Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI1516

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2009
Datum publicatie
17-04-2009
Zaaknummer
AWB 09-536 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag groepsleider justitiële jeugdinrichting onevenredig aan het plichtsverzuim. Ontoelaatbaar geweldsgebruik jegens een pupil. Gelet op de omstandigheden van het geval en de beperkte mate waarin geweld is gebruikt is niet zonder meer sprake van ernstig plichtsverzuim. Overige omstandigheden maken strafontslag niet alsnog evenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/536 AW

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak tussen:

[VERZOEKER],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M. Haandel

en

de Minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigden: mr. N.M. Vastenburg en H.J.C. Bosma.

1. Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder van 17 december 2008.

De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 februari 2009. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1. Verzoeker is sinds 1 juni 1988 werkzaam bij het Ministerie van Justitie, laatstelijk in de functie van Senior groepsleider op de locatie Eikenstein te Zeist van de justitiële jeugdinrichting “De Heuvelrug”.

2.2. Nadat verzoeker schriftelijk daartoe zijn zienswijze op het voornemen daartoe had gegeven, heeft verweerder bij besluit van 17 december 2008 verzoeker met onmiddellijke ingang primair onvoorwaardelijk strafontslag opgelegd en subsidiair eervol ontslag wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid verleend (hierna: het bestreden besluit). Bij het bestreden besluit heeft verweerder een zestal gedragingen aan het ontslag ten grondslag gelegd, te weten:

(a) het niet in acht nemen van de voorschriften van het verzuimprotocol,

(b) het zwart werken als glazenwasser in de hoedanigheid van justitieambtenaar,

(c) het niet melden van schulden,

(d) het grensoverschrijdend en zeer onprofessioneel gedragen jegens een pupil door hem fysiek aan te vallen,

(e) het in strijd met de voorschriften alleen met de pupil op een kamer zitten,

(f) het niet melden van het voorval van 1 oktober 2008 bij de teamleider of de directie.

Tegen het bestreden besluit heeft verzoeker tijdig bezwaar gemaakt. Voorts heeft hij de rechter op 9 februari 2009 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2.3. De rechter overweegt als volgt.

2.4. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2.5. De rechter ziet geen aanleiding het verzoek reeds wegens het ontbreken van spoedeisend belang af te wijzen. Hiertoe wordt overwogen dat verzoeker vanaf 17 december 2008 geen bezoldiging meer ontvangt en dat onbetwist sprake is van aanzienlijke schulden. Voorts heeft verzoeker ter zitting aangetoond geen voorschot op grond van de Werkloosheidswet te ontvangen.

2.6. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Kern van het geschil vormt dan ook de vraag of sprake is van ernstig plichtsverzuim.

2.7. Naar voorlopig oordeel van de rechter heeft verzoeker zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, maar is de kwalificatie ernstig niet (zonder meer) te volgen.

2.8. De onderhavige ontslagprocedure is in gang gezet naar aanleiding van een voorval op 1 oktober 2008. De overige aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten dateren van eerder, maar vormden destijds kennelijk geen aanleiding een disciplinair traject ten aanzien van verzoeker te starten, althans niet om dit met spoed ter hand te nemen. Die feiten zijn ook overigens van een andere orde dan hetgeen aan verzoeker wordt verweten met betrekking tot het voorval op 1 oktober 2008.

2.9. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechter allereerst vast dat verzoeker aan de betreffende pupil heeft getrokken en dat hij deze pupil ten minste eenmaal heeft geduwd. Anders dan verzoeker stelt bieden de gedingstukken onvoldoende grond voor de vaststelling dat slechts sprake is geweest van een door verzoeker van de kruk afhelpen van deze pupil en van het slechts geven van een duwtje. Het gegeven dat een collega groepsleider van verzoeker zich genoodzaakt zag tussenbeide te komen, wijst er ook op dat zich een ernstiger situatie voordeed dan door verzoeker geschetst.

2.10. Weliswaar is sprake van ontoelaatbaar geweldsgebruik jegens een aan de zorgen van verzoeker toevertrouwde pupil, maar dat laat onverlet dat de mate waarin door verzoeker geweld is gebruikt toch beperkt is te achten. Het gaat om een situatie van een andere orde van grootte dan die van bijvoorbeeld die van geweldsmisbruik tegen een geboeide en weerloze arrestant (in welke situatie een onvoorwaardelijk strafontslag evenredig is geacht door de Centrale Raad van Beroep).

Voorts is gebleken dat verzoeker van het voorval verslag heeft gedaan. Hoewel verzoeker het voorval aldus niet volgens de gebruikelijke procedure aan de teamleider dan wel de directie heeft gemeld, heeft verzoeker het voorval dus niet verheimelijkt.

Verzoeker heeft voorts ook niet geheel op eigen houtje, maar met medeweten van [persoon 1] (medior groepsleider) alleen met de pupil op een kamer gezeten. Uit het zich in het dossier bevindende verslag blijkt voorts niet dat de pupil hier enig probleem mee had, maar veeleer dat hij dit als gewoon ervoer. Dat in dit opzicht sprake is van schade van de belangen van de pupil is dan ook niet direct aannemelijk.

Gelet op het voorgaande acht de rechter een kwalificatie van ernstig plichtsverzuim niet zonder meer in de rede liggen.

2.11. Verweerder heeft erop gewezen dat aan verzoeker nog recentelijk een strafoverplaatsing is opgelegd, waarbij naar het oordeel van verweerder eenzelfde vorm van grensoverschrijdend gedrag door verzoeker werd vertoond als ten tijde van het voorval van

1 oktober 2008. Verweerder heeft gesteld dat die overplaatsing verband hield met seksuele intimidatie van een collega.

Deze strafoverplaatsing staat in rechte vast, nu verzoeker daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Uit de voorhanden zijnde gedingstukken blijkt echter niet wat daarvan precies de achtergrond was. Gelet op de wel bekende gegevens ziet de rechter onvoldoende grond om thans aan te nemen dat sprake is van doorgaand gedrag. Daarbij wijst de rechter er met name op, dat bij deze strafoverplaatsing niet de verhouding tussen verzoeker en een aan zijn zorgen toevertrouwde pupil, maar tussen verzoeker en een collega aan de orde was. Dit gegeven kan in deze procedure dan ook geen doorslaggevend gewicht worden toegekend..

2.12. Zoals hiervóór reeds is overwogen, zijn de door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde bijkomende gedragingen niet zonder gewicht, maar wel van een andere orde van grootte dan het voorval op 1 oktober 2008. Verweerder heeft de motivering van het bestreden besluit met betrekking tot die bijkomende gedragingen ook beperkt gehouden.

2.13. Ter zitting is komen vast te staan dat verweerder niet beschikt over voor verzoeker kenbare procedurevoorschriften, op grond waarvan verzoeker aanzienlijke schulden moet melden. Met name het Gedragsprotocol Integriteit Dienst Justitiële Inrichtingen bevat geen specifieke voorschriften ter zake. In hoeverre verweerder aan verzoeker kan verwijten dat hij onvoldoende melding heeft gemaakt van privé-schulden is daarmee nog maar de vraag. Daarbij wijst de rechter er nog op dat verzoeker onbetwist met medeweten van zijn werkgever per april 2008 een schuldhulpverleningstraject is ingegaan.

2.14. Verzoeker heeft voorts onbetwist gesteld dat hij in het verleden zelf melding heeft gemaakt van zijn zwart betaalde werkzaamheden als glazenwasser, en dat die werkzaamheden reeds vóór februari 2008 zijn beëindigd. De relevantie van dit punt voor het gegeven strafontslag is daarmee op zijn minst twijfelachtig geworden.

2.15. De aan verzoeker verweten schending van het verzuimprotocol (wat daar ook verder feitelijk van zij) betreft een eenmalig gebeuren, waarvan de ernst een strafontslag niet kan rechtvaardigen.

2.16. Niet is gebleken dat er eerder problemen in het functioneren van verzoeker zijn geweest gedurende zijn dienstverband van meer dan 20 jaren.

2.17. Onder al deze omstandigheden is er naar voorlopig oordeel van de rechter voorshands onvoldoende grond voor de conclusie dat het opgelegde strafontslag evenredig is aan het plichtsverzuim. Voorts acht de rechter op voorhand geen goede grond aanwezig voor het opgelegde ontslag wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid, nu een dergelijk ontslag volgens vaste jurisprudentie niet mag plaatsvinden dan nadat betrokkene op zijn gedrag is aangesproken en hij de gelegenheid heeft gekregen dit bij te stellen (zie o.a. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 januari 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: BH1954).

2.18. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de kans dat het bestreden besluit in rechte geen stand zal kunnen houden aanzienlijk is. Daarom bestaat er aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal worden toegewezen, rekening houdend met het feit dat het spoedeisend belang van verzoeker uitsluitend financieel van aard is. Voor een schorsing van het bestreden besluit bestaat daarom geen aanleiding; voor een verstrekking van voorschotten wel.

2.19. Nu het verzoek wordt toegewezen ziet de rechter aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € [bedrag] (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Tevens dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker te rekenen vanaf 10 februari 2009 (de datum van ontvangst van het verzoek) tot zes weken na het besluit op bezwaar maandelijkse voorschotten verstrekt ter hoogte van zijn bezoldiging; voor de eerste maal te voldoen uiterlijk 10 dagen na de datum van verzending van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten gemaakt door verzoeker, bepaald op

€ [bedrag] (zegge: [bedrag] euro), te betalen door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan verzoeker;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan verzoeker het griffierecht ad € [bedrag] (zegge: [bedrag] euro) voldoet.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. C.J. Baijens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB