Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI2025

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
385948 - HA ZA 07-3321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

regres WAM-verzekeraar op verzekeringnemer

WAM-verzekeraar zoekt regres op verzekeringnemer voor na aanrijding aan derden uitgekeerde schadevergoeding (op grond van nalatigheid van de verzekeringnemer de premie te betalen).

Een zorgvuldige schadebehandeling door een verzekeraar brengt met zich dat de verzekeraar de belangen van de verzekerde bij afwikkeling van claims in de overwegingen betrekt. Dat geldt met name in de situatie als deze, waarin er in de onderlinge verhouding tussen verzekeraar en verzekerde geen sprake was van dekking en de door verzekeraar aan een derde uitgekeerde bedragen door verzekeraar op verzekeringnemer zouden worden verhaald.

Gelet op het eigen recht van de derden tegen de verzekeraar heeft deze echter ook zelf belang bij de schadeafwikkeling. De verzekeringnemer dient aan te tonen dat verzekeraar bij de schadeafwikkeling de belangen van verzekeringnemer heeft veronachtzaamd.

Gelet op de in het vonnis genoemde omstandigheden van dit geval kan niet geoordeeld worden dat verzekeraar in zijn zorgplicht jegens verzekerde is tekortgeschoten. De regresvordering van de verzekeraar wordt toegewezen.

Wetsverwijzingen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2009, 72
JA 2009/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 385948 / HA ZA 07-3321

Vonnis van 11 februari 2009

in de zaak van

de naamloze vennootschap

FORTIS ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. N. Cohen,

tegen

[A],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.S. Vlieger.

Partijen zullen hierna Fortis en [A] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 april 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 2 juni 2008

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 13 december 2004 heeft er op de Hogeweyselaan te Weesp een aanrijding plaatsgevonden tussen een door [A] bestuurde (aan hem in eigendom toebehorende) personenauto, merk/type Ford Transit, kenteken VK-05-YH, en een door de heer [B] bestuurde personenauto van het merk Porsche, kenteken NV-LV-07. De Hogeweyselaan bestaat ter plaatse uit twee rijstroken, één in elke richting, elk met aan de rechterzijde een strook voor fietsers. De aanrijding ontstond toen [A] – op een plaats waar zich geen zijweg bevond – linksaf sloeg (naar eigen zeggen: om verderop te gaan keren) en daarbij in botsing kwam met de hem op dat moment links passerende [B]. Door de aanrijding kwam de Porsche tevens in aanraking met een drietal aan de linkerkant van de weg geparkeerde voertuigen. Er waren geen derden getuige van het ongeval.

2.2. De aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door of met de Ford van [A], was door hem met ingang van 5 augustus 2004 verzekerd bij Fortis (althans haar rechtsvoorganger AMEV; in het hiernavolgende zal gemakshalve steeds van Fortis worden gesproken).

2.3. Artikel 6 van de op de verzekeringsovereenkomst toepasselijke Algemene voorwaarden van verzekering luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“ARTIKEL 6

Premiebetaling en terugbetaling van de premie

6.1 Premiebetaling in het algemeen

De verzekeringnemer dient de premie, de kosten en de assurantiebelasting vooruit te betalen uiterlijk op de 30e dag nadat deze verschuldigd worden.

6.2 Wanbetaling

Indien de verzekeringnemer het verschuldigde niet tijdig betaalt of weigert te betalen, wordt geen dekking verleend ten aanzien van nadien plaatsvindende gebeurtenissen. Een nadere ingebrekestelling door AMEV is niet vereist. (…)”

Artikel 8 van genoemde voorwaarden luidt, voor zover hier relevant:

“ARTIKEL 8

Duur en einde van de verzekering

(…)

8.2 De verzekering eindigt:

(…)

c. door schriftelijke opzegging door AMEV:

(…)

indien de verzekeringnemer drie maanden na de premievervaldatum de premie, kosten en assurantiebelasting nog niet heeft betaald (…).

De verzekering eindigt in deze gevallen op de datum die in de opzeggingsbrief wordt genoemd. AMEV zal in deze gevallen een opzeggingstermijn in acht nemen van tenminste veertien dagen (…).”

2.4. Artikel 4 van de eveneens op de overeenkomst toepasselijke Rubrieksvoorwaarden luidt, voor zover hier relevant:

“ARTIKEL 4

Regeling van schade

AMEV belast zich met de regeling en de vaststelling van de schade mede aan de hand van de door verzekerde verstrekte gegevens en inlichtingen. AMEV heeft het recht benadeelden rechtstreeks schadeloos te stellen en met hen schikkingen te treffen. AMEV zal daarbij de belangen van verzekerde in het oog houden. (…)”

Artikel 5 van laatstgenoemde voorwaarden luidt als volgt:

“ARTIKEL 5

Verhaalsrecht

Indien AMEV uit hoofde van de W.A.M. of een soortgelijke buitenlandse wet, verplicht is een benadeelde schadeloos te stellen, terwijl die plicht volgens andere wettelijke bepalingen of de voorwaarden van deze verzekering ontbreekt, behoudt AMEV zich een verhaalsrecht voor.

AMEV heeft in die gevallen het recht het verschuldigde – vermeerderd met de gemaakte kosten – terug te vorderen van de jegens de benadeelde aansprakelijke verzekerde, alsmede van de verzekeringnemer.”

2.5. Fortis heeft (als WAM-verzekeraar van de Ford) de schade van [B] en één of meer (geheel duidelijk is dat de rechtbank niet) van de andere schadelijdende partijen tot een totaalbedrag van EUR 11.070,78 vergoed en zich vervolgens tot [A] gewend.

3. Het geschil

3.1. Fortis stelt dat zij weliswaar op grond van de bepalingen van de WAM gehouden was om genoemde schade aan de betrokken partijen te vergoeden, maar dat zij gerechtigd is op [A] regres uit te oefenen nu deze geen aanspraak kon maken op dekking onder de polis. In dat verband beroept Fortis zich erop dat [A] nimmer premie heeft betaald, om welke reden Fortis de polis, na [A] te hebben gesommeerd tot betaling over te gaan, op 17 maart 2005 met terugwerkende kracht heeft geroyeerd.

Fortis vordert veroordeling van [A] tot betaling van een bedrag van EUR 11.003,54 (bestaande uit een bedrag van EUR 8.917,07 ter zake van uitgekeerde schadevergoeding betreffende de schade van [B] en de schade aan een Fiat Panda, wettelijke rente ad

EUR 1.253,47 en buitengerechtelijke (incasso-)kosten ter hoogte van EUR 833,00), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van EUR 8.917,07 vanaf 17 november 2007 tot de dag van de algehele voldoening en met de proceskosten.

3.2. [A] voert verweer. Hij betwist dat hij de verschuldigde premie niet heeft voldaan en betwist overigens door Fortis tot betaling van de premie te zijn gesommeerd. Verder betwist hij dat hij voor de gevolgen van de aanrijding aansprakelijk was en (in verband daarmee) dat Fortis gehouden was, tot schadevergoeding over te gaan. Ten slotte betwist [A] de hoogte van de door Fortis gevorderde buitengerechtelijke kosten.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De eerste vraag die in het kader van de beoordeling van het geschil tussen partijen dient te worden beantwoord, is of [A] heeft nagelaten de verschuldigde premie te voldoen.

Fortis heeft betwist, ooit premiebetaling door of namens [A] te hebben ontvangen. Zij heeft nog wel getracht de premie door automatische incasso van de rekening van [A] te doen afschrijven, maar de afschrijvingen werden gestorneerd wegens onvoldoende saldo, aldus Fortis.

4.2. [A] heeft gesteld dat hij de verschuldigde premie aan zijn tussenpersoon heeft voldaan. Door [A] is niet gesteld dat de premie door (automatische) afschrijving van zijn rekening aan Fortis is betaald. Evenmin heeft [A] gesteld dat zijn tussenpersoon voor doorbetaling aan Fortis heeft zorggedragen: de tussenpersoon zou zich, toen [A] hem vroeg hoe het nu met de doorbetaling aan Fortis zat, van den domme hebben gehouden. Gelet op het feit dat door Fortis onbetwist is gesteld dat de verschuldigde premie door [A] rechtstreeks aan Fortis diende te worden voldaan, bevrijdt de enkele betaling door [A] aan diens tussenpersoon, ervan uitgaande dat die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, [A] niet jegens Fortis. [A] heeft derhalve tegenover de betwisting door Fortis dat zij ooit premie van [A] heeft ontvangen, onvoldoende gesteld.

Geconcludeerd moet dan ook worden, dat [A] nalatig is gebleven om voor voldoening van de verschuldigde premie aan Fortis zorg te dragen.

4.3. Op grond van de toepasselijke polisvoorwaarden, zoals onder 2.3 weergegeven, was Fortis gerechtigd om de verzekeringsovereenkomst op 17 maart 2005 op te zeggen. Op dat moment had [A], nu hij nimmer voor betaling van de premie had zorggedragen, immers reeds een betalingsachterstand van meer dan drie maanden.

Nu van premiebetaling door [A] in het geheel geen sprake is geweest en het hier dus niet – slechts – gaat over betaling van vervolgpremie, kan in het midden worden gelaten of

– en, zo ja, hoe vaak – [A] door Fortis is gesommeerd voor betaling van de premie zorg te dragen. Fortis behoefde geen dekking te verlenen, nu de eerste premie niet was voldaan.

4.4. [A] kon dan ook geen aanspraak maken op dekking voor de consequenties van het ongeval van 13 december 2004. Iets anders is, dat Fortis zich daarop ten overstaan van schadelijdende derden jegens welke [A] aansprakelijk was, niet kon beroepen. Op grond van artikel 15 WAM en artikel 5 van de toepasselijke Rubrieksvoorwaarden was Fortis echter gerechtigd, vervolgens verhaal te nemen op [A] als verzekeringnemer.

4.5. [A] heeft betwist, voor de consequenties van het ongeval aansprakelijk te zijn. In dat kader heeft hij zich erop beroepen dat hij tijdig richting had aangegeven, [B] hem gemakkelijk aan de rechterzijde had kunnen passeren en hij diens Porsche pas op het laatste moment zag. [A] heeft gesteld dat [B] geen (althans pas op het laatste moment) verlichting voerde en te hard reed. Verder heeft [A] betwist dat [B] de bevoegdheid had, motorrijtuigen te besturen. In ieder geval had [B] zijn rijbewijs ten tijde van het ongeval niet bij zich, aldus [A].

4.6. Bij de uitvoering van een overeenkomst als de verzekeringsovereenkomst tussen Fortis en [A] dienen partijen zich jegens elkaar te gedragen in overeenstemming met de eisen van de redelijkheid en billijkheid.

Op grond van artikel 4 van de Rubrieksvoorwaarden was Fortis gerechtigd, schadevorderingen van derden af te wikkelen. Een zorgvuldige schadeafwikkeling brengt evenwel met zich dat de verzekeraar de belangen van de verzekerde bij de afwikkeling van claims in de overwegingen betrekt (nog los van het feit dat genoemd artikel expliciet bepaalt dat Fortis de belangen van de verzekerde in het oog zal houden). Dit geldt met name in een geval als het onderhavige, waarin, zoals uit het voorgaande blijkt, er in de onderlinge verhouding tussen verzekeraar en verzekerde geen sprake was van dekking en de door Fortis uit te keren bedragen door haar op [A] zouden worden verhaald.

4.7. Het onder 4.6 overwogene brengt overigens niet met zich dat moet worden geoordeeld dat er voor Fortis bij de schadeafwikkeling helemaal geen – door [A] te respecteren – rol meer was weggelegd. De benadeelde partijen konden immers op grond van de WAM een eigen recht tegen Fortis uitoefenen, waarmee het belang van Fortis bij de schadeafwikkeling is gegeven. Niet gesteld of gebleken is dat [A], geconfronteerd met het standpunt van Fortis over (het ontbreken van) de dekking, Fortis heeft laten weten de schadeafwikkeling zelf ter hand te willen nemen. Dat Fortis zich op het standpunt stelde dat er geen sprake was van dekking onder de polis, doet in het onderhavige geval dan ook niet af aan haar bevoegdheid om de schadeafwikkeling ter hand te nemen.

4.8. De vraag die hier moet worden beantwoord is of Fortis, door de claims van de benadeelden in behandeling te nemen en af te wikkelen zoals zij heeft gedaan, in strijd met de op haar jegens [A] rustende zorgplicht heeft gehandeld, in welk geval dat aan regres op [A] in de weg zou staan. De bewijslast ter zake rust op [A]. Voor zover [A] zich op het standpunt stelt dat het aan Fortis is om jegens [A] te bewijzen dat die voor de consequenties van het ongeval aansprakelijk was, dient dit standpunt gelet op het voorgaande te worden verworpen.

4.9. [A] is linksaf geslagen op een plaats waar zich geen zijweg bevond. Wel lijkt er ter plaatse sprake te zijn geweest (inmiddels is de situatie aldaar naar de rechtbank begrijpt gewijzigd) van een inrit; blijkens zijn stellingen was [A] voornemens aldaar te gaan keren. Aldus voerde [A] een bijzondere manoeuvre uit, waarbij hij het overige verkeer (op grond van artikel 54 RVV 1990) voorrang diende te verlenen. Los daarvan diende hij het rechtdoorgaande verkeer (op grond van artikel 18 RVV 1990) voorrang te verlenen.

4.10. Er zijn omstandigheden denkbaar die aan de verplichting van [A] om [B] voorrang te verlenen afbreuk zouden doen althans een beroep op eigen schuld aan de zijde van [B] zouden rechtvaardigen. Wat [A] in dat verband heeft aangevoerd (namelijk dat hij tijdig richting heeft aangegeven, dat [B] voldoende gelegenheid had om [A] rechts te passeren en dat [B] te hard reed), wordt echter blijkens de in het geding gebrachte stukken door [B] ontkend en is door [A] onvoldoende onderbouwd.

Dat betreft ook de stelling van [A] dat [B] de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig was ontzegd, dit met name nu in het politierapport bij de gegevens van [B] achter “Geld. rijbew.” “Ja” is ingevuld.

Dat relevant zou zijn of [B] pas op het laatste moment verlichting voerde, zoals [A] heeft gesteld, valt, nu Fortis onbetwist heeft gesteld dat het ten tijde van het ongeval licht was en in het politierapport ook wordt opgemerkt dat er sprake was van daglicht en dat de wegverlichting niet brandde, niet in te zien.

Bij gebreke van getuigen heeft Fortis naar het oordeel van de rechtbank (mede nu de weghelft waarop [A] en [B] reden slechts één rijstrook en een smalle fietsstrook bevatte) redelijkerwijs kunnen oordelen dat verweer tegen de aansprakelijkheid van [A] op genoemde gronden niet succesvol zou zijn. Hetzelfde gold voor een eventueel beroep op eigen schuld van [B].

4.11. Uit de door Fortis in het geding gebrachte correspondentie blijkt dat Fortis na kennisneming van de (op haar verzoek) door [B] en door [A] ingevulde schadeaangifteformulieren en het door de politie opgestelde rapport tot de conclusie is gekomen dat [A] voor de consequenties van het ongeval aansprakelijk was. Dit heeft zij de tussenpersoon van [A] (met kopie aan de rechtsbijstandverzekeraar van [A]) bij brief van 4 april 2005 laten weten. In de betreffende brief schreef Fortis dat [A] [B] als rechtdoorgaand verkeer op grond van artikel 18 RVV voor had moeten laten gaan. Weliswaar had [A] gesteld dat [B] te hard had gereden en dat [A] tijdig richting had aangegeven, maar dat werd, aldus Fortis, door [B] betwist en nu er van het ongeval geen getuigen waren zouden de bewuste stellingen van [A] niet kunnen worden bewezen.

4.12. Naar aanleiding van haar brief van 4 april 2005 heeft Fortis aanvankelijk geen reactie van [A] ontvangen. Pas nadat hij door Fortis en haar gemachtigde was gesommeerd tot vergoeding van de door Fortis uitgekeerde schadebedragen over te gaan, heeft [A] (op 1 november 2005) telefonisch laten weten het met de vordering van Fortis niet eens te zijn. Zijn bezwaren tegen de vordering heeft [A] medio november 2005 in een persoonlijk onderhoud met de buitendienstmedewerker van Fortis uiteengezet. Bij brief van 4 januari 2006 heeft de gemachtigde van Fortis [A] laten weten dat Fortis zijn standpunt niet deelde. Telefonisch heeft de gemachtigde van Fortis nog (aan de echtgenote van [A]) een toelichting op het standpunt van Fortis gegeven. Nadien heeft Fortis niet meer van [A] vernomen.

4.13. Gelet op de onder 4.9 tot en met 4.12 genoemde omstandigheden kan [A] niet worden gevolgd in zijn stelling dat Fortis bij de afwikkeling van de bij haar ingediende claims de gerechtvaardigde belangen van [A] heeft veronachtzaamd. Fortis heeft zowel [A] als [B] gevraagd om een visie op de oorzaak van het ongeval. Gelet op de beschikbare informatie mocht Fortis oordelen, dat [A] [B] in beginsel voorrang had moeten verlenen en dat de stellingen van [A] die daaraan mogelijkerwijs afbreuk zouden doen bij gebreke van getuigen niet zouden kunnen worden bewezen. Dit standpunt heeft Fortis aan [A] overgebracht en zij heeft inhoudelijk op zijn bezwaren gereageerd, waarna zij op enig moment niet meer van [A] heeft vernomen.

Derhalve moet geconcludeerd worden dat er geen sprake van is dat Fortis redelijkerwijs niet heeft kunnen komen tot de schadeafwikkeling zoals die heeft plaatsgevonden.

4.14. De rechtbank kan [A] voorts niet volgen in zijn stelling dat Fortis jegens de schadelijdende partijen mogelijkerwijs reeds daarom niet meer gehouden was tot betaling over te gaan, omdat de betreffende vorderingen niet meer vielen onder het narisico dat Fortis diende te dekken. Ten onrechte gaat [A] ervan uit dat aan de verzekeringsovereenkomst reeds een einde was gekomen toen hij nalatig bleef de verschuldigde premie aan Fortis te betalen. Aan de verzekeringsovereenkomst is immers pas een einde gekomen toen deze op 17 maart 2005 door Fortis werd opgezegd. Weliswaar heeft Fortis laten weten dat dat laatste met terugwerkende kracht geschiedde, maar alleen voor [A] als verzekerde gold dat er bij gebreke van premiebetaling nimmer sprake was geweest van dekking. Jegens schadelijdende derden die waren betrokken bij het ongeval van 13 december 2004, dat inmiddels reeds had plaatsgevonden, kon Fortis zich (gelet op de bepalingen van de WAM) hierop niet beroepen.

Van narisico was ten tijde van genoemd ongeval gelet op het voorgaande (nog) geen sprake, laat staan dat de periode van narisico inmiddels was verstreken.

4.15. De conclusie van het voorgaande dient te zijn dat Fortis gerechtigd is, de door haar uitgekeerde bedragen op [A] te verhalen. Nu de hoogte van de door Fortis gevorderde hoofdsom en wettelijke rente niet door [A] zijn betwist, zullen deze door de rechtbank worden toegewezen.

4.16. Ten aanzien van de door Fortis gevorderde buitengerechtelijke (incasso-)kosten heeft het volgende te gelden.

De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Fortis heeft weliswaar gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar uit de gegeven omschrijving van deze werkzaamheden dient het tegendeel te worden afgeleid. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.

4.17. De vordering van Fortis zal derhalve worden toegewezen, met uitzondering van de door Fortis gevorderde buitengerechtelijke kosten. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Fortis worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- vast recht EUR 300,00

- salaris advocaat EUR 1.356,00 (3 punten x tarief EUR 452,00)

totaal EUR 1.740,31.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [A] om aan Fortis te betalen een bedrag van EUR 10.170,54 (zegge: tienduizendéénhonderdzeventig euro en vierenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van EUR 8.917,07 vanaf 17 november 2007 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, tot op heden begroot op EUR 1.740,31,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2009.?