Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI1532

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
17-04-2009
Zaaknummer
AWB 08-877 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAO, 3:2 Awb. Eiseres is tengevolge van haar psychische klachten verlamd geraakt en krijgt zij spastische aanvallen. De spanning die de terugvordering met zich brengt zou haar klachten verergeren. Geen zorgvuldige voorbereiding nu verweerder daar geen onderzoek naar heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/877 WAO

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiseres],

wonende te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.A. van Hoof,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde: P.A. Haakman.

1. Procesverloop

De rechtbank heeft op 4 maart 2008 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 1 februari 2008 (besluit 1). Op 14 november 2008 heeft verweerder een nader besluit genomen (besluit 2). Het beroep wordt met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede geacht te zijn gericht tegen besluit 2.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 16 maart 2009. Eiseres is daar verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

P.A. Haakman.

2. Overwegingen

2.1. De besluitvorming van verweerder.

2.1.1. Eiseres ontvangt een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100. Naast de WAO-uitkering heeft eiseres werkzaamheden (onder andere via Randstad) verricht. Verweerder heeft de verdiensten uit die werkzaamheden op grond van artikel 44 van de WAO verrekend en bij besluit van

4 juli 2007 de uitbetaling van de WAO-uitkering herzien. Bij besluit van 10 september 2007 heeft verweerder het onverschuldigd betaalde bedrag van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit 1 heeft verweerder het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit ongegrond verklaard en een onverschuldigd betaald bedrag van € [bedrag] aan WAO-uitkering teruggevorderd. Nadat verweerder het bezwaar tegen de herzieningsbeslissing gegrond heeft verklaard, heeft verweerder bij bestreden besluit 2 het terugvorderingsbedrag over de periode 6 februari 2006 tot 1 juli 2007 verlaagd tot € [bedrag].

2.2. Standpunt eiseres.

2.2.1. Eiseres kan zich niet verenigen met de terugvordering. Zij stelt dat zij psychische en lichamelijke klachten heeft en de terugvordering van de WAO-uitkering haar klachten zullen verergeren. Eiseres heeft aangevoerd dat zij ernstige conversie-stoornissen en bipolaire stoornissen heeft. Het betreft hier psychische stoornissen die zich uiten door zeer ernstige fysieke klachten. Tengevolge van haar psychische klachten is eiseres verlamd geraakt en krijgt zij spastische aanvallen. De spanning die de terugvordering met zich mee brengt verergert haar klachten. Eiseres ziet dit als een dringende reden om af te zien van de terugvordering.

2.3. Met betrekking tot besluit 1.

2.3.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder met besluit 2 een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat dit besluit niet geheel tegemoet komt aan het bezwaar tegen het primaire besluit. Het beroep van eiseres wordt dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit 2. Niet gebleken is dat eiseres nog een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van besluit 1. Gelet hierop zal het beroep tegen besluit 1 wegens ontbreken van een procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.4. De beoordeling van de rechtbank met betrekking tot besluit 2.

2.4.1. Niet in geschil is dat in rechte vast staat dat de WAO-uitkering onverschuldigd is betaald en dat deze op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO, in beginsel dient te worden teruggevorderd.

2.4.2. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO. Volgens de parlementaire stukken gaat het bij het begrip “dringende reden” om het maken van een uitzondering in geval voor betrokkene anders onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Daarbij moet sprake zijn van een incidenteel geval waarin iets bijzonders aan de hand is, hetgeen een individuele afweging van alle relevante omstandigheden noodzakelijk maakt.

2.4.3. Verweerder heeft zonder een aan het bestreden besluit voorafgaand onderzoek gemeend dat geen sprake is van omstandigheden die maken dat terugvordering onaanvaardbare gevolgen voor eiseres zou hebben. Verweerder baseert zijn standpunt op de in het dossier aanwezige medische rapportages. In het rapport van 13 maart 2009 wijst de bezwaarverzekeringsarts er nog op dat gelet op de jurisprudentie van eiseres mocht worden verwacht dat zij haar standpunt over de dringende reden met medische gegevens onderbouwt.

2.4.4. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder zich echter in dit geval niet zonder meer kunnen baseren op een dossieronderzoek. Van belang acht de rechtbank daarbij dat onomstreden is dat eiseres aan een ernstig psychiatrisch ziektebeeld leidt en dat dit ook bij verweerder bekend is. Eiseres heeft ook voorafgaande aan het bestreden besluit gesteld dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen zou hebben voor haar gezondheid. Dat de terugvordering en de daarmee gepaard gaande slechte financiële positie van eiseres, gelet op haar ziekte een onaanvaardbare psychische lijdensdruk voor eiseres zou betekenen, acht de rechtbank dan ook niet uitgesloten. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het gelet op het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb op de weg van verweerder om de impact van een terugvordering op de gesteldheid van eiseres te onderzoeken. De rechtbank vindt daarvoor steun in de rechtspraak van de CrvB van 21 september 2007, RSV 2007/363. De rechtbank is verder van oordeel dat de door bezwaarverzekeringsarts aangehaalde jurisprudentie (LJN BD4280) niet vergelijkbaar is met de situatie van eiseres. Vast staat immers dat eiseres ernstige psychische problemen heeft, terwijl in de door de bezwaarverzekeringsarts aangehaalde jurisprudentie het oorzakelijk verband tussen de terugvordering en het doorgemaakte hartinfarct ter discussie staat. Voorts overweegt de rechtbank dat de medische informatie in het dossier ziet op onderzoeken naar de arbeidsbeperkingen. Ook de rapportage van 10 november 2006 van de psychiater Derks waar de bezwaarverzekeringsarts naar verwijst ziet niet op een onderzoek naar de impact van een terugvordering op eiseres.

Bovendien dateert deze rapportage uit een periode voorafgaande aan die waarin het besluit tot terugvordering is afgegeven.

4.5. Gezien het vorenstaande komt het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

4.6 Nu het beroep gegrond zal worden verklaard dient het door eiseres betaalde griffierecht ingevolge artikel 8:74 van de Awb te worden vergoed.

4.7 De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van eiseres. Deze kosten worden begroot op € [bedrag] (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting x € [bedrag] x factor 1). Eiseres heeft geprocedeerd met een toevoeging (4GY7140).

3. Beslissing.

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk

-verklaard het beroep tegen besluit 2 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 2;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, begroot op € [bedrag] , te betalen door de het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de rechtbank;

- bepaalt dat het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door hen betaalde griffierecht á € [bedrag] vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, rechter, in tegenwoordigheid van

R.E. Toonen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: C

BSO