Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI2875

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2009
Datum publicatie
04-05-2009
Zaaknummer
13/525419-07 (PROMIS)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BM1711, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Amsterdam heeft vandaag een 62-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren voor de doodslag op een 85-jarige vrouw in haar woning op 7 december 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/525419-07 (PROMIS)

Datum uitspraak: 4 mei 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring “Almere Binnen” te Almere.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

18 december 2008, 3 maart 2009 en 21 april 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. J. Kouwenhoven, en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. M. van Delft, en

door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Na toewijzing van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging op 21 april 2009 is aan verdachte tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 7 december 2007 te Amsterdam opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die

[slachtoffer]

- (meermalen) met een plastic tas (van de Dekamarkt) met daarin een (metalen)

waterpomptang en/of een (metalen) blok van een beugelslot, en/of een doos(je) met een dopsleutelset, althans met een plastic tas met daarin een of meer (zware) voorwerpen, (telkens) tegen en/of op het hoofd en/of tegen en/of in het gelaat geslagen

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 7 december 2007 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met

dat opzet die [slachtoffer]

- (meermalen) met een plastic tas (van de Dekamarkt) met daarin een (metalen)

waterpomptang en/of een (metalen) blok van een beugelslot (van ongeveer 20 x

5 cm), (telkens) tegen en/of op het hoofd en/of tegen en/of in het gelaat

geslagen en/of

- de hals en/of de keel dichtgedrukt (gehouden),

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke

vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten de diefstal van de ABN-AMRO bankpas ten behoeve

van de effectenrekening op naam van [slachtoffer], en welke

doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan

zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te

verzekeren;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 6 en/of 7 december 2007 te Amsterdam

(meermalen) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een ABN-AMRO bankpas ten behoeve van de effectenrekening op naam van [slachtoffer], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

2.

hij op of omstreeks 7 december 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijk

toeëigening in/uit een pinautomaat van de ABN-AMRO bank weg te nemen een/of

meer geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en zich

daarbij de toegang tot de plaats des misdrijfs te verschaffen en/of de/het weg

te nemen geldbedragen onder zijn bereik te brengen, door middel van een valse

sleutel, (meermalen) een (gestolen) ABN-AMRO bankpas, ten behoeve van de

effectenrekening op naam van [slachtoffer], in die pinautomaat

heeft ingevoerd;

3.

hij op of omstreeks 30 november 2007 te Amsterdam met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee ringen, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair is tenlastegelegd, voor zover dit ziet op de moord op [slachtoffer], zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast komen te staan dat verdachte met voorbedachten rade voornoemde [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade dient vast komen te staan dat de verdachte tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat verdachte met een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven naar haar woning is gegaan. Ook is niet gebleken dat verdachte zich heeft beraden op het moment dat hij door [slachtoffer] betrapt werd met haar bankpas in zijn hand. In dit verband is onduidelijk gebleven binnen welk tijdsbestek verdachte het slachtoffer meermalen geslagen heeft en welke tijd er gelegen was tussen de verschillende slagen. Op grond hiervan heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen of voor de verdachte de mogelijkheid bestond om zich op zijn handelingen te bezinnen en hier eventueel op terug te komen. Immers, hiervoor is het noodzakelijk dat er op enig moment gelegenheid tot nadenken moet zijn geweest. Dat er op basis van de bewijsmiddelen mogelijk sprake is geweest van het toebrengen van de slagen op verschillende plaatsen in de woning, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het niet, althans in onvoldoende mate kunnen vaststellen van enig moment als hierboven bedoeld.

Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van de tenlastegelegde moord.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde:

op 7 december 2007 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer]

meermalen met een plastic tas (van de Dekamarkt) met daarin een beugelslot, en een doosje met een dopsleutelset, tegen en op het hoofd en in het gelaat geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Ten aanzien van het onder 1 alternatief/cumulatief tenlastegelegde:

op 6 of 7 december 2007 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een ABN-AMRO bankpas ten behoeve van de effectenrekening op naam van [slachtoffer], toebehorende aan [slachtoffer];

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

op 7 december 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening uit een pinautomaat van de ABN-AMRO bank weg te nemen een of meer geldbedragen toebehorende aan [slachtoffer] en het/de weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik te brengen, door middel van een valse sleutel, meermalen een gestolen ABN-AMRO bankpas, ten behoeve van de effectenrekening op naam van [slachtoffer], in die pinautomaat heeft ingevoerd;

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

op of omstreeks 30 november 2007 te Amsterdam met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee ringen, toebehorende aan [slachtoffer].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. Waardering van het bewijs

5.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair tenlastegelegde, te weten de moord op het slachtoffer, [slachtoffer], wettig en overtuigend bewezen.

Zij heeft hiertoe –zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd. Verdachte heeft verklaard dat hij op 7 december 2007 bij het slachtoffer koffie heeft gedronken. Om 11:48 uur wordt het slachtoffer gebeld door een vriendin. Dit gesprek duurt slechts 47 seconden. Dit is een belangrijk moment. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij op 6 december 2007 een bankpasje van de ABN AMRO bank van het slachtoffer heeft gestolen en dat dit hem niet lekker zat en dat hij dit terug wilde leggen op het moment dat het slachtoffer aan de telefoon was. Net op het moment dat hij het pasje terug wilde leggen, werd hij betrapt door het slachtoffer waarop zij begint te gillen. Vervolgens heeft hij haar geslagen met het tasje dat nog op het aanrecht lag met daarin de dopsleutelset en het beugelslot. Op het moment dat verdachte door het slachtoffer wordt ontdekt en zij begint te gillen wordt er een reactie van verdachte gevraagd. Dit is een keuzemoment. De officier van justitie heeft hierbij benadrukt dat de verdachte de enige is die verklaart dat het slachtoffer heeft gegild. Haar onderbuurvrouw, [persoon 1], heeft wel gebonk, maar geen gegil gehoord. Bovendien was het slachtoffer na de eerste klap in de keuken voldoende uitgeschakeld zodat verdachte zijn eventuele voornemen om weg te gaan tot uitvoering kon brengen. Hiervoor heeft hij echter niet gekozen. Na de eerste klap vindt er een dialoog plaats tussen verdachte en het slachtoffer. Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer aan hem vroeg wat hij aan het doen was en dat hij hierop antwoordde dat hij vanwege haar gegil in paniek raakte.

Er is geen sprake geweest van in tijd direct opvolgende slagen, dus van onophoudelijk slaan. Verdachte neemt na de hiervoor genoemde dialoog met het slachtoffer een tweede wilsbesluit om het slachtoffer te slaan. Op het moment dat zij met een bloedende hoofdwond tegenover hem staat en vraagt wat hij aan het doen is, had verdachte zich kunnen beraden en kunnen besluiten te stoppen en medische hulp in te roepen. Maar verdachte slaat haar nogmaals met de tas op het hoofd.

De officier van justitie acht het onwaarschijnlijk dat het slachtoffer, zoals verdachte heeft verklaard, met haar hoofd tegen de muur is gevallen. De bloedbeelddeskundige, [persoon 2], beschrijft in zijn proces-verbaal dat er bloedsporen zijn gevonden op de rails van de schuifdeur en op de toegangsdeur van de hal naar de slaapkamer. Hieruit volgt dat het slachtoffer de slaapkamer in is gekropen. Uit het onderzoek is niet gebleken dat het slachtoffer na de geweldsinwerking in de hoek achter haar bed, waar zij is aangetroffen, in staat is geweest zich naar een andere plek te begeven. De sporen op de deur naar de badkamer moeten dus voor de geweldsinwerking bij het raam zijn aangebracht. Ook is uit het bloedbeeld niet gebleken dat zij nog in staande positie is gekomen, omdat het slachtoffer geen sporen heeft achtergelaten in de slaapkamer boven een hoogte van 50-55 centimeter. De verklaring van verdachte dat het slachtoffer is gevallen en dat hij haar nog recht heeft gelegd, is niet in overeenstemming met de aangetroffen sporen, het proces-verbaal van de bloedbeelddeskundige en de verwondingen die bij de sectie zijn beschreven en door de forensisch geneeskundige, [persoon 3], zijn beoordeeld. Volgens de patholoog-anatoom kan het letsel niet door een val zijn veroorzaakt. Bij de rechter-commissaris, op 14 januari 2008, heeft de verdachte verklaard dat hij het slachtoffer in de slaapkamer tweemaal heeft geslagen. Er kan worden vastgesteld dat er niet alleen tussen de eerste en de tweede klap in de keuken, maar ook tussen de tweede klap in de keuken en de meerdere slagen in de slaapkamer, sprake is geweest van tijdsverloop waarin de verdachte de gelegenheid heeft gehad tot nadenken over de betekenis van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven, aldus de officier van justitie. Verdachte is achter het slachtoffer aangegaan, terwijl zij de slaapkamer inkroop. Hier heeft hij wederom een wilsbesluit genomen om haar te doden. Uit de hoeveelheid van toegebracht letsel, op verschillende plaatsen in de woning en het blijven slaan van het slachtoffer terwijl zij al op handen en knieën was, kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van doelbewust handelen. Gedurende het toebrengen van de verwondingen heeft de verdachte tijd gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit. Er was de gelegenheid om over de betekenis en de gevolgen na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Verdachte wilde dat het slachtoffer dood zou gaan en in dit besluit heeft hij volhard. Dit blijkt meer dan alles uit het feit dat hij het slachtoffer in leven heeft achtergelaten, wetende dat zij, gelet op de hoeveelheid en de aard van de toegebrachte verwondingen, zonder medische hulp in ieder geval zou overlijden. Uit de conclusie van het NFI rapport betreffende de keukenkraan, is het aannemelijk dat verdachte zijn handen heeft gewassen om het bloed af te spoelen. Tijdens de reconstructie heeft verdachte ook verklaard dat hij na de klappen nog terug naar de keuken is gegaan.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte het voornemen om het slachtoffer met de tas te slaan in een hevige gemoedsbeweging heeft opgevat, maar dat de opeenvolgende geweldshandelingen in koelen bloede door hem zijn uitgevoerd. Het onder 1 primair tenlastegelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Er is sprake van moord nu verdachte op drie verschillende momenten het wilsbesluit heeft genomen dat het slachtoffer dood moest.

Subsidiair heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van gekwalificeerde doodslag, nu vaststaat dat de doodslag werd voorafgegaan van de diefstal van het bankpasje van het slachtoffer.

Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder twee en drie tenlastegelegde feiten. Hierbij baseert zij zich op de bekennende verklaringen van verdachte en, ten aanzien van het tweede feit, op de foto’s van de pinpogingen waarop verdachte te zien is. Voorts baseert zij zich op het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de AbnAmro bank en de verklaringen van verdachte over de pincode van het slachtoffer en, ten aanzien van het derde feit, op het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de ringen.

5.2. Het standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw van verdachte is naar voren gebracht dat verdachte verantwoordelijk is voor het overlijden van het slachtoffer en dat dit niet door hem wordt ontkend. Echter, zij benadrukt dat verdachte betwist dat er sprake is geweest van voorbedachten rade en eveneens wordt ontkend dat het geweld instrumenteel was voor de diefstal van de bankpas. Indien verdachte daadwerkelijk rationeel was geweest, had de uitvoering van ‘een plan om zijn vermogenspositie te verbeteren’ er heel anders uit gezien. Op de bewuste dag van 7 december 2007 moet alle ratio aan verdachte hebben ontbroken. Door de raadsvrouw is dan ook aangevoerd dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om het bestanddeel voorbedachten rade wettig en overtuigend bewezenverklaard te achten. Derhalve wordt van het primair tenlastegelegde vrijspraak bepleit.

Door de raadsvrouw wordt naar voren gebracht dat de patholoog-anatoom, [persoon 5], in haar rapport niets heeft vastgesteld omtrent het tijdsverloop dat met het ontstaan van het letsel gemoeid is geweest. Wel blijkt uit haar verklaring en analyse dat het slachtoffer nog langere tijd na het ontstaan van het letsel heeft geleefd. Hoeveel tijd is echter onduidelijk.

Daarbij blijkt uit de letselbeoordeling van de forensisch geneeskundige, [persoon 2], dat de stelligheid waarmee de patholoog-anatoom heeft verklaard dat er sprake is van acht huidletsels en dat er dus ook evenveel krachtinwerkingen hebben plaatsgevonden, wordt genuanceerd. De forensisch geneeskundige verklaart dat het niet is uitgesloten dat de acht geconstateerde huidletsels door vier slagen zijn ontstaan. Ook acht zij het niet uitgesloten dat een val tegen een uitstekende hoek van een muur een dermate heftige geweldsinwerking op de schedel heeft opgeleverd dat dit een van de scheurwonden van de schedelhuid heeft veroorzaakt. Verder merkt de raadsvrouw op dat er in deze zaak sprake is geweest van een plastic tas met daarin enkele voorwerpen hetgeen de kans op contact met de huid op meerdere locaties tegelijkertijd aannemelijk maakt, althans niet uitsluit.

Door de bloedbeeldanalist, [persoon 2], is, naar aanleiding van onderzoek in de woning van het slachtoffer, een uitvoerig rapport opgesteld. De raadsvrouw wijst erop dat de deskundige heeft benadrukt een hypothese te hebben geschetst, een scenario over hoe de aangetroffen bloedbeelden en bloedsporen kunnen zijn ontstaan. Door de deskundige is niet onderzocht hoe oud de bloedsporen zijn om zo de volgorde van ontstaan te kunnen vaststellen. Dergelijk onderzoek is nog niet mogelijk. Ook heeft hij verklaard niet te kunnen vaststellen hoe lang het duurt om een bepaalde bloedpoel te doen ontstaan; er zijn te veel variabele factoren om dit te bepalen en een dergelijk vraagstuk is te complex om op te lossen. Ook overigens is met betrekking tot enige vorm van tijdsverloop in zijn onderzoek niets vastgesteld. De raadsvrouw voert aan dat, waar de deskundige Eversdijk heeft vastgesteld dat sporen zijn ontstaan en aangetroffen, niet kan worden vastgesteld wanneer, hoe laat, in welke tijdspanne en in welke volgorde deze zijn ontstaan. De enige uitzondering daarop is dat de deskundige er in zijn hypothese vanuit gaat dat het bloedverlies in de keuken is begonnen. Dit komt overeen met wat verdachte daarover heeft verklaard.

Indien de verklaringen van verdachte als uitgangspunten worden gebruikt, staat vast dat het bestanddeel voorbedachten rade niet is vervuld, aldus de raadsvrouw. Verdachte heeft verklaard dat hij in een hevige gemoedsbeweging, in paniek en zonder in staat te zijn op welke wijze dan ook helder na te denken, het slachtoffer op het hoofd heeft geslagen. Iedere logica zou die dag bij verdachte hebben ontbroken. Daarbij heeft verdachte verklaard dat hij kort na elkaar geslagen heeft en dat de geweldsinwerkingen elkaar opvolgden. Gelet op wat verdachte verder heeft verklaard over de omstandigheden ter plaatse en de reactie van het slachtoffer, moet volgens de raadsvrouw worden aangenomen dat tussen iedere klap slechts enkele secondes of zelfs minder dan dat zat. Daarbij was hij geheel niet in de gelegenheid om zich te beraden over wat dan ook: hij handelde in paniek en impulsief. Verdachte stelt dat hij niet rationeel was, niet heeft gedacht, niet heeft overwogen en dat hij daar in die emotie en fysieke reactie op die emotie geen gelegenheid toe had.

Verdachte heeft gebruik gemaakt van één voorwerp en heeft daarbij telkens dezelfde handelingen verricht. Er zijn geen zogenaamde “tussenstapjes” (waarbij verdachte bijvoorbeeld wegloopt, zich bewapent, terugkomt, wisselt van wapens en dergelijke) welke vaak kenmerkend zijn voor zaken waarin moord wordt aangenomen, aan te wijzen. Volgens de raadsvrouw is het daarbij van ondergeschikt belang dat het slachtoffer meerdere malen en verspreid over twee nabijgelegen ruimtes in de woning geslagen is. Immers, er dient ervan uit te worden gegaan dat er voorafgaande aan de eerste klap een besluit is geweest en dat er daarna en wel direct daarop volgend (diverse) handelingen ter uitvoering zijn geweest. Het accent dient te liggen op de besluitvorming voorafgaand aan de levensberovende handelingen en niet op (mogelijkheden tot) nadenken tijdens die handelingen, aldus de raadsvrouw. Zij voert aan dat zelfs à contrario gesteld kan worden dat de hoeveelheid aangetroffen verwondingen een ondersteuning is van het hevige gemoed (en dus het gebrek aan kunnen nadenken) waarin verdachte stelt te zijn geweest. Indien de rechtbank echter aanneemt dat er misschien wel tijd, maar geen gelegenheid tot overdenking was op het moment voorafgaand aan de eerste klap, dan geldt dit evenzeer voor de momenten tussen de diverse geweldshandelingen in. Anders gezegd, het feit dat diverse momenten binnen de geconstateerde geweldshandelingen kunnen worden aangewezen, maakt niet dat voorbedachte rade daarmee een gegeven is, aldus de raadsvrouw.

Gelet op de inhoud van het dossier en de verklaringen van verdachte omtrent hetgeen in de woning is voorgevallen, beschouwd in het licht van de jurisprudentie en literatuur hieromtrent, is niet met voldoende zekerheid vast te stellen dat sprake is geweest van voorbedachten rade in de zin van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte stelt onder invloed van een hevige gemoedsbeweging te hebben gehandeld. Wat betreft de verdediging is sprake geweest van een langgerekte emotie. Voor het tegendeel bestaat geen enkel direct bewijs. Daarbij wijst de raadsvrouw erop dat uit het veelomvattende deskundigenonderzoek een element in het ongewisse blijft: het tijdsverloop tussen het ontstaan van de diverse letsels en van de sporen in de woning. Er kan dan ook niet onderbouwd worden bepleit dat er tussen de geweldsinwerkingen zoveel tijd zat dat dit voorbedachten rade aannemelijk maakt of zelfs bewijst. Zowel als het gaat om het ontstaan van de diverse letsels als wanneer het gaat om het ontstaan van de bloedsporen die in de woning gevonden zijn, geldt dat ouderdom, ontstaansvolgorde en tijdsverloop tussen ontstaan ten opzichte van elkaar op geen enkele wijze te duiden zijn.

Daarbij komt dat uit analyse van de rechtspraak blijkt dat enkel tijdsverloop niet van doorslaggevend belang is om voorbedachten rade aan te kunnen nemen. De conclusie luidt, volgens de raadsvrouw, dat er niets gezegd kan worden over het tijdsverloop voorafgaand en tussen de diverse geweldshandelingen. Zelfs indien aangenomen wordt dat daar een hoeveelheid tijd voor dan wel tussen zat, is dit niet van doorslaggevend belang om voorbedachten rade aan te nemen nu immers naast tijd ook gelegenheid moet hebben bestaan. Dat verdachte die gelegenheid heeft gehad en deze ook daadwerkelijk heeft kunnen aanwenden voor beraad, is op geen enkele wijze voldoende aannemelijk gemaakt.

Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde wordt door de raadsvrouw naar voren gebracht dat alleen de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op wat zich op de bewuste ochtend van 7 december 2007 na het moment van betrapping en tot het moment van de laatste geweldsinwerking hebben afgespeeld van belang zijn. Andere feiten en omstandigheden, hoe verdacht of onverklaarbaar ook, zijn niet van belang. Zij benadrukt dat uit geen enkel onderdeel van het dossier volgt dat daar waar verdachte heeft verklaard het pasje op donderdag gestolen te hebben en dit op vrijdag heeft willen terugleggen, dit onwaar is. Evenmin wordt zijn verklaring dat hij in paniek reageerde op het slachtoffer door de inhoud van het dossier ontkracht. Alleen al om die reden kan niet van oogmerk (gekwalificeerde doodslag) worden gesproken, aldus de raadsvrouw. Voorts voert zij aan dat de stelling van verdachte dat hij het slachtoffer niet om het leven heeft gebracht om haar pinpas te kunnen stelen, wordt ondersteund door de omstandigheid dat geconstateerd is dat geld en goederen van het slachtoffer ongemoeid zijn gelaten. Indien verdachte werkelijk een oplossing voor zijn geldzorgen zou hebben gezocht en het slachtoffer hierom had verwond, dan had het in de rede gelegen om de waardevolle spullen uit de woning van het slachtoffer mee te nemen of de woning hiertoe te doorzoeken. Nu verdachte dit niet gedaan heeft, wijst dit er op dat verdachte niet met die reden naar de woning van het slachtoffer is gegaan en haar ook niet om die reden heeft verwond.

Tevens stelt de raadsvrouw dat het gedrag van verdachte nadat hij de woning heeft verlaten niet redengevend kan zijn voor de kwalificatie van wat zich daarvoor in de woning heeft afgespeeld.

Tenslotte heeft de raadsvrouw gesteld geen opmerkingen te hebben ten aanzien van de tenlastegelegde doodslag. Dit geldt eveneens voor de alternatief/cumulatief tenlastegelegde diefstal van de bankpas op 6 en/of 7 december 2007 en voor de feiten 2 en 3.

5.3. De beoordeling van de tenlastelegging

5.3.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen, waaronder de verhoren ter terechtzitting van verdachte, is het volgende gebleken:

Op 8 december 2007 omstreeks 9.00 uur wordt [persoon 4], zij woont aan de [adres 1], gebeld door iemand van de telefooncirkel met het verzoek om te g[slachtoffer][slachtoffer] op de [adres 2] te Amsterdam. De telefooncirkel, is een organisatie die, haar leden, elke ochtend even belt om te kijken of alles in orde is. Geconstateerd is dat de telefoon van [slachtoffer] op die bewuste zaterdag niet wordt beantwoord. Hierop gaat [persoon 4], die over een sleutel beschikt, de woning van [slachtoffer] binnen. Zij loopt al roepend naar [slachtoffer] de woning door. Wanneer zij via de keuken naar de slaapkamer wil lopen, valt het haar op dat de schuifdeuren tussen de keuken en de slaapkamer dicht zijn. Zij loopt vervolgens via de hal naar de slaapkamer. De slaapkamerdeur staat open en zij ziet dat [slachtoffer] op haar rug dwars over het bed ligt met haar hoofd iets over de rand heen en haar gezicht achterover. [persoon 3] ziet dat de ene helft van het gezicht van [slachtoffer] bebloed is. Ook ziet zij naast het kussen bloed op bed liggen. Zij verlaat hierop de woning en meldt aan de mensen van de telefooncirkel wat zij heeft gezien. Diezelfde dag, omstreeks 10.40 uur, krijgen verbalisanten de opdracht om naa[adres 2] te gaan. Daar is inmiddels de huisarts gearriveerd die geen verklaring natuurlijke dood wil afgeven. Vervolgens zien verbalisanten dat het slachtoffer op haar rug, diagonaal op bed ligt. Haar rechtervoet hangt buiten het bed en haar hoofd hangt over de rand van het bed. Het gelaat van het slachtoffer zit onder het bloed en ook rond het hoofdeinde van het bed ligt een grote hoeveelheid bloed. Omdat verbalisanten door de hoeveelheid bloed op het gezicht niet met zekerheid kunnen vaststellen of dit door een inwendige bloeding of door geweld van buitenaf komt, wordt de komst van de schouwarts afgewacht. De schouwarts onderzoekt het lichaam en verklaart dat er geen sprake is van een natuurlijke doodsoorzaak, maar dat het slachtoffer is overleden als gevolg van fors geweld, dat mogelijk met een stomp voorwerp is aangebracht.

Uit het rapport van de patholoog-anatoom, [persoon 5], blijkt het volgende. Bij de sectie waren veel en ernstige letsels aan het hoofd en in het gezicht. Er waren zeven ruwrandige letsels waarvan één met een typische halvemaanvormig patroon. Daarnaast waren er aan het gezicht rondom de ogen en de neus onderhuidse bloeduitstortingen met weke delen zwelling. Er waren letsels in de mondholte. De aangezichtsschedel was ter plaatse van de neus en directe omgeving gebroken en er was bloeding en zwelling van de slijmvliezen in de neus. Deze letsels zijn het gevolg geweest van bij leven opgelopen meermalen heftig botsend geweld op het hoofd en in het gezicht. De letsels passen bij slaan met een zwaar voorwerp en passen niet bij vallen of zichzelf stoten. Als gevolg van de opgelopen letsels was er een breuk van de aangezichtsschedel en het rechterslaapbeen. Hierdoor was er veel bloed ingeademd en ingeslikt. Er was veel bloed verloren: de inwendige organen waren bloedarm. Er waren letsels aan de beide handen opgelopen door botsend geweld; deze kunnen passen bij afweerletsel. Er waren onderhuidse bloeduitstortingen op de beide schouders en aan de borst linksboven. Het overlijden wordt verklaard door de combinatie van bloedverlies (shockverschijnselen) en luchtwegbelemmering door slijmvlieszwelling van de bovenste luchtwegen (neus en mond) en inademing van bloed en verteerd bloed in de luchtwegen. Het is op grond van de sectiebevindingen niet aan te geven hoelang het slachtoffer na het oplopen van het letsel nog heeft geleefd. Gezien de sectiebevindingen en de bevindingen van het wonddaterings-onderzoek kan het interval heel goed een aantal uren zijn geweest. De patholoog-anatoom schat dat het slachtoffer tenminste nog 30 minuten heeft geleefd. De conclusie luidt dat [slachtoffer] is overleden aan de gevolgen van heftig botsend geweld op het lichaam.

In de woning van het slachtoffer wordt onderzoek gedaan op de aangetroffen bloedsporen. Hieruit blijkt onder meer dat het eerste verlies van bloed mogelijk in de keuken heeft plaatsgevonden. Het bloedbeeld in de keuken past bij verlies van bloed door een lopend persoon of meegedragen bebloed object. Het bloedbeeld in de slaapkamer past bij een slachtoffer dat zich laag over de grond, op handen en voeten, voortbeweegt. De geprojecteerde bloedsporen onder nummer 13 zijn veroorzaakt door het uitoefenen van tenminste twee geweldshandelingen, bijvoorbeeld het slaan in vloeibaar bloed. Deze geweldshandelingen in bloed hebben plaatsgevonden op een hoogte van ongeveer 37 centimeter. De bloedspatten onder nummer 14 kunnen zowel veroorzaakt zijn door het uitoefenen van geweld, bijvoorbeeld slaan in bloed, als door expireren van bloed, bijvoorbeeld hoesten. Op grond van de locatie van het punt van samenkomst kan worden gesteld dat deze krachtinwerking op ongeveer 20 centimeter hoogte en 60 centimeter vanuit de scheidingsmuur met de keuken heeft plaatsgevonden.

Uit het rapport van de forensische geneeskundige, [persoon 2], blijkt onder meer dat het letsel kan zijn veroorzaakt door een plastic tas met daarin een waterpomptang en de onderkant van een beugelslot. De neus en de naast gelegen aangezichtsschedel waren gebroken evenals het rechterslaapbeen. Verspreid over de behaarde hoofdhuid en het gelaat werden acht huidletsels gezien. Het is niet waarschijnlijk dat dit letsel is opgeleverd door vier slagen, doch dit is niet uitgesloten. Indien de letsels zijn opgeleverd door een voorwerp dat op meerdere locaties tegelijkertijd contact kan maken met de huid, is het mogelijk dat meerdere letsels ontstaan dan er geweldsinwerkingen zijn geweest. Meer waarschijnlijk is echter dat er meer dan vier geweldsinwerkingen op het hoofd en in het gelaat hebben plaats gevonden. Het is niet waarschijnlijk, maar niet uitgesloten, dat een val tegen een uitstekende hoek van een muur een dermate heftige geweldsinwerking op de schedel heeft opgeleverd, dat dit één van de scheurwonden van de schedelhuid heeft veroorzaakt. Het letsel aan de handen is passend bij bloeduitstortingen opgeleverd door uitwendig mechanisch stomp of botsend geweld.

Verschillende getuigen verklaren dat het slachtoffer regelmatig bezoek kreeg van een man die zij in 2006 bij het concertgebouw had ontmoet en haar, nadat zij was gevallen, geholpen had. In de woning van het slachtoffer vindt de politie een visitekaartje van het concertgebouw met daarop de naam [verdachte] geschreven. Uit onderzoek blijkt dat het mogelijk om de verdachte, [verdachte], gaat. Eveneens blijkt uit het financieel onderzoek van de politie dat het slachtoffer vier AbnAmro rekeningen had en dat het pasje van één effectenrekening niet in de woning werd aangetroffen. Op 7 december 2007 is om 13.02 en om 13.05 uur geprobeerd om geld te pinnen met dit pasje. Uit de opgevraagde camerabeelden blijkt dit te zijn gedaan door de verdachte. Hij wordt door de verbalisanten, die hem als getuige hebben gehoord, voor honderd procent herkend op deze beelden. Hierop wordt verdachte aangehouden en hij verklaart dat het klopt dat hij de bankpas van het slachtoffer heeft weggenomen, maar dat hij haar niet heeft gedood. Op 12 december 2008 wordt verdachte op zijn eigen verzoek gehoord en hij verklaart de twee ringen die op het nachtkastje van het slachtoffer lagen, te hebben weggenomen. Ook zegt hij op donderdag 6 december 2007 de pinpas van het slachtoffer te hebben gestolen. Hij verklaart hier wroeging over te hebben gekregen en te hebben besloten om de pas de volgende dag terug te leggen. Wanneer hij zich op 7 december 2007 in de keuken van het slachtoffer bevindt en het pasje, naar eigen zeggen, wil terugleggen, komt het slachtoffer binnen. Zij loopt voor hem langs , ziet dat hij het pasje in zijn hand heeft en begint te gillen. Verdachte verklaart dat hij hierdoor in paniek raakte. Handelend vanuit deze paniekreactie pakt verdachte met zijn rechterhand vanaf het aanrecht zijn plastic tas van de Dekamarkt met daarin een beugelslot en een doosje met een dopsleutelset en hij slaat hiermee het slachtoffer op haar achterhoofd. Zij blijft echter gillen en hierop slaat hij haar een tweede keer. Daarna slaat hij haar nog een aantal keren. Volgens verdachte ongeveer zes á zeven keer. Na de laatste slag stopt het slachtoffer met gillen en beweegt zij zich in de richting van de slaapkamer waarbij zij, volgens verdachte, struikelt en met haar hoofd tegen de muur aan valt. Verdachte ziet bloed op de muur. Hij ziet dat het slachtoffer op haar zij met haar rug tegen de muur ligt. Zo blijft het slachtoffer liggen. Verdachte verklaart dat hij nog ziet dat het slachtoffer met haar linkerhand aan haar tand voelt. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard het slachtoffer ook in de slaapkamer nog een aantal keer te hebben geslagen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij dit door de emoties verkeerd heeft geformuleerd.

Vervolgens pakt verdachte zijn waterpomptang van het aanrecht en loopt met de plastic tas naar buiten. Het bankpasje stopt hij in zijn jaszak. Bij het weglopen glijdt verdachte uit en in zijn val is, door contact met zijn elleboog, de schuifdeur dicht gedaan, aldus verdachte. Vervolgens verlaat verdachte de woning van het slachtoffer. Hij rijdt op zijn scooter terug naar huis. Onderweg gooit hij de plastictas van de Dekamarkt in een ondergrondse vuilcontainer. Thuis aangekomen verkleedt hij zich en vervolgens probeert hij met het pasje van het slachtoffer geld te pinnen, hetgeen mislukt. Zijn schoenen en jas brengt hij naar een kennis met het verzoek deze voor hem te bewaren, waarna hij zich naar het café begeeft, waar hij volgens eigen zeggen € 380,- wint op de gokkast. Hij belt zijn vrouw en biecht haar op dat hij de week ervoor het huishoudgeld heeft vergokt. Zij komt overstuur naar huis toe en hierop geeft hij haar zijn zojuist verworven gokwinst.

5.3.2. Oordeel van de rechtbank

5.3.2.1. Feit 1

Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van voornoemde feiten en omstandigheden vast komen te staan dat verdachte opzettelijk het slachtoffer [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Uit het deskundigenrapport van de patholoog-anatoom [persoon 5] blijkt dat het slachtoffer is overleden aan de gevolgen van heftig botsend geweld. Dit letsel is veroorzaakt doordat verdachte een plastic tas met daarin een beugelslot en een doos met daarin een dopsleutelset, meermalen tegen het hoofd en het gelaat van het slachtoffer heeft geslagen. Verdachte heeft dit ook bekend en hij heeft verklaard voor de dood van het slachtoffer verantwoordelijk te zijn.

Opzet

Ten aanzien van het voor de bewezenverklaring van doodslag vereiste opzet overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft een 85-jarige vrouw meermalen met een zwaar beugelslot en een dopsleutelset tegen het hoofd en het gelaat geslagen. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen van verdachte niet anders zijn uit te leggen dan dat hij het opzet had op de dood van het slachtoffer. De verklaring van verdachte waarin hij stelt in paniek te zijn geraakt en vanuit deze paniek te hebben gehandeld, doet hier niet aan af.

Voorbedachten rade

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachten rade zou hebben gedood. Namens verdachte is uitvoerig aangevoerd dat er geen sprake was van voorbedachten rade op de dood van het slachtoffer. Met de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet is af te leiden dat verdachte met een vooropgezet plan om haar van het leven te beroven, naar de woning van het slachtoffer is gegaan.

De officier van justitie is echter van mening dat de voorbedachten rade van verdachte is ontstaan op het moment dat hij door het slachtoffer betrapt werd met haar bankpasje in zijn handen. Zij benadrukt dat dit een keuzemoment is en dat verdachte dus op dat moment heeft nagedacht over zijn handelingen en vervolgens overeenkomstig heeft gehandeld. De rechtbank volgt dit standpunt niet en overweegt hiertoe als volgt. De rechtbank laat in het midden of verdachte op 7 december 2007 het pasje wilde stelen, zoals door de officier van justitie is betoogd of dat hij dit net wilde terugleggen, zoals aangevoerd door de verdediging. De rechtbank benadrukt dat dit niet van invloed is op haar beslissing. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet onvoorstelbaar dat verdachte, op het moment waarop hij betrapt wordt door het slachtoffer met haar bankpas in zijn hand, schrikt en vanuit deze schrikreactie handelt. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat verdachte, handelend vanuit deze schrikreactie, het tasje, dat zich binnen zijn handbereik bevindt, heeft gepakt en naar het slachtoffer heeft uitgehaald.

De officier van justitie stelt dat het slachtoffer na de eerste klap voldoende was uitgeschakeld en dat verdachte zijn eventuele voornemen om weg te gaan tot uitvoering kon brengen. De rechtbank overweegt in dit verband dat, nu verdachte juist is blijven slaan, zulks de gestelde paniekreactie niet onaannemelijk maakt.

Op 12 januari 2008 legt verdachte een verklaring af waarin hij zegt er nooit mee(r) weg te komen. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze verklaring dat hier niet een dermate bewustheid uit blijkt, dat gezegd kan worden dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Ook vindt er, blijkens de verklaring van verdachte, na de eerste klap een korte discussie plaats. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of een dergelijke conversatie de aanname van voorbedachten rade met meebrengt. Zij merkt hiertoe op dat verdachte in zijn verklaring ter terechtzitting van 3 maart 2009 heeft verklaard dat zowel hij als het slachtoffer tijdens het slaan niets hebben gezegd. De rechtbank gaat echter uit van de juistheid van de eerste verklaring van verdachte op dit punt, doch is van oordeel dat aan deze woorden –voor zover gesproken- beperkte betekenis dient te worden toegekend.

Voor de rechtbank staat vast dat het slachtoffer na de eerste klap aan verdachte heeft gevraagd wat hij aan het doen was. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de aard van het letsel dat verdachte in paniek is blijven slaan op het slachtoffer. De bewuste conversatie heeft de gemoedstoestand, wijzend op paniek, van verdachte dus niet doorbroken, zodat niet gezegd kan worden dat verdachte op dit moment zowel tijd als gelegenheid heeft gehad om zijn handelingen te overzien en deze hierop in te richten. Uit de dialoog blijkt niet dat er sprake is geweest van een moment van reflectie die een bewezenverklaring van voorbedachten rade rechtvaardigt. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat de verklaring van verdachte dat het slachtoffer zou zijn gevallen, onwaarschijnlijk is. Echter, ook dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de voorbedachten rade uit af te leiden. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier naar voren is gekomen dat verdachte heeft gehandeld vanuit een panieksituatie en dat hieruit de reeks gewelddadige handelingen hebben plaatsgevonden. Uit het onderzoek van de bloedbeelddeskundige, [persoon 2], blijkt dat er geweldsinwerkingen in de slaapkamer hebben plaatsgevonden. De rechtbank benadrukt dat haars inziens de verklaring van verdachte omtrent wat er in de slaapkamer is voorgevallen niet overeenkomt met hetgeen er in werkelijkheid in de slaapkamer van het slachtoffer is gebeurd. Echter, uit het deskundigenonderzoek en ook uit de overige bewijsmiddelen in het dossier valt niet met voldoende zekerheid af te leiden wat er op die bewuste 7 december 2007 precies in de slaapkamer aa[adres 2] is gebeurd en hoe lang dit heeft geduurd.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat uit de hoeveelheid van toegebracht letsel, op verschillende plaatsen in de woning en het blijven slaan van het slachtoffer terwijl zij al op handen en knieën was, gesteld kan worden dat er sprake is geweest van doelbewust handelen. De raadsvrouw heeft hier tegenover gesteld dat de hoeveelheid aangetroffen verwondingen juist blijk geven van de panieksituatie waar verdachte zich in bevond, nu juist hieruit excessief en buiten-proportioneel handelen van verdachte is af te leiden.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat het tenlastegelegde zich in een kleine ruimte (maximaal enige meters in de keuken en enige meters in de daarnaast gelegen slaapkamer) heeft afgespeeld en dat de hoeveelheid van het toegebrachte letsel op zichzelf, zonder dat uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen is af te leiden binnen welke tijdspanne en in welke volgorde dit letsel is veroorzaakt, onvoldoende blijk geeft van de aanwezigheid van voorbedachten rade bij verdachte.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat wat de officier van justitie heeft gesteld ten aanzien van de jas van verdachte (zou mogelijk op zijn stoel hebben gehangen) speculatief van aard is en voorts geen invloed heeft op de eventuele aanwezigheid van voorbedachten rade bij verdachte tijdens het plegen van het feit. Dit geldt ook voor het aangetroffen bloed op de kraan van het slachtoffer. Uit het hierop gevonden dna-materiaal van het slachtoffer valt op geen enkele wijze de voorbedachten rade van verdachte ten tijde van het delict af te leiden.

De rechtbank benadrukt dat, zoals ook door de raadsvrouw is gesteld, het op geen enkele wijze mogelijk is om het tijdsbestek waarbinnen de slagen zijn toegebracht vast te stellen. Ook de volgorde kan niet worden vastgesteld. Een dergelijk onderzoek is, gelet op de huidige stand van de wetenschap, nog niet mogelijk. Daar komt in deze zaak nog bij dat de sporen in de woning zijn vervuild door de aanwezigheid van de verschillende personen ter plekke. Nu niet is vast te stellen of de slagen die door verdachte op het lichaam van het slachtoffer zijn uitgeoefend, achter elkaar hebben plaatsgevonden, waarbij de oorspronkelijke paniekreactie waar verdachte zich in bevond is doorbroken, gaat de rechtbank er vanuit dat gemoedstoestand van verdachte onveranderd is gebleven. De jurisprudentie van de Hoge Raad is op dit punt duidelijk: voor voorbedachten rade is voldoende dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daar rekenschap van heeft gegeven. De moeilijkheid in onderhavige zaak is nu juist dat over het tijdsverloop tussen de slagen en de volgorde van de slagen op grond van de bewijsmiddelen in het dossier niets is vast te stellen. Dit brengt mee dat niet bewezen kan worden dat er tussen de slagen enig tijdsverloop heeft gezeten waarin verdachte zich had kunnen beraden.

Alhoewel de rechtbank gelet op het technisch bewijs en de op onderdelen wisselende verklaringen van verdachte vermoedt dat verdachte geen volledig inzicht geeft in hetgeen zich heeft afgespeeld in de woning, kan de rechtbank objectief niet vaststellen dat verdachte op enig moment tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit en zich daarvan rekenschap te geven. Nu de aanwezigheid van voorbedachten rade niet bewezen kan worden verklaard, spreekt de rechtbank verdachte vrij van de onder 1 primair tenlastegelegde moord.

5.3.2.2. Feit 1 alternatief/cumulatief

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit feit dat dit door verdachte wordt bekend en dat hij met het bewuste bankpasje het tweede tenlastegelegde feit heeft begaan.

5.3.2.3 Feit 2

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde dat verdachte heeft bekend dat hij dit feit heeft gepleegd. Verder volgt uit het proces-verbaal van bevindingen dat er op 7 december 2007 tweemaal is geprobeerd te pinnen met de bankpas van de AbnAmro bank met volgnummer 05, ten behoeve van de effectenrekening met nummer [nummer]. Daarnaast bevinden zich foto’s in het dossier waarop te zien is dat verdachte probeert te pinnen. De verhorende verbalisanten herkennen verdachte op deze foto’s.

5.3.2.4. Feit 3

De rechtbank overweegt dat ook dit feit door verdachte wordt bekend. Deze verklaring wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat verdachte op 1 december 2007 deze ringen te koop heeft aangeboden aan een juwelier en antiquair gelegen aan de [adres 3] te Amsterdam.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van door haar onder 1 primair, 1 alternatief/cumulatief, onder 2 en 3 tenlastegelegde bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van het feit. Zij heeft hiertoe naar voren gebracht dat het bijzondere in deze zaak is dat het slachtoffer niets verweten kan worden, behalve een te groot vertrouwen in iemand die dat niet waard is gebleken. Het motief van deze daad ligt dan ook niet bij het slachtoffer, maar is gelegen in de persoon van de verdachte. Door zijn gokverslaving heeft verdachte zich in de positie gebracht dat hij een dame van 85 jaar, die hem volledig vertrouwde, wilde bestelen en toen hij werd betrapt, hij geen andere uitweg zag dan haar uit te schakelen. Hierbij heeft verdachte alle grenzen overschreden. Zoals de patholoog-anatoom het verwoordt: “haar gezicht is aan gort geslagen”. Wat deze zaak echter anders maakt dan alle andere moordzaken is dat het slachtoffer nog langere tijd in leven is geweest en zo een dood is gestorven die je niemand toewenst. In de visie van de officier van justitie werd verdachte op 7 december 2007 slechts gedreven door zijn gokschuld die hij bij zijn echtgenote moest zien te vereffenen. Zij acht het ongeloofwaardig dat verdachte het bankpasje van het slachtoffer al op 6 december 2007 had gestolen en naar haar mening heeft hij dit op 7 december gedaan. De officier van justitie acht het opvallend dat verdachte wel wroeging zou hebben over het pasje, maar niet over de twee ringen. Verdachte heeft het slachtoffer vermoord omdat hij werd ontdekt. Door de wijze waarop hij dit gedaan heeft is er naar het oordeel van de officier van justitie sprake van moord geweest. Een gruwelijke moord met ordinair geld als motief.

Nu verdachte ervoor heeft gekozen om niet mee te werken aan het persoonlijkheidsonderzoek in het Pieter Baan Centrum kan er niet in positieve zin rekening worden gehouden met de persoon van de verdachte. Bij het formuleren van haar eis heeft de officier van justitie de leeftijd van het slachtoffer en het feit dat zij volkomen onschuldig en weerloos was en op zeer gewelddadige wijze in haar eigen huis is gedood, zwaar laten meewegen. Tevens heeft de officier van justitie rekening gehouden met wat er in andere soortgelijke zaken wordt opgelegd. Wat deze zaak echter veel ernstiger maakt, is het feit dat verdachte het slachtoffer bewust in doodsnood heeft achtergelaten en dat zij langere tijd heeft geleefd na de toegebrachte verwondingen. Terwijl het slachtoffer ligt dood te gaan, probeert verdachte haar bankrekening te plunderen. De officier van justitie acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 jaar gerechtvaardigd. Echter, de door verdachte op 12 januari 2008 afgelegde -deels- bekennende verklaring dient van invloed te zijn op de strafmaat en de officier van justitie ziet hierin dan ook aanleiding om haar eis met 1 jaar te matigen en een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar te vorderen.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft primair vrijspraak van de onder 1 tenlastegelegde moord en de onder 2 tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag bepleit.

Ten aanzien van de strafmaat heeft zij aangevoerd dat verdachte zich terdege bewust is van de ernst van het feit en dat hij dit bij zijn verklaringen ook altijd heeft benadrukt en zijn verantwoordelijkheid niet heeft ontkend. Verdachte realiseert zich dat hem een straf wacht. Verdachte is inmiddels 62 jaar oud en heeft een ingrijpende ziekte achter de rug. Een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf brengt zeer wel de mogelijkheid van een de facto levenslange gevangenisstraf met zich mee. De rechtspraak biedt ook bij een feit als dit, gelet op verdachtes persoonlijke achtergrond en gebrek aan justitiële documentatie, geen aanknopingspunten voor een de facto levenslange gevangenisstraf. Zo een zware sanctie staat niet in verhouding tot de onderhavige zaak. De raadsvrouw heeft om matiging van de eis van de officier van justitie verzocht.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze zijn neergelegd in de oriëntatiepunten straftoemeting van de rechtbank Amsterdam betreffende artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht. Genoemde oriëntatiepunten dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging en worden regelmatig geactualiseerd. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan een van de meest ernstige feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent. Hij heeft een dame van 85 jaar, die hem volledig vertrouwde, in haar eigen woning om het leven gebracht. Verdachte heeft op meerdere momenten het vertrouwen dat het slachtoffer in hem stelde door hem toe te laten in haar woning geschaad. De woonruimte is dé plaats bij uitstek waar men zich veilig moet voelen, maar juist in haar eigen woning is het slachtoffer niet veilig gebleken. Verdachte heeft dit vertrouwen geschaad door op meerdere momenten goederen van het slachtoffer uit de woning mee te nemen en zich deze wederrechtelijk toe te eigenen. Op 6 of 7 december 2007 steelt verdachte de bankpas van het slachtoffer, maar ook zijzelf blijkt niet veilig bij verdachte. Wanneer zij verdachte op 7 december 2007 betrapt met haar bankpas in zijn hand, slaat verdachte haar meermalen met een beugelslot en een dopsleutelset op haar hoofd en tegen haar gezicht. Uiteindelijk laat hij haar levend, maar zwaar gewond achter, waarna hij probeert te pinnen met het gestolen bankpasje van het slachtoffer. De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan. De door verdachte gepleegde strafbare feiten hebben met name onder de oudere bevolking van de [straatnaam] en bij de dierbaren van het slachtoffer grote beroering en gevoelens van onrust teweeg gebracht. De handelingen van verdachte en het letsel dat het slachtoffer daardoor heeft opgelopen, zijn, gelet op de leeftijd en de fysieke toestand van het slachtoffer en haar totale gebrek aan weerbaarheid, volstrekt niet te bevatten. Verdachte heeft hier dan ook, behalve dan dat hij stelt in paniek te zijn geraakt en vanuit deze paniek te hebben gehandeld, geen enkele verklaring voor afgelegd, noch heeft hij op enig moment gevoelens van berouw geuit. De rechtbank betreurt de keuze van verdachte om niet mee te werken aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum nu hier mogelijk een verklaring voor zijn handelen zou zijn gevonden.

In voor verdachte positieve zin heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de dood van het slachtoffer, hoe gruwelijk en onvoorstelbaar ook, een incident lijkt te zijn, nu verdachte door iedereen wordt omschreven als een niet-agressieve man. Ook blijkt uit een op zijn naam staand uittreksel Justitiële Documentatie dat verdachte niet eerder wegens geweldsdelicten in aanraking is geweest met politie en justitie. Voorts heeft de rechtbank bij de keuze van de op te leggen straf in overweging genomen dat verdachte een -deels- bekennende verklaring heeft afgelegd en op die manier enig inzicht in zijn handelen heeft geboden.

De raadsvrouw heeft namens verdachte aangevoerd de strafeis van de officier van justitie te matigen en gelet op de leeftijd en ziektegeschiedenis van verdachte geen straf op te leggen die de facto neerkomt op een levenslange gevangenisstraf. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit standpunt dat, hoewel zij rekening houdt met de leeftijd van verdachte, het bewezenverklaarde een vrijheidstraf van langere duur rechtvaardigt.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57(oud), 287, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart het onder 1 primair, voor zover dit ziet op de tenlastegelegde moord, niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, voor zover dit betrekking heeft op de doodslag, het onder 1 alternatief/cumulatief, onder 2 en onder 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde:

Doodslag

Ten aanzien van het onder 1 alternatief/cumulatief en onder 3 tenlastegelegde:

Diefstal, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

Poging tot diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. Moors, voorzitter,

mrs. J. Knol en A.C. Schaafsma, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M.L. Habich, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 mei 2009.