Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI1536

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
17-04-2009
Zaaknummer
AWB 09/587 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Nu verweerder vanwege de melding van verzoeker sinds begin 2006 op de hoogte was van het feit dat de broer van verzoeker bij hem inwoont en verzoeker na deze melding tweemaal een besluit van verweerder heeft ontvangen waarin hem is medegedeeld dat zijn uitkering ongewijzigd wordt voortgezet, mocht verzoeker er dan ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat de reeds sinds begin 2006 bestaande situatie niet rauwelijks tot intrekking van zijn uitkering zou leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/587 WWB

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak tussen:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. H.K. Jap-A-Joe,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. A.C. van Helvoort.

1. Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende beroep tegen het besluit van verweerder van 1 december 2008 (het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 maart 2009.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Verzoeker ontvangt sinds 23 juli 2003 een uitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

2.2. Bij primair besluit van 21 oktober 2008 heeft verweerder de bijstand van verzoeker met ingang van 1 (lees: 6) oktober 2008 ingetrokken omdat verzoeker met ingang van 1 januari 2006 is gaan samenwonen met zijn broer [persoon 1]. Laatstgenoemde heeft een inkomen dat minstens zo hoog is als de toepasselijke gezinsnorm. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Daartoe heeft verweerder overwogen dat niet in geschil is dat verzoeker en zijn broer gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Uit het rapport van de afdeling handhaving van 7 oktober 2008 blijkt dat tevens sprake is van wederzijdse zorg. De relatie tussen verzoeker en zijn broer gaat verder dan een zakelijk verband uit onderhuur/kostgangerschap. Er is sprake van gezamenlijk gebruik van alle in de woning aanwezige voorzieningen, verzoeker verricht huishoudelijke taken voor zijn broer en een onderhuur/kostgangersovereenkomst ontbreekt. Vanwege het bestaan van een gezamenlijke huishouding is verzoeker niet aan te merken als zelfstandig subject van bijstand, zodat geen recht bestaat op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

2.4. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

2.5. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit ten onrechte geen aandacht wordt geschonken aan het feit dat de bestaande situatie al jaren bij verweerder bekend was, waardoor door verweerder verwachtingen zijn opgewekt. Voorts is in het bestreden besluit ten onrechte geen aandacht geschonken aan de psychische problemen van verzoeker. Verzoeker stelt zich uitdrukkelijk op het standpunt dat geen sprake is van wederzijdse zorg. Verweerder heeft dit punt in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Het gezamenlijk gebruik van voorzieningen impliceert volgens verzoeker niet dat sprake is van wederzijdse zorg. Verweerder heeft de bestaande overeenkomst tussen verzoeker en zijn broer niet betwist. Indien verweerder een schriftelijk stuk wenste, had verweerder hierom kunnen vragen. Verzoeker verricht voorts huishoudelijke taken, doch niet voor zijn broer.

2.6. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2.7. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de rechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de rechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak

2.8. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

2.9. In geschil is de vraag of verweerder de bijstand van verzoeker terecht heeft ingetrokken vanwege het bestaan van een gezamenlijke huishouding.

2.10. Niet is in geschil dat verzoeker en zijn broer beiden hun hoofdverblijf hebben op het adres [adres] te [woonplaats]. Aan het eerste criterium van artikel 3, derde lid, van de WWB is dan ook voldaan. Het tweede criterium waaraan voldaan moet zijn is dat van wederzijdse zorg. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan wederzijdse zorg blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de vraag of er in een concreet geval aan het verzorgingscriterium is voldaan.

2.11. Uit het dossier blijkt onder meer het volgende. Blijkens een rapportage van 16 januari 2006 heeft verzoeker door middel van een hoofdbewonersverklaring opgegeven dat zijn broertje [persoon 1] bij hem inwoont. In de rapportage van 15 februari 2006 staat vervolgens aangegeven dat de uitkering niet hoeft te worden gewijzigd omdat verzoeker al 10% woonkostentoeslag ontvangt. Verzoeker heeft verweerder nadien door middel van het formulier ‘inlichtingenformulier nieuw adres’, ingediend op 1 augustus 2006, medegedeeld dat hij met ingang van 4 juli 2006 samen met zijn broer op het adres [adres] te [woonplaats] woont. Bij besluit van 2 augustus 2006 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat zijn bijstand met ingang van 4 juli 2006 ongewijzigd wordt voortgezet. Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft verweerder verzoeker wederom medegedeeld dat zijn bijstand met ingang van 21 september 2007 ongewijzigd wordt voortgezet.

2.12. Blijkens het rapport van bevindingen met afsluitdatum 7 oktober 2008 heeft verweerder op 6 oktober 2008 een huisbezoek gebracht aan het opgegeven uitkeringsadres [adres] te [woonplaats]. Tijdens het huisbezoek heeft verzoeker onder meer het volgende verklaard:

- het huurcontract, Nuon, etc. staat op mijn naam;

- mijn broertje heeft mij € [bedrag] voor zijn verblijf hier;

- verder geeft mijn broertje mij geld voor de gezamenlijke boodschappen die wij dan ook samen nuttigen;

- ik kook en dan eten wij samen;

- het huishouden doe ik omdat mijn broertje werkt;

- de was doen wij samen;

- soms geeft hij mij een mazzeltje;

- hij geeft mij dan tussen de € [bedrag] en € [bedrag] per week om rond te kunnen komen;

- alle spullen in de woning zijn van ons.

Verzoeker heeft zijn verklaring ondertekend. Op basis van deze gegevens heeft verweerder de bijstand ingetrokken.

2.13. Gelet op de verklaring van verzoeker is de rechter van oordeel dat eveneens is voldaan aan het criterium wederzijdse zorg. Daarbij acht de rechter van belang dat verzoeker geld van zijn broer krijgt voor boodschappen, dat zij samen wassen, dat verzoeker kookt, dat zij samen eten, dat verzoeker het huishouden doet, dat verzoeker soms een mazzeltje krijgt van zijn broer en dat alle spullen in de woning van verzoeker en zijn broer zijn. Tegen deze achtergrond kan dan ook worden gezegd dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat verweerder vanwege de melding van verzoeker sinds begin 2006 op de hoogte was van het feit dat de broer van verzoeker bij hem inwoont. De rechter stelt voorts vast dat verzoeker na deze melding tweemaal een besluit van verweerder heeft ontvangen waarin hem is medegedeeld dat zijn uitkering ongewijzigd wordt voortgezet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht verzoeker er dan ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat de reeds sinds begin 2006 bestaande situatie niet rauwelijks tot intrekking van zijn uitkering zou leiden. Mede met het oog de omstandigheid dat verzoeker op grond artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB thans gedurende twee jaar na de intrekking van de uitkering het onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding kan worden tegengeworpen, is de voorzieningenrechter in dit kader van oordeel dat het in deze specifieke situatie op de weg van verweerder had gelegen verzoeker de gelegenheid te bieden zijn situatie aan te passen aan die van (bijvoorbeeld) een commerciële (kostgangers)relatie. De toezegging van verweerder dat de uitkering niet over het verleden zal worden teruggevorderd, omdat verzoeker de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, acht de voorzieningenrechter in dit verband niet voldoende.

2.14. Gelet op hetgeen in overweging 2.13. is overwogen ziet de voorzieningenrechter aanleiding de navolgende voorlopige voorziening te treffen. Verweerder dient verzoeker gedurende drie maanden na dagtekening van deze uitspraak in de gelegenheid te stellen zijn situatie aan te passen. Gedurende deze periode dient verweerder verzoeker voorschotten te verstrekken naar de voor hem geldende norm. De rechter ziet tevens aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op € [bedrag]. Verweerder zal tevens het door verzoeker gestorte griffierecht aan hem dienen te vergoeden. Nu ter zitting is gebleken dat de gemachtigde van verzoeker niet beschikt over een volledig dossier, zal de rechter geen gebruik maken van de in artikel 8:86 van de Awb neergelegde bevoegdheid.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker voorschotten verstrekt naar de voor hem geldende norm vanaf 1 april 2009 tot drie maanden na dagtekening van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € [bedrag] (zegge: [bedrag] euro) te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaalt dat verweerder het door verzoeker gestorte griffierecht ten bedrage van

€ [bedrag] (zegge: [bedrah] euro) aan hem vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Leijen, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2009.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB