Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI1511

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2009
Datum publicatie
17-04-2009
Zaaknummer
AWB 07-2112 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending redelijke termijn. Schadevergoeding aan rechtspersoon toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07/2112 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[Outdoor Advertising bedrijf],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. L.P.F. Warnier

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud-Zuid,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.J.A.P. Peters.

1. Procesverloop

Bij – voor zover in het kader van de procedure van belang – zes afzonderlijke besluiten van 26 juni 2002 heeft verweerder eiseres onder aanzegging van bestuursdwang gelast om binnen 28 dagen na verzending van de besluiten de volledige bevestigingsconstructies inclusief alle montageonderdelen, alsmede de daaraan bevestigde ontoelaatbare reclame, aangebracht op de blinde gevelwanden van de panden Van Woustraat [nummer]/hoek Albert Cuypstraat, Van Woustraat [nummer]/hoek Govert Flinckstraat, Van Woustraat [nummer]/hoek Sint Willibrordusstraat, Van Woustraat [nummer]/hoek Sint Willibrordusstraat, Van Woustraat [nummer]/ hoek Pieter Aertszstraat,

en Van Woustraat [nummer]/hoek Pieter Aertszstraat (de reclameborden), zonder schade aan de panden te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 11 april 2007 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar tegen de besluiten van 26 juni 2002 in zoverre gegrond verklaard dat de begunstigingstermijn van de aanzeggingen is gewijzigd in zes maanden. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiseres heeft op 21 mei 2007 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I en voorts een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij uitspraak van 4 september 2002 het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en het bestreden besluit geschorst.

Verweerder heeft op 30 september 2008 een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 7 november 2007 (bestreden besluit II) heeft verweerder een besluit genomen in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2009. Eiseres en verweerder hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting is namens eiseres aangegeven dat zij zich niet langer beroept op de gronden dat de reclameborden niet aan de redelijke eisen van welstand kunnen worden getoetst en dat verweerder onderzoek had moeten doen naar het overgangsrecht. In beroep voert eiseres nog wel aan dat het rechtszekerheidsbeginsel zich verzet tegen handhavend optreden, dat de begunstigingstermijn onduidelijk is, dat de begunstigingstermijn zo lang is dat in feite sprake is van een gedoogbeschikking en dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een redelijke afweging van de betrokken belangen. In dat kader stelt eiseres dat haar geen redelijke overgangstermijn is gegund. Eiseres claimt daarnaast als gevolg van de lange duur van de bestuurlijke fase van de procedure immateriële schade te hebben geleden.

2.2. De rechtbank oordeelt als volgt.

Het bestreden besluit I

2.3. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit II een besluit heeft

genomen in de zin van artikel 6:18 van de Awb en dat dit besluit niet geheel tegemoet komt aan het bezwaar van eiseres. Het beroep wordt dan ook op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II.

2.4. Het bestreden besluit II wijkt in die zin af van het bestreden besluit I dat verweerder het besluit niet langer baseert op de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en dat de begunstigingstermijn van de aanzeggingen is gewijzigd in negen maanden. Daarnaast bevat het bestreden besluit II een aanvullende motivering. Het beroep van eiseres, voor zover gericht tegen (het -later- gewijzigde deel van) het bestreden besluit I, wordt bij ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Wel zal de rechtbank bepalen dat eiseres terzake in aanmerking komt voor een vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Het ongewijzigde deel van bestreden besluit I en bestreden besluit II

2.5. Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang.

2.6. Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met, bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

2.7. Ingevolge artikel 40 van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

2.8. Vast staat dat de reclameborden zijn geplaatst zonder de daarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet vereiste bouwvergunning. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder bevoegd was handhavend op te treden.

2.9. Volgens vaste jurisprudentie is in een geval als het onderhavige, waarin wordt gehandeld in strijd met een wettelijk voorschrift en waarin niet kan worden gelegaliseerd, verweerder niet slechts bevoegd om daartegen handhavend op te treden, maar is hij in beginsel – behoudens bijzondere omstandigheden – daartoe gehouden, aangezien de algemene belangen, die worden gediend met de handhaving van de wettelijke voorschriften en met het voorkomen van precedentwerking, dit vorderen. Eiseres heeft niet aangetoond dat verweerder op grond van bijzondere omstandigheden had dienen af te zien van handhavend optreden. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen concreet zicht op legalisering van de illegale situatie. In dit verband is van belang het oordeel van de welstandscommissie dat de reclameborden in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand. Het is de rechtbank niet gebleken dat aan de welstandsadviezen over de reclameborden naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken kleven dat verweerder zijn welstandsoordeel niet op deze adviezen mocht baseren. Door eiseres is ook geen deskundig te achten tegenadvies overgelegd.

2.10. Anders dan eiseres betoogt is de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 25 januari 2006 (LJN: AV0277) van oordeel dat het feit dat de reclameborden al sinds 1993 aanwezig waren, niet betekent dat verweerder daartegen niet meer zou kunnen optreden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat voor het gehele stadsdeel sprake is van nieuw beleid met betrekking tot reclame-uitingen in de vorm van de door de stadsdeelraad Amsterdam Oud Zuid vastgestelde Beleidsregels Reclame Amsterdam Oud Zuid 2001, in 2004 vervangen door de Beleidsregels reclame Amsterdam Oud Zuid 2004.

2.11. De rechtbank volgt eiseres ook niet voor zover zij heeft aangevoerd dat de begunstigingstermijn onduidelijk is. De begunstigingstermijn begint blijkens het bestreden besluit II te lopen op de datum van het primaire besluit en eindigt op 10 februari 2008. Deze data zijn namens eiseres ook niet bestreden. Daarmee is sprake van een duidelijk begin en een duidelijk einde. Dat voor eiseres niet van meet af aan duidelijk was hoe de einddatum precies is bepaald, doet er niet aan af dat de datum zelf door verweerder ondubbelzinnig is medegedeeld. Ook de grond dat de begunstigingstermijn zodanig lang is dat in feite sprake is van een gedoogbeschikking, treft geen doel. Blijkens het bestreden besluit II hanteert verweerder bij reclameborden die meer dan tien jaar aanwezig zijn een begunstigingstermijn van negen maanden. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat dit samenhangt met het feit dat verweerder rekening heeft willen houden met de belangen van eiseres, nu de reclameborden al lang aanwezig waren. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet (impliciet) een gedoogbeschikking afgegeven. Van een kenbare intentie daartoe is niet gebleken. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat haar een overgangstermijn van drie jaar had moeten worden gegund, oordeelt de rechtbank dat een dergelijke termijn blijkens artikel 28 van de Beleidsregels Reclame Amsterdam Oud Zuid 2001 slechts toekomt aan diegenen op wiens melding van reclame-uitingen door verweerder positief is beschikt. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres erkend dat eiseres de reclameborden niet heeft gemeld bij verweerder en dat in dit geval dus ook geen sprake is van een positieve beschikking. Gelet op het bovenstaande kan niet gezegd worden dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot een begunstigingstermijn van negen maanden.

2.12. Ook het betoog van eiseres dat het dagelijks bestuur overigens onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belang bij behoud van de reclameborden treft geen doel. Uit het bestreden besluit II blijkt dat verweerder de zakelijke belangen van eiseres heeft meegewogen, maar niet van zodanig belang heeft geacht dat het op grond daarvan van handhaving had moeten afzien. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van bijzondere aspecten in de situatie van eiseres die wezenlijk afwijken van die van de exploitant in de genoemde uitspraak van de AbRvS.

2.13. Ten aanzien van het verzoek van eiseres om toekenning van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase, oordeelt de rechtbank als volgt. Gelet op de uitspraak van de AbRvS van 24 december 2008 (LJN: BG8294) stelt de rechtbank vast dat als einddatum van de op redelijkheid te beoordelen termijn de dag van deze uitspraak heeft te gelden. Daarvan uitgaande bedraagt de totale termijn ruim zes jaar en acht maanden, zijnde de periode die is gelegen tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 10 juli 2002 en heden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRvS van 24 december 2008 geldt dat de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen niet meer dan drie jaar mag duren en dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat vanaf de instelling van het beroep sprake is van een rechterlijke fase. Dat betekent dat de bestuurlijke fase heeft geduurd tot 21 mei 2007 en derhalve ruim vier jaar en 10 maanden omvat. Zoals volgt uit de uitspraak van de AbRvS van 4 maart 2009 (LJN: BH4667) neemt de AbRvS tot uitgangspunt dat het gedurende een onredelijk lange periode in onzekerheid verkeren over de afloop van een procedure ook aan niet-natuurlijke personen in beginsel immateriële schade berokkent. Of de schade is gesteld of aannemelijk gemaakt, is daarbij naar het oordeel van de AbRvS niet van belang. Op grond van bovengenoemde overschrijding komt eiser in aanmerking voor schadevergoeding. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste één jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaren. Nu de behandeling van het beroep één jaar en tien maanden in beslag heeft genomen, is er aanleiding voor compensatie. Hiervan uit gaande is sprake van een aan verweerder toe te rekenen overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie jaar en acht maanden. Uitgaande van een tarief van € [bedrag] per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:73 van de Awb de gemeente Amsterdam veroordelen tot betaling van een bedrag van € [bedrag] aan eiser als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schadevergoeding.

2.14. De rechtbank ziet hierin aanleiding het beroep gegrond te verklaren maar – nu de overige beroepsgronden niet kunnen slagen – de rechtsgevolgen in stand te laten.

2.15. De Rechtbank ziet geen grond om met toepassing van artikel 8:73 van de Awb over te gaan tot vergoeding van de door eiser gestelde materiële schade, nu het bestreden besluit weliswaar wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand worden gelaten en van enige materiële schade niet is gebleken.

2.16. Nu het beroep gegrond is verklaard, ziet de rechter aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker, begroot op € [bedrag] (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Tevens dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van € [bedrag] te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het deel van het bestreden besluit I dat is gewijzigd bij het bestreden besluit II;

- verklaart het beroep voor het overige gegrond;

- vernietigt het ongewijzigde deel van het bestreden besluit I;

- vernietigt het bestreden besluit II;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het ongewijzigde deel van het bestreden besluit I en het bestreden besluit II in stand worden gelaten;

- veroordeelt de gemeente Amsterdam tot betaling aan eiser van een vergoeding voor immateriële schade van € [bedrag];

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € [bedrag];

- gelast dat de verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € [bedrag] aan haar vergoedt;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 23 maart 2009 door mr. H.J. Tijselink, in tegenwoordigheid van mr. S.S.N. van Samson, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B