Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI2285

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
27-04-2009
Zaaknummer
378266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

pandrecht, uitleg beding eigendomsvoorbehoud in algemene voorwaarden

In deze zaak speelt een conflict tussen een houder van een pandrecht op de inventaris van shops bij benzinestations en een leverancier van deze shops, die onder meer tabakswaren en snoep levert. Aan de orde is daarbij de uitleg van een eigendomsvoorbehoud, opgenomen in de algemene voorwaarden van de leverancier. Deze uitleg dient te geschieden volgens de Haviltex-norm en niet volgens de CAO-norm.

De rechtbank komt uiteindelijk tot de conclusie dat het beding met eigendomsvoorbehoud geen verpanding van reeds geleverde maar nog niet betaalde goederen toestaat.

Het beroep op vermenging van betaalde en niet-betaalde handelsvoorraad faalt, evenals het beroep op vermenging van door gedaagde in conventie geleverde en door derden geleverde artikelen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 92
Burgerlijk Wetboek Boek 3 227
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 231
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2009, 56
JOR 2009/201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 378266 / HA ZA 07-2423

Vonnis van 4 maart 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TAMOIL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEKKER VAN DER LAAN DEKKER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. T.W. Jaburg.

Partijen zullen hierna Tamoil en Van der Laan genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 augustus 2007

- de akte houdende overlegging producties van Tamoil van 5 september 2007

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

- het tussenvonnis van 14 november 2007, waarin een comparitie van partijen werd gelast

- de conclusie van antwoord in reconventie, met productie

- het proces-verbaal van comparitie van 20 februari 2008

- de conclusie van repliek in conventie en van dupliek in reconventie van Tamoil van 2 april 2008, met producties

- de akte houdende overlegging productie van Tamoil van 14 mei 2008

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van Van der Laan van 28 mei 2008, met producties

- de akte uitlating producties in conventie tevens van dupliek in reconventie van Tamoil van 23 juli 2008, met productie

- de akte van Van der Laan van 3 september 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. In haar akte van 3 september 2008 beklaagt Van der Laan zich erover dat Tamoil in het door haar op 23 juli 2008 ingediende processtuk niet alleen heeft gereageerd op de door van der Laan op 28 mei 2008 in het geding gebrachte producties, maar ook heeft geconcludeerd voor dupliek in reconventie, terwijl zij dat op 2 april 2008 al had gedaan. Van der Laan verzoekt de rechtbank ofwel geen acht te slaan op het deel van het processtuk van Tamoil van 23 juli 2008 dat betrekking heeft op de reconventie, ofwel Van der Laan in de gelegenheid te stellen nog een akte te nemen waarin zij daarop kan reageren.

1.4. Bij de comparitie is de zaak verwezen naar de rol van 2 april 2008 voor conclusie van repliek in conventie aan de zijde van Tamoil, en opgemerkt dat daarna Van der Laan in de gelegenheid zou worden gesteld een conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie te nemen. Alhoewel dit niet met zoveel woorden in het proces-verbaal van de comparitie is opgenomen, spreekt voor zich dat daarna Tamoil nog een conclusie van dupliek in reconventie zou mogen nemen.

Tamoil is op de zaken vooruit gelopen door op 2 april 2008 niet alleen voor repliek in conventie, maar ook “voor dupliek in reconventie” te concluderen. Dat laatste was niet conform de ter comparitie gegeven instructie en sneed geen hout omdat Van der Laan op dat moment nog niet voor repliek in reconventie had geconcludeerd. Van der Laan heeft destijds evenwel geen bezwaar gemaakt tegen die gang van zaken, zij heeft in haar processtuk van 28 mei 2008 kunnen reageren op alles wat Tamoil in het daaraan voorafgaande processtuk heeft gesteld, en gesteld noch gebleken is dat Van der Laan door deze gang van zaken in haar belangen is geschaad. De rechtbank zal daarom ook hetgeen Tamoil in haar processtuk van 2 april 2008 aanvoert ten aanzien van het geschil in reconventie in haar oordeel meenemen.

Tamoil was gerechtigd om - conform de normale gang van zaken - op 23 juli 2008 voor dupliek in reconventie te concluderen. Hetgeen Tamoil in dat processtuk heeft aangevoerd, maakt dan ook deel uit van deze procedure. Van der Laan is niet gerechtigd daar nog eens op te reageren. Nadat Tamoil haar dupliek in reconventie had genomen mocht Van der Laan nog wel reageren op de daarbij door Tamoil overgelegde productie. Dat heeft Van der Laan ook gedaan in haar akte van 3 september 2008.

2. De feiten

in conventie en reconventie

2.1. De heer [A], exploiteerde tot in elk geval april 2007 (onder meer) een tankstation aan de Laaressingel 32 en een tankstation aan de Veldhoflanden 16, beide te Enschede.

2.2. [A] had met Tamoil een zogeheten “Tamoil Partnership Agreement” gesloten. met betrekking tot de exploitatie van het tankstation aan de Laaressingel. Krachtens deze overeenkomst nam Tamoil de exploitatie van de brandstoffen voor haar rekening en nam [A] de exploitatie van onder meer de shop en carwash voor zijn rekening.

2.3. Van der Laan beleverde de shops van [A] - zowel op de locatie Laaressingel 32 als op de locatie Veldhoflanden 16 - met onder meer tabak, snoep en frisdranken.

2.4. In de algemene verkoopvoorwaarden van Van der Laan (hierna: de algemene voorwaarden) is de volgende bepaling opgenomen:

“Artikel 6. Eigendomsvoorbehoud

Geleverde goederen blijven het eigendom van de verkoper, totdat zij geheel zijn betaald. De koper is tot dat tijdstip slechts gerechtigd die goederen te vervreemden, indien die handeling behoort tot de normale en regelmatige uitoefening van zijn bedrijf, tenzij de verkoper hem dat recht ontzegt na het verstrijken van de betalingstermijn of de koper in staat van faillissement is verklaard of surséance van betaling heeft aangevraagd.

Het is voor koper niet toegestaan om zaken geheel of gedeeltelijk aan derden te verpanden of de eigendom daarvan over te dragen buiten de normale bedrijfsuitoefening van beroep of bedrijf, tot het moment dat volledige betaling heeft plaatsgevonden.”

2.5. Op 11 december 2006 hebben Tamoil en [A] een onderhandse pandakte getekend, waarbij [A] aan Tamoil heeft verpand (artikel 1 sub a van de pandakte) “de gehele bedrijfsinventaris behorende tot de onderneming”, waarbij onder meer de volgende zaken met naam worden genoemd:

“- shopvoorraad Laaressingel Enschede bestaande uit: tabak, snoep, tijdschriften, automaterialen, dvd’s en cd’s, computer kantoor etc. etc.

- shopvoorraad Total Stroinkslanden, Veldhoflanden nr. 16 te Enschede bestaande uit: tabak, snoep, tijdschriften, automaterialen, dvd’s en cd’s, etc. etc.”

Tevens zijn verpand (artikel 1 sub b) “…alle sub a bedoelde zaken, welke in de toekomst tot de bedrijfsinventaris van de onderneming zullen gaan behoren;”.

In artikel 1, voorlaatste alinea, van de pandakte wordt bepaald:

“Voorzover de sub 1 onder a t/m f bedoelde zaken onderworpen zijn of zullen worden aan een eigendomsvoorbehoud van een ander, geschiedt de onderhavige verpanding voorzover mogelijk reeds thans onder de opschortende voorwaarde dat de rechten van de eerste eigenaar eindigen of ruimte geven aan de onderhavige verpanding.”

De pandakte is op 15 december 2006 geregistreerd.

2.6. Omdat [A] niet voldeed aan zijn betalingsverplichtingen jegens Tamoil, hebben Tamoil en [A] op 20 respectievelijk 30 december 2006 een vaststellingsovereenkomst getekend waarin onder meer een betalingsregeling werd overeengekomen. [A] is deze betalingsregeling uiteindelijk ook niet nagekomen. Per 18 april 2007 had Tamoil van [A] tegoed een bedrag van EUR 93.821,09, dat krachtens de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst terstond opeisbaar was.

2.7. Op 16 april 2007 heeft Tamoil verlof gevraagd aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo om de aan Tamoil verpande zaken onder zich te nemen; dit verlof is op dezelfde dag verleend. Op 18 april 2007 heeft de deurwaarder dit verlof geëxecuteerd en de gehele shopvoorraad van het tankstation aan de Laaressingel uitgewonnen.

2.8. [A] voldeed in de loop van april 2007 evenmin aan zijn betalingsverplichtingen jegens Van der Laan. Vanaf omstreeks 5 maart 2007 heeft [A] de facturen voor de op regelmatige basis door Van der Laan geleverde artikelen onbetaald gelaten. Op 19 april 2007 hebben medewerkers van Van der Laan alle tabaksartikelen en snoepgoed uit de shop van het tankstation aan de Veldhoflanden meegenomen, met een beroep op het in de algemene voorwaarden opgenomen eigendomsvoorbehoud.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Tamoil vordert samengevat - een verklaring voor recht dat Van der Laan onrechtmatig jegens Tamoil heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door Tamoil daardoor geleden schade, veroordeling van Van der Laan tot vergoeding van deze schade, op te maken bij staat, en veroordeling van Van der Laan in de kosten van het geding.

3.2. Tamoil stelt daartoe dat Van der Laan onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld omdat zij zich op 19 april 2007 zonder recht of titel de shopvoorraad van tankstation aan de Veldhoflanden heeft toegeëigend, en daarmee het pandrecht van Tamoil op die shopvoorraad heeft gefrustreerd.

3.3. Van der Laan voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. Van der Laan vordert samengevat - veroordeling van Tamoil tot betaling van EUR 44.843,24, vermeerderd met wettelijke handelsrente en de kosten van het geding.

3.5. Van der Laan stelt daartoe dat Tamoil onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld omdat zij zich op 18 april 2007 de shopvoorraad van tankstation aan de Laaressingel heeft toegeëigend, waarvan een groot deel (tabak, snoep, frisdranken etc.) - gelet op het eigendomsvoorbehoud - aan Van der Laan toebehoorde.

3.6. Tamoil voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Tegenover de stelling van Tamoil dat Van der Laan zich zonder recht of titel de shopvoorraad van tankstation aan de Veldhoflanden heeft toegeëigend, en daarmee het pandrecht van Tamoil op deze voorraad heeft gefrustreerd, stelt Van der Laan dat zij wel degelijk recht daartoe had. Zij beroept zich op het in artikel 6 van de algemene voorwaarden opgenomen beding waarin zij zich het eigendom van door haar geleverde zaken voorbehoudt (hierna: het beding). Gelet op dit beding was zij eigenaar van deze shopvoorraad; zij was dus gerechtigd deze mee te nemen.

4.2. Tamoil stelt dat het beroep van Van der Laan op het beding faalt en dat Van der Laan niet als eigenaar van de door haar meegenomen voorraad kan worden aangemerkt. Tamoil onderbouwt deze stelling met de volgende argumenten:

- de algemene voorwaarden maken geen deel uit van de overeenkomst(-en) tussen Van der Laan en [A], zodat het beding niet geldt (de rechtbank zal dit argument onder 4.3 en verder behandelen);

- het beding staat verpanding toe, zodat ook de door Van der Laan geleverde en nog niet door [A] betaalde shopvoorraad rechtsgeldig is verpand aan Tamoil (de rechtbank zal dit argument onder 4.6 en verder behandelen);

- de door Van der Laan geleverde en niet door [A] betaalde voorraad moet niettegenstaande het beding als eigendom van [A] worden aangemerkt, omdat sprake was van vermenging met andere voorraad, bestaande uit door Van der Laan geleverde en wel door [A] betaalde voorraad en door een derde, Lekkerland, aan [A] geleverde voorraad (de rechtbank zal dit argument onder 4.16 en verder behandelen).

Toepasselijkheid algemene voorwaarden

4.3. Tamoil stelt dat Van der Laan niet aantoont dat (1) de algemene voorwaarden deel uitmaken van haar koop/leveringsovereenkomst(-en) met [A] en (2) deze aan [A] ter hand zijn gesteld. Van der Laan kan zich daarom niet op het beding beroepen.

Van der Laan heeft daartegenover bij comparitie gesteld dat in de contractsvoorwaarden met [A] de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard en dat deze aan [A] ter hand zijn gesteld.

4.4. De rechtbank passeert de stelling van Tamoil dat de algemene voorwaarden geen deel uitmaken van de overeenkomst(-en) tussen Van der Laan en [A]. Tamoil kan niet volstaan met de enkele betwisting van deze stelling van Van der Laan dat de algemene voorwaarden deel uitmaken van die overeenkomst.

Datzelfde geldt voor de stelling van Tamoil dat de algemene voorwaarden niet aan [A] ter hand zijn gesteld. Die stelling kan Tamoil overigens ook niet baten. Zij staat immers buiten de relatie tussen Van der Laan en [A]. Indien de algemene voorwaarden niet ter hand zouden zijn gesteld zou [A] deze, c.q. het beding, mogelijk kunnen vernietigen met een beroep op art. 6:233 sub b BW. Zo’n beroep komt Tamoil echter niet toe en is in deze procedure dus niet aan de orde.

4.5. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het beding deel uitmaakt van de overeenkomst(-en) tussen Van der Laan en [A].

Laat het beding verpanding toe?

4.6. Tamoil stelt dat het beding bij een “taalkundige” uitleg, die hier gevolgd zou moeten worden, [A] toestond door Van der Laan geleverde en nog niet betaalde voorraad te verpanden, mits dit binnen zijn normale bedrijfsuitoefening paste. De verpanding van de shopvoorraad aan Tamoil zou binnen de normale bedrijfsuitoefening van [A] passen, zodat deze rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en Van der Laan op 19 april 2007 geen eigendomsrechten (meer) kon doen gelden ten aanzien van de door haar geleverde en niet door [A] betaalde shopvoorraad.

Van der Laan stelt dat het beding [A] juist niet toestond door Van der Laan geleverde zaken aan derden te verpanden. Dat was de intentie van Van der Laan en dat volgt ook uit een letterlijke uitleg van het beding.

Maatstaf uitleg

4.7. Alvorens de rechtbank toekomt aan uitleg van het beding, zal zij stilstaan bij de daarbij te hanteren maatstaf.

Tamoil betoogt dat het beding moet worden uitgelegd volgens de zogenaamde CAO-norm. Volgens vaste rechtspraak is uitleg van een overeenkomst volgens de CAO-norm aan de orde als sprake is van een overeenkomst die naar haar aard bestemd is de rechtspositie van derden te beïnvloeden, zonder dat die derden invloed hebben op de inhoud of formulering van deze overeenkomst, terwijl de onderliggende partijbedoeling voor die derden niet kenbaar is. Tamoil stelt dat de algemene voorwaarden, meer in het bijzonder het beding, bestemd zijn de rechtspositie van derden te beïnvloeden.

De rechtbank volgt dit betoog niet. De algemene voorwaarden geven regels voor de relatie tussen Van der Laan en haar afnemers, waaronder [A]. Datzelfde geldt voor het beding. Het feit dat het beding invloed kan hebben op de rechtpositie van derden (die ook rechten willen doen gelden op zaken die onder het beding vallen) verandert niets aan het feit dat het gaat om een beding dat er in de eerste plaats toe strekt een aspect van de rechtsrelatie tussen Van der Laan en [A] te regelen; het beding is niet naar zijn aard bestemd om de rechtspositie van derden te beïnvloeden. Daarmee dient het beding te worden uitgelegd op de normale wijze, te weten volgens de zogenaamde Haviltex-norm. Het beding verschilt daarin niet van bijvoorbeeld een pandovereenkomst, zoals in de casus die leidde tot HR 20 september 2002, NJ 2002, 610 m.nt. du Perron, rov. 4.3. De Hoge Raad oordeelde dat de enkele omstandigheid dat een overeenkomst (in dat geval een pandovereenkomst) ook gevolgen heeft voor anderen dan partijen, niet rechtvaardigt om een andere norm dan de Haviltex-norm toe te passen.

Uitleg

4.8. Tamoil beroept zich op de derde zin van de bepaling:

“Het is voor koper niet toegestaan om zaken geheel of gedeeltelijk aan derden te verpanden of de eigendom daarvan over te dragen buiten de normale bedrijfsuitoefening van beroep of bedrijf, tot het moment dat volledige betaling heeft plaatsgevonden.”

Tamoil betoogt dat deze zin grammaticaal slechts voor één uitleg vatbaar is, te weten dat verpanding en eigendomsoverdracht niet zijn toegestaan als die plaatsvinden buiten de normale bedrijfsvoering.

Zij verbindt daaraan de conclusie dat verpanding binnen de normale bedrijfsvoering wel mogelijk is.

4.9. De rechtbank volgt dit betoog niet. Grammaticaal kan de zinsnede “buiten de normale bedrijfsuitoefening…” inderdaad - zoals Tamoil betoogt - terugslaan op zowel de handeling “verpanden” als op de handeling“de eigendom … over te dragen”, maar de zinsnede kan ook uitsluitend terugslaan op de direct daarvoor genoemde handeling “de eigendom … over te dragen” en dus niet ook op de vóór het verbindingswoord “of” genoemde handeling“verpanden”.

Grammaticaal zijn er dus twee mogelijke lezingen van deze derde zin:

Lezing 1:

“Het is voor koper niet toegestaan om

- zaken geheel of gedeeltelijk aan derden te verpanden of

- de eigendom daarvan over te dragen buiten de normale bedrijfsuitoefening van beroep of bedrijf,

tot het moment dat volledige betaling heeft plaatsgevonden.”

Lezing 2:

“Het is voor koper niet toegestaan om

- zaken geheel of gedeeltelijk aan derden te verpanden buiten de normale bedrijfsuitoefening van beroep of bedrijf, of

- de eigendom daarvan over te dragen buiten de normale bedrijfsuitoefening van beroep of bedrijf,

tot het moment dat volledige betaling heeft plaatsgevonden.”

4.10. Waar grammaticaal twee mogelijkheden van uitleg bestaan, is - zo ligt besloten in de Haviltex-norm die hier wordt toegepast - beslissend de zin die partijen (Van der Laan en [A]) over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.11. De rechtbank stelt vast dat, met hantering van deze maatstaf, het beding redelijkerwijs niet anders kan worden uitgelegd dan conform lezing 1, te weten dat de passage “buiten de normale bedrijfsuitoefening…” enkel terugslaat op de handeling “de eigendom … over te dragen” en niet ook betrekking heeft op de handeling “verpanden”.

4.12. Dit volgt in de eerste plaats uit de context van het beding zelf. Tamoil beroept zich uitsluitend op de tekst van de derde zin van het beding; die derde zin moet echter worden gelezen in het licht van de rest van het - hierboven onder 2.4 geciteerde - beding, dat uit een koptekst (“Eigendomsvoorbehoud”) en drie zinnen bestaat.

De eerste zin (“Geleverde goederen blijven het eigendom van de verkoper, totdat zij geheel zijn betaald.”) bevat de hoofdregel.

De tweede zin (“De koper is tot dat tijdstip slechts gerechtigd die goederen te vervreemden, indien die handeling behoort tot de normale en regelmatige uitoefening van zijn bedrijf, tenzij…”) heeft de strekking dat de afnemer zaken die onder het eigendomsvoorbehoud vallen mag verkopen aan klanten die zijn tankshop bezoeken. Het gaat daarbij om een uitzondering op de hoofdregel van de eerste zin. Zonder die uitzondering zou verkoop van zaken die onder het beding vallen (ook reguliere verkoop aan klanten) onmogelijk zijn, omdat de afnemer dan ten aanzien van die zaken niet beschikkingsonbevoegd zou zijn.

De derde zin bevat een opsomming van wat de afnemer niet mag doen met de zaken die onder het eigendomsvoorbehoud vallen. De verboden handelingen zijn “verpanden” en “de eigendom .. over te dragen”. Aangezien de in de eerste zin gegeven hoofdregel in beginsel in de weg staat aan rechtsgeldige eigendomsoverdracht of verpanding van zaken die onder het beding vallen, moet deze zin worden aangemerkt als een toevoeging ter verduidelijking van de strekking van het eigendomsvoorbehoud.

De toevoeging “buiten de normale bedrijfsuitoefening…” in deze derde zin is te verklaren omdat in de tweede zin bij wijze van uitzondering is toegestaan zaken te verkopen in het kader van de normale bedrijfsuitoefening. Om te voorkomen dat het beding intern tegenstrijdig zou worden, moet aan het verbod op “de eigendom .. over te dragen” in de derde zin wel worden toegevoegd “buiten de normale bedrijfsuitoefening…”.

Binnen de context van het beding is daarentegen geen reden denkbaar waarom “buiten de normale bedrijfsuitoefening…” óók zou terugslaan op“verpanden”.

De context van het beding pleit juist tegen de lezing dat verpanding alleen buiten de normale bedrijfsuitoefening zou worden verboden. Verpanding (al dan niet binnen de normale bedrijfsuitoefening) spoort niet met de hoofdregel die in de eerste zin wordt gegeven en het zou in de rede liggen dat, als sprake zou zijn van een uitzondering op de hoofdregel, deze expliciet werd gegeven, zoals in de tweede zin expliciet een uitzondering wordt gemaakt voor het binnen de normale bedrijfsuitoefening vervreemden van zaken die onder het beding vallen.

4.13. In de tweede plaats volgt uit de achtergrond van het beding dat dit redelijkerwijs niet anders kan worden uitgelegd dan conform lezing 1. Het beding is opgenomen in algemene voorwaarden die Van der Laan heeft opgesteld of laten opstellen om een aantal aspecten van haar contractuele relatie met haar afnemers uniform te regelen. Daarbij is gegeven dat Van der Laan middels die algemene voorwaarden probeert risico’s te beperken en haar belangen te beschermen.

Als wordt uitgegaan van lezing 1, heeft Van der Laan haar afnemers slechts willen toestaan zaken die nog niet zijn afgerekend in de shop aan hun klanten te verkopen, en willen verbieden deze te verpanden, of buiten de normale gang van zaken te verkopen. Die lezing sluit aan bij de achtergrond van het beding; het ligt in de rede dat Van der Laan dat aan haar afnemers zou willen verbieden. Bij die lezing zouden de belangen van Van der Laan worden beschermd, zonder de belangen van haar afnemers te schaden (de afnemers zijn er immers bij gebaat dat ze geleverde zaken snel kunnen doorverkopen aan klanten; verpanding of verkoop anders dan aan klanten is daarentegen niet direct in het belang van de afnemers).

Als wordt uitgegaan van lezing 2, heeft Van der Laan daarentegen bedoeld verpanding van zaken die onder haar eigendomsvoorbehoud vallen toe te staan, indien die plaatsvond binnen de normale bedrijfsuitoefening, dus bijvoorbeeld aan een andere zakelijke crediteur. Dat zou betekenen dat Van der Laan heeft gewild dat haar afnemers op door haar geleverde maar nog niet betaalde zaken een pandrecht kunnen verlenen aan andere bedrijfscrediteuren, waarmee de verhaalspositie van die andere crediteuren in aanzienlijke mate zou worden versterkt, ten koste van die van Van der Laan. Het is zeer slecht voorstelbaar dat dit de intentie van Van der Laan was, en zo mag het beding dan ook redelijkerwijs niet worden begrepen. Bij uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf is de omstandigheid dat een bepaalde voorgestane uitleg zou leiden tot een resultaat dat met hetgeen partijen met de overeenkomst beoogden minder goed zou zijn te rijmen een belangrijke contra-indicatie voor de juistheid van die uitleg. De door Tamoil voorgestane uitleg valt in het geheel niet te rijmen met hetgeen partijen - in dit geval vooral Van der Laan, de opsteller van de voorwaarden - daarmee wilden bereiken.

4.14. De rechtbank komt, gelet op het bovenstaande, tot de conclusie dat het beding geen verpanding van door Van der Laan geleverde en door [A] nog niet betaalde goederen toestaat. Dit betekent dat het betoog van Tamoil dat [A] de door Van der Laan onder eigendomsvoorbehoud geleverde bedrijfsvoorraad rechtsgeldig aan haar heeft verpand faalt.

4.15. Volledigheidshalve voegt de rechtbank hieraan toe dat uitleg van het beding volgens de CAO-norm niet tot een andere conclusie zou hebben geleid. Bij uitleg volgens deze norm zijn de bewoordingen van de bepaling maatgevend, maar moeten die bewoordingen wel worden gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst. Indien de passage in de derde zin van het beding waar Tamoil zich steeds op beroept wordt gelezen in het licht van de rest van het beding, is duidelijk dat van de beide grammaticaal mogelijke lezingen de door Tamoil voorgestane lezing zeer onwaarschijnlijk is.

Beroep op vermenging

4.16. Tamoil betoogt voorts dat de op 19 april 2007 door Van der Laan uit de shop aan de Veldhoflanden meegenomen voorraad, ook voor zover het ging om door Van der Laan geleverde en niet door [A] betaalde voorraad, niettegenstaande het beding dat die voorraad als eigendom van [A] moet worden aangemerkt waarop het ten behoeve van Tamoil gevestigde pandrecht gold. Er was sprake van vermenging van de door Van der Laan geleverde en niet door [A] betaalde voorraad (die onder het beding valt) met andere voorraad, te weten (1) eerder door Van der Laan geleverde en wél door [A] betaalde voorraad en (2) door een derde (Lekkerland) aan [A] geleverde voorraad. Op 19 april 2007 viel niet vast te stellen welke van de aanwezige artikelen wel en welke niet betaald waren, en welke door Van der Laan geleverd waren en welke door Lekkerland. Daarom moet volgens de bewijsvermoedens van art. 3:109 en 3:119 BW [A] en niet Van der Laan als eigenaar van de gehele shopvoorraad worden aangemerkt. Daaruit volgt - nu [A] ook toekomstige zaken heeft verpand - deze shopvoorraad aan Tamoil was verpand en Van der Laan de pandrechten van Tamoil heeft gefrustreerd.

Ad (1) vermenging betaalde en niet-betaalde voorraad?

4.17. Als productie 2 heeft Van der Laan overgelegd een aantal aan [A] aan het adres aan de Veldhoflanden gerichte facturen in verband met levering van tabak, snoep en drank. De factuurdata en de gefactureerde bedragen (inclusief btw) zijn de volgende:

19-03-2007 EUR 2.802,27

22-03-2007 EUR 7.419,17

05-04-2007 EUR 11.396,37

10-04-2007 EUR 101,38

12-04-2007 EUR 4.408,93

16-04-2007 EUR 4.231,06

23-07-2007 EUR 82,16

Aangezien Van der Laan dit stelt en Tamoil dit niet dan wel onvoldoende heeft betwist, stelt de rechtbank vast dat deze facturen betrekking hebben op leveringen aan de shop op de locatie Veldhoflanden die op of kort voor de te onderscheiden factuurdata hebben plaatsgevonden, en dat geen van deze facturen door [A] zijn voldaan.

4.18. Namens Van der Laan is bij de comparitie van partijen aangevoerd dat de voorraad van tankshophouders snel op gaat en dat haar cliënten daarom één à twee keer per week bij haar bestellen (en beleverd worden). Deze stelling wordt onderbouwd door de frequentie van de leveringen aan [A] (als hierboven onder 4.17 weergegeven) en de specificaties op de onder productie 2 van Van der Laan overgelegde facturen (waarbij meerdere artikelen op meerdere facturen terugkeren, dus continu worden bijbesteld). Nu Tamoil deze stelling niet betwist, komt zij vast te staan.

Daarnaast heeft Van der Laan gesteld dat eerder geleverde tabak, snoep en drank eerder wordt verkocht dan later geleverde tabak, snoep en drank (door partijen ook wel aangeduid met het “fifo-principe”). Zij heeft deze stelling onderbouwd door erop te wijzen dat zowel tabaksartikelen als snoep en drank uiterste houdbaarheidsdata hebben en dat sigarettenschappen in tankshops van achteren worden gevuld. Ook deze stelling is door Tamoil niet, althans onvoldoende, betwist en komt daarmee vast te staan.

4.19. Van der Laan heeft als productie 3 overgelegd overzichten van, naar zij stelt, de artikelen die zij op 19 april 2007 uit de shop aan de Veldhoflanden heeft meegenomen. Deze artikelen vertegenwoordigen tezamen - berekend tegen de prijzen waarvoor de artikelen aan [A] werden geleverd - een waarde van EUR 12.815,68.

Tamoil betwist de juistheid van deze overzichten, en wijst op het feit dat de overzichten geen verwijzing naar de tankshop van [A] aan de Veldhoflanden bevatten en op vier verschillende data zijn opgesteld.

De rechtbank acht deze betwisting onvoldoende. Omdat het niet gaat om facturen maar om overzichten van artikelen verbaast niet dat ze niet aan de shop aan de Veldhoflanden geadresseerd zijn. Ook het feit dat de overzichten zijn gedateerd op 2 mei 2007, 3 mei 2007, 5 juni 2007 en 26 juli 2007 geeft geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Omdat het om een grote hoeveelheid artikelen ging is voorstelbaar dat er niet in één dag één overzicht is opgesteld, maar dat daar twee dagen (2 en 3 mei 2007) over is gedaan en dat later nog overzichten zijn gemaakt van de sigaren (5 juni 2007) en snoepgoed (26 juli 2007). Die laatste twee categorieën vertegenwoordigen ten opzichte van het totaal ook een relatief geringe waarde. De rechtbank neemt daarmee als vaststaand aan dat de waarde van de artikelen die Van der Laan op 19 april 2007 uit de shop aan de Veldhoflanden heeft meegenomen (ongeveer) EUR 12.815,68 bedraagt.

4.20. Nu vaststaat dat:

- Van der Laan in de periode van 19 maart tot en met 16 april 2007 voor (zo blijkt uit het hierboven onder 4.17 gegeven overzicht) EUR 30.359,18 aan artikelen heeft geleverd aan de shop van [A] en de Veldhoflanden, die alle onbetaald zijn gebleven;

- de omloopsnelheid in de shop hoog lag;

- eerder geleverde artikelen eerder werden verkocht dan later geleverde artikelen;

- Van der Laan op 19 april 2007 voor omstreeks EUR 12.815,68 aan tabak en snoep in de shop heeft aangetroffen en heeft meegenomen,

acht de rechtbank het uitgesloten dat zich op 19 april 2007 nog artikelen in de shop aan de Veldhoflanden bevonden die voor 19 maart 2007 door Van der Laan waren geleverd en derhalve door [A] waren betaald.

4.21. Het beroep van Tamoil op vermenging van betaalde en niet betaalde artikelen faalt derhalve.

4.22. Van der Laan heeft in dit verband nog betoogd dat, gelet op het gebruik van het woord “geheel” in de eerste zin van het beding (“Geleverde goederen blijven het eigendom van de verkoper, totdat zij geheel zijn betaald.”), de door haar geleverde zaken die wel door [A] zijn voldaan ook onder de strekking van het beding vallen. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, behoeft deze stelling evenwel geen behandeling.

Ad (2) vermenging met door Lekkerland geleverde voorraad?

4.23. Tamoil heeft als productie 11 overgelegd een afleverbon van Lekkerland d.d. 8 januari 2007, waaruit blijkt dat Lekkerland op of omstreeks die datum voor een bedrag ad EUR 5.787,30 aan tabak, snoep en drank heeft geleverd aan de shop van [A] aan de Veldhoflanden. Van der Laan betwist dat deze artikelen daadwerkelijk zijn geleverd; de rechtbank passeert deze betwisting, nu deze iedere onderbouwing mist, en gaat uit van de juistheid van de stelling van Tamoil.

4.24. Gelet op de hierboven onder 4.20 genoemde feiten en omstandigheden is niet aannemelijk dat zich op 19 april 2007, de datum waarop Van der Laan zich de voorraad van de shop heeft toegeëigend, nog enige van de op 8 januari 2007 (ruim drie maanden eerder) door Lekkerland geleverde artikelen in de shop bevonden. Ook het beroep van Tamoil op vermenging van door Van der Laan geleverde en door derden geleverde artikelen gaat derhalve niet op.

Slotsom in conventie

4.25. Niet is komen vast te staan dat Tamoil een pandrecht had op de shopvoorraad van de Veldhoflanden, die Van der Laan zich op 19 april 2007 heeft toegeëigend.

4.26. Nu die stelling de grondslag was van de vordering van Tamoil in conventie, zal deze vordering worden afgewezen.

Proceskosten

4.27. Tamoil zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Van der Laan worden in conventie begroot op:

- vast recht 251,00

- salaris advocaat 1.356,00 (3 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.607,00

Van der Laan heeft verzocht om toewijzing van wettelijke rente over de proceskosten vanaf 14 dagen na de dag van het wijzen van vonnis. Deze vordering zal worden toegewezen.

Van der Laan vordert ten slotte nakosten. Voor toewijzing van deze kosten, die naar hun aard eerst bij de tenuitvoerlegging van het vonnis ontstaan, bestaat geen grond. Van der Laan kan in voorkomend geval de procedure van artikel 237 lid 4 Rv volgen, waarbij de rechter die het vonnis heeft gewezen eventuele nakosten kan begroten en daarvoor een bevelschrift kan afgeven.

in reconventie

4.28. Tamoil verweert zich tegen de eis in reconventie met de stelling dat het beroep van Van der Laan op het beding faalt, zodat de artikelen die Tamoil op 18 april 2007 van het adres aan de Laaressingel heeft laten meenemen als eigendom van [A] moeten worden aangemerkt, en daarom rechtgeldig aan haar waren verpand.

Beroep op niet-toepasselijkheid algemene voorwaarden en toelating verpanding door beding

4.29. Voor zover Tamoil aan deze stelling ten grondslag legt dat de algemene voorwaarden waarin het beding is opgenomen geen deel uitmaken van de overeenkomst(-en) tussen Van der Laan en [A], dan wel dat het beding verpanding toestaat, faalt de stelling, gelet op hetgeen hierboven in conventie onder 4.3 en verder, respectievelijk onder 4.6 en verder reeds is overwogen.

Beroep op vermenging

4.30. Verder stelt Tamoil (analoog aan hetgeen zij in conventie stelt met betrekking tot de tankshop aan de Veldhoflanden) dat op 18 april 2007 in de shop aan de Laaressingel sprake was van vermenging van enerzijds door Van der Laan geleverde en niet door [A] betaalde voorraad (die onder het beding valt) en anderzijds andere voorraad, te weten (1) eerder door Van der Laan geleverde en wél door [A] betaalde voorraad en (2) door Lekkerland geleverde voorraad. Omdat voor individuele artikelen niet te bepalen valt tot welke categorie zij behoren, moeten alle artikelen die de deurwaarder op verzoek van Tamoil op 18 april 2007 uit de shop aan de Laaressingel heeft meegenomen als eigendom van [A] worden aangemerkt. Voor zaken die als eigendom van [A] worden beschouwd geldt dat zij rechtsgeldig aan Tamoil waren verpand.

Ad (1) vermenging betaalde en niet-betaalde voorraad?

4.31. Als productie 1 heeft Van der Laan overgelegd een aantal aan [A] aan het adres aan de Laaressingel gerichte facturen in verband met levering van tabak, snoep en drank. De factuurdata en de gefactureerde bedragen (inclusief btw) zijn de volgende:

19-02-2007 EUR 74,99

05-03-2007 EUR 8.596,60

22-03-2007 EUR 224,96

22-03-2007 EUR 7.101,86

26-03-2007 EUR 6.304,41

02-04-2007 EUR 6.291,55

12-04-2007 EUR 9.488,19

16-04-2007 EUR 6.738,96

19-04-2007 EUR 41,89

23-04-2007 EUR 54,82

Aangezien Van der Laan dit stelt en Tamoil dit niet dan wel onvoldoende heeft betwist, stelt de rechtbank vast dat deze facturen betrekking hebben op leveringen aan de shop op de locatie Laaressingel die op of kort voor de te onderscheiden factuurdata hebben plaatsgevonden, en dat geen van deze facturen door [A] zijn voldaan.

4.32. Nu vast staat dat:

- Van der Laan in de periode van 5 maart tot en met 16 april 2007 voor (zo blijkt uit het hierboven onder 4.31 gegeven overzicht; de rechtbank laat de factuur van 19 februari 2007, waarbij het om een gering bedrag gaat, en de twee facturen die dateren van na 18 april 2007, die ook een zeer geringe waarde vertegenwoordigen, buiten beschouwing) EUR 44.746,53 aan artikelen heeft geleverd aan de shop van [A] en de Laaressingel, die alle onbetaald zijn gebleven;

- (zoals hierboven onder 4.18 is vastgesteld) de omloopsnelheid in de shop hoog lag en

- eerder geleverde artikelen eerder worden verkocht dan later geleverde artikelen;

acht de rechtbank het uitgesloten dat zich op 18 april 2007 nog artikelen in de shop aan de Laaressingel bevonden die voor 5 maart 2007 door Van der Laan waren geleverd en derhalve door [A] waren betaald.

4.33. Het beroep van Tamoil op vermenging van wel betaalde en niet betaalde artikelen gaat dus niet op.

Ad (2) vermenging met door Lekkerland geleverde voorraad?

4.34. Datzelfde geldt voor het beroep op vermenging met door Lekkerland geleverde artikelen. Tamoil heeft als productie 9 overgelegd een afleverbon van Lekkerland d.d. 18 januari 2007, waaruit blijkt dat Lekkerland op of omstreeks die datum - voor een niet op de productie zichtbaar totaalbedrag - tabak, snoep, drank en belkaarten heeft geleverd aan de shop van [A] aan de Laaressingel. Gelet op de substantiële leveranties die daarna (het gaat dan onder meer om de hierboven onder 4.31 genoemde leveringen, maar ook om leveringen uit januari en februari 2007) door Van der Laan zijn gedaan, de hoge omloopsnelheid van tabaksartikelen en snoep bij tankstations en het feit dat eerder geleverde artikelen eerder worden verkocht dan later geleverde artikelen, acht de rechtbank het uitgesloten dat zich op 18 april 2007 nog artikelen in de shopvoorraad bevonden die op of voor 18 januari 2007 door Lekkerland waren geleverd.

4.35. Ook het beroep op vermenging met door Lekkerland geleverde zaken faalt

Onrechtmatig handelen door Tamoil?

4.36. Hieruit volgt dat van de zaken die Tamoil zich op 18 april 2007 in de shop aan de Laaressingel heeft toegeëigend, deel uitmaakten zaken die onder de werking van het beding vielen en derhalve eigendom van Van der Laan waren.

4.37. In hetgeen partijen over en weer stellen ligt de veronderstelling besloten dat indien Tamoil zich zaken toe-eigent die vallen onder de werking van het beding, zij daarmee onrechtmatig handelt jegens Van der Laan. De rechtbank volgt partijen in die veronderstelling. Nu de eigendom van die zaken bij een ander ligt, is sprake van inbreuk op een recht. Daarnaast is van belang dat Tamoil kort na het moment dat zij zich de shopvoorraad aan de Laaressingel toe-eigende, op de hoogte is gebracht van de aanspraken van Van der Laan. Tamoil stelt immers dat op 19 april 2007, de dag na de uitwinning, haar accountmanager en de accountmanager van Van der Laan elkaar in de shop aan de Laaressingel hebben gesproken en dat later die dag twee werknemers van Van der Laan zich nog op het eigendomsvoorbehoud hebben beroepen. Tamoil was zich dus ook bewust van de aanspraken van Van der Laan en had er rekening mee te houden dat deze aanspraak sterker kon zijn dan haar aanspraak, waaruit zou volgen dat zij inbreuk zou maken op het eigendomsrecht van Van der Laan.

4.38. Hieruit volgt dat Tamoil onrechtmatig heeft gehandeld jegens Van der Laan. Tamoil dient de dientengevolge door Van der Laan geleden schade te vergoeden.

Schadevergoeding

4.39. Van der Laan vordert aan schadevergoeding een bedrag van EUR 44.843,24. Dit bedrag komt, aldus Van der Laan, overeen met de waarde van de goederen welke op 19 april 2007 nog niet door [A] artikelen voldaan.

4.40. Deze stelling kan de vordering niet dragen. Gesteld noch gebleken is dat de door Van der Laan ten gevolge van het handelen van Tamoil geleden schade gelijk zou zijn aan hetgeen [A] onbetaald heeft gelaten. Tamoil is niet verantwoordelijk voor wanbetaling door [A]. De onrechtmatige daad bestaat eruit dat Tamoil zich artikelen uit de shop aan de Laaressingel heeft toegeëigend die onder de werking van het beding vielen en die Van der Laan, het onrechtmatig handelen weggedacht, zelf had kunnen terugnemen en vervolgens weer aan andere klanten had kunnen verkopen. De aan Van der Laan toe te kennen schadevergoeding moet dan worden vastgesteld op het bedrag dat de door Tamoil meegenomen artikelen haar in dat geval zouden hebben opgeleverd. Het gaat daarbij uitsluitend om de door Van der Laan geleverde artikelen; tussen partijen staat vast dat Tamoil ook andere artikelen (zoals olie etc.) uit de shop heeft meegenomen, die in deze procedure geen rol spelen.

4.41. Tamoil heeft als productie 8 overgelegd overzichten van de voor haar uit de shop aan de Laaressingel meegenomen artikelen. De som van deze artikelen bedraagt (berekend tegen inkoopwaarde en exclusief btw) EUR 24.039,17; van dat bedrag bestaat een deel ad EUR 15.177,01 uit rookartikelen. Tamoil betoogt dat Van der Laan slechts rookartikelen leverde aan de tankshop aan de Laaressingel, waaruit zou volgen dat de schade op dat bedrag moet worden vastgesteld.

Van der Laan hanteert ook het door Tamoil genoemde bedrag aan rookartikelen en laat de stelling van Tamoil dat Van der Laan slechts rookartikelen leverde aan de tankshop aan de Laaressingel onweersproken. Alhoewel uit de door Van der Laan overgelegde facturen (productie 1 Van der Laan) blijkt dat zij ook snoep en drank leverde aan deze shop, zal de rechtbank bij de begroting van de door Van der Laan geleden schade ervanuit gaan dat slechts de onder productie 8 van Tamoil vermelde rookartikelen ten onrechte door Tamoil zijn toegeëigend. Aangezien Van der Laan niet heeft gesteld dat, laat staan in hoeverre de niet-rookartikelen die worden vermeld in de door Tamoil als productie 8 overgelegde overzichten door haar geleverd zijn, kan de rechtbank die niet meenemen in de schadebegroting.

4.42. Nu vaststaat dat de inkoopwaarde voor [A] van deze rookartikelen EUR 15.177,01 exclusief btw bedraagt, is daarmee ook de hoogte van de door Van der Laan geleden schade gegeven. Indien het onrechtmatig handelen van Tamoil wordt “weggedacht”, zou Van der Laan immers - in plaats van Tamoil - deze artikelen hebben kunnen terugnemen en, zo is aannemelijk, tegen dezelfde prijs als de eerder aan [A] berekende prijs aan andere klanten hebben kunnen leveren. De rechtbank zal Tamoil dan ook veroordelen aan schadevergoeding een bedrag van EUR 15.177,01 aan Van der Laan te voldoen.

4.43. Van der Laan vordert over de schadevergoeding wettelijke handelsrente vanaf de datum van het instellen van de eis in reconventie. Nu gesteld noch gebleken is waarom zij daarop aanspraak zou maken - het gaat immers om een schadevergoedingsvordering en niet om een in art. 6:119a BW bedoelde vordering - zal de rechtbank de wettelijke rente als bedoeld in 6:119 BW toewijzen.

Proceskosten

4.44. Tamoil zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Van der Laan worden in reconventie begroot op:

- salaris advocaat 791,00 (3,5 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 791,00

Bij de vaststelling van de proceskosten is aansluiting gezocht bij de hoogte van de toegewezen vordering. Voor wat betreft de door Van der Laan gevorderde nakosten en wettelijke rente over proceskosten beslist de rechtbank overeenkomstig hetgeen zij hierboven reeds onder 4.27 heeft besloten.

Art. 155 Rv

4.45. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Tamoil in de proceskosten, aan de zijde van Van der Laan tot op heden begroot op EUR 1.607,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in art. 6:119 BW ingaande veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis;

5.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4. veroordeelt Tamoil om aan Van der Laan te betalen een bedrag van EUR 15.177,01 (vijftienduizend honderd zevenenzeventig euro en één cent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 31 oktober 2007,

5.5. veroordeelt Tamoil in de proceskosten, aan de zijde van Van der Laan tot op heden begroot op EUR 791,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in art. 6:119 BW ingaande veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis;

5.6. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2009.