Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI0089

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
13/529033-07 en 13/529067-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak Passage met betrekking tot gevoerde preliminaire (niet-ontvankelijkheids-) verweren, onderzoekswensen en/of voorlopige hechtenis.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 457
Wetboek van Strafvordering 458
Wetboek van Strafvordering 467
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2009/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Tussenbeslissingen inzake [MR] d.d. 9 maart 2009

Vervolging zonder voorafgaande overlevering

De verdediging heeft gesteld dat het openbaar ministerie onrechtmatig heeft vervolgd, nu de Spaanse autoriteiten hiervoor niet voorafgaand toestemming hebben verleend. Wegens schending van het specialiteitsbeginsel zou het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn vervolging.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het specialiteitsbeginsel geeft de betrokkene het recht om na overlevering niet te worden vervolgd, berecht of van zijn vrijheid te worden beroofd wegens een ander feit dan waarvoor zijn overlevering is toegestaan (artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit Europese aanhoudingsbevelen (hierna: Kaderbesluit EAB), in verbinding met artikel 48 van de Overleveringswet). Op het specialiteitsbeginsel bestaat een aantal uitzonderingen. Een van deze uitzonderingen is dat vervolging is toegestaan, voor zover deze niet leidt tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid van een betrokkene beperkt (art. 27, derde lid, Kaderbesluit EAB). Deze uitzondering brengt mee dat de betrokken persoon zonder toestemming van de uitvoerende justitiële autoriteit kan worden vervolgd en berecht voor een ander feit dan ter zake waarvan hij is overgeleverd, voor zover hij voor dat feit niet in voorlopige hechtenis wordt geplaatst (arrest van het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen van 1 december 2008, C-388/08 PPU, [naam1] en [naam2]).

Uit de stukken blijkt dat verdachte in 2006 aan Nederland is overgeleverd, uitsluitend ter executie van een eerder opgelegde straf. Verdachte heeft noch bij die overlevering, noch op een later moment afstand gedaan van specialiteit. Op 28 november 2008 hebben de Nederlandse autoriteiten overlevering van verdachte ter zake van de zaken Cobra, Tanta, Opa en Indiana gevraagd. Op 30 januari 2009 is verdachte voor de genoemde feiten overgeleverd.

Niet is gebleken dat verdachte ter zake van de huidige vervolging in de zaken Opa en Indiana aan vrijheidsbeperkende maatregelen is onderworpen. Van schending van het specialiteitsbeginsel is in die zaken derhalve geen sprake geweest. Het verweer treft in deze zaken reeds om die reden geen doel.

In de zaak Cobra is verdachte gedurende ongeveer twee weken voorlopig gehecht geweest, en in de zaak Tanta gedurende bijna een jaar, zonder voorafgaande toestemming van de Spaanse autoriteiten. Nu de vereiste toestemming inmiddels is verleend en er derhalve thans geen sprake (meer) is van een onrechtmatige situatie, is er naar het oordeel van de rechtbank geen plaats voor niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding voor de gevraagde onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.

Geen voorafgaande sluiting gerechtelijke vooronderzoeken

De verdediging heeft niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit met betrekking tot de deelonderzoeken Cobra, Opa en Indiana. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de officier van justitie sluiting van de gerechtelijke vooronderzoeken had moeten afwachten alvorens tot dagvaarding over te gaan. De officier van justitie heeft gesteld dat de wet zulks sinds 1 januari 2005 niet langer vereist.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Tot 1 januari 2005 luidde artikel 258, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), voor zover hier van belang:

Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur reeds tweemaal is verlengd, kan de dagvaarding geschieden ook al is het gerechtelijk vooronderzoek nog niet gesloten. (…)De artikelen 237-240 en 244 vinden alsdan geen toepassing.

Onder vigeur van deze bepaling kon een gerechtelijk vooronderzoek slechts worden weggedagvaard als de verdachte zich gedurende de maximale termijn in voorlopige hechtenis had bevonden en langs deze weg al op de hoogte was geraakt van de tegen hem gerezen verdenking en, voor zover het onderzoek het toeliet, van de onderzoeksbevindingen.

In alle andere gevallen diende het gerechtelijk vooronderzoek eerst te worden gesloten. De verdachte werd uiterlijk bij gelegenheid van deze sluiting gehoord en aldus op de hoogte gesteld van het gerechtelijk vooronderzoek en, voor zover het opsporingsbelang dat toeliet, van de bevindingen uit het onderzoek. Aldus werd voorkomen dat de verdachte rauwelijks werd gedagvaard zonder zelfs maar te hebben geweten van het gerechtelijk vooronderzoek en zonder dat hij de resultaten daarvan had kunnen weerspreken en eigen onderzoekswensen had kunnen formuleren.

Met ingang van 1 januari 2005 luidt artikel 258, tweede lid Sv, voor zover hier van belang:

Dagvaarding kan geschieden ook al is het gerechtelijk vooronderzoek nog niet gesloten. (..) De artikelen 237-240 en 244 vinden alsdan geen toepassing.

Deze bepaling bevat naar de letter niet meer de beperking tot gevallen waarin de verdachte zich voor het feit in voorlopige hechtenis bevindt.

In de toelichting op deze wijziging wordt gesteld:

“Een beperking van de mogelijkheid om een gerechtelijk vooronderzoek door middel van dagvaarding van de verdachte te beëindigen tot het geval waarin het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding reeds tweemaal is verlengd, ligt alleen al niet langer in de rede omdat een dergelijke verlenging niet langer in alle gevallen zal plaatsvinden.”

Aan de verdediging moet worden toegegeven dat uit de wetsgeschiedenis niet is af te leiden dat de wetgever een wijziging in de rechtspositie van niet voor het betreffende feit gedetineerde verdachten heeft beoogd. Het is zelfs de vraag of de wetgever zich heeft gerealiseerd dat de gewijzigde tekst mede tot een dergelijke wijziging zou kunnen leiden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan echter evenmin met zekerheid worden vastgesteld dat artikel 258, tweede lid Sv op dit punt een kennelijke omissie bevat, mede gelet op de zinsnede “alleen al niet” in de geciteerde passage uit de memorie van toelichting. Onder die omstandigheden acht de rechtbank zich niet vrij om deze bepaling, in weerwil van haar formulering, aldus te lezen dat zij uitsluitend betrekking heeft op verdachten die zich voor het feit in voorlopige hechtenis bevinden.

Nu het openbaar ministerie derhalve niet in strijd met de wet heeft gehandeld door verdachte voor de feiten 1 (Cobra), 2 (Opa) en 3 (Indiana) op de dagvaarding met parketnummer 13/529067-07 te dagvaarden vóór sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek, dient het verweer te worden verworpen.

Tijdstip van de dagvaarding in Cobra, Opa en Indiana

De verdediging heeft verder gesteld dat het openbaar ministerie de vervolgingbeslissing in de zaken Cobra, Opa en Indiana te lang heeft uitgesteld en niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in die vervolging. Het openbaar ministerie zou de vervolging hebben getraineerd en aldus een voedingsbodem hebben gecreëerd voor valse verklaringen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op de buitengewone omvang van het Passage-onderzoek, afgezet tegen de beschikbare capaciteit bij politie en openbaar ministerie, acht de rechtbank het begrijpelijk dat het onderzoek in verschillende deelonderzoeken opeenvolgend heeft plaatsgevonden en dat ook de vervolgingsbeslissingen successievelijk tot stand zijn gekomen. Van bewuste vertraging, zoals door de raadsman gesuggereerd, is niet gebleken. Voorts heeft het openbaar ministerie reeds op eerdere proformazittingen aangegeven dat verdachte vervolging voor genoemde zaken kon verwachten, en is er naar het zich thans laat aanzien nog voldoende tijd om tegemoet te komen aan gerechtvaardigde onderzoekswensen van de verdediging. In dat kader kan ook de betrouwbaarheid van de verschillende getuigenverklaringen worden onderzocht.

Gang van zaken tijdens procedure beëindiging deelonderzoek Indiana

De verdediging heeft gesteld dat het openbaar ministerie de raadkamer bij de behandeling van de diverse verzoeken tot beëindiging van de zaak Indiana heeft misleid en dat hierin grondslag dient te worden gevonden voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank ziet geen enkele aanwijzing voor de gestelde misleiding. Een dergelijke aanwijzing is met name niet te vinden, zoals door de raadsman gesteld, in het feit dat het openbaar ministerie tegenover de raadkamer heeft verklaard dat het onderzoek nog liep en dat verdachte diende te worden gehoord alvorens over vervolging kon worden besloten. Dat het onderzoek geruime tijd op een laag pitje stond, lijkt verklaarbaar uit het feit dat verdachte onvindbaar was, naar later bleek omdat hij onder een valse naam en met valse papieren in Spanje leefde. Dit komt dan voor risico van verdachte. Dat het openbaar ministerie er uiteindelijk voor heeft gekozen te dagvaarden zonder verdachte te hebben gehoord in Indiana, is gelet op verdachtes proceshouding in andere zaken begrijpelijk en maakt de eerder gedane mededelingen in raadkamer niet misleidend. Ook deze gang van zaken leidt dus niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Nova in Opa en Cobra

De verdediging heeft ook gesteld dat verdachte reeds in 1993 ter zake van de deelonderzoeken Opa en Cobra is vervolgd en dat er onvoldoende nieuwe bezwaren zijn gerezen om een nieuwe vervolging te rechtvaardigen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank is van oordeel dat de in de dossiers aanwezige nieuwe verklaringen en bevindingen een toereikende grondslag vormen voor een nieuwe vervolging. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in zijn vervolging van verdachte ter zake van deze feiten.

Verstrekking dossier en kennisgeving vervolgingsbeslissing Indiana uitsluitend aan raadsman Kuijpers

Raadsman Mul heeft zich – kort gezegd – beklaagd over het feit dat, hoewel hij verdachte in de zaak Indiana al zeer geruime tijd bijstaat, het openbaar ministerie het dossier Indiana en de bijbehorende correspondentie niet aan hem, maar uitsluitend aan raadsman Kuijpers heeft gezonden. Mul meent dat het openbaar ministerie verdachte heeft benadeeld door hem, Mul, niet eerder op de hoogte te stellen van het aanvullende overleveringsverzoek in de zaak Indiana, en hem aldus de mogelijkheid te ontnemen, zich tegen overlevering te verzetten.

Voorts zou door deze gang van zaken aan Mul de mogelijkheid zijn ontnomen, bezwaar te maken tegen de dagvaarding in de zaak Indiana.

De rechtbank merkt het volgende op. Nu raadsman Kuijpers verdachte vanaf het begin bijstaat in de overige deelonderzoeken binnen Passage en de zaak Indiana eerst kortgeleden als deelonderzoek binnen Passage is aangebracht, acht de rechtbank het op zichzelf niet onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie de stukken in de zaak Indiana in eerste instantie aan raadsman Kuijpers heeft toegezonden. Voor zover verdachte zich voor die specifieke zaak nog wilde laten bijstaan door raadsman Mul, had het op verdachtes weg gelegen om raadsman Kuijpers hierop te attenderen. Het was vervolgens aan raadsman Kuijpers geweest om zich hierover met raadsman Mul te verstaan.

Voor zover raadsman Mul de rechtbank heeft willen verzoeken om consequenties te verbinden aan de geschetste gang van zaken, wijst de rechtbank dit verzoek af, nu het feit dat raadsman Mul niet direct op de hoogte was, voor een belangrijk deel ligt binnen de risicosfeer van de verdediging. De rechtbank acht voorts van belang dat verdachte in de zaak Indiana niet verstoken is geweest van rechtsbijstand en dat raadsman Kuijpers zijn proceshouding met betrekking tot de overleveringskwestie weloverwogen zegt te hebben bepaald. Ten slotte heeft het openbaar ministerie de stukken aan raadsman Mul verstrekt zodra duidelijk was geworden dat hij verdachte bijstond in de zaak Indiana.

De rechtbank merkt meer in het algemeen op dat van professionele raadslieden, die binnen één groot onderzoek een verdachte terzijde staan ter zake van verschillende deelonderzoeken, mag worden verwacht dat zij in ieder geval geen tegenstrijdige standpunten innemen, dat zij een zodanige samenwerking bewerkstelligen dat ieders positie voor de andere procesdeelnemers duidelijk is en dat zij elkaar in het belang van hun cliënt op de hoogte houden van relevante ontwikkelingen.

Voorlopige hechtenis

Het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak Tanta wordt afgewezen, aangezien de verdenking, bezwaren en gronden, die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, ook nu nog aanwezig zijn. De rechtbank overweegt dat de door de raadsman aangehaalde beschikking van de Hoge Raad van 4 november 2008, nr. S 08/00273 B niet tot de conclusie leidt die de raadsman daaraan verbindt.

Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen. De rechtbank verwijst hiertoe naar haar tussenbeslissing van 2 juni 2008.

Onderzoekswensen

De rechtbank wijst de volgende door de verdediging gevraagde getuigen toe:

• [AK] sr.

• [AK] jr.

• [GlS].

Om het ondervragingsrecht van de verdediging ten volle tot zijn recht te laten komen, dient deze getuige te worden gehoord bij de rechter-commissaris.

De rechtbank wijst af:

• het verzoek om [persoon1] als getuige te horen, nu onvoldoende is gebleken dat deze persoon voor enige in deze procedure door de rechtbank te nemen beslissing ter zake dienend zou kunnen verklaren;

• het verzoek om de verdediging voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de 1993-zaken reeds te laten kennisnemen van de door het openbaar ministerie te zijner tijd te houden telecompresentatie, nu deze presentatie volgens de officier van justitie geen nieuwe feiten bevat. Niet is gebleken dat de verdediging in haar belangen zal worden geschaad als deze presentatie bij het begin van de inhoudelijke behandeling van voornoemde zaken zal worden gehouden.

Resumerend:

De rechtbank:

• wijst af de verzoeken tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging;

• wijst af het verzoek tot opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis;

• wijst af de overige onderzoekswensen;

• verwijst de zaak open terug naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde de toegewezen getuigen te (doen) horen en voorts al datgene te verrichten wat hij/zij in het belang van het onderzoek nodig acht. De rechtbank merkt hierbij op dat, hoewel wettelijk niet is voorzien in een verwijzing naar de rechter-commissaris in geval van een onderbreking gedurende de behandeling ter terechtzitting, om proceseconomische redenen de wettelijke bepalingen aangaande verwijzing bij schorsing van het onderzoek ter terechtzitting hier analoog zullen worden toegepast;

• onderbreekt het onderzoek tot dinsdag 10 maart 2009 te 9.30 uur wegens de uitgebreidheid ervan.