidsestraat over. De man ging maar door over de pincode en vroeg naar het saldo.

Gekomen op de hoek Leidsegracht/Herengracht begon de man te praten over een taxi. Hij zag een taxi rijden. De man floot op zijn vingers om de taxi te alarmeren. Toen de taxi naast ons stond, zei de man dat ik stil moest zijn en in de taxi moest stappen. Ik zei heel hard tegen de man dat ik niet in de taxi zou stappen. Ik zag de man gebaren dat de taxi kon doorrijden.

De man sleurde mij weer mee. De man vroeg aan mij bij welke bank ik zat. Hij vroeg dat weer in het Engels. Ik antwoordde bij de Postbank. Ik had de indruk dat de man niet wist wat de Postbank was. We waren inmiddels dicht bij het Leidseplein. We liepen in de Leidsestraat. Ik durfde op dat moment nog niet te vluchten. Ik zocht in feite een stilstaande groep mensen. Ik was van mening dat ik bij zo’n groep mensen de meeste kans had.

Op het Leidseplein nabij een hoek zitten twee automaten naast elkaar, links ABN en rechts een van de Postbank. De man duwde mijn bankpas in de automaat van de ABN. Ik voerde de code en een bedrag in, waarschijnlijk duizend euro.. De man stond pal naast mij en controleert de pincode die ik invoerde. Ik beëindigde de transactie

Aansluitend ging ik naar de naastgelegen automaat van de Postbank. De man zei dat ik alles moest opnemen. Ik toetste volgens mij ook een bedrag van 1000 euro in. Dan krijg je uitleg dat je maar een bepaald bedrag kan opnemen. In dit geval 964 euro en nog wat. Ik toetste 960 euro in. De machine betaalde vervolgens 960 euro uit. Ik zag dat de man de pas en aansluitend het geld uit de automaat pakte. Ik zag dat de man het geld in mijn tas stopte, die om zijn schouder hing.

De man liep vervolgens met mij, vasthoudend, wederom de Leidsestraat in. De man begon weer te praten over de taxi. Op dat moment zag ik een groepje mannen staan, vier of vijf. Het waren Engelse toeristen. Ik schatte de mannen niet te jong in en zij zagen er stevig uit. Ik rukte mij los. Hij had toen mijn pols vast. Ik rende weg naar de groep toe. Ik greep een van die mannen vast. Die man vroeg in de Engelse taal of ik hulp nodig had. Ik antwoordde: “Ja.”

Ik zag de man weglopen de Leidsestraat in met een redelijk versnelde pas. Ik hoor de man nog iets onaardigs schreeuwen. Iets van “bitch”.

De man die ik had beetgepakt, bracht mij naar het politiebureau Lijnbaansgracht. Ik vertelde de man dat ik was aangevallen.

3.2. Verklaring verdachte

Verdachte heeft in eerste instantie bij de politie verklaard zich niet of nauwelijks iets te kunnen herinneren van de bewuste nacht, maar zich wel te herkennen op de afbeelding van een opname die is gemaakt ten tijde van de handelingen bij de pinautomaat op het Leidseplein in de bewuste nacht. Verdachte toonde zich bereid zijn excuses aan te bieden ondanks zijn falende herinnering. Een dag later weet verdachte zich de vrouw, die ook op voornoemde afbeelding staat, wel te herinneren maar verder weet hij niet meer wat er is gebeurd. Als de politie hem confronteert met eventueel belastend bewijsmateriaal verklaart verdachte: “Ik voel me echt rot dat ik haar broek heb uitgedaan”. Vervolgens kan hij zich van de dag voor de bewuste nacht herinneren dat hij hasj had gekocht, whisky en bier had gedronken en cocaïne had gerookt. Bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris beroept verdachte zich op zijn zwijgrecht als hem wordt gevraagd te reageren op de beschuldigingen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 29 april 2009 verklaard, zakelijk weergegeven :

Ik heb op 28 oktober 2008, vanaf twaalf uur ’s middags, gedronken en drugs gebruikt. Ik heb twee halve-literflessen whiskey gedronken. Ook heb ik 2 gram cocaïne gesnoven en voor € 10,- hasj gebruikt. ’s Avonds ben ik naar een discotheek geweest, daar heb ik vijf of zes bier gedronken. Daarna ben ik haar tegengekomen. Ik heb om een sigaret gevraagd. Ik heb niets met haar gedaan, zij deed iets met mij. We zijn samen ergens gaan zitten en we hebben een stickie gerookt. We hebben gepraat, we waren allebei dronken. Zij heeft het initiatief genomen. Zij heeft mijn lul gepakt en heeft mij afgetrokken. Ik ben klaar gekomen, het spoot omhoog. Ik heb haar niet gezoend. Ik heb haar broek niet uitgetrokken. De voorzitter toont mij de foto van Herengracht 440: het gebeurde daar waar deze foto is gemaakt.

Nadat de officier van justitie mij heeft gevraagd waar mijn sperma terecht is gekomen, verklaar ik dat zij het eerst met haar hand deed en toen met haar mond. Ik weet niet of ik in haar mond ben klaargekomen, het zou kunnen. Het spul is in ieder geval omhoog gespoten.

Daarna stelde zij voor om nog wat te gaan drinken en om geld te gaan pinnen. Zij heeft geld gepind. Ik weet niet hoeveel geld er is gepind, ik keek opzij tijdens het pinnen want ik wilde niet de indruk wekken dat ik meekeek. Ik kende haar pincode niet. Na het pinnen was zij ineens weg.

3.3. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De verklaring van verdachte is volgens de officier van justitie ongeloofwaardig. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte aanvankelijk zei zich niets te kunnen herinneren, zich vervolgens op zijn zwijgrecht heeft beroepen en pas ter terechtzitting heeft verklaard wat er volgens hem is gebeurd. De officier van justitie heeft er verder op gewezen dat de lezing van verdachte strijdig is met de feiten. Zo heeft verdachte gezegd dat er maar één keer is gepind, terwijl er vier keer is gepind en heeft verdachte verklaard dat de geldopname bij de ABN/Amro heeft plaatsgevonden, terwijl dit bij het GWK was. Verder strookt de verklaring van verdachte dat aangeefster plotseling weg was niet met de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Getuige [getuige 1] heeft ook gezien dat verdachte een tas over zijn schouder droeg.

3.4. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten en heeft hiertoe – zoals mede vervat in de door hem aan de rechtbank en de officier van justitie overgelegde pleitnotities – aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Hij heeft dat standpunt kort samengevat als volgt onderbouwd.

In aanmerking genomen dat volgens de lezing van aangeefster de gebeurtenissen op zijn minst een uur moeten hebben geduurd en deze zich bovendien hebben voltrokken in de volle openbaarheid, is onverklaarbaar waarom zich geen enkele getuige heeft gemeld. Verder zijn er ook volgens aangeefster zelf op de Herengracht meerdere mensen op de fiets gepasseerd. In de media is veel aandacht geweest voor deze zaak. Volgens aangeefster heeft verdachte een taxi aangeroepen. Ondanks alle nieuwsberichten in de media heeft zich geen taxichauffeur gemeld die het verhaal van aangeefster kan bevestigen. Dat is vreemd. Verder is het, gezien de drukte, moeilijk te begrijpen dat aangeefster geen hulp zou hebben ingeroepen: op de Herengracht moet een veelheid aan voorbijgangers zijn gepasseerd, en ook in de Leidsestraat moet het druk zijn geweest, Verdachte had, ook volgens aangeefster, geen wapen bij zich. Dat aangeefster niet om hulp heeft verzocht, ondersteunt de verklaring van verdachte over de gang van zaken, aldus de raadsman.

De raadsman heeft er voorts op gewezen dat de verklaringen van aangeefster enkele tegenstrijdigheden bevatten. Zo heeft zij in haar eerste relaas tegenover verbalisanten Weijzen en Berger-Bisschop verklaard dat haar broek niet uitging, omdat deze te strak zat. Daarna heeft zij in haar aangifte verklaard dat haar broek wel uitging. Ook heeft aangeefster in eerste instantie verklaard dat het verdachte niet is gelukt haar te vingeren, terwijl zij in de aangifte aangeeft dat hij dit wel heeft gedaan. Nu aangeefster niet congruent is geweest in haar verklaringen, is het niet mogelijk om een bewezenverklaring te doen steunen op de aangifte.

De raadsman heeft betoogd dat de verklaring van aangeefster tal van vragen oproept die niet kunnen worden beantwoord en heeft eveneens aangegeven het te betreuren dat er geen uitvoeriger recherche is gepleegd. Nu er sprake is van twijfel over de precieze gang van zaken en verdachte heeft ontkend de tenlastegelegde feiten te hebben gepleegd, kan volgens de raadsman geen van die feiten worden bewezen.

3.5. Het oordeel van de rechtbank

3.5.1. De vaststaande feiten

Op grond van het verhandelde ter terecht¬zitting stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

[slachtoffer] heeft zich op 29 oktober 2008 omstreeks 02:30 uur gemeld bij het politiebureau Lijnbaansgracht te Amsterdam. De dienstdoende verbalisant heeft waargenomen dat zij huilend en compleet overstuur binnenkwam, dat zij hevig aan het trillen was en moeilijk uit haar woorden kwam. [slachtoffer] heeft verklaard te zijn beroofd en verkracht. Twee verbalisanten hebben zich daarna, omstreeks 03:30 uur, samen met [slachtoffer] naar de Herengracht begeven. [slachtoffer] heeft Herengracht 440 aangewezen als de plek waar zij is verkracht. Ter hoogte van de trapopgang van het perceel Herengracht 440 zijn een mobiele telefoon en een goudkleurige riem aangetroffen, waarvan [slachtoffer] heeft verklaard dat deze aan haar toebehoren.

Diezelfde dag om 05:30 uur is op het politiebureau een zogeheten zedenset afgenomen bij [slachtoffer]. Later die dag, om 19:00 uur, heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van verkrachting en diefstal met geweld.

Op 29 oktober 2008 is om 02:19:28 uur en om 2:20:00 uur geprobeerd om met een bankpas met nummer [nummer], behorend bij rekeningnummer [rekening] ten name van [slachtoffer], een bedrag van € 1.000,- respectievelijk € 500,- op te nemen bij de geldautomaat van ABN Amro Bank aan het Leidseplein te Amsterdam. Deze geldopnames zijn geweigerd. Op foto-afdrukken van camerabeelden die omstreeks dat tijdstip zijn gemaakt bij de pinautomaat van de ABN Amro Bank zijn aangeefster en een man te zien. Verdachte heeft zichzelf herkend als de man op afdrukken die van deze camerabeelden zijn gemaakt. Vervolgens is op 29 oktober 2008 om 02:20:22 uur bij de geldautomaat van de Postbank aan het Leidseplein te Amsterdam met de hierboven vermelde bankpas het saldo opgevraagd van de bijbehorende rekening en is om 02:20:53 uur bij diezelfde geldautomaat € 960,- opgenomen.

Op 12 november 2008 is verdachte aangehouden. Bij verdachte zijn twee mobiele telefoons in beslag genomen, waaronder één van het merk Samsung. De inbeslaggenomen telefoon heeft een uitschuifbaar schermpje.

Op 14 november 2008 is op bevel van de officier van justitie celmateriaal van verdachte afgenomen ten behoeve van DNA-onderzoek. Ook is bloed bij [slachtoffer] afgenomen ter bepaling van het DNA-profiel. Verder is een aantal kledingstukken van [slachtoffer], waaronder een trui met daarop twee vlekken, veiliggesteld door de politie.

Op 4 december 2008 heeft het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) een rapportage opgemaakt. Uit het door het NFI uitgevoerde onderzoek naar biologische sporen is gebleken dat in de twee vlekken op de voorzijde van de trui van [slachtoffer] sperma is aangetroffen. Beide vlekken zijn bemonsterd en uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek volgt dat beide bemonsteringen sperma bevatten dat afkomstig is van verdachte, waarbij de berekende frequentie van het DNA-profiel kleiner is dan 1 op 1 miljard. Dat betekent dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze DNA-profielen kleiner is dan één op één miljard.

Voorts zijn beide bemonsteringen van voornoemde trui onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. In deze bemonsteringen is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van speeksel. Het NFI concludeert dienaangaande dat in beide bemonsteringen celmateriaal is aangetroffen dat DNA-kenmerken van (minimaal) twee personen bevat (het zogeheten mengspoor). De DNA-profielen van [slachtoffer] en verdachte matchen met deze DNA-mengprofielen.

Op grond van de bevindingen van het NFI staat voor de rechtbank vast dat op de trui van [slachtoffer] sporen zijn aangetroffen van zowel haar speeksel als van sperma afkomstig van verdachte.

Verdachte en aangeefster leggen verschillende verklaringen over wat er in de bewuste nacht is gebeurd. Wel verklaren zij beiden, en de rechtbank neemt dat gegeven, mede gezien voornoemde bevindingen van het NFI, dan ook als vaststaand feit aan, dat er op de Herengracht sprake is geweest van seksuele handelingen waarbij zij beiden waren betrokken en waarbij verdachte een zaadlozing heeft gehad.

3.5.2. Betrouwbaarheid verklaring aangeefster en verklaring verdachte

Hoofdregel van het Nederlandse wettelijke bewijsstelsel is dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter slechts kan worden aangenomen indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen (artikel 338 Wetboek van Strafvordering). Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen is enkel en alleen een aangifte, hoe betrouwbaar deze ook moge zijn, onvoldoende. Er dient meer bewijs te zijn en vervolgens dient bij de rechter de overtuiging te bestaan dat het gegaan is zoals uit deze bewijsmiddelen zou kunnen blijken.

In dit strafrechtelijk onderzoek ontkent de verdachte de beschuldigingen en is eventueel bewijs in belangrijke mate gebaseerd op de verklaringen, in het bijzonder de aangifte, van [slachtoffer].

Derhalve zal de rechtbank eerst ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaring(en) van [slachtoffer] en de betrouwbaarheid van de verklaring(en) van verdachte, nu deze verklaringen op belangrijke punten, met name wat betreft het (on)vrijwillige karakter van de seksuele handelingen, de (on)vrijwillig¬heid van de geldopname en het verdwijnen van de tas en de ringen, uiteen lopen.

Aangeefster heeft uitvoerig beschreven hoe verdachte op twee verschillende plekken aan de Herengracht heeft geprobeerd haar te penetreren en haar uiteindelijk, op die tweede locatie, heeft gedwongen om hem oraal te bevredigen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van aangeefster coherent en consistent. De aangifte van 29 oktober 2009 is op alle essentiële punten in overeenstemming met de twee eerdere, korte, verklaringen die aangeefster bij de politie heeft afgelegd, alsook met de verklaring die zij als getuige heeft afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris.

Over de door de raadsman genoemde tegenstrijdigheden in de verklaringen van aangeefster wordt het volgende overwogen.

Aangeefster heeft in eerste instantie (’s nachts, kort na de gebeurtenissen) tegenover verbalisant Weijzen verklaard dat verdachte haar broek omlaag probeerde te trekken, maar dat dit niet lukte. Nadat Weijzen het gesprek had verlaten, is dat (eveneens ’s nachts) voortgezet door verbalisant Berger-Bischop, waarbij aangeefster heeft verklaard dat verdachte heeft geprobeerd om haar te vingeren, maar dat dit evenmin lukte omdat haar spijkerbroek te strak zat. In de aangifte van later die dag heeft aangeefster verklaard dat verdachte haar spijkerbroek beetpakte en naar beneden trok, tot op haar knieën. Tegenover de rechter-commissaris heeft aangeefster over deze verschillende verklaringen gezegd dat haar broek strak zat en dat verdachte hem kennelijk verder naar beneden had willen trekken dan mogelijk was.

De rechtbank acht het door de raadsman gesignaleerde verschil, mede gelet op de verduidelijking die aangeefster tegenover de rechter-commissaris heeft gegeven, onvoldoende substantieel om van een zodanig wezenlijke tegenstrijdig¬heid te spreken dat als gevolg daarvan aan de geloofwaardigheid van aangeefster zou moeten worden getwijfeld. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat het eerste, korte relaas van aangeefster is beïnvloed door de toestand waarin zij verkeerde. Zij is huilend en compleet overstuur bij het politiebureau aangekomen. De verbalisanten hebben beschreven dat aangeefster tijdens het hele gesprek hevig geëmotioneerd was. Gelet op de aard van de gebeurtenissen die aangeefster heeft beschreven en op de zeer geëmotioneerde toestand waarin zij verkeerde ten tijde van het doen van haar eerste relaas, is het niet verwonderlijk dat bij dat eerste relaas enige ruis is opgetreden in de weergave van hetgeen haar is overkomen.

Over de verklaring van aangeefster oordeelt de rechtbank voorts dat deze op essentiële punten steun vindt in andere bewijsmiddelen, waaronder het technisch bewijs en de getuigenverklaringen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Het relaas van aangeefster over het oraal bevredigen van verdachte, het in haar mond klaarkomen van verdachte en het door haar uitspugen van zijn sperma, wordt bevestigd door de NFI-rapportage.

Aangeefster heeft verder verklaard dat haar mobiele telefoon tijdens de gebeurtenissen op de Herengracht uit haar broekzak is gevallen. Die telefoon is door de politie teruggevonden ter hoogte van perceel Herengracht 440. Ook haar goudkleurige riem, waarover zij in de aangifte heeft verklaard dat verdachte deze uit haar broek heeft getrokken, is daar aangetroffen.

Aangeefster heeft verklaard dat alle seksuele handelingen die zij moest ondergaan of moest verrichten bij verdachte tegen haar wil zijn geschied. Aangeefster heeft meteen bij de politie over het verlies van haar mobiele telefoon gesproken. Het feit dat zij deze telefoon op de bewuste plek heeft verloren, dat zij zich daarvan ook bewust is geweest tijdens de gebeurtenissen die toen plaatsvonden, en het gegeven dat zij die telefoon daar niettemin heeft achtergelaten, wijst op een situatie van ontreddering en of paniek bij aangeefster die past bij de onvrijwilligheid van de handelingen die zij moest ondergaan en of moest verrichten.

Voorts heeft aangeefster over het pinnen verklaard dat zij eerst bij een geldautomaat van ABN Amro tweemaal vergeefs heeft geprobeerd om geld op te nemen. Uiteindelijk heeft zij, nadat zij daar eerst haar saldo had opgevraagd, bij de naastgelegen geldautomaat van de Postbank

€ 960,- weten op te nemen. Deze verklaring over de geldopname op het Leidseplein wordt ondersteund door de camerabeelden van ABN Amro, waarop aangeefster en verdachte te zien zijn, en door het overzicht geldautomaat-transacties, waarop een viertal transacties is vermeld op 29 oktober 2008 tussen 02.19 en 02.21 uur.

Aangeefsters verklaring over de wijze waarop zij kort daarna is ontkomen aan haar belager wordt bovendien gestaafd door de getuigenverkla¬ringen van [getuige 1] en

[getuige 2]. [getuige 1] heeft namelijk verklaard dat hij op 29 oktober 2008 tussen 02.00 en 02.30 uur op het Leidseplein was en daar door een vrouw met een Aziatisch uiterlijk bij zijn benen is beetgepakt, die gilde en riep: “I have been robbed.” Nadat [getuige 1] deze vrouw weer op de been had geholpen, zag hij een man op een afstand van ongeveer één meter staan die “Fuck you” riep, en die vervolgens wegliep in de richting van de Leidsestraat. [getuige 1] heeft deze man als volgt beschreven: “een man van tussen de 25 en 30 jaar oud, met heel kort donker haar (je kon als het ware een beetje zijn hoofdhuid zien) en een smal postuur”.

Daarnaast heeft getuige [getuige 2] verklaard dat hij op 29 oktober 2008 tussen 02.00 en 02.30 uur op het Leidseplein was, onder andere samen met zijn collega [getuige 1]. [getuige 2] heeft verklaard dat een vrouw, een Aziatisch/Japans type, haar armen om het middel van [getuige 1] sloeg, door de knieën zakte en zei: “I am raped.” Voordat dit gebeurde, zag [getuige 2] de vrouw en de man die haar begeleidde hem tegemoet lopen. Zij liepen vrij dicht bij elkaar, maar [getuige 2] schonk daar weinig aandacht aan, totdat de vrouw in de groep dook en de man zich onmiddellijk omdraaide en de Leidsestraat inliep. [getuige 2] heeft deze man beschreven als “een Zuid-Amerikaans type, ongeveer 30 jaar oud, niet groot, behoorlijk klein, niet veel groter dan de vrouw en tenger postuur”.

De rechtbank stelt vast dat de beschrijvingen die deze beide getuigen geven van de man die aangeefster begeleidde, een sterke overeenkomst vertonen met de man die is te zien op de camerabeelden, waarvan verdachte heeft erkend dat hij dat is. Daarenboven heeft [getuige 2] verklaard dat hij tijdens het zien van een tv-programma waarin foto’s van de man betrokken bij deze zaak werden getoond, die man te herkennen als degene die ten tijde van hetgeen hij zelf had waargenomen op het Leidseplein de vrouw begeleidde .

Tegenover de verklaring van aangeefster staat uitsluitend de verklaring van verdachte. Op meerdere gronden heeft de rechtbank reden om aan de betrouwbaarheid van die verklaring te twijfelen.

Allereerst valt op dat verdachte tijdens de verhoren bij de politie steeds heeft volgehouden zich niets dan wel nauwelijks iets te kunnen herinneren van wat er de bewuste nacht is voorgevallen. Bij de rechter-commissaris heeft hij zich vervolgens beroepen op zijn zwijgrecht. Eerst ter terechtzitting van 29 april 2009, een half jaar later derhalve, nadat verdachte de beschikking heeft over het dossier inclusief de resultaten van het technisch onderzoek van het NFI, heeft verdachte gezegd, dat hij zich de gebeurtenissen wél goed kan herinneren en heeft hij verteld wat er volgens hem die nacht is gebeurd. Verdachte heeft dit aanmerkelijke verschil in zijn herinneringsvermogen uitgelegd door uiteen te zetten dat hij zich ten tijde van het (eerste) verhoor door de politie niets kon herinneren, omdat hij met zijn hoofd tegen een muur was gesmeten en hevige hoofdpijn en maagpijn had. Of dit juist is, kan in het midden blijven, nu hiermee geen aannemelijke verklaring is gegeven voor het zwijgen tot op de zitting van 29 april 2009, zonder dat is gebleken op welk moment verdachte zijn herinneringen over de bewuste nacht heeft teruggekregen.

Verder constateert de rechtbank dat verdachte ter zitting niet consistent, maar wisselend heeft verklaard. Zo heeft verdachte aanvankelijk verteld dat aangeefster hem alleen met de hand heeft bevredigd en pas in tweede instantie dat dit ook oraal is gebeurd

Ook zijn lezing over de gang van zaken bij de geldautomaten op het Leidseplein is niet consistent. Verdachte heeft eerst verklaard dat hij samen met aangeefster bij de pinautomaat stond, dat hij wegkeek toen aangeefster pinde en dat zij ineens was verdwenen toen hij weer opkeek. Later ter zitting heeft verdachte evenwel verklaard dat hij wel heeft gezien hoe aangeefster het door haar opgenomen geld in haar tas heeft gestopt en nog later dat hij haar tas tijdens het pinnen heeft vastgehouden. Een en ander valt naar het oordeel van de rechtbank niet met elkaar te rijmen.

Daarbij stelt de rechtbank vast dat de lezing van verdachte op bepaalde punten niet strookt met de feiten. Zo heeft verdachte gesteld dat bij de geldautomaat van ABN Amro geld is opgenomen en dat dit de enige transactie is die heeft plaatsgevonden. Dit wordt echter weerlegd door het Overzicht Geldautomaat transacties waaruit blijkt dat het geld, na twee eerdere mislukte pogingen bij ABN Amro, uiteindelijk is opgenomen bij een geldautomaat van de Postbank. Daar waar verdachte heeft verklaard te hebben weggekeken tijdens het pinnen, wordt dat bovendien weersproken door de camerabeelden. Op bijna alle beelden is namelijk te zien dat verdachte recht in de camera, en daarmee in de richting van het display van de geldautomaat, kijkt.

Dat aangeefster na de geldopname plotsklaps zou zijn verdwenen, staat haaks op hetgeen de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard. [getuige 1] heeft (evenals aangeefster zelf) verklaard dat verdachte nog iets riep, nadat zij van hem was weggelopen, en [getuige 2] heeft verklaard de man, waarmee hij aangeefster eerder zag lopen, te hebben zien weglopen.

Dit leidt tot de conclusie dat de verklaring van verdachte op meerdere punten aantoonbaar onjuist is gebleken, hetgeen ernstige twijfel oproept over het waarheidsgehalte van ook de rest van zijn verklaring.

De rechtbank heeft daarbij geconstateerd dat verdachte ook op andere onderdelen van zijn verklaringen onbetrouwbaar blijkt. Zo verklaart hij herhaaldelijk, ook tegenover de rechtbank, onjuist over zijn personalia en geeft hij verschillende leeftijden op van zijn dochter.

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte niet, en de verklaring van aangeefster wel geloofwaardig. Dat de verklaring van aangeefster als betrouwbaar wordt aangemerkt en derhalve als bewijsmiddel kan worden gebezigd, betekent evenwel niet dat daarmee de ten laste gelegde feiten ook zijn bewezen. Zoals eerder aangegeven verlangen de regels van het bewijsrecht om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, de aanwezigheid van in beginsel twee bewijsmiddelen, alsmede de overtuiging van de rechtbank. Hierna zal de rechtbank beoordelen of de ten laste gelegde feiten, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, kunnen worden bewezen.

3.5.3. Partiële vrijspraak

Ten aanzien van feit 1

Voor bewezenverklaring van feit 1, voor zover dat betrekking heeft op diefstal dan wel afpersing van de ringen, ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig bewijs.

Naast de verklaring van aangeefster zijn geen andere bewijsmiddelen aanwezig die steun kunnen bieden aan de stelling dat verdachte zich de ringen wederrechtelijk heeft toegeëigend. De ringen zijn niet bij verdachte aangetroffen, terwijl evenmin vaststaat dat aangeefster de bewuste ringen daadwerkelijk heeft gedragen op 29 oktober 2008. Met betrekking tot dit deel van het onder 1 tenlastegelegde moet verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen het onder feit 2, eerste onderdeel, tenlastegelegde, inhoudende dat verdachte gepoogd heeft aangeefster te verkrachten door, kort gezegd, zijn stijve penis naar de vagina van aangeefster te leiden en zijn stijve penis tegen de binnenzijde van de bovenbenen van aangeefster te schuiven. Evenmin acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen het onder feit 2, tweede onderdeel, tenlastegelegde, inhoudende dat verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het plegen dan wel dulden van ontuchtige handelingen door, kort gezegd, aangeefster te dwingen om te dulden dat hij zijn tong in haar mond binnenbracht en haar op haar gezicht en mond zoende en haar bij haar borsten vastpakte.

Daarvoor is redengevend dat er, behalve de verklaring van aangeefster, geen ander bewijsmiddel voorhanden is dat steun kan bieden aan de onder feit 2 verweten gedragingen. Verdachte heeft immers ontkend op een andere locatie dan Herengracht 440 te zijn geweest met aangeefster, er zijn geen getuigenverklaringen van die eerdere locatie en ook het NFI-rapport ziet niet op die eerdere locatie, nu immers uitsluitend het sperma van verdachte is onderzocht en verdachte volgens aangeefster pas op die tweede locatie is klaargekomen. Verdachte dient dan ook van feit 2 te worden vrijgesproken.

3.5.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 29 oktober 2008 te Amsterdam (aan de Herengracht) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [slachtoffer] bij de schouderband van haar tas heeft vastgepakt en die [slachtoffer] (met kracht) tegen een muur heeft geduwd en die [slachtoffer] heeft klem gezet tegen een muur en de tas over het hoofd van die [slachtoffer] heeft getrokken;

3.

op 29 oktober 2008 (tussen 01.00 uur en 03.00 uur) te Amsterdam door een feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] in een hoek geduwd tussen een trap en muur en die [slachtoffer] bij haar shawl vastgepakt en de shawl rond haar nek aangetrokken en de broek en onderbroek van die [slachtoffer] in een ruk naar beneden getrokken en die [slachtoffer] bij hem op schoot getrokken en die [slachtoffer] met zijn vinger hard over haar vagina gewreven en zijn vinger in haar vagina naar binnen gebracht en zijn penis tegen de mond van die [slachtoffer] geduwd en zijn penis in haar mond binnengebracht;

en

op 29 oktober 2008 (tussen 01.00 uur en 03.00 uur) te Amsterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door een feitelijkheid [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam (te weten het brengen van zijn penis in haar vagina), opzettelijk (nadat hij, verdachte de geweldshandelingen heeft gepleegd zoals omschreven in feit 1 van de tenlastelegging) die [slachtoffer] in een hoek tussen een trap en muur heeft geduwd en die [slachtoffer] bij haar shawl heeft vastgepakt en de shawl rond haar nek heeft aangetrokken en in een ruk haar broek en onderbroek naar beneden heeft getrokken en zijn eigen broek en onderbroek naar beneden heeft getrokken en die [slachtoffer] bij hem op schoot heeft getrokken en die [slachtoffer] bij haar schouders heeft vastgehouden en heeft geprobeerd om zijn stijve penis in haar vagina binnen te brengen;

4.

op 29 oktober 2008 te Amsterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 960 euro, toebehorende aan [slachtoffer], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte (nadat hij, verdachte, de geweldshandelingen heeft gepleegd zoals omschreven in feit 1 en feit 3 van de tenlastelegging) die [slachtoffer] (aldus) heeft gedwongen haar pincode in zijn telefoon in te toetsen en, terwijl hij de hand van die [slachtoffer] vasthield, naar de pinautomaten op het Leidseplein is gelopen en vervolgens die [slachtoffer] heeft gedwongen geld op te nemen en het geldbedrag aan hem, verdachte, af te geven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan verdachte ten aanzien van feit 1, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.5.5. Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Diefstal tas

Verdachte ontkent niet dat aangeefster een tas bij zich droeg, maar wel dat hij deze heeft gestolen. Volgens hem heeft aangeefster hem haar tas op het Leidseplein gegeven om vast te houden tijdens het pinnen, maar heeft hij deze daarna weer aan haar teruggegeven. Verder verklaart verdachte dat hij heeft weggekeken tijdens het pinnen en dat aangeefster, toen hij weer terugkeek, ineens verdwenen was. De rechtbank stelt vast dat dit laatste deel van de verklaring, gelet op de camerabeelden en op de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] (zie hiervoor onder 3.5.2), niet op waarheid kan berusten, en zodoende kennelijk leugenachtig is.

In aanvulling op de verklaring van aangeefster bezigt de rechtbank de kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte op dit punt tot bewijs van het feit dat hij, verdachte, de tas heeft gestolen. De rechtbank heeft voor het wettige en overtuigende bewijs van deze diefstal voorts de omstandigheid in aanmerking genomen dat aangeefster de sloten van haar huis en fiets heeft laten vervangen en dat zij ook vervangende bankpassen en andere passen heeft aangeschaft. Dit laat zich niet anders verklaren dan dat haar tas, waarin zich ook haar sleutels en portemonnee bevonden, is gestolen.

3.5.6. Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3

Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank de verklaring van aangeefster betrouwbaar, hetgeen ook geldt voor het onder 3 ten laste gelegde. De lezing van aangeefster wordt ook ondersteund door het NFI-rapport, waaruit blijkt dat de sporen die op haar trui zijn aangetroffen zowel sperma van verdachte als haar speeksel bevatte. De verklaring van verdachte, dat zijn sperma omhoog zou zijn gespoten, strookt hier niet mee, zodat de rechtbank die verklaring op dit punt niet geloofwaardig acht. Hetzelfde geldt voor het door verdachte betoogde vrijwillige karakter van de seksuele handeling. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hevig geëmotioneerde toestand waarin aangeefster zich kort na 02.20 uur blijkens de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en de verbalisanten bevond, in samenhang bezien met het feit dat haar goudkleurige riem en mobiele telefoon ter hoogte van Herengracht 440 zijn achtergebleven, genoegzaam dat van vrijwillige seks geen sprake was. Niet valt immers in te zien waarom aangeefster haar riem en mobiele telefoon in geval van vrijwillige seks zou hebben achtergelaten.

Wat het ontkennen door verdachte van het naar beneden trekken van de broek van aangeefster betreft, merkt de rechtbank op dat verdachte zich tegenspreekt. Tijdens het verhoor bij de politie op 12 november 2008 heeft hij immers juist verklaard zich rot te voelen over het feit dat hij de broek van aangeefster naar beneden heeft gedaan. Hieruit blijkt voor de rechtbank eens te meer dat de verklaring van verdachte onbetrouwbaar is. Ook weegt de rechtbank mee dat het achtergebleven zijn van de broekriem van aangeefster erop wijst dat hard aan haar riem is getrokken voordat verdachte haar broek naar beneden trok, een en ander zoals aangeefster heeft verklaard.

Het seksueel binnendringen heeft eruit bestaan dat verdachte zijn vinger in de vagina van aangeefster heeft gebracht en zijn stijve penis tegen de mond van aangeefster heeft geduwd, terwijl hij aangeefster had vastgeklemd tegen de trap. Aangeefster heeft daardoor geen andere mogelijkheid gezien dan de penis van verdachte in haar mond te nemen. Verdachte heeft vervolgens aangeefster bij haar hoofd vastgehouden en ruwe heen en weer gaande bewegingen gemaakt. Daarbij is hij tegen haar wil bij haar binnengebleven. Aldus moet het handelen van verdachte worden aangemerkt als seksueel binnendringen in de zin van artikel 242 Wetboek van Strafrecht.

Het door de rechtbank bewezenverklaarde “met zijn vinger hard over haar vagina gewreven” wordt door de rechtbank beoordeeld als feitelijke uitwerking van het onderdeel “mede bestaan uit het seksueel binnendringen” zoals opgenomen in de tenlastelegging.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 3 nog naar voren gebracht dat onverklaarbaar is dat zich geen getuigen hebben gemeld, terwijl de gebeurtenissen zich in het volle zicht, in het openbaar hebben voltrokken en er meerdere passanten moeten zijn geweest.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Aan verdachte kan worden tegengeworpen dat zich evenmin getuigen hebben gemeld ter bevestiging van zijn lezing van het verhaal. In die lezing hebben hij en aangeefster immers deels dezelfde seksuele handelingen verricht, maar dan op vrijwillige basis, terwijl daarvoor evenzeer geldt dat een en ander zich in het volle zicht, in het openbaar heeft voltrokken en er meerdere passanten moeten zijn geweest.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3.5.7. Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4

De verklaring van aangeefster houdt onder meer in dat zij, nadat verdachte haar had verkracht, haar pincode heeft moeten intoetsen in de mobiele telefoon van verdachte, dat hij haar heeft gedwongen mee te gaan naar het Leidseplein en dat zij daar het maximale bedrag moest opnemen. Zij heeft eerst geprobeerd te pinnen bij een automaat van de ABN Amro en heeft vervolgens bij een Postbankautomaat € 960,- opgenomen.

Deze lezing van aangeefster over de gang van zaken bij de geldautomaten op het Leidseplein wordt ondersteund door het door de Postbank verstrekte Overzicht Geldautomaat transacties en de camerabeelden die zijn gemaakt tijdens de pintransacties bij de geldautomaat van ABN Amro op het Leidseplein.

Verder is van belang dat aangeefster volgens de aangifte haar pincode heeft moeten intoetsen in de mobiele telefoon van verdachte. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster ook op dit punt geloofwaardig, nu zij zich nog wist te herinneren dat het een Samsung telefoon met uitschuifbaar scherm betrof en verdachte een dergelijke telefoon ook daadwerkelijk bezit.

Op grond van voornoemd Overzicht Geldautomaat transacties en de camerabeelden stelt de rechtbank vast dat de verklaring van verdachte ook op het punt van het pinnen kennelijk leugenachtig is. Verdachte heeft immers verklaard dat hij en aangeefster slechts één keer geld hebben gepind, namelijk bij ABN Amro, terwijl vast staat dat er meerdere pinhandelingen zijn geweest en de geldopname uiteindelijk bij de Postbank heeft plaatsgevonden. Ook deze kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte draagt daarom mee aan het bewijs van de ten laste gelegde afpersing.

De rechtbank is van oordeel dat de afpersing onder bedreiging met geweld heeft plaatsgevonden. De afpersing heeft immers direct na de diefstal met geweld, de verkrachting en de poging tot verkrachting plaatsgevonden, waardoor aangeefster zich in een zeer bedreigende situatie bevond. Zij wist waartoe verdachte in staat was en moest vrezen dat hij haar wederom iets aan zou doen. Onder deze omstandigheden moet het handelen van verdachte daarom worden aangemerkt als bedreiging met geweld.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in dit vonnis zijn opgenomen.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

7.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 tot en met 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.

7.2. Het standpunt van de verdediging

Verdachte en zijn raadsman hebben zich niet uitdrukkelijk over de strafmaat uitgelaten, nu verdachte ontkend heeft de ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte, acht geslagen op het rapport van het Leger des Heils, afdeling Reclassering, van 23 april 2009. Daarin wordt geadviseerd om verdachte, indien de rechtbank hem schuldig acht, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFPP) van 30 maart 2009. In dit rapport is vermeld dat verdachte verdere medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd, als gevolg waarvan het voor het NIFPP niet mogelijk is om een uitspraak te doen over het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Voorts kan geen uitspraak worden gedaan over de mate van toerekeningsvatbaarheid en de kans op herhaling.

De rechtbank stelt vast dat verdachte onvoldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek door het NIFPP. Door deze houding van verdachte heeft de rechtbank geen duidelijk(er) beeld van hem als persoon, noch van zijn psychische gesteldheid kunnen krijgen, Dat betekent dat de rechtbank hiermee geen rekening kan houden bij de beoordeling.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft ten aanzien van het slachtoffer achtereenvolgens een aantal delicten gepleegd en heeft daarbij een buitengewoon grove inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit.

Verdachte heeft het slachtoffer eerst (onverhoeds) van haar tas beroofd en heeft haar daarna, toen zij zich in een weerloze positie bevond, op brute wijze verkracht. Alsof dat niet genoeg was, heeft verdachte het slachtoffer vervolgens ook nog eens gedwongen haar pincode af te geven, geld te pinnen en dit aan hem af te geven. Verdachte heeft aldus op schandalige wijze misbruik gemaakt van het slachtoffer en de rechtbank rekent hem deze bijzonder verwerpelijke handelwijze zeer zwaar aan.

De rechtbank acht daarbij van belang dat een en ander zich heeft afgespeeld in de directe omgeving van de woning van het slachtoffer en dat voor haar een aanzienlijke psychische nasleep te verwachten valt.

Verder laat de rechtbank meewegen dat de strafbare feiten zich hebben voorgedaan op de openbare weg, in het centrum van Amsterdam. Hetgeen is gebeurd, heeft tot grote gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving geleid.

Ook houdt de rechtbank rekening met de houding van verdachte ter terechtzitting. Hij heeft de schuld van de gebeurtenissen volledig buiten zichzelf gelegd en heeft geen enkel inzicht getoond in de strafbaarheid en de ernst van zijn handelen, laat staan dat hij daarvan spijt heeft betuigd. Dit is voor het slachtoffer nodeloos kwetsend en de rechtbank rekent verdachte dit eveneens zwaar aan.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het opleggen van een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur op zijn plaats is en acht voor de onderhavige feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 jaren passend en geboden. Dat de rechtbank lager uitkomt dan de straf die door de officier is gevorderd heeft te maken met het feit dat de rechtbank in het voordeel van verdachte laat meewegen dat verdachte zich niet heeft bediend van buitensporig geweld of wapens, dat verdachte zich (in Nederland) blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie niet eerder schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, en dat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie.

8. Inbeslaggenomen goederen

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot teruggave van de in beslag genomen goederen aan verdachte.

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

Nu er geen reden is om anders te beslissen, zal de rechtbank overeenkomstig de eis van de officier van justitie de teruggave van de in beslag genomen goederen aan verdachte gelasten.

9. Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij, [slachtoffer], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding, die in verschillende onderdelen uiteenvalt, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het ten laste gelegde. Ter terechtzitting van 29 april 2009 heeft de benadeelde partij haar vordering verminderd tot € 8.482,20. Tevens is gevorderd de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij.

De raadsman van verdachte heeft niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit, nu hij de stukken eerst daags voor de zitting heeft ontvangen en hij zich niet heeft kunnen voorbereiden. Subsidiair heeft de raadsman zich ter zake van de materiële schade, met uitzondering van de kosten van rechtsbijstand, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman betwist dat de kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, omdat er recht op toevoeging bestaat en deze toevoeging met terugwerkende kracht zal worden toegekend.

De rechtbank verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer van de verdediging, nu een benadeelde partij zich nog ter terechtzitting kan voegen en een dergelijke vordering in deze zaak te verwachten viel nu deze al op een eerdere zitting door de raadsman van de benadeelde partij was aangekondigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is een deel van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor bewezen verklaarde feiten, rechtstreeks schade heeft geleden. Het betreft de schadeposten 1 t/m 5 (kleding), 6 en 7 (nieuwe sloten), 8 (museumjaarkaart) en 13 (simkaart). De rechtbank waardeert deze posten overeenkomstig de opgave door de benadeelde partij op een bedrag van € 315,66 (driehonderdvijftien euro zesenzestig). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor zover de vordering ziet op vergoeding van misgelopen inkomsten, studievertraging en rechtsbijstand (schadeposten 10 t/m 12) acht de rechtbank deze niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Met betrekking tot de misgelopen inkomsten en studievertraging is niet eenvoudig het rechtstreekse verband met de bewezen feiten vast te stellen. Ook is de precieze omvang van die schade moeilijk vast te stellen, gelet op de aan de benadeelde partij toegekende bijstandsuitkering. Met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand heeft te gelden dat onduidelijk is voor welke verrichtingen het recht op toevoeging een vergoeding zal inhouden. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade ad € 5.000,- (schadepost 14) wordt het volgende overwogen. Gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde strafbare feiten en op de omstandigheid dat deze zich nabij de woning van de benadeelde partij hebben afgespeeld, is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. Het valt immers objectief vast te stellen dat hetgeen is gebeurd zeer ernstig ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De rechtbank waardeert deze schade ten minste op een bedrag van € 2.000,- (tweeduizend euro) De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Het overige deel van de vordering voor immateriële schade is, nu deze niet voldoende is onderbouwd met nadere stukken over bijvoorbeeld de precieze ernst en omvang van de psychische nasleep van de bewezen verklaarde strafbare feiten voor het slachtoffer, niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 242, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing

Verklaart het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5.4. is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl dat feit is gepleegd op de openbare weg.

Ten aanzien van het onder 3, eerste onderdeel, bewezenverklaarde:

Verkrachting.

Ten aanzien van het onder 3, tweede onderdeel, bewezenverklaarde:

Poging tot verkrachting.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Afpersing.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

1. 1.00 STK zaktelefoon, Samsung mobiel (3479917);

2. 1.00 STK zaktelefoon, Nokia mobiel (3479919);

3. 1.00 STK Jas, kleur zwart, Jack and Jones jas (3480297), lederen jack met gebreide kraag.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer], domicilie kiezend ten kantore van haar raadsman, mr. R.A. Korver, Herengracht 499, 1017 BT te Amsterdam toe tot een bedrag van € 2.315,66 (tweeduizend driehonderdvijftien euro zesenzestig).

Veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is in haar vordering.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] aan de Staat de som te betalen van € 2.315,66 (tweeduizend driehonderdvijftien euro zesenzestig), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 33 (drieëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee, zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. F.J. van de Poel en H.M.L. Frons, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.T. Kruis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 mei 2009.