Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI0772

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
13.497.060-2009
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak gaat het om een verzoek tot overlevering ter fine van strafvervolging en is onder meer aan de orde de toetsing van de in artikel 6, lid 5 van de OLW genoemde voorwaarde dat de opgeëiste persoon in het bezit dient te zijn van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd om in aanmerking te komen voor gelijkstelling aan de positie van een Nederlander in het kader van een dergelijk verzoek.

De opgeëiste persoon is van Duitse nationaliteit en niet in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Wel blijkt uit informatie verkregen uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) dat zij sinds 22 augustus 2008 een verblijfsvergunning heeft op grond van het gemeenschapsrecht en dat zij sinds 18 augustus 2008 is ingeschreven in de GBA op adres. Verder heeft de opgeëiste persoon verklaard dat zij in Nederland werkzaam is, hier naar school gaat, hier haar vrienden heeft en hier haar toekomst wil opbouwen.

Voor de beantwoording van de vraag of de opgeëiste persoon dient te worden gelijkgesteld met een houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als genoemd in artikel 6, lid 5 van de OLW acht de rechtbank de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van de door de rechtbank Amsterdam bij tussenuitspraak van 28 december 2007 in de zaak Wolzenburg (LJN: BC9789) gestelde prejudiciële vragen van belang.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 416
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2009/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.060-2009

RK nummer: 09/812

Datum uitspraak: 25 maart 2009

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 januari 2009 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 12 januari 2009 door de officier van justitie (Staatsanwältin) verbonden aan het openbaar ministerie (Staatsanwaltschaft) te Hannover (Duitsland). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedatum] 1987,

wonende [adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 maart 2009. Daarbij zijn de offi¬cier van justitie, de opgeëiste persoon en haar raadsman, mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Duitse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel van het kantongerecht (Amtsgericht) van Hannover (Duitsland) van 8 januari 2009 ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan naar het recht van de uitvaardigende lidstaat strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

De rechtbank acht de informatie vervat in het EAB voor wat betreft de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen genoegzaam. In dit verband is van belang dat blijkt om welke strafbare feiten het gaat, dat de plaatsen waar en de tijdstippen waarop deze feiten zouden zijn gepleegd zijn vermeld en dat de rol van de opgeëiste persoon ten aanzien van de feiten duidelijk is omschreven. Hiermee bevat het EAB voldoende informatie voor de toetsing in het kader van de onderhavige overleveringsprocedure en is de bescherming van het specialiteitsbeginsel voor de opgeëiste persoon in geval van overlevering voldoende gegarandeerd. Het ontbreken van een nadere motivering van de verdenking van de opgeëiste persoon in het EAB, leidt, anders dan gesteld door de raadsman, niet tot de conclusie dat de informatie vervat in het EAB (voor wat betreft de feiten) niet genoegzaam is. De beoordeling van de rechtbank in het kader van de onderhavige overleveringsprocedure gaat immers niet zover dat de gegrondheid van de verdenking dient te worden getoetst. Deze beoordeling zal plaatsvinden in de Duitse strafrechtelijke procedure.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij niet de Nederlandse, maar de Duitse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. De rechtbank heeft naar aanleiding van de behandeling beraadslaagd.

5.1 De raadsman heeft om aanhouding verzocht in verband met de door hem gestelde innerlijke verwevenheid van de zaak van de opgeëiste persoon met de zaak van [medeverdachte], welke zaak de rechtbank mogelijk zal aanhouden in verband met de gezondheidssituatie van voornoemde Emeri.

De rechtbank wijst het verzoek van raadsman af, nu zij van oordeel is dat de overleveringszaak van de opgeëiste persoon niet zodanig verweven is met de overleveringszaak van medeverdachte in Duitsland [medeverdachte] dat niet afzonderlijk over de overlevering van de opgeëiste persoon kan worden beslist.

5.2 De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat overlevering in dit geval disproportioneel is. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat niet is gebleken waarom eventuele onderzoekshandelingen in de Duitse strafzaak niet in Nederland zouden kunnen plaatsvinden, te meer nu de opgeëiste persoon in het kader van de Duitse strafzaak op

27 januari 2009 en 18 februari 2009 in Nederland is gehoord door de Duitse recherche. Verder zal de opgeëiste persoon in geval van overlevering aan Duitsland haar baan en woning kunnen kwijtraken en de hechtenis ten gevolge van de overlevering zou gezien de zwangerschap van de opgeëiste persoon ongewenste stress met zich meebrengen, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat de Duitse justitiële autoriteiten kennelijk de overlevering van de opgeëiste persoon in verband met haar vervolging in de Duitse strafzaak wensen en dat niet kan worden getreden in vragen van opportuniteit. Verder heeft zij opgemerkt dat het EAB gelet op de ernst van de strafbare feiten niet kan worden aangemerkt als een te zwaar middel.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank vat het verweer op als een beroep op het ontbreken van evenredigheid, in die zin dat de raadsman stelt dat de uitvaardiging van het EAB onevenredig zware gevolgen heeft voor de opgeëiste persoon, terwijl in de visie van de raadsman aan de Duitse autoriteiten andere, minder ingrijpende, middelen ten dienste staan in verband met de strafrechtelijke vervolging van de opgeëiste persoon .

Voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid in de zin van de Overleveringswet dient te worden onderscheiden tussen de zogenaamde stelselevenredigheid van de Overleveringswet en de evenredigheid bij de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel in een concreet geval.

Het stelsel van de Overleveringswet is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat deze, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken. Verwezen zij naar de considerans bij het Kaderbesluit sub 7 en naar het rechtskader van het Kaderbesluit, zoals dat door het HvJEG in zijn arrest van 3 mei 2007 is geformuleerd (Zaak C 303/05 Advocaten voor de Wereld VZW tegen Leden van de Ministerraad. Zie ook de Conclusie bij dit arrest van de AG [persoon 1] van 12 september 2006, Zaak C 303/05, 18-26).

Dat neemt niet weg dat de concrete toepassing van de Overleveringswet, te weten de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel, onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Hiervoor is onlangs met nadruk de aandacht gevraagd door de Raad van de Europese Unie, die eerder het Kaderbesluit vaststelde, in het Handbook on how to issue a European Arrest Warrant. (8216/1/08 REV 2 COPEN 70 EJN 26 EUROJUST 31). Daarin staat onder meer:

“(3. Criteria to apply when issuing an EAW – principle of proportionality) Considering the severe consequences of the execution of an EAW as regards restrictions on physical freedom and the free movement of the requested person, the competent authorities should, before deciding to issue a warrant, bear in mind, where possible, considerations of proportionality by weighing the usefulness of the EAW in the specific case against the measure to be applied and its consequences. (-)”

Hoewel dit commentaar slechts de status heeft van een Aanbeveling aan de Lidstaten en in zoverre de nationale wetgeving niet rechtstreeks raakt, herinnert de Raad er onder verwijzing naar het Pupino-arrest (HvJEG, C-105/03) aan dat de rechterlijke autoriteiten gehouden zijn het nationale recht zo nodig kaderbesluitconform uit te leggen. Dat wil zeggen dat de nationale rechter alle bepalingen van nationaal recht in aanmerking moet nemen en deze zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van het kaderbesluit. In zoverre is deze Aanbeveling dan ook mede richtinggevend voor de rechtbank.

Gelet op hetgeen hierboven over de stelselevenredigheid van het Kaderbesluit is opgemerkt, zal een beroep op de onevenredigheid van een Europees aanhoudingsbevel slechts onder bijzondere omstandigheden kunnen slagen. Naar het oordeel van de rechtbank staat de ernst van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht aan het slagen van het verweer in de weg. De door de raadsman aangevoerde omstandigheden kunnen, mede bezien in het licht van de ernst van de feiten, niet tot het oordeel leiden dat het uitvaardigen van het EAB in dit geval als onevenredig dient te worden aangemerkt. Hierbij merkt de rechtbank ten aanzien van de zwangerschap van de opgeëiste persoon op dat met deze omstandigheid, indien nodig, rekening zal worden gehouden bij de feitelijke overlevering, waarbij een beoordeling in het kader van artikel 35 van de OLW zal plaatsvinden. Verder is de enkele mogelijkheid dat de opgeëiste persoon door overlevering naar Duitsland haar baan en woning zal verliezen onvoldoende om de uitvaardiging van het EAB als onevenredig aan te merken. Er bestaat derhalve geen aanleiding de overlevering op vorenbedoelde grond te weigeren.

5.3 De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat de overlevering dient te worden geweigerd op grond van het bepaalde in artikel 13, lid 1, aanhef en onder a van de OLW, nu de vermeende feiten (deels) in Nederland hebben plaatsgevonden.

De officier van justitie gaat er vanuit dat de feiten (deels) in Nederland hebben plaatsgevonden en heeft op grond van artikel 13, lid 2 van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond genoemd in artikel 13, lid 1, aanhef en onder a van de OLW. Hiertoe heeft zij aangevoerd de zaak van de opgeëiste persoon onderdeel uitmaakt van een groot onderzoek in Duitsland, het onderzoeksmateriaal zich in Duitsland bevindt, de medeverdachten in Duitsland zullen worden vervolgd en de Duitse rechtsorde door de strafbare feiten is geschokt.

De rechtbank stelt, met de raadsman en de officier van justitie, vast dat de feiten (deels) in Nederland hebben plaatsgevonden. Hiermee is in beginsel de weigeringsgrond genoemd in artikel 13, lid 1, aanhef en onder a van de OLW van toepassing. De rechtbank is echter van oordeel dat de officier van justitie op de door haar aangevoerde gronden in redelijkheid tot de vordering heeft kunnen komen om van deze weigeringsgrond af te zien. De door de raadsman aangevoerde humanitaire gronden – mogelijk kwijtraken van woning en werk in Nederland ten gevolge van overlevering en, gezien zwangerschap, ongewenste stress in geval van hechtenis ten gevolge van overlevering – kunnen mede gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden op dit punt (zie LJN: AQ6068 en LJN: AY6634) niet tot een ander oordeel leiden.

Gezien het voorgaande wordt het verweer van de raadsman verworpen en dient er te worden afgezien van de in artikel 13, lid 1, aanhef en onder a van de OLW genoemde weigeringsgrond.

5.4 De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat in dit geval op grond van het bepaalde in artikel 6, lid 5 van de OLW een zogenoemde dubbele WOTS-garantie van de Duitse justitiële autoriteiten is vereist.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat in dit geval geen dubbele WOTS-garantie hoeft te worden afgegeven door de Duitse justitiële autoriteiten omdat de opgeëiste persoon niet zodanig is geworteld in Nederland dat zij hiervoor in aanmerking komt.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 6, lid 1 van de OLW is bepaald dat overlevering van een Nederlander kan worden toegestaan voor zover deze is gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek en naar het oordeel van de uitvoerende justitiële autoriteit is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

In artikel 6, lid 5 van de OLW is onder meer bepaald dat het eerste lid eveneens van toepassing is op een vreemdeling met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, voor zover hij in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten welke aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen en voor zover ten aanzien van hem de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

De rechtbank stelt allereerst vast dat wordt voldaan aan de in artikel 6, lid 5 van de OLW genoemde voorwaarde dat de opgeëiste persoon in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten welke aan het EAB ten grondslag liggen, nu deze feiten deels in Nederland zijn gepleegd.

Verder is gesteld noch gebleken dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, lid 5 van de OLW genoemde voorwaarde dat de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon niet haar recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een haar na overlevering opgelegde straf of maatregel. De rechtbank acht het in verband met de toetsing aan deze voorwaarde echter van belang dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op dit punt advies uitbrengt.

De rechtbank komt vervolgens toe aan toetsing van de in artikel 6, lid 5 van de OLW genoemde voorwaarde dat de opgeëiste persoon, van Duitse nationaliteit, in het bezit dient te zijn van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

De rechtbank begrijpt het standpunt van de raadsman in dit verband aldus dat de opgeëiste persoon gelet op het bepaalde in artikel 12 van het EG-verdrag dient te worden gelijkgesteld met een houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd althans een Nederlander. Hiertoe acht de raadsman van belang dat zij sinds acht maanden in Nederland verblijft, van Duitse nationaliteit is, werkzaam is in Nederland, in verwachting is en in Nederland haar toekomst wil opbouwen en, mede gezien het voorgaande, volledig is ingeburgerd in de Nederlandse samenleving.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden aangemerkt als een in Nederland gewortelde vreemdeling. De verblijfsduur van acht maanden in Nederland acht zij hiertoe te kort. Verder heeft zij opgemerkt dat de opgeëiste persoon haar stelling dat zij in Nederland werkzaam is niet heeft onderbouwd.

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Wel blijkt uit informatie verkregen uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) dat zij sinds 22 augustus 2008 een verblijfsvergunning heeft op grond van het gemeenschapsrecht en dat zij sinds 18 augustus 2008 is ingeschreven in de GBA op de Willem Dreesweg 131 te Almere. Verder heeft de opgeëiste persoon verklaard dat zij in Nederland werkzaam is, hier naar school gaat, hier haar vrienden heeft en hier haar toekomst wil opbouwen.

Gezien het voorgaande ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de opgeëiste persoon dient te worden gelijkgesteld met een houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als genoemd in artikel 6, lid 5 van de OLW. Voor de beantwoording van deze vraag acht de rechtbank de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van de door deze rechtbank bij tussenuitspraak van 28 december 2007 in de zaak Wolzenburg (LJN: BC9789) gestelde prejudiciële vragen van belang.

In de zaak Wolzenburg speelt de vraag of de wijze waarop de Nederlandse wetgever de in artikel 4 onder 6 Kaderbesluit neergelegde weigeringsgrond, die ziet op een EAB dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, heeft geïmplementeerd:

a) in overeenstemming is met de uitleg van de begrippen uit het Kaderbesluit, gelet op de preambule, en met het recht van burgers van de Europese Unie vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, behoudens de beperkingen en voorwaarden die bij het Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld; of

b) in strijd is met het in artikel 12 EG neergelegde discriminatieverbod.

In artikel 4 onder 6 Kaderbesluit wordt de persoon voor wie de weigeringsgrond geldt omschreven als ‘de persoon die verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat’. De prejudiciële vragen zien onder meer op de uitleg van de begrippen "verblijft in" en "ingezetene" en op de vraag of en op welke wijze de verblijfsduur mag meewegen bij het invullen van deze begrippen alsmede of er administratieve vereisten mogen worden gesteld en zo ja welke.

In de onderhavige zaak gaat het, anders dan in de zaak Wolzenburg, om een EAB dat is uitgevaardigd ter fine van een strafvervolging. Strikt genomen speelt in de onderhavige zaak, anders dan in de zaak Wolzenburg, dan ook de vraag of de wijze waarop de Nederlandse wetgever de in artikel 5 onder 3 Kaderbesluit neergelegde weigeringsgrond dan wel aan de overlevering te stellen voorwaarde (garantie dat de persoon, na te zijn berecht, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan), die ziet op een EAB dat is uitgevaardigd ter fine van strafvervolging, heeft geïmplementeerd:

a) in overeenstemming is met de uitleg van de begrippen uit het Kaderbesluit, gelet op de preambule, en met het recht van burgers van de Europese Unie vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, behoudens de beperkingen en voorwaarden die bij het Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld; of

b) in strijd is met het in artikel 12 EG neergelegde discriminatieverbod.

In artikel 5 onder 3 Kaderbesluit wordt de persoon voor wie de weigeringsgrond geldt dan wel die in aanmerking komt voor de afgifte van de garantie omschreven als ‘onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat’. Anders dan in artikel 4 onder 6 Kaderbesluit wordt niet gesproken van ‘de persoon die verblijft in de uitvoerende lidstaat’.

De rechtbank acht, ondanks het hiervoor vastgestelde verschil tussen de onderhavige zaak en de zaak Wolzenburg, de beantwoording van de prejudiciële vragen in de zaak Wolzenburg ook van belang voor de toetsing in de onderhavige zaak van de in artikel 6, lid 5 van de OLW genoemde voorwaarde van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, te meer omdat de opgeëiste persoon haar werkelijke verblijfplaats in Nederland heeft. De Nederlandse wetgever heeft voor wat betreft de eisen waaraan een vreemdeling moet voldoen om te worden gelijkgesteld met een Nederlander, waaronder de eis van het in bezit zijn van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, namelijk geen onderscheid gemaakt tussen de situatie van overlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de situatie van overlevering ter fine van strafvervolging. Zowel het eerste lid van artikel 6, dat ziet op overlevering van een Nederlander ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf als het tweede lid van artikel 6, dat ziet op overlevering van een Nederlander ter fine van strafvervolging, wordt ingevolge het bepaalde in lid 5 van artikel 6 immers van toepassing geacht op de in lid 5 bedoelde vreemdeling. Mede bezien in het licht van het voorgaande acht de rechtbank de door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te geven uitleg van de begrippen "verblijft in" en "ingezetene" en beantwoording van de vraag of en op welke wijze de verblijfsduur mag meewegen bij het invullen van deze begrippen, van belang voor de beoordeling in de onderhavige zaak.

6. Beslissing

Heropent en schorst het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd teneinde de beantwoording van de door deze rechtbank bij tussenuitspraak van 28 december 2007 in de zaak Wolzenburg aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gestelde prejudiciële vragen af te wachten.

Verzoekt de officier van justitie de Immigratie- en Naturalisatiedienst schriftelijk advies uit te laten brengen omtrent de vraag of de opgeëiste persoon (niet) haar recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een haar na overlevering opgelegde straf of maatregel.

Beveelt dat het onderzoek op een nader te bepalen tijdstip zal worden hervat, bij welke gelegenheid de opgeëiste persoon in staat wordt gesteld haar bezigheden in Nederland, zoals werk en school, nader met stukken te onderbouwen.

Beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon tegen dat nader te bepalen tijdstip met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

Beveelt de oproeping van een tolk in de Duitse taal tegen datzelfde tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. F. Salomon, voorzit¬ter,

mrs. J.H.M. van de Ven en L. Biller, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 25 maart 2009.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

A