Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI0881

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
14-04-2009
Zaaknummer
AWB 07/371, 07/1089, 07/4831, 07/4832 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

N201; bouwvergunning; geluidhinder; luchtkwaliteit; alternatieven voor de omlegging van de N201. Beroep gegrond omdat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de zienswijze van eiser 2. In de zienswijze heeft eiser 2 aangevoerd en ter zitting aan de hand van foto's nader uitgelegd dat de oprit van de N201 op ongeveer 2 meter van zijn erf is gesitueerd, alwaar hij in de buitenlucht pioenen teelt. Uit de reactie van verweerder op de ingediende zienswijze blijkt enkel dat met de omlegging van de N201 een zwaarwegend belang is gemoeid en dat de verslechtering van het woon- en leefklimaat opweegt tegen de verbetering die de omlegging van de N201 met zich meebrengt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 07/371 WRO,

AWB 07/1089 WRO,

AWB 07/4831 WRO en

AWB 07/4832 WRO

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser 1],

wonende te [woonplaats],

eiser 1,

gemachtigde mr. D. Winters,

[eiser 2],

wonende te [woonplaats],

eiser 2,

[eiser 3],

wonende te [woonplaats],

eiser 3,

[eiser 4] en anderen,

allen wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde mr. B.J. Meruma,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer,

verweerder,

gemachtigde mr. H.J.M. Besselink.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland,

belanghebbende,

gemachtigde mr. M.H. Klijnstra.

1. Procesverloop

Verweerder heeft op 12 januari 2007 van eiser 1, op 23 januari 2007 van eiser 2 en op 24 januari 2007 van eiser 3 een drietal bezwaarschriften ontvangen gericht tegen het besluit van 5 december 2006, verzonden op 14 december 2006 (hierna: het bestreden besluit). Omdat het bestreden besluit met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen, zijn deze bezwaarschriften door verweerder aangemerkt als beroepschrift en op de voet van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden naar de rechtbank. Daarnaast heeft de rechtbank op 22 januari 2007 een beroepschrift van eisers ontvangen gericht tegen het bestreden besluit.

Bij uitspraak van 1 mei 2007 (LJN: BA4515) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het door eisers gedane verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van 20 maart 2008 door de meervoudige kamer van de rechtbank. Eiser 1 en zijn gemachtigde zijn niet verschenen, eiser 2 en eiser 3 zijn in persoon verschenen en eisers hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde alsmede mr. S.C.H. Fiedeldeij. Belanghebbende heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. P. Schravendijk en ing. [ing.].

De rechtbank heeft vervolgens onder toepassing van artikel 8:68 van de Awb het vooronderzoek heropend. Aan verweerder is verzocht om alsnog de door partijen ingediende zienswijzen in te zenden. Verweerder heeft aan dit verzoek voldaan.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven om het nadere onderzoek ter zitting achterwege te laten, is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

Door verweerder is op 5 augustus 2005 een aanvraag van belanghebbende ontvangen voor een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor de aanleg van het gedeelte van de nieuwe provinciale weg N201 tussen de Middenweg en de Horntocht in de gemeente Aalsmeer. Naar aanleiding van het voornemen van verweerder om medewerking te verlenen aan voornoemde aanvraag zijn tijdig zienswijzen naar voren gebracht.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan belanghebbende de gevraagde vrijstelling verleend. Verweerder heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een verslechtering van het milieu, het bestaande woon- en leefklimaat en de geluidsoverlast.

Toetsingskader

Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken en is de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Ingevolge artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wro (Stb. 2008, 180) is op dit beroep het recht, zoals dat gold tot 1 juli 2008, van toepassing.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Bij besluit van 6 juli 2006 heeft de raad van de gemeente Aalsmeer de vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO gedelegeerd aan verweerder.

In artikel 19a, vierde lid, van de WRO is op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling afdeling 3.4 van de Awb, de zogenoemde uniforme openbare voorbereidingsprocedure, van toepassing. Dit heeft tot gevolg dat verweerder in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen kennis dient te geven van het ontwerp van het te nemen besluit, het ontwerpbesluit ter inzage dient te leggen en de mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen dient te geven.

Voorts wordt, ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, in zaken waarin de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt gevolgd de bezwaarprocedure overgeslagen en staat rechtstreeks beroep open bij de rechtbank.

Terinzagelegging

Eisers betogen dat verweerder heeft verzuimd om het ontwerp van het te nemen vrijstellingsbesluit ter inzage te leggen en de mogelijkheid te bieden om zienswijzen in te dienen over het ontwerp.

In het kader van de inspraak heeft de aanvraag in de periode van 5 augustus 2005 tot en met 9 september 2005 voor eenieder ter inzage gelegen. Vervolgens is op 13 oktober 2005 het ontwerpbesluit, dat wil zeggen het voornemen om medewerking te verlenen aan een verzoek om vrijstelling, ter inzage gelegd voor een periode van zes weken, tezamen met – nogmaals – de aanvraag. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) kan worden volstaan met het enkel nemen van een zogenoemd kaal voorbereidingsbesluit. Aan een ontwerpbesluit worden aldus niet meer eisen gesteld dan dat daarin een standpunt moet zijn neergelegd over het al dan niet verlenen van de vrijstelling (AbRvS 8 februari 2006, LJN: AV1242; AB 2006, 127 en AbRvS 16 januari 2008, LJN: BC2080; JB 2008, 43). Naar het oordeel van de rechtbank was hiervan sprake. De beroepsgrond van eisers dat is verzuimd om het ontwerp van het te nemen vrijstellingsbesluit ter inzage te leggen slaagt dan ook niet.

Bouwvergunning

Door verweerder is opgemerkt dat de verleende vrijstelling voor een groot deel betrekking heeft op werken waarvoor uiteindelijk nog een bouwvergunning moet worden verleend. De vrijstelling vormt de basis voor het bouwen van het viaduct bij de Middenweg, het viaduct bij de [straatnaam], de geluidsschermen (met name rond de [straatnaam]) en diverse duikers. Daarnaast heeft de vrijstelling ook betrekking op niet-bouwvergunningplichtige werkzaamheden ter voorbereiding van de bouw, zoals het graven van watergangen, het aanleggen van grondlichamen en het aanleggen van wegverhardingen.

Nu voor de bouw van de viaducten, de geluidschermen en duikers nog een bouwvergunning moet worden verleend, zal de onderhavige vrijstelling voor zover deze betrekking heeft op de bouw van de viaducten, de geluidschermen en duikers aan de orde komen in het kader van het instellen van beroep en bezwaar tegen de bouwvergunning. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de AbRvS van 26 oktober 2005 (LJN: AU4979; AB 2005, 440). Uit het voorgaande vloeit dan ook voort dat in deze beroepsprocedure alleen de vrijstelling ter beoordeling staat, voor zover deze betrekking heeft op de werkzaamheden waarvoor geen bouwvergunning is vereist.

Geluidhinder

Eiser 1, eiser 2 en eiser 3 hebben betoogd dat de toename van geluidsoverlast zeer ingrijpend en niet acceptabel is; zo levert de verhoging met 1 dB(A) ongeveer 30% meer geluidoverlast op. Niet uitgesloten is dat er een situatie zal ontstaan die in strijd is met de Wet geluidhinder. Ter zitting hebben eisers hun beroepsgronden met betrekking tot de geluidhinder ingetrokken.

Verweerder heeft gesteld dat, mede door het plaatsen van geluidsschermen, de geluidhinder beperkt kan blijven tot maximaal 56 d(B)A voor de dichtstbijzijnde woningen. De rechtbank stelt vervolgens vast dat door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland bij besluit van 28 november 2006 hogere geluidswaarden zijn vastgesteld vanwege het verkeerslawaai door de aanleg van de provinciale weg N201. Bij besluit van 15 mei 2007 heeft Gedeputeerde Staten van Noord-Holland beslist op de bezwaarschriften tegen de vaststelling van deze hogere geluidswaarden. De vastgestelde hogere geluidswaarden – ook die voor de woning van eiser 1 – zijn daarbij in stand gelaten. Nu tegen dit besluit geen rechtsmiddelen zijn aangewend moet van de rechtmatigheid van het besluit worden uitgegaan. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat in verband met geluidhinder de aanleg van de provinciale weg N201 niet aanvaardbaar zou zijn. De beroepsgronden van eiser 1, eiser 2 en eiser 3 slagen niet.

Luchtkwaliteit

Het tracé van de omgelegde N201 maakt onderdeel uit van het Masterplan N201+ dat voorziet in de verlegging van de N201 vanaf de rijksweg A4 tot voorbij de Amstelhoek.

Eiser 1, eiser 2, eiser 3 en eisers hebben betoogd dat door de geplande verhoogde ligging van het tracé, het gebruik van hoge geluidsschermen en de lokale bebouwing niet valt uit te sluiten dat er sprake is van een verslechtering van de luchtkwaliteit.

In opdracht van belanghebbende heeft TNO onderzoek gedaan naar de gevolgen van het Masterplan N201+ voor de luchtkwaliteit. Dit onderzoek heeft geresulteerd in het rapport “Effectbeoordeling (luchtkwaliteit) Masterplan N201+ en saldobenadering” van 10 augustus 2005. In het rapport is onderzocht bij hoeveel adressen en woningen en op hoeveel hectare de maatgevende grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide zullen worden overschreden. Uit het TNO-rapport kan worden afgeleid dat omlegging van de N201 wat betreft stikstofdioxide leidt tot een verbetering ten opzichte van de autonome ontwikkeling van 1 tot 5 microgram per m³ voor 800 hectare en 6543 adressen tegenover een verslechtering voor 1150 hectare en 1313 adressen. Wat betreft zwevende deeltjes leidt de omlegging tot een verbetering van 0,5 tot 2 microgram per m³ voor 585 hectare en 3320 adressen tegenover een verslechtering voor 1005 hectare en 767 adressen.

Uit het nadere onderzoek van TNO van juli 2006 blijkt dat ter plaatse van de [straatnaam] en de Middenweg waar de maatgevende grenswaarde voor zwevende deeltjes niet meer wordt overschreden de concentratie afneemt met 2 microgram per m³. Daar waar de maatgevende grenswaarde voor stikstofdioxide niet meer wordt overschreden neemt de concentratie af met 5 microgram per m³. Het nadere onderzoek van TNO is gebaseerd op de verhoogde ligging van het viaduct waarvoor de vrijstelling is verleend. Steun voor het standpunt dat de verhoogde ligging van het viaduct een gunstig effect heeft op de luchtkwaliteit is overigens ook te vinden in het rapport van IPC Bouwmanagement B.V. van maart 2006 dat op verzoek van eisers is opgesteld.

In de uitspraak van 11 oktober 2006 (LJN: AY9874; AB 2006, 399) heeft de AbRvS geoordeeld dat de effecten op de luchtkwaliteit van de omlegging van de N201 niet in de weg staan aan de goedkeuring van de op deze omlegging betrekking hebbende bestemming. In de voornoemde uitspraak heeft de AbRvS eveneens geoordeeld dat belanghebbende er op basis van het TNO-rapport van mocht uitgaan dat realisering van de omlegging van de N201 leidt tot een verbetering van de luchtkwaliteit.

In de uitspraak van 5 december 2007 (LJN: BB9448) heeft de AbRvS geoordeeld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die ten aanzien van de luchtkwaliteit thans een andersluidend oordeel zouden rechtvaardigen ten opzichte van de voornoemde uitspraak van de AbRvS van 11 oktober 2006.

Gelet op de voornoemde uitspraken van de AbRvS is de rechtbank van oordeel dat verweerder er op basis van het (nadere) TNO­rapport vanuit heeft mogen gaan dat realisering van de omlegging van de N201, en daarmee het viaduct waarvoor de vrijstelling is verleend, leidt tot een verbetering van de luchtkwaliteit. De door eiser 1, eiser 2, eiser 3 en eisers aangevoerde beroepsgronden slagen niet.

Alternatieven voor de N201

Eisers hebben zich neergelegd bij de doorsnijding van hun woon- en leefomgeving door de komst van de nieuwe N201. Niettemin hebben eisers aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met mogelijk alternatieven met betrekking tot de landschappelijke inpassing, in het bijzonder de wijze waarop de nieuwe N201 de [straatnaam] kruist. Niet een viaduct over de [straatnaam], maar een gelijkvloerse kruising, waarbij de [straatnaam] zou worden geknipt en alleen een fietsbrug over de N201 zou worden aangelegd, of nog liever een verdiepte ligging van de N201 genieten de voorkeur. Eiser 1, eiser 2 en eiser 3 hebben soortgelijke beroepsgronden aangevoerd.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan waarvoor vrijstelling is gevraagd op zichzelf aanvaardbaar is. Het uitgangspunt daarbij is dat de N201 ter plaatse de [straatnaam] moet kruisen.

Uit vaste rechtspraak van de AbRvS (o.a. AbRvS 17 december 2003, LJN: AO0358; AB 2004, 130) volgt dat het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking aan de vrijstelling moet nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

Uit de rechtspraak van de AbRvS blijkt dat het uitgangspunt dat de N201 ter plaatse de [straatnaam] moet kruisen de rechterlijke toets heeft doorstaan. Uit de uitspraak van de AbRvS van 30 juni 2004 (LJN: AP4655) volgt dat aan de bestemming "Uit te werken verkeersdoeleinden" geen goedkeuring is onthouden en de daartegen gerichte beroepen ongegrond zijn verklaard. Voorts volgt uit de uitspraak van de AbRvS van 11 oktober 2006 (LJN: AY9874; AB 2006, 399) dat vrijwel alle bezwaren – behoudens een ten onrechte niet uitgevoerde cumulatieberekening met betrekking tot het verkeerslawaai en de geluidhinder van Schiphol – tegen het goedkeuringsbesluit van het bestemmingsplan “1e herziening N201-zone” ongegrond zijn.

De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat verweerder dient te beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend en daarvan de aanvaardbaarheid moeten beoordelen. Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de geluidhinder en de luchtkwaliteit is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de aanleg van het gedeelte van de nieuwe provinciale weg N201 tussen de Middenweg en de Horntocht aanvaardbaar is, en er geen sprake is van een situatie waarin een alternatief aanmerkelijk minder bezwaren zou kennen. De door eiser 1, eiser 2, eiser 3 en eisers aangevoerde beroepsgronden slagen niet.

Belangenafweging

In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat de ingediende zienswijzen bij de besluitvorming zijn betrokken. Gelet op de uitkomsten van de onderzoeken en de overige in het kader van de realisatie van de nieuwe N201 genomen besluiten heeft verweerder geconcludeerd dat de ingediende zienswijzen niet leiden tot gewijzigde inzichten ten aanzien van het verzoek om vrijstelling.

Eisers en eiser 2 hebben aangevoerd dat in het geheel niet is gebleken op welke wijze de op diverse momenten geventileerde belangen van de buurtbewoners concreet bij de besluitvorming zijn betrokken. Dit klemt temeer omdat verweerder een onafhankelijk deskundigenonderzoek en de verdere begeleiding daarvan heeft bekostigd en hierover met in de besluitvorming geen woord rept.

De rechtbank stelt vast dat bij brief van 12 juni 2006 aan de bewoners van de [straatnaam] een uitnodiging is verzonden voor het bijwonen van de vergadering van de gemeenteraad op 15 juni 2006, alwaar de vormgeving van de kruising van de verlegde N201 met de [straatnaam] aan de orde zal komen. Bij deze brief is het raadvoorstel gevoegd. In dit voorstel worden de financiële consequenties en alternatieven kort besproken, voorts is het deskundigenonderzoek bijgevoegd. De rechtbank kan eisers en eiser 2 dan ook niet volgen in hun standpunt dat de belangen van de buurtbewoners bij de besluitvorming niet zijn betrokken. De rechtbank is op grond van de overgelegde stukken niet tot het oordeel kunnen komen dat verweerder in redelijkheid niet tot zijn belangenafweging kunnen komen, evenwel met uitzondering van hetgeen in het navolgende wordt overwogen ten aanzien van de belangen van eiser 2.

Eiser 2 heeft in zijn zienswijze aangevoerd en ter zitting aan de hand van foto’s nader uitgelegd dat de – ten opzichte van de oorspronkelijke plannen verlegde – oprit van de N201 op ongeveer 2 meter van zijn erf is gesitueerd, alwaar hij in de buitenlucht pioenen teelt. Eiser 2 meent dan ook dat in het bestreden besluit met zijn belangen onvoldoende rekening is gehouden. De omlegging van de N201 maakt het voor eiser 2 dan ook, gelet op de verslechtering van de luchtkwaliteit en de toename van de geluidsoverlast, heel erg moeilijk om te blijven wonen waar hij al dertig jaar woont.

Ter zitting is namens verweerder gesteld dat er, anders dan in het oorspronkelijke plan, een belangenafweging is gemaakt die heeft geleid tot een betere en veiligere ontsluiting van het bedrijventerrein Greenpark, zodat vrachtwagens niet meer over de [straatnaam] moeten rijden. Daarnaast gaat de luchtkwaliteit erop vooruit.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende rekening gehouden met de door eiser 2 ingediende zienswijze, zodat het bestreden besluit om deze reden moet worden vernietigd. Uit de reactie van verweerder op de ingediende zienswijzen blijkt enkel dat met de aanleg van de nieuwe weg een zwaarwegend belang is gemoeid en dat de verslechtering van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de nieuwe weg opweegt tegen de verbetering die de omlegging van de N201 met zich meebrengt in, onder meer, de kern van Aalsmeer. De belangen van eiser 2 zijn daarbij onvoldoende kenbaar afgewogen, zodat het besluit in zoverre berust op een ondeugdelijke motivering.

Conclusie

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit geen stand kan houden en dat dit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep van eiser 2 is dan ook gegrond. De beroepen van eiser 1, eiser 3 en eisers zijn ongegrond. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling nu eiser 2 in persoon heeft geprocedeerd. Wel dient verweerder het door eiser 2 voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen van eiser 1 (AWB 07/1089 WRO), eiser 3 (AWB 07/4832 WRO) en eisers (AWB 07/371 WRO) ongegrond;

- verklaart het beroep van eiser 2 (AWB 07/4831 WRO) gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de gemeente Aalsmeer het door eiser 2 betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeneenenveertig euro) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2009 door mr. M. de Rooij, voorzitter,

mrs. A.C. Loman en J. Struiksma, leden,

in tegenwoordigheid van mr. V.M. Behrens, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

de griffier, de voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B