Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI0034

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
03-04-2009
Zaaknummer
13/993010-07 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat de directeur van het toen door deze geleide, beursgenoteerde bedrijf VHS, niet heeft voldaan aan de plicht ex artikel 46b van de – toenmalige – Wet toezicht effectenverkeer (Wte) transacties in aandelen VHS aan de STE, resp. AFM te melden. Verdachte kan als medepleger van het gepleegde strafbare feit worden aangemerkt. Artikel 46b (oud) Wte1995 is in volle omvang van toepassing. De artikelen 47a Wte 1995 en 5:60 Wet op het financieel toezicht (Wft) zijn geen voor verdachte gunstiger bepalingen (art. 1 lid 2 Sr). De wetswijziging is uitsluitend het gevolg van de implementatie van de EG-richtlijn Marktmisbruik 2003. Van gewijzigd inzicht van de wetgever is geen sprake.

Vrijspraak van handel met voorwetenschap. De tenlastegelegde gedragingen leveren hoogstens marktmanipulatie op. Dit is eerst strafbaar gesteld per 1 oktober 2005 (Wet Marktmisbruik, later de Wft). Deze gedragingen zijn niet strafbaar onder artikel 46 (oud) Wte 1995 (HR 6-2-2007 NJ 2008/467 Cardio Control). Verdachte en zijn medeverdachten hebben de bijzonderheden zelf geschapen. De wetenschap daarover is wetenschap over eigen voorgenomen transacties. Het Georgakis arrest van het HJEG doet hieraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/993010-07 (PROMIS)

Datum uitspraak: 3 april 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 november 2007, 2 maart 2009, 3 maart 2009, 4 maart 2009, 5 maart 2009, 6 maart 2009 en 23 maart 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J.M. van Dis-Setz en van hetgeen de raadslieden van verdachte, mrs. M. Wladimiroff en J.T.C. Le-liveld, beiden advocaat te ‘s-Gravenhage, naar voren hebben gebracht.

Opbouw vonnis

Dit vonnis is als volgt ingedeeld:

1. Weergave van de tenlastelegging

2. Voorvragen

a. beoordeling van de dagvaarding

b. ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

3. Vaststelling van de feiten

4. Beoordeling van het onder 1 ten laste gelegde feit

5. Beoordeling van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten

6. Bewezenverklaring

7. Strafbaarheid van het bewezengeachte

8. Strafbaarheid van de verdachte

9. Motivering van opgelegde straf/maatregel

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

11. Beslissing

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op 1 november 2007 en 6 maart 2009 – ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op een of meer tijdstip(pen)in de periode van 16 februari 2001 tot en met 1 oktober 2007 te Wassenaar en/of ’s-Gravenhage en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte], de bestuursvoorzitter van de Raad van Bestuur van VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V., zijnde die [medeverdachte] een persoon die het dagelijks beleid van deze instelling (mede) bepaalde (als bedoeld in artikel 46b lid 3 onder a Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud)) en/of een of meer ander(en), aan een rechtspersoon die ingevolge artikel 40 van die Wet (oud) taken en bevoegdheden zijn overgedragen, te weten de Stichting Toezicht Effectenverkeer (thans geheten de Autoriteit Financiële Markten), (in bovengenoemde periode vrijwel dagelijks), in elk geval meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzet-telijk, niet onverwijld melding heeft gedaan van transacties in effecten VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V. die hij, verdachte en/of die [medeverdachte] en/of die ander(en) (telkens) anders dan ter bediening van derden (als bedoeld in artikel 46b, lid 1 WTE 1995 oud), heeft /hebben verricht en/of laten (doen) verrichten en/of heeft/hebben bewerkstelligd en/of laten (doen) bewerkstelligen, welke effecten (telkens) waren genoteerd op een op grond van artikel 22 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud) erkende effectenbeurs, te weten Euronext Amsterdam NV, in ieder geval ter zake van effecten als bedoeld in artikel 46, lid 1 van die Wet (oud), immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of die [medeverdachte] en/of die ander(en) (telkens) in bovengenoemde periode (vrijwel dagelijks)

onder andere

- in de periode van 5 november 2001 tot en met 7 november 2001, 1800 aandelen van voornoemde instelling aangekocht voor rekening van/op naam van [persoon1] en/of

- in de periode van 12 november 2001 tot en met 13 november 2001, 2200 aandelen van voornoemde instelling aangekocht voor rekening van/op naam van [persoon1] en/of

, in elk geval meermalen, althans eenmaal, (telkens) effectentransacties in het fonds VHS On-roerend Goed Maatschappij N.V. verricht/bewerkstelligd en/of laten (doen) verrich-ten/bewerkstellingen op naam van een of meer derde(n) (te weten [persoon1]/Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) door orders strekkende tot het uitvoeren van deze effectentransacties door een van zijn, verdachtes, mededader(s) (te weten [medeverdachte]) door te laten geven aan medewerkers van Staalbankiers, waarbij een van zijn, verdachtes, mededader(s) (te weten [medeverdachte]) (telkens) die transacties in voornoemde pe-riode niet onverwijld heeft gemeld aan bovengenoemde rechtspersoon;

Artikel 46b lid 3 onder a WTE 1995 (oud)

Artikel 2 en 6 (oud) WED

Artikel 47 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

Een persoon genaamd [medeverdachte] op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 16 februari 2001 tot en met 1 oktober 2007 te Wassenaar en/of ’s-Gravenhage en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans al-leen, (telkens) als bestuursvoorzitter van de Raad van Bestuur van VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V., zijnde een persoon die het dagelijks beleid van deze instelling (mede) be-paalde (als bedoeld in artikel 46b lid 3 onder a Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud)), aan een rechtspersoon die ingevolge artikel 40 van die Wet (oud) taken en bevoegdheden zijn overgedragen, te weten de Stichting Toezicht Effectenverkeer (thans geheten de Autoriteit Financiële Markten), (in bovengenoemde periode vrijwel dagelijks), in elk geval meermalen, al-thans eenmaal, (telkens) opzettelijk, niet onverwijld melding heeft gedaan van transacties in effecten VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V. die die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) (telkens) anders dan ter bediening van derden (als bedoeld in artikel 46b, lid 1 WTE 1995 oud), heeft/hebben verricht en/of laten (doen) verrichten en/of heeft/hebben bewerkstelligd en/of laten (doen) bewerkstelligen, welke effecten (telkens) waren genoteerd op een op grond van artikel 22 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud) erkende effectenbeurs, te weten Euronext Amsterdam NV, in ieder geval ter zake van effecten als bedoeld in artikel 46, lid 1 van die Wet (oud), immers heeft/hebben die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) (telkens) in bovengenoemde periode (vrijwel dagelijks ) onder andere

- in de periode van 5 november 2001 tot en met 7 november 2001, 1800 aandelen van voornoemde instelling aangekocht voor rekening van/op naam van [persoon1] en/of

- in de periode van 12 november 2001 tot en met 13 november 2001, 2200 aandelen van voornoemde instelling aangekocht voor rekening van/op naam van [persoon1] en/of

, in elk geval meermalen, althans eenmaal, (telkens) transacties in het fonds VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V. verricht/bewerkstelligd en/of laten (doen) verrichten / bewerkstellingen op naam van een of meer derde(n) (te weten ([persoon1]/Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) door orders strekkende tot het uitvoeren van deze ef-fectentransacties door te geven aan medewerkers van Staalbankiers, waarbij die [medeverdachte] die transacties in voornoemde periode niet onverwijld heeft gemeld aan bovengenoemde rechtspersoon, tot het plegen van welk misdrijf, hij, verdachte, in de periode van 16 februari 2001 tot en met 6 maart 2002 te Wassenaar en/of ’s-Gravenhage en/of Amsterdam en/of (el-ders) in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft [persoon1] (zijnde de moeder van verdachte) en/of de re-kening van Petrolia BV ter beschikking te stellen aan die [medeverdachte], waardoor die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) transacties in effecten VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V. kon(den) (laten/doen) verrichten/bewerkstelligen op rekening/op naam van die [persoon1] en/of Petrolia BV;

Artikel 46b lid 3 onder a WTE 1995 (oud)

Artikel 2 en 6 (oud) WED

Artikel 48 Wetboek van Strafrecht

Feit 2:

Hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 16 februari 2001 tot en met 6 maart 2002, te Wassenaar en/of ’s-Gravenhage en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, beschikkende over voorwetenschap als bedoeld in artikel 46, tweede lid van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud), (telkens) (een groot aantal), althans een of meer (beurs)transactie(s) heeft verricht en/of bewerkstelligd in hieronder te noemen effecten, die toen waren genoteerd aan een op grond van artikel 22 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud) erkende en in Nederland gevestigde effecten-beurs, te weten Euronext Amsterdam N.V., immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen toen en daar (telkens) een (groot) aantal, althans een of meerdere aanko(o)p(en) en/of verko(o)p(en) in aandelen VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V. (hierna de instelling genoemd) via en/of door tussenkomst van Staalbankiers met voornoemde effectenbeurs verricht/bewerkstelligd,

waaronder:

- een kooporder op 5 november 2001, die werd uitgevoerd in de periode van 5 november 2001 t/m 7 november 2001, waarbij 1800 aandelen van voornoemde instelling werden naam van [persoon1] en/of

- een kooporder op 8 november 2001, die werd uitgevoerd in de periode van 12 november 2001 t/m 13 november 2001, waarbij 2200 aandelen van voornoemde instelling werden aangekocht op naam van [persoon1] en/of

zulks terwijl hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens) bekend was /waren met een of meer bijzonderhe(i)d(en) omtrent voornoemde rechtspersoon en/of ven-nootschap en/of instelling en/of omtrent de handel in effecten van voornoemde instelling, die bestond(en) uit:

een – voor betrokkenen bij de markt van aandelen VHS – (zeer) onvolledig beeld van

• de wijze waarop deze markt functioneerde op het gebied van vraag en/of aanbod en/of

koersvorming en/of

• de mate van betrokkenheid van verdachtes mededader [medeverdachte] –

bestuursvoorzitter en/of grootaandeelhouder van die instelling – bij deze markt en/of

• de geringe betrokkenheid van derden bij deze markt,

welke bijzonderhe(i)d(en) volgt/volgen uit (onder meer) de hierna genoemde omstandigheden:

a. het door (een van) zijn, verdachtes mededader(s) (te weten [medeverdachte]) (als bestuurs-voorzitter van voornoemde instelling) niet melden van op naam van een of meer derde(n) (te weten [persoon1]/Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) verrichte/bewerkstelligde transacties in effecten van voornoemde instelling (conform artikel 46b onder a WTE 1995 (oud)) (waardoor de markt geen zicht had op het feit dat [medeverdachte], als bestuursvoorzitter van voornoemde instelling zelf handelde in effecten van voornoemde instelling) en/of

b. het omzeilen/misbruiken/gebruiken van de regels van de Wet Melding zeggenschap 1996 (WMZ) door/om een of meer derde(n) (te weten [persoon1]/Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) (tijdelijk) een of meer belang(en) in voornoemde instelling over te laten nemen/op te laten bouwen, terwijl (een van) zijn, verdachtes mededader(s) (te weten [medeverdachte]) daar (voor een belangrijk deel) het economisch/koers/financiëel risico van bleef houden en/of door (vervolgens) (een) kleine transactie(s) te verrichtten/te bewerkstelligen waardoor een belang van die derde(n) gemeld moest worden en/of (ver-volgens) (een) grote transactie(s) te verrichten/te bewerkstelligen (op naam van die een of meer derde(n)) die (net) niet gemeld hoefde(n) te worden (waardoor te markt geen juist zicht had op de werkelijke eigendomsverhoudingen van de aandelen die door (een) der-de(n) werden gehouden) en/of

c. het in stand houden van een zogenoemde geringe free float van de effecten van voor-noemde instelling door op naam van (een) derde(n) (te weten van [persoon1] /Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) (een) transactie(s) in aandelen/effecten van voornoemde instelling te verrichten/te bewerkstelligen en/of (een) belang(en) op te bouwen in effecten van voornoemde instelling , terwijl voor de markt niet bekend was dat (een van) zijn, verdachtes mededader(s) ( te weten [medeverdachte]) deze transacties zelf ver-richtte/bewerkstelligde en/of liet verrichten/bewerkstelligen en/of dat [medeverdachte] (voor een belangrijk deel) het economisch/koers/financiëel risico bleef houden van deze trans-actie(s) en/of

d. het op een kunstmatig (gewenst) niveau neerzetten van de beurskoers van voornoemde instelling door het op naam van een of meer derde(n) (te weten van [persoon1] /Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) inleggen van orders in effecten van voornoemde instelling op strategische niveau’s vanuit zowel de vraag- als aanbodkant (op de effectenbeurs), (waardoor het mogelijk werd om bepaalde (gewenste) transacties in ef-fecten van voornoemde instelling binnen beurs en/of buiten beurs te verrichten/te bewerkstelligen op naam van een of meer derde(n) (tegen een gewenst(e)/afgesproken koers/bedrag)) (welke orders in overwegende mate bepalend waren voor het (koers)verloop van deze aandelen)

terwijl die bijzonderhe(i)d(en) (telkens) niet openbaar was/waren gemaakt en openbaarmaking van (dit samenstel van) die bijzonderhe(i)d(en), althans de essentie van een of meer van voornoemde bijzonderhe(i)d(en), naar redelijkerwijs te verwachten viel, invloed zou kunnen heb-ben op de koers van de effecten (in het fonds) VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V., ongeacht de richting van de koers;

Artikel 46 lid 1 aanhef onder a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud)

Artikel 1, 2 en 6 (oud) van de Wet op de economische delicten

Artikel 47 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

[medeverdachte] op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 16 februari 2001 tot en met 6 maart 2002, te Wassenaar en/of ’s-Gravenhage en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, beschikkende over voor-wetenschap als bedoeld in artikel 46, tweede lid van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud), (telkens) (een groot aantal), althans een of meer transacties(s) heeft verricht en/of bewerkstelligd in hieronder te noemen effecten, die toen waren genoteerd aan een op grond van artikel 22 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud) erkende en in Nederland gevestigde effectenbeurs, te weten Euronext Amsterdam N.V., immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens) een (groot) aantal, althans een of meerdere aanko(o)p(en) en/of verko(o)p(en) in aandelen VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V. (hierna de instelling genoemd) via en/of door tussenkomst van Staalbankiers met voornoemde effec-tenbeurs verricht/bewerkstelligd, waaronder:

- een kooporder op 5 november 2001, die werd uitgevoerd in de periode van 5 november 2001 t/m 7 november 2001, waarbij 1800 aandelen van voornoemde instelling werden aangekocht op naam van [persoon1] en/of

- een kooporder op 8 november 2001, die werd uitgevoerd in de periode van 12 november 2001 t/m 13 november 2001, waarbij 2200 aandelen van voornoemde instelling werden aangekocht op naam van [persoon1]

zulks terwijl hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens) bekend was /waren met een of meer bijzonderhe(i)d(en) omtrent voornoemde rechtspersoon en/of ven-nootschap en/of instelling en/of omtrent de handel in effecten van voornoemde instelling, die bestond(en) uit:

een – voor betrokkenen bij de markt van aandelen VHS – (zeer) onvolledig beeld van

• de wijze waarop deze markt functioneerde op het gebied van vraag en/of aanbod en/of

koersvorming en/of

• de mate van betrokkenheid van verdachte – bestuursvoorzitter en/of

grootaandeelhouder van

die instelling – bij deze markt en/of

• de geringe betrokkenheid van derden bij deze markt,

welke bovenstaande bijzonderhe(i)d(en) volgt/volgen uit (onder meer) de hierna genoemde omstandigheden:

a. het (als bestuursvoorzitter van voornoemde instelling) niet melden van door hem, verdachte, op naam van een of meer derde(n) (te weten [persoon1]/Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) verrichtte/bewerkstelligde transacties in effecten van voornoemde instelling (conform artikel 46b WTE 1995 (oud)) (waardoor de markt geen zicht had op het feit dat [medeverdachte], als bestuursvoorzitter van voornoemde in-stelling zelf handelde in effecten van voornoemde instelling) en/of

b. het omzeilen/misbruiken/gebruiken van de regels van de Wet Melding zeggenschap 1996 (WMZ) door/om een of meer derde(n) (te weten [persoon1]/Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) een of meer belang(en) in voornoemde instelling over te laten nemen/op te laten bouwen, terwijl hij, verdachte, daar (voor een belang-rijk deel) het economisch/koers/financiëel risico van bleef houden en/of door (vervolgens) (een) kleine transactie(s) te verrichtten/te bewerkstelligen waardoor een belang van die derde(n) gemeld moest worden en/of (vervolgens) (een) grote transactie(s) te verrichten/te bewerkstelligen (op naam van die een of meer derde(n)) die (net) niet gemeld hoefde(n) te worden (waardoor te markt geen juist zicht had op de werkelijke eigendomsverhoudingen van de aandelen die door (een) derde(n) werden gehouden) en/of

c. het in stand houden van een zogenoemde geringe free float van de effecten van voor-noemde instelling door op naam van (een) derde(n) (te weten van [persoon1] /Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) (een) transactie(s) te verrichten/te bewerkstelligen en/of (een) belang(en) op te bouwen in effecten van voornoemde instelling, terwijl voor de markt niet bekend was dat hij, verdachte deze transacties zelf verrichtte/bewerkstelligde en/of liet verrichten/bewerkstelligen en/of dat hij, verdachte, (voor een belangrijk deel) het economisch/koers/financiëel risico bleef houden van deze transactie(s) en/of

d. het op een kunstmatig (gewenst) niveau neerzetten van de beurskoers van voornoemde instelling door het op naam van een of meer derde(n) (te weten van [persoon1] /Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) inleggen van orders in effecten van voornoemde instelling op strategische niveau’s vanuit zowel de vraag- als aanbodkant (op de effectenbeurs), (waardoor het mogelijk werd om bepaalde (gewenste) transac-ties in effecten van voornoemde instelling binnen beurs en/of buiten beurs te verrich-ten/te bewerkstelligen op naam van een of meer derde(n) (tegen een ge-wenst(e)/afgesproken koers/bedrag)) (welke orders in overwegende mate bepalend waren voor het (koers)verloop van deze aandelen) en/of

terwijl die bijzonderhe(i)d(en) (telkens) niet openbaar was/waren gemaakt en openbaarmaking van (dit samenstel van) die bijzonderhe(i)d(en), althans de essentie van een of meer van voor-noemde bijzonderhe(i)d(en), naar redelijkerwijs te verwachten viel, invloed zou kunnen hebben op de koers van de effecten (in het fonds) VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V., on-geacht de richting van de koers, tot het plegen van welk misdrijf, hij, verdachte, in de periode van 16 februari 2001 tot en met 6 maart 2002 te Wassenaar en/of ’s-Gravenhage en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft door bankrekeningen waartoe hij gemachtigd is/was en/of aandelen waarover hij kon beschikken ter beschikking te stellen van verdachte [medeverdachte] ten behoeve van het verrichten van deze transacties;

Artikel 46 lid 1 aanhef onder a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud)

Artikel 1, 2 en 6 (oud) van de Wet op de economische delicten

Artikel 47 Wetboek van Strafrecht

Artikel 48 Wetboek van Strafrecht

Feit 3:

Hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2001 tot en met 31 december 2001, te Wassenaar en/of ’s-Gravenhage en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, beschikkende over voorwetenschap als bedoeld in artikel 46, tweede lid van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud), twee, althans een bui-ten beurs transactie(s) heeft verricht en/of bewerkstelligd in hieronder te noemen effecten, die toen waren genoteerd aan een op grond van artikel 22 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud) erkende en in Nederland gevestigde effectenbeurs, te weten Euronext Amsterdam N.V., immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar buiten voor-noemde beurs om aankoop en/of een buiten voornoemde beurs om verkoop van/in effecten VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V. (hierna de instelling genoemd) verricht / bewerk-stelligd, te weten:

- een aankoop van 100.000 aandelen van voornoemde instelling op 13 maart 2001 op naam van [persoon1] (gekocht van Staalbank N.V.) (AH-121) en/of

- een verkoop van 250.000 aandelen van voornoemde instelling op 3 en/of 4 decem[persoon1] (verkocht aan NBC B.V., al dan niet met tussenkomst van Staalbank N.V.) (AH-121),

zulks terwijl hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens) bekend was / waren met een of meer bijzonderhe(i)d(en) omtrent voornoemde rechtspersoon en/of vennootschap en/of instelling en/of omtrent de handel in effecten van voornoemde instelling, die bestond(en) uit:

een – voor betrokkenen bij de markt van aandelen VHS – (zeer) onvolledig beeld van

• de wijze waarop deze markt functioneerde op het gebied van vraag en/of aanbod en/of

koersvorming en/of

• de mate van betrokkenheid van verdachtes mededader [medeverdachte] –

bestuursvoorzitter en/of grootaandeelhouder van die instelling – bij deze markt en/of

• de geringe betrokkenheid van derden bij deze markt,

welke bijzonderh(i)d(en) volgt/volgen uit (onder meer) de hierna genoemde omstandigheden:

a. het door (een van) zijn, verdachtes mededader(s) (te weten [medeverdachte]) (als bestuurs-voorzitter van voornoemde instelling) niet melden van op naam van een of meer derde(n) (te weten [persoon1]/Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) verrichte/bewerkstelligde transacties in effecten van voornoemde instelling (conform artikel 46b onder a WTE 1995 (oud)) (waardoor de markt geen zicht had op het feit dat [medeverdachte], als bestuursvoorzitter van voornoemde instelling zelf handelde in effecten van voornoemde instelling) en/of

b. het omzeilen/misbruiken/gebruiken van de regels van de Wet melding zeggenschap 1996 (WMZ) door/om een of meer derde(n) (te weten [persoon1] en/of Petrolia BV en/of [medeverdachte2] en/of 23 April BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) een of meer be-lang(en) in voornoemde instelling over te laten nemen/op te laten bouwen, terwijl (een van) zijn, verdachtes, mededader(s) (te weten [medeverdachte]) daar (voor een belangrijk deel) het economisch/koers/financiëel risico van bleef houden en/of

c. het in stand houden van een zogenoemde geringe free float van de effecten van voor-noemde instelling door op naam van (een) derde(n) (te weten van [persoon1] /Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) (een) transactie(s) in aandelen/effecten van voornoemde instelling te (laten/doen) verrichten/te (laten/doen) bewerkstelligen en/of (een) belang(en) op te (laten/doen) bouwen in effecten van voornoemde instelling, terwijl voor de markt niet bekend was dat (een van) zijn, verdachtes, mededader(s) ( te weten [medeverdachte]) deze transacties zelf verrichtte/bewerkstelligde en/of liet verrichten /bewerkstelligen en/of dat (die) [medeverdachte] (voor een belangrijk deel) het econo-misch/koers/financiëel risico bleef houden van deze transactie(s) en/of

d. (voorafgaand aan (die) twee, althans een buiten beurs transactie(s)) het op een (gewenst) niveau neerzetten van de beurskoers van voornoemde instelling door het op naam van een of meer derde(n) (te weten van [persoon1]/Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) (laten) inleggen van orders in effecten van voornoemde instelling op strategische niveau’s vanuit zowel de vraag- als aanbodkant (op de effectenbeurs), (waardoor het mogelijk werd om (die) twee, althans een buiten beurs transactie(s) in effecten van voornoemde instelling buiten beurs te (laten) verrichten/te (laten) bewerkstelligen op naam van een of meer derde(n) tegen een gewenst(e)/afgesproken koers/bedrag,

terwijl die bijzonderhe(i)d(en) (telkens) niet openbaar was/waren gemaakt en openbaarmaking van (dit samenstel van) die bijzonderhe(i)d(en), althans de essentie van een of meer van voor-noemde bijzonderhe(i)d(en), naar redelijkerwijs te verwachten viel, invloed zou kunnen heb-ben op de koers van de effecten (in het fonds) VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V., on-geacht de richting van de koers;

Artikel 46 lid 1 aanhef onder a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud)

Artikel 1, 2 en 6 (oud) van de Wet op de economische delicten

Artikel 47 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 maart 2001 tot en met 31 december 2001,

te Wassenaar en/of ’s-Gravenhage en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, beschikkende over voorwetenschap als bedoeld in artikel 46, tweede lid van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud), twee, al-thans een buiten beurs transactie(s) heeft verricht en/of bewerkstelligd in hieronder te noemen effecten, die toen waren genoteerd aan een op grond van artikel 22 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud) erkende en in Nederland gevestigde effectenbeurs, te weten Euronext Amsterdam N.V., immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar buiten voornoemde beurs om aankoop en/of een buiten voornoemde beurs om verkoop van/in effecten VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V. (hierna de instelling genoemd) verricht/bewerkstelligd, te weten:

- een aankoop van 100.000 aandelen van voornoemde instelling op 13 maart 2001 op naam van [persoon1] (gekocht van Staalbank N.V.) (AH-121) en/of

- een verkoop van 250.000 aandelen van voornoemde instelling op 3 en/of 4 decemember 2001 op naam van [persoon1] (verkocht aan NBC B.V., al dan niet met tus-senkomst van Staalbank N.V.) (AH-121),

zulks terwijl hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens) bekend was /waren met een of meer bijzonderhe(i)d(en) omtrent voornoemde rechtspersoon en/of ven-nootschap en/of instelling en/of omtrent de handel in effecten van voornoemde instelling, die bestond(en) uit:

een – voor betrokkenen bij de markt van aandelen VHS – (zeer) onvolledig beeld van

• de wijze waarop deze markt functioneerde op het gebied van vraag en/of aanbod en/of

koersvorming en/of

• de mate van betrokkenheid van verdachte – bestuursvoorzitter en/of

grootaandeelhouder van

die instelling – bij deze markt en/of

• de geringe betrokkenheid van derden bij deze markt,

welke bijzonderhe(i)d(en) volgt/volgen uit (onder meer) de hierna genoemde omstandighe-den:

a. het (als bestuursvoorzitter van voornoemde instelling) niet melden van door hem, ver-dachte, op naam van een of meer derde(n) (te weten [persoon1]/Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) verrichtte/bewerkstelligde transacties in effecten van voor-noemde instelling (conform artikel 46b WTE 1995 (oud)) (waardoor de markt geen zicht had op het feit dat [medeverdachte], als bestuursvoorzitter van voornoemde instelling zelf handelde in effecten van voornoemde instelling) en/of

b. het omzeilen/misbruiken/gebruiken van de regels van de Wet melding zeggenschap 1996 (WMZ) door/om een of meer derde(n) (te weten [persoon1] en/of Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) een of meer belang(en) in voornoemde instelling over te laten nemen/op te laten bouwen, terwijl hij, verdachte, daar (voor een belangrijk deel) het economisch/koers/financiëel risico van bleef houden en/of

c. het in stand houden van een zogenoemde geringe free float van de effecten van voor-noemde instelling door op naam van (een) derde(n) (te weten van [persoon1] /Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staalbank NV) (een) transactie(s) te verrichten/te be-werkstelligen en/of (een) belang(en) op te bouwen in effecten van voornoemde instelling, terwijl voor de markt niet bekend was dat hij, verdachte deze transacties zelf verricht-te/bewerkstelligde en/of liet verrichten/bewerkstelligen en/of dat hij, verdachte, (voor een belangrijk deel) het economisch/koers/financiëel risico bleef houden van deze transactie(s) en/of

d. (voorafgaand aan die twee, althans een buiten beurs transactie(s)) het op een (gewenst) ni-veau neerzetten van de beurskoers van voornoemde instelling door het op naam van een of meer derde(n) (te weten van [persoon1]/Petrolia BV en/of NBC BV en/of Staal-bank NV) inleggen van orders in effecten van voornoemde instelling op strategische ni-veau’s vanuit zowel de vraag- als aanbodkant (op de effectenbeurs), waardoor het moge-lijk werd om die twee, althans een buiten beurs transactie(s) in effecten van voornoemde instelling te (laten) verrichten/te (laten) bewerkstelligen op naam van een of meer derde(n) tegen een gewenst(e)/afgesproken koers/bedrag,

terwijl die bijzonderhe(i)d(en) (telkens) niet openbaar was/waren gemaakt en openbaarmaking van (dit samenstel van) die bijzonderhe(i)d(en), althans de essentie van een of meer van voor-noemde bijzonderhe(i)d(en), naar redelijkerwijs te verwachten viel, invloed zou kunnen heb-ben op de koers van de effecten (in het fonds) VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V., on-geacht de richting van de koers,

tot het plegen van welk misdrijf, hij, verdachte, in de periode van 1 maart 2001 tot en met 31 december 2001 te Wassenaar en/of ’s-Gravenhage en/of Amsterdam en/of (elders) in Neder-land, opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft door bankrekeningen waartoe hij gemachtigd is/was en/of aandelen waarover hij kon beschikken ter beschikking te stellen van verdachte [medeverdachte] ten behoeve van het verrichten van deze transacties;

Artikel 46 lid 1 aanhef onder a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud)

Artikel 1, 2 en 6 (oud) van de Wet op de economische delicten

Artikel 47 Wetboek van Strafrecht

Artikel 48 Wetboek van Strafrecht

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid van de dagvaarding.

Het standpunt van de verdediging

2.1.1. Volgens de verdediging dient de inleidende dagvaarding in zijn geheel nietig te worden verklaard, nu deze een innerlijke tegenstrijdigheid bevat. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde wordt verdachte verweten dat medeverdachte [medeverdachte] “anders dan ter bediening van derden” (en derhalve anders dan ter bediening van verdachte) transacties in effecten VHS heeft verricht of bewerkstelligd. Medeverdachte [medeverdachte] zou derhalve als pleger de meldingsplicht hebben geschonden. Dit is echter innerlijk tegenstrijdig met het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde verwijt dat hij als pleger de onderhavige transacties heeft “verricht en/of bewerkstelligd” en zich derhalve schuldig zou hebben gemaakt aan misbruik van voorwetenschap. Onduidelijk is wat de kern van het strafrechtelijke verwijt aan verdachte is. Deze opgave van feiten is zodanig onbegrijpelijk dat eenduidig verweer onmogelijk wordt gemaakt, zodat de verdediging in haar belangen is geschaad.

2.1.2. Voorts is de tenlastelegging nietig voor zover het de onder feit 1 ten laste gelegde periode betreft. Onduidelijk is of de tenlastelegging ziet op meer of andere transacties dan de transacties die expliciet zijn omschreven. In de tenlastelegging wordt vermeld dat medeverdachte [medeverdachte] in de periode van 16 februari 2001 tot en met 1 oktober 2007, althans 21 augustus 2003, “onder andere” c.q. “waaronder” de genoemde transacties verrichtte c.q. bewerkstelligde, en wel met de specificatie “vrijwel dagelijks”. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat honderden transacties voorwerp van onderzoek vorm(d)en. Het bezigen van de aanduiding “onder andere” maakt de tenlastelegging te weinig specifiek om als deugdelijke grondslag voor het onderzoek ter terechtzitting te dienen.

2.1.3. Subsidiair dient de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit nietig te worden verklaard, omdat de ten laste gelegde voorwetenschap onvoldoende duidelijk is omschreven. Onvoldoende duidelijk is immers omschreven welke concrete, niet-openbare, koersgevoelige informatie met het in de tenlastelegging genoemde “(zeer) onvolledig beeld” en de “eigen wetenschap” van VHS precies wordt bedoeld.

Het standpunt van de officier van justitie

2.1.4. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van de verweren van de verdediging. Volgens haar voldoet de dagvaarding aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Een belangrijk doel van de tenlastelegging is ervoor te zorgen dat verdachte aan de hand daarvan kan begrijpen waarvoor hij zich dient te verantwoorden, zodat verdachte zich op adequate wijze tegen de aanklacht kan verdedigen. Uit de in de tenlastelegging opgenomen feiten moet verdachte kunnen aflezen wat hem verweten wordt. Uit literatuur en jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van een nietigheidsverweer op grond van artikel 261 Sv een aantal factoren een rol speelt:

(i) Bij de beoordeling daarvan geldt dat de tenlastelegging als één geheel moet worden opgevat;

(ii) Voor het beoordelen van de vraag of de tenlastelegging voldoende duidelijk is, kan ook het proces-verbaal dat aan de tenlastelegging ten grondslag ligt, meewegen. Voor het begrip van de tenlastelegging kan dus mede uit de diverse onderliggende processen-verbaal worden geput;

(iii) Voor de beoordeling van een nietigheidsverweer is relevant of verdachte er blijk van geeft de tenlastelegging te begrijpen.

Deze factoren in beschouwing genomen houden de nietigheidsverweren geen stand. Ten aanzien van verdachte geldt dat hij als verdachte op alle onderdelen van de zaak is gehoord. Hij is bij dit verhoor bijgestaan door zijn raadsman en heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. Niet is gebleken dat hij iets niet heeft begrepen.

2.1.5. Bovendien blijkt uit de omvangrijke pleitnoties van de raadslieden dat de verdediging precies weet waarvan verdachte beschuldigd wordt. Tegen de achtergrond van die processtukken is niet aannemelijk geworden dat verdachte in zijn verdediging is geschaad, omdat hij niet heeft begrepen welke verwijten het openbaar ministerie hem maakt. Dit volgt ook uit de concrete vragen die de verdediging bij de rechter-commissaris aan de getuigen heeft gesteld.

2.1.6. Voorts acht de officier van justitie de ten laste gelegde periode en het gebruik van de term”onder andere” voor het noemen van een aantal transacties met naam en toenaam niet problematisch. Dit is een gebruikelijke wijze van ten laste leggen en de rechtbank heeft deze methode in diverse uitspraken geaccordeerd. Dit valt ook af te leiden uit hetgeen de rechtbank op de regiezitting van 1 november 2007 heeft beslist.

Het oordeel van de rechtbank

2.1.7. Bij de beoordeling van de geldigheid van de dagvaarding stelt de rechtbank het volgen-de voorop. Artikel 261 Sv bepaalt dat de dagvaarding een opgave behelst van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de omstandigheden vermeldt waaronder het feit zou zijn begaan.

Uit de literatuur en jurisprudentie volgt dat er drie categorieën van gevallen zijn waarin de omschrijving van het feit onvoldoende duidelijk is:

- de tenlastelegging behelst een onvoldoende geconcretiseerde feitomschrijving, zij is onvoldoende feitelijk;

- de tenlastelegging is innerlijk tegenstrijdig en om die reden onbegrijpelijk;

- de tenlastelegging levert een onbegrijpelijk samenstel van woorden op; zij is redactioneel ontspoord en wel zo ernstig, dat daaraan geen touw valt vast te knopen. In dit geval spreekt men wel van een obscuur libel.

Een tenlastelegging is voldoende feitelijk, indien de rechter op basis van de tenlastelegging weet wat hij moet onderzoeken en verdachte voldoende duidelijk is waarvan hij wordt beschuldigd. De beschuldiging moet in voldoende precieze termen worden geformuleerd, zodat verdachte daaruit kan begrijpen waarvoor hij zich moet verantwoorden, en zodat hij zich op een adequate wijze tegen de aanklacht kan verdedigen.

Een tenlastelegging is innerlijk tegenstrijdig, als daarin naast elkaar twee mogelijkheden worden gepresenteerd die niet naast elkaar kunnen bestaan.

Bij de beoordeling van de vraag of de tenlastelegging voor de verdachte begrijpelijk is, moet de tenlastelegging als geheel worden beschouwd. Ook de inhoud van de door de verdediging overlegde pleitnota mag in de beoordeling van het nietigheidsverweer worden meegenomen (HR 20 maart 2001, NJ 2001, 330), net als de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting (HR 9 november 2004, NS 2004, 470).

2.1.8. De tenlastelegging aan verdachte is toegesneden op schending van de meldingsplicht van artikel 46b (oud) van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) en de handel met voorwetenschap in effecten, strafbaar gesteld bij artikel 46, eerste lid aanhef en onder a van de Wte 1995. Feit 1 van de tenlastelegging behelst het niet nakomen van de meldingsplicht, de feiten 2 en 3 behelzen het handelen met voorwetenschap. Daarbij gaat het steeds om dezelfde transacties. Medeverdachte [medeverdachte] zou de transacties hebben verricht of bewerkstelligd. Hem wordt verweten dat hij de transacties had moeten melden en dat hij bij het doen van de transacties beschikte over voorwetenschap. Verdachte wordt verweten dat hij bij zowel het eerste als bij het tweede strafrechtelijk betrokken is geweest, hetzij als medepleger, hetzij als medeplichtige. Een en ander blijkt voldoende duidelijk uit de tekst van de tenlastelegging, die moet worden gelezen in het licht van de opgemaakte processen-verbaal en de door de officier van justitie gegeven toelichting. Van een innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake.

2.1.9. Ook het door de raadsman aangevoerde verweer dat de tenlastelegging wat de in feit 1 ten laste gelegde periode betreft nietig is, wordt verworpen. In de tenlastelegging staat een aantal transacties gespecificeerd naar datum en aantal vermeld, waarbij tevens is aangeduid op wiens naam de transacties zijn gedaan. Die transacties vallen in de oorspronkelijk ten laste gelegde periode, die eindigde op 21 augustus 2003. Hoewel voorts uit de tenlastelegging blijkt dat de steller daarvan nog andere transacties op het oog heeft, is voldoende duidelijk dat daarmee slechts die transacties zijn bedoeld die zijn gedaan in de periode die op die dag eindigt. Ter gelegenheid van de regiezitting van 1 november 2007 heeft de officier van justitie dit verklaard, toen zij uitbreiding van het ten laste gelegde tot 1 oktober 2007 vorderde. Daarmee had zij uitsluitend het oog op de in haar visie tenminste tot die datum doorlopende schending van de meldingsplicht van artikel 46 b lid 3 (oud) Wte 1995. Zij heeft dit standpunt ter terechtzitting in haar repliek gehandhaafd.

Uit de in de tenlastelegging gespecificeerde transacties blijkt voorts dat de opsteller van de tenlastelegging kennelijk heeft beoogd alleen aankooptransacties ten laste te leggen. Dit in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging voldoende specifiek is, dat voor verdachte voldoende duidelijk is waarvan hij wordt beschuldigd, en dat voor de verdediging dan ook voldoende duidelijk is waartegen zij verweer zou moeten voeren.

2.1.10. Ook het verweer dat de in feit 2 ten laste gelegde voorwetenschap onvoldoende feitelijk is omschreven, kan niet slagen. In de tenlastelegging is ten aanzien van dit feit concreet aangegeven uit welke bijzonderheden de voorwetenschap van verdachte zou hebben bestaan. Deze bijzonderheden zijn vervolgens op uitvoerige wijze nader omschreven en uitgewerkt in de in de tenlastelegging opgenomen, puntsgewijs vermelde feitelijke omstandigheden. De verwijten op dit punt zijn dan ook voldoende geconcretiseerd omschreven en ook in dit licht is niet gebleken dat voor verdachte onduidelijk is waarvan hij wordt beschuldigd. Het verweer tot partiële nietigheid wordt dan ook verworpen.

Overige verweren met betrekking tot de dagvaarding

2.1.11. Ter terechtzitting van 6 maart 2009 heeft mr. M. Wladimiroff nog enkele opmerkingen gemaakt, nadat de rechtbank had toegestaan dat in feit 3 de tijdsaanduiding “op 3 december 2001” werd gewijzigd in “op 3 en/of 4 december 2001”. Het betoog van de raadsman komt er – zo begrijpt de rechtbank – op neer dat door de wijziging van de tenlastelegging een verschil is ontstaan in de onder 3 primair ten laste gelegde gedraging en de onder 3 subsidiair ten laste gelegde gedraging. De tenlastelegging is immers (wat het gewijzigde gedeelte betreft) beperkt, in die zin dat het gaat om de verkoop van 250.000 aandelen VHS aan NBC door [verdachte], al dan niet door tussenkomst van Staal. Het gaat derhalve in de visie van de raadsman om twee separate gedragingen tussen een aantal partijen, te weten de verkoop van de betreffende effecten door [verdachte] aan Staalbankiers en de verkoop van diezelfde effecten door Staalbankiers aan NBC. Deze transacties, zo betoogt de verdediging, hebben plaatsgevonden op 4, resp. 3 december 2001. Op grond van het zgn. [naam]-arrest (HR 2 november 1999, NJ 2000, 174) is een wijziging in de tenlastelegging slechts toelaatbaar, voor zover sprake is van gelijktijdigheid van de gedraging naar tijd en plaats. Voor zover de wijziging op het primair tenlastegelegde feit ziet, kan de raadsman – zo begrijpt de rechtbank – nog inzien dat sprake is van een zodanige samenhang. Bij het subsidiair tenlastegelegde feit gaat het echter om een gedraging van een derde, te weten medeverdachte [medeverdachte]. De wijziging van de tenlastelegging heeft tot gevolg dat de twee gedragingen van andere partijen worden opgevat als één gedraging van medeverdachte [medeverdachte]. De raadsman heeft de vraag opgeworpen of hier dan nog wel sprake is van gelijktijdigheid naar tijd en plaats van de gedraging, en of in de visie van de rechtbank een zodanige samenhang tussen de twee gedragingen bestaat dat kan worden gesteld dat de gedraging van medeverdachte [medeverdachte] op 3 december 2001 (voor zover bewezen) ook heeft plaatsgevonden op 4 december 2001.

2.1.12. De raadsman heeft de rechtbank verzocht uitdrukkelijk op dit standpunt van de verdediging te reageren. De raadsman heeft aan zijn betoog evenwel niet uitdrukkelijk de conclusie verbonden dat dit zou moeten leiden tot (partiële) nietigheid van de dagvaarding. De rechtbank vat het verweer van de raadsman dan ook op als een bewijsverweer. Aan bespreking van dit verweer op de daarvoor aangewezen plaats komt de rechtbank echter niet toe, omdat verdachte om een andere reden van feit 3 zal worden vrijgesproken en verdachte bij bespreking van dit verweer daarom geen belang heeft.

2.2. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

2.2.1. De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, nu – samengevat – de opzet bij verdachte niet kan worden bewezen, zodat slechts overtreding kan worden bewezen en het feit mitsdien op grond van artikel 70 Wetboek van Strafrecht (Sr) is verjaard.

2.2.2. Daarnaast moet volgens de verdediging het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van de vervolging van de in feit 3 ten laste gelegde transactie van 13 maart 2001. Dit feit is ten laste gelegd als overtreding van artikel 46 Wte 1995 . Voor (opzettelijke) overtreding van artikel 46 Wte 1995 kan een maximale gevangenisstraf van twee jaren worden opgelegd. Dit volgt uit artikel 6, eerste lid sub 2 jo. artikel 1, sub 3 WED . Dit houdt in dat het feit op grond van artikel 70, eerste lid sub 2 Sr is verjaard op 14 maart 2007. De verjaring is niet gestuit door de vordering GVO. In deze vordering wordt immers enkel gesproken van transacties die onder feit 2 zijn ten laste gelegd. Evenmin is de verjaring gestuit door het moment van dagvaarden, nu de dagvaarding op 4 oktober 2007 is uitgebracht.

2.2.3. De rechtbank verwerpt dit verweer. Zoals hierna onder 4.4.4. zal worden uiteengezet, acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd met de daartoe vereiste opzet. Bewezenverklaring van dit feit levert een misdrijf op, te weten overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 46b (oud) van de Wte 1995 (opzettelijk begaan), hetgeen strafbaar was gesteld bij artikel 1 sub 2 jo. artikel 6 lid 1 sub 2 van de Wet economische delicten (oud) (hierna: WED). Op dit feit staat als maximale straf een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. Op grond van artikel 70 Sr vervalt het recht tot strafvordering door verjaring voor misdrijven waarop gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld, na zes jaar. De verjaringstermijn voor dit feit beloopt derhalve zes jaar.

2.2.4. Artikel 71 Sr bepaalt dat de termijn van verjaring aanvangt op de dag na die waarop het feit is gepleegd, behoudens de in dat artikel genoemde gevallen. Op grond van artikel 72, eerste lid Sr wordt de verjaring door elke daad van vervolging gestuit. De rechtbank heeft in dit kader geconstateerd dat de rechter-commissaris op 13 februari 2007 een vordering van de officier van justitie tot opening van een gerechtelijk vooronderzoek als bedoeld in artikel 181 Sv heeft toegewezen. Tussen de stukken van het dossier bevindt zich voorts een e-mail van mr. S.F. van Merwijk, rechter-commissaris, aan de raadsman van verdachte, mr. M. Wladimiroff, verzonden op 14 februari 2007 15:52 uur. In deze e-mail deelt de rechter-commissaris onder meer mee:

“Inmiddels heb ik in deze zaak vorderingen GVO ontvangen en toegewezen, onder meer tegen de heer [medeverdachte] en uw cliënt.“

De raadsman van verdachte heeft op maandag 19 februari 2007 te 17:31 uur per e-mail een antwoord op laatstgenoemde e-mail verzonden aan de griffier van de rechter-commissaris. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat op 13 februari 2007 een daad van vervolging jegens verdachte heeft plaatsgevonden en dat de verdediging in elk geval op 19 februari 2007 van deze daad van vervolging heeft kennisgenomen. De verjaring is dan ook gestuit op 19 februari 2007, zodat verjaring van het feit – behoudens de tenlastegelegde periode van 16 tot 19 februari 2001 – niet aan de orde is. Het openbaar ministerie kan ten aanzien van dit feit worden ontvangen in de vervolging.

2.2.5. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verjaring van de onder 3 ten laste gelegde transactie van 13 maart 2001 eveneens is gestuit door de vordering GVO, omdat deze transactie is begrepen onder de in feit 2 van de vordering genoemde transacties die in de periode van 16 februari 2001 tot en met 6 maart 2003 met voorwetenschap zouden zijn ge-daan. Genoemd worden in feit 2 van de vordering twee specifieke transacties in aandelen VHS die in november 2001 op naam van [persoon1] zijn gedaan, maar daaraan gaat vooraf de zinsnede dat “een groot aantal (..) transacties (..) in [aandelen VHS zijn gedaan], te weten onder meer”.

Dat de officier van justitie heeft besloten deze transactie als apart feit op de tenlastelegging te vermelden, doet hieraan niet af.

3. Vaststelling van de feiten

De rechtbank gaat van de volgende feiten uit:

1. Medio 2000 is [medeverdachte], al dan niet via Vastgoed ’s-Gravenhage B.V. (hierna Vastgoed), waarvan hij (indirect) 100% aandeelhouder is, eigenaar van 80% van de aandelen in VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V. (VHS), een vennootschap waarvan de aandelen genoteerd staan aan de Amsterdamse effectenbeurs (later gehouden door Euronext Amsterdam NV). Op enig moment in dat jaar besluit hij, volgens zijn eigen verklaring overeenkom-stig een afspraak met drs. [persoon2], destijds bestuursvoorzitter van de beurs, met het doel de free float van de VHS-aandelen te vergroten, een deel van zijn aan-delenpakket af te stoten.

2. Aanvankelijk verkoopt [medeverdachte] deze aandelen rechtstreeks op de markt. Nadat hij van verte-genwoordigers van de media de vraag heeft gekregen of hij zijn aandelen aan het dumpen is, besluit hij de verkoop via zijn bank, Staalbankiers N.V. (hierna: Staal), te laten lopen. Najaar 2000 draagt hij overeenkomstig dit besluit buiten beurs twee pakketten aandelen aan Staal over, het eerste van 391.350 op 22 september 2000 (voor € 20,- per aandeel) en het tweede van 475.000 op 14 december 2000 (tegen een koers van € 18,- per aandeel).

3. Deze transacties en de daarbij gemaakte afspraken worden vastgelegd in twee schriftelijke overeenkomsten van 29 december 2000 tussen Vastgoed en Staal. Daarin staat voorts, voor zover van belang, dat Staal de – in totaal 866.350 – aandelen voor rekening en risico van [medeverdachte] zal verkopen en zich zal inspannen daarvoor een koers van € 20,-, resp. € 18,- te bedingen. Verkoop onder deze koersen mag alleen met schriftelijke toestemming van [medeverdachte] geschieden. Eventuele meer- en minderopbrengsten worden met [medeverdachte] verrekend. De verkoopopbrengst wordt op een geblokkeerde rekening op naam van [medeverdachte] gezet. Ver-der zal Staal haar bezit aan VHS-aandelen uiterlijk drie maanden na de tweede transactie tot maximaal 499.999 aandelen terugbrengen. Als dat niet lukt, is [medeverdachte], dan wel een door [medeverdachte] aan te wijzen partij, verplicht het meerdere terug dan wel over te nemen. Voor haar werkzaamheden bedingt Staal een provisie van € 750.000,-. De inhoud van de overeen-komst wordt niet aan de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) gemeld, wel de over-dracht van de 866.350 aandelen aan Staal.

4. Drie maanden na de tweede transactie, medio maart 2001, blijkt Staal nog ongeveer 600.000 VHS-aandelen te bezitten. Op 13 maart 2001 boekt Staal voor € 18,- per aandeel 100.000 aandelen over naar de rekening van [persoon1], de moeder van verdachte. Verdachte beheert het vermogen van zijn moeder. Als gevolg van deze buiten beurs transactie daalt het belang van Staal in VHS tot 4,98%, net onder het ingevolge de Wet Melding Zeggenschap in ter beurze genoteerde aandelen (WMZ 1996) meldings-plichtige belang van 5%.

5. Over de transactie van de genoemde 100.000 aandelen wordt in een telefoongesprek van 13 maart 2001 om ongeveer 12.43 uur tussen [medeverdachte] en [beleggingsadviseur1], beleggingsadviseur van Staal, (hierna [beleggingsadviseur1]) onder meer het volgende besproken (nadat [beleggingsadviseur1] desgevraagd heeft gezegd dat de koers van VHS op 18 staat):

[medeverdachte]: “Nou dat komt mooi uit die 18, want dan kunnen we ook die stukken met [voornaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) mee switchen dan vandaag.”

[beleggingsadviseur1]: “Ja. Ik heb vandaag even uit zitten rekenen, dat zijn dan 100.000 aandelen.”

[medeverdachte]: “Ik zou het vandaag maar even rondbreien dan.”

6. In een telefoongesprek van eveneens 13 maart 2001 om 15.29 uur bespreekt [beleggingsadviseur2], beleggingsadviseur van Staal, (hierna [beleggingsadviseur2]) onder meer het volgende met verdachte:

[beleggingsadviseur2]: “[medeverdachte] en [voornaam beleggingsadviseur1] (de rechtbank begrijpt: [beleggingsadviseur1]) die hadden contact over een vrij grote pluk VHS’en buiten de beurs. Dat zou gaan om een direct deal van 100.000 aandelen. Het heeft te maken met dat 5% belang.”

Verdachte: “Ja, dat is die pluk van jullie. Wanneer moet dat gaan gebeuren?”

[beleggingsadviseur2]: “Dat wilde [voornaam medeverdachte] dus vanmiddag gaan doen. En dan wil die dat op 18 doen en dan de koers neerzetten op 18.60.”

Verdachte: “Nou, we hebben er al over gesproken hoor.”

7. Eveneens op 13 maart 2001 om ongeveer 16.58 uur laat [beleggingsadviseur1] [medeverdachte] telefonisch weten dat de 100.000 op 18 op de beurs is gesloten. [medeverdachte] stelt dan vast: “Die pluk van ons die kan gewoon aan de kant en dan gaan we zijn plukkie behoorlijk afbouwen.”

8. Van begin september 2001 tot eind november 2001 vinden vrijwel dagelijks via de beurs aankooptransacties in VHS-aandelen voor rekening van [persoon1] plaats. Van deze transacties ontvangt verdachte telkens van Staal de bankafschriften. Tot deze transac-ties behoren onder meer de aankoop van 1.800 aandelen op 5 en 6 november 2001 (in twee pakketten van 1.282, resp. 518 stuks) en die van 2.200 aandelen op 12 en 13 novem-ber 2001 (besproken op 8 november 2001).

9. Op 2 november 2001 voert [medeverdachte] een telefoongesprek met [beleggingsadviseur2]. Daarin zeggen zij onder meer het volgende, nadat [medeverdachte] heeft gevraagd wat nog op 15,70 ligt:

[beleggingsadviseur2]: “485.”

[medeverdachte]: “Ja, dan moet je er maar wat bijleggen maandag.”

[beleggingsadviseur2]: “Ja maandag even wat bijleggen.”

[medeverdachte]: “Dan zet je er 1.800 stukjes bij.”

[beleggingsadviseur2]: “Ja prima.”

10. Op 8 november 2001 voert [medeverdachte] een telefoongesprek met [beleggingsadviseur2]. Daarin zegt [medeverdachte], nadat [beleggingsadviseur2] heeft verteld dat nog op 15,70 in VHS is gehandeld: “Leg er anders nog 2.200 bij. Ik zou hem lekker op 15,70 houden joh.”

11. Staal tracht in de loop van 2001 haar belang in VHS bij institutionele beleggers onder te brengen, onder meer bij Achmea, die later Staal zal overnemen. Dit lukt niet. In een telefoongesprek op 19 november 2001 met [beleggingsadviseur2] zegt [medeverdachte] onder meer:

“De intentie was, ik ging er van uit, die [getuige] heeft mij verteld dat hij diverse gegadig-den zou hebben dat die 250 plus die 250 van ene meneer [verdachte] een tweede 5% zou naar een derde partij gaan; alleen die had het toen nog niet direct. Ik zeg maar, nu die Achmea-zaak van de baan is, hebben wij meteen een acuut alternatief gecreëerd, dat is gewoon NBC. Dus er gaat à la minute gewoon 250 uit, ik zeg het zou zo kunnen zijn dat die 250 niet eens via Staal hoeft te gaan, want die kan ik gewoon rechtstreeks leveren aan NBC. Dat ben ik trouwens toch van plan.”

12. [medeverdachte] vormt vervolgens in de periode van begin december 2001 tot medio november 2002 drie belangen van elk 5% op naam van de Nederlandse Beleggingscombinatie B.V. (NBC). In deze vennootschap houdt [medeverdachte] 49,99% van de aandelen.

13. Het eerste 5%-belang op naam van NBC komt op 3 en 4 december 2001 tot stand, doordat NBC buiten beurs 250.000 aandelen van Vastgoed en 250.000 aandelen van Staal over-neemt. Als onderdeel van deze transacties koopt Staal buiten beurs 250.000 aandelen te-gen een koers van € 16,- per aandeel van [persoon1]. Over deze transacties gaan de hierna vermelde telefoongesprekken.

14. In een telefoongesprek op 3 december 2001 om ongeveer 13.24 uur met [beleggingsadviseur2] zegt [medeverdachte] onder meer het volgende:

“Ik heb [voornaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) gesproken, die weet dus ja van hij zei van je kan het er dus ook gewoon met [beleggingsadviseur2] (de rechtbank begrijpt: [beleggingsadviseur2]) eens over hebben.”

“Ik heb dus gezegd vandaag gaan er 250.000 aandelen rechtstreeks van mij naar NBC, ja. Dus Vastgoed levert rechtstreeks in NBC. Daarnaast levert Staalbankiers vandaag 250.000 van dat depot dat jullie hebben die 499 ook aan NBC. Ik zeg en morgen gaan er 250.000 aandelen van naam van jouw moeder (de rechtbank begrijpt: [persoon1]) af en die koopt Staal dan weer voor 16. Dan staan er bij jou nog iets van 120.000 of zo. En dat wordt dan in januari vlak getrokken. Daarnaast is Staalbankiers nu doende met verschil-lende partijen om te kijken voor die 5% met een lock-up regeling en dat verhaal proberen we ook dit jaar nog te effectueren en dan is Staal helemaal los. En dan zijn er gewoon 2 pakketten van 5% keurig opgeborgen. En die 120 gaan volgend jaar waarschijnlijk naar [medeverdachte2]; die wilde ze hebben, maar die wilde dat volgend jaar pas doen.”

“Koop er gewoon maar 8.000. Koop die gewoon maar even op [medeverdachte2] z’n naam, onder mijn verantwoordelijkheid. Koop dat maar en in het meest slechte geval dan zet ik ze morgen wel op [voornaam verdachte] z’n moeder d’r naam eventueel, maar dat is helemaal niet nodig, want [medeverdachte2] doet het toch wel, want [medverdachte2] wil namelijk de koers ietsjes omhoog zien te krijgen aan het begin van het jaar, want die wil namelijk zijn aandelen van privé wil die gaan verkopen aan z’n vennootschap.”

15. Eveneens op 3 december 2001 om ongeveer 14.46 uur heeft [beleggingsadviseur2] een telefoonge-sprek met verdachte. Daarin deelt [beleggingsadviseur2], nadat verdachte heeft geconstateerd “250.000 gaan er morgen over naar jullie; 16 euro”, aan verdachte mee dat twee transac-ties hebben plaatsgevonden en dat de volgende dag (4 december 2001) de laatste 250.000 wordt “gedaan”, alsmede dat deze niet wordt gemeld, omdat zowel Staal als verdachte moeder geen 5% hebben, maar dat NBC naar 5% gaat en dat dat wel moet worden ge-meld. Hij laat verdachte dan weten dat zijn moeder er dan nog ongeveer 141.000 over-houdt.

16. In een bijlage bij een intern memo van 4 april 2002 van Achmea met als onderwerp de kredietaanvraag NBC B.V. d.d. 19 november 2001 staat onder meer het volgende:

“Na goedkeuring van de kredietaanvraag door de KCH is door de Account Manager van AVB opdracht tot effectuering van de aandelentransactie aan de effectenadviseur gegeven. Deze opdracht, conform het kredietvoorstel, betrof het overboeken / verkoop van 250.000 stuks VHS op boek bij Staalbankiers (overgenomen in december 2000 van Vastgoed ’s-Gravenhage B.V.) en 250.000 stuks VHS van Vastgoed ’s-Gravenhage B.V. naar NBC. Eén dag later bleek dat niet de 250.000 stuks VHS op boek van Staalbankiers waren over-geboekt naar NBC, doch 250.000 stuks VHS van [verdachte] naar NBC. (De heer [medeverdachte] bleek opdracht te hebben gegeven aan Staalbankiers de 250.000 stuks VHS van [verdachte] door te boeken naar NBC B.V.)”

17. In een telefoongesprek op 3 december 2001 om ongeveer 16.11 uur met [beleggingsadviseur2] stelt [medeverdachte] vast dat aan de feitelijke situatie niets is gewijzigd, behalve dat de positie van ver-dachtes moeder wat ontlast is en dat deze de volgende ochtend “250” naar beneden gaat. Later op die dag (om ongeveer 18.03 uur) constateert [medeverdachte] in een telefoongesprek met [beleggingsadviseur2] onder meer: “Ik ben blij dat we vandaag deze 5% hebben opgeborgen nu en dan kijken hoe we die andere 5% kwijt kunnen, dan hebben we in ieder geval qua klanten weer wat rust.”

18. Op 4 december 2001 om ongeveer 11.07 uur heeft een telefoongesprek plaats tussen [beleggingsadviseur2] en verdachte. Daarin vraagt verdachte of de provisie (van 0,1%), die nu aan hem in rekening is gebracht, niet door [medeverdachte] zou worden betaald. [beleggingsadviseur2] zegt dan toe dat hij daarover met [medeverdachte] zal overleggen.

19. In een telefoongesprek op 4 december 2001 om ongeveer 16.52 uur geeft [medeverdachte] aan [beleggingsadviseur2] opdracht voor NBC 45 aandelen op de markt te kopen om het pakket aandelen van NBC op 5% te brengen. In dat gesprek zegt hij verder onder meer: “Ik kan ze ook via [voornaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) aanleveren die 45 stukjes, maar dat is zo’n gerampe-tamp.”

20. In de maand december 2001 worden 138.559 op naam van [persoon1] staande aandelen VHS buiten beurs overgedragen aan Petrolia B.V., een vennootschap waarin zij alle aandelen heeft en die verdachte voor haar beheert. Voorts worden die maand 237.102 aandelen VHS die op haar naam staan, verkocht op de beurs. Zij bezit dan nog 50 aande-len VHS.

21. In een telefoongesprek op 24 december 2001 om ongeveer 15.46 uur spreken [beleggingsadviseur2] en [medeverdachte] over een aantal transacties. [medeverdachte] zegt daarin onder meer: “Ik weet niet wat [voornaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) heeft, dat kan je natuurlijk een beetje afronden die pluk van hem; wat zijn moeder nog heeft, rare aantallen een beetje afronden.”

22. Omstreeks 1 september 2001 hebben [medeverdachte2] en de leden van zijn gezin in totaal 487.138 aandelen VHS in eigendom. In de periode van eind november 2001 tot 12 maart 2002 worden vrijwel dagelijks VHS-aandelen voor rekening van [medeverdachte2] en zijn ge-zinsleden gekocht, in totaal 125.800 stuks. Daartoe behoren onder meer de aankoop van 538 aandelen op 16 januari 2002 en die van 1.071 aandelen op 1 februari 2002.

23. Op 25 februari 2002 omstreeks 16.39 uur uit [medeverdachte2] in een telefoongesprek met [beleggingsadviseur2] zijn ongenoegen onder meer erover dat voor zijn rekening sinds begin december 2001 123.000 VHS-aandelen zijn gekocht en niet maximaal 10.000, zoals hij verklaart te hebben gezegd, en dat voor zijn rekening aandelen afkomstig van verdachte zijn ge-kocht. [beleggingsadviseur2] bevestigt in dat gesprek dat [medeverdachte2], terwijl hij (de rechtbank be-grijpt: [beleggingsadviseur2]) via de intercom meeluisterde, met [medeverdachte] over 10.000 aandelen had ge-sproken, maar voegt daaraan toe dat [medeverdachte] later naar hem was toegekomen en had gezegd dat [medeverdachte2] “wat meer” wilde. [medeverdachte2], die dan zegt: “Nee, ik wil helemaal niks meer”, deelt [beleggingsadviseur2] aan het eind van het gesprek mee dat deze geen aandelen meer mag kopen, voordat hij (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte2]) [medeverdachte] heeft gesproken.

24. Op 1 maart 2002 omstreeks 10.00 uur voert [medeverdachte] een telefoongesprek met [beleggingsadviseur1]. Daar-in zegt hij onder meer:

“Heb ik verder een andere deal met hem (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte2]) gemaakt, dat hij dus tot 1 miljoen stuks zal bijkopen en alles wat hij zou bijkopen, die tweede tranche van 500.000 die zou hij moeten kopen tussen de 18 en de 18.50. Zo staat dat zwart op wit trouwens, dat heeft hij zelf op papier gezet allemaal. En daarop geef ik een koersgarantie ultimo 2005 van 20. En dat heb ik zwart op wit staan dus. En dan gaat ie ineens zitten pie-pen van ‘Ja, ik heb er 125 en dit en dat en ik heb Staal gezegd dat ze er maar 10.000 kon-den kopen’.”

“En ik heb die afspraken nota bene zwart op wit staan, en dat heeft die (de rechtbank be-grijpt: [medeverdachte2]) nota bene zelf op papier gezet. Alleen ze hebben gezegd, laten we het zo doen dat we het stuk laten opstellen bij de notaris, dat die inkoopgarantie van kracht is, of die terugkoopgarantie of iets dergelijks, dat we die bij de notaris laten opstellen, want ja, ik heb ook het eeuwige leven niet, mij kan toch ook wat gebeuren. Ik zeg het is beter dat die daar ligt als dat dat ding bij ons ligt.”

“Ik zeg misschien kan je wel op 16 kopen. Ik zeg maar ik heb jou een inkoopgarantie ge-geven van 20. Mits jij de koers boven de 18 houdt en stukken koopt tussen de 18 en de 18.50.”

“Ultimo 2005 hoeft hij ze nog niet eens aan mij te verkopen voor 20 als ze hoger staan, maar dan krijg ik 25% van de meerwaarde eventueel.”

“Je weet welk dealtje ik met [medverdachte2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte2]) ga afmaken. Die [lock-up]regeling voor die hele pluk die blijft dan van kracht en dan garandeer ik gewoon exact die koers die ik ook gegarandeerd had ten opzichte van die 18.50 naar 20.”

“Dan koppelen we de lockup-regeling voor die hele bullshit tot ultimo 2005.”

“Nu wil ik het volgende doen. Laat die koers maar lekker in mekaar tetteren.”

“Dus als die koers onverhoopt op 16 terecht mocht komen. Dan gaat die pluk van [voornaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) die 138.344 – dan moet je even noteren dat dus NBC gaat er 499.955 bijkopen – dan gaat die hele pluk van [voornaam verdachte], die 16, daarheen.”

“Zodra die 16 staat, moet er direct getransfereerd worden, dus 138.344 stukken van Pe-trolia naar NBC en 361.611 van Staalbankiers ook naar NBC.”

“Dan gaan jullie bijkopen voor mij. Kijk dan ben ik helemaal eigen baas en heb ik alle stukken weer zelf in de tent en ze kunnen echt allemaal de rimram krijgen.”

“Als die koers niet zelf naar de 16 gaat, dan ik hem nog een beetje helpen ook als je be-grijpt wat ik bedoel.”

“Ik denk met NBC heb ik zo’n perfecte deal. [voornaam verdachte] is helemaal op nul, [medeverdachte2] helemaal op nul. NBC is in mijn kantoor gevestigd, ik ben 50% aandeelhouder, ik ben A-directeur in die tent. Dus ik heb het als enige voor het zeggen.”

“Dit blijft echt entre nous he. Deze opzet. Want ik wil niet dat [voornaam verdachte] dit weet en ik wil niet dat [medeverdachte2] dit weet. Zeker niet wat mijn intentie is.”

“Ik zeg [voornaam verdachte] en [medeverdachte] dat is in feite één, NBC is [medeverdachte] en VHS is ook [medeverdachte].”

“En er zijn er 250.000 van [voornaam verdachte] die zijn er al uitgegaan. Pas, die zitten ook in NBC die 250 weet je nog.”

25. Op 7 maart 2002 draagt Staal buiten beurs 499.955 VHS-aandelen aan NBC over. NBC heeft dan een belang van bijna 10% in VHS. Omstreeks deze dag draagt Petrolia B.V. 138.334 VHS-aandelen buiten beurs aan Staal over.

26. Op 12 maart 2002 wordt 23 April BV opgericht. [medeverdachte2] is van deze vennootschap di-recteur en enig aandeelhouder. Vanaf deze datum worden geleidelijk alle aandelen VHS van [medeverdachte2] en zijn gezinsleden naar 23 April BV overgebracht. Voorts koopt 23 April BV vrijwel dagelijks aandelen op de markt. Steeds gaat daaraan een telefoongesprek van [medeverdachte] met een van de beleggingsadviseurs van Staal vooraf, waarin zij bespreken hoeveel aandelen 23 April BV tegen welke koers zal aankopen. Onder deze transacties bevinden zich onder meer een aankooptransactie van 1452 aandelen op 10 april 2002, een aankoop-transactie van 4790 aandelen op 26 juli 2002 en een aankooptransactie van 7030 aandelen op 7 februari 2003.

27. In mei 2002 komt, door ondertekening door [medeverdachte2] namens 23 April BV op 30 mei 2002 van een offerte van Staal d.d. 17 mei 2002, een schriftelijke leningsovereenkomst tussen Staal en 23 April BV tot stand. Daarbij wordt overeengekomen dat 23 April BV voor de aankoop van aandelen VHS een bedrag van € 18 miljoen van Staal zal lenen. Als zekerheden bedingt Staal een borgtocht van [medeverdachte2] en zijn echtgenote voor € 11 mil-joen, een borgtocht van [medeverdachte] voor € 4 miljoen en de verpanding en blokkade van het de-pot waarop de aan te kopen aandelen komen te staan. Voorts is in de overeenkomst ver-meld dat voor rekening van 23 April BV aandelen VHS voor een koers tussen € 17,50 en € 18,50 per aandeel zullen worden aangekocht.

28. [medeverdachte] is in deze periode aanwezig bij een bespreking tussen [medeverdachte2] en Staal, waarin over de voorwaarden van het krediet aan 23 April BV wordt gesproken .

29. Op 19 april 2002 voert [accountmanager], accountmanager van Staal, (hierna [accountmanager]) een gesprek met [financieel directeur], financieel directeur van 23 April B.V., (hierna [financieel directeur]) over de vraag of er een terugkoopgarantie is met betrekking tot VHS.

[accountmanager]: “ Wij worstelen met de volgende vraag. Allereerst is er een lock-up periode afgesproken voor de aandelen in de BV tot en met 31 december 2005.”

[financieel directeur]: “Ja dat is correct.”

[accountmanager]: “Is er ook een terugkoopverklaring voor bijvoorbeeld de [medeverdachte]groep voor de-ze aandelen?”

[financieel directeur]: “Ehm, tussen you and me en ja dat is weer zo onhandig. Ja. Maar dat mag natuurlijk helemaal niet.”

[accountmanager]: “Nee.”

[financieel directeur]: “Maar die is er wel en die gaat niemand zien maar hij is er wel en op een hele veili-ge plek.”

[accountmanager]: “Dus op 2005, eind 2005, begin 2006 zal de [medeverdachte]groep die aandelen, danwel één van die BV’s, dan wel privé mogelijkerwijs die aandelen gaan overnemen.”

[financieel directeur]: “Ja.”

[….]

[financieel directeur]: “Ja, je weet het nu, maar ja je mag het niet weten joh.”

[accountmanager]: “Ok, dan weet ik het nu dus niet.”

[financieel directeur]: “Maar nog steeds between you and me, er ligt iets bij een daarvoor gerede partij, een notaris, in een kluis.”

30. Bij e-mailbericht van 6 juni 2002 meldt [accountmanager] aan [directeur] (hierna [directeur]), directeur van Staal, dat [medeverdachte] voor rekening van 23 April BV aankopen VHS-aandelen verricht. Hij stelt voor te onderzoeken of hieraan een volmacht ten grondslag ligt.

31. In een telefoongesprek op 7 juni 2002 om ongeveer 15.38 uur bespreken [medeverdachte] en [directeur] onder meer het volgende:

[directeur]: “Een ding is me opgevallen en dat is, jij doet aankopen voor 23 April.”

[medeverdachte]: “Die doe ik zelf niet, maar [medverdachte2] heeft tegen mij gezegd, joh, voer jij de regie er maar over, maar in feite zijn het [voornaam beleggingsadviseur1] [beleggingsadviseur1] en [beleggingsadviseur2] die dat gewoon doen. Hij heeft gewoon gezegd ‘ik heb geen zin iedere dag te bellen en die jongens aan de lijn te hebben, ik heb me verplicht aan te kopen tot 1 mio stuks, ik ga niet meer betalen als 18,50, dat is de afspraak, en daarnaast ook niet lager dan 17,50’.”

[directeur]: “Ik heb dat voor mijn stukken liefst op papier even nodig. [accountmanager] heeft daarover een gesprek met Bert [financieel directeur] ook, zodat ..”

[medeverdachte]: “… hij mij een volmacht geeft, [medverdachte2]. Die mondelinge volmacht is ook gegeven aan mij in bijzijn van [voornaam beleggingsadviseur1] en [beleggingsadviseur2].”

[directeur]: “Ja, dat weet ik, maar ik krijg daar geheid gedonder over; ik moet dus echt een stukkie papier hebben waar het op staat.”

[medeverdachte]: “Nee prima, dat lukt vandaag uiteraard niet meer, het heeft mijn aandacht en daar zal ik zo spoedig mogelijk in duiken.”

32. In een telefoongesprek op 27 juni 2002 bespreken [accountmanager] en [financieel directeur] onder meer het volgende:

[accountmanager]: “Op zich wat daar gebeurt is het volgende: de grootaandeelhouder van VHS/directievoorzitter koopt aandelen VHS in depot, het effectendepot van een ander, zijnde meneer [medeverdachte2], althans een vennootschap van meneer [medeverdachte2]. Dat zou kunnen neigen naar voorwetenschap, mogelijk misbruik van voorwetenschap zelfs. Zij (de recht-bank begrijpt: de juristen van Staal) zijn daar geen voorstander van, laat ik het zachtjes uitdrukken.”

[financieel directeur]: “Nee, daarom hebben wij ook nooit wat op papier gezet.”

[accountmanager]: “Nee, er zijn natuurlijk al de nodige transacties geweest in het depot van 23 April BV in opdracht van de heer [medeverdachte], dat is jullie bekend.”

[financieel directeur]: “Maar dat staat nergens op papier dat dat in opdracht van meneer [medeverdachte] is gebeurd, dus so far so good.”

[accountmanager]: “Zouden wij een pragmatische oplossing kunnen vinden in het volgende: als wij nu meneer [medeverdachte2], dan wel jij geeft zelf namens 23 April BV, een koopopdracht aandelen VHS in de range 17,50-18,50 waarover we het gehad hebben en Staalbankiers vervult vervolgens die opdracht binnen die prijsafspraken, gaan zij de opdrachten uitvoeren. Komt dat niet per saldo uiteindelijk op hetzelfde neer?”

[financieel directeur]: “[accountmanager], dat weet ik niet, bijna wel zou je zeggen. Daar moeten we maar even met [medeverdachte] erbij, daar hoeven jullie dan niet bij te zitten, even overleggen.”

33. Op 12 juli 2002 verstrekt 23 April BV aan Staal een schriftelijke volmacht, ondertekend door [financieel directeur]. Daarin staat dat het om een bevestiging van de reeds mondeling aan Staal verstrekte volmacht gaat om ten laste van de rekening van 23 April BV aandelen VHS te ko-pen, maximaal totdat het depot van 23 April BV 1 miljoen aandelen zal hebben bereikt en tegen een aankoopprijs van minimaal € 17,50 en maximaal € 18,50 per aandeel.

34. Op 8 oktober 2002 heeft een bespreking plaats tussen [medeverdachte], [directeur], [accountmanager] en [persoon3] (hierna [persoon3]). Volgens het verslag van die bespreking wordt daarbij onder meer gesproken over lock-up regelingen, de vergroting van de free float en de belangen van NBC en Vastgoed in VHS. Voorts verklaart [medeverdachte] niets met de transacties tussen Staal en [persoon1] te maken te hebben.

35. Als vervolg op dit gesprek stuurt [directeur] [medeverdachte] een brief van 15 oktober 2002. Daarin constateert hij dat uit dossiers van Staal naar voren is gekomen dat in enkele gevallen in-formele lock-up afspraken inzake belangen in VHS zijn gemaakt en dat dergelijke afspra-ken door de toezichthoudende instantie(s) onder omstandigheden als koersgevoelige in-formatie kunnen worden aangemerkt.

36. Bij brief van 17 oktober 2002 deelt [medeverdachte] aan [directeur] onder meer mee “dat er […] forme-le noch informele lock-up afspraken zijn gemaakt inzake belangen in VHS, met welke rechts- of natuurlijke personen dan ook”.

37. Bij e-mailbericht van 8 november 2002 verbiedt [accountmanager] alle betrokken medewerkers van Staal kooporders voor 23 April B.V. in te leggen.

38. Op 14 november 2002 koopt NBC 90 VHS-aandelen van Staal en verhoogt daardoor haar belang in VHS naar 10%. Op 15 november 2002 verstrekt [medeverdachte] met toestemming van [medeverdachte2] aan Staal opdracht 362.315 aandelen VHS buiten beurs tegen een koers van € 17,90 van 23 April BV naar de eigen rekening van Staal over te boeken. Staal draagt vervolgens buiten beurs 500.000 VHS-aandelen aan NBC over. NBC heeft dan een be-lang van 15% in VHS.

39. In de daarop volgende periode heeft via de beurs een groot aantal aankoop- en verkoop-transacties in aandelen VHS voor rekening van 23 April BV plaats.

40. Op 22 augustus 2003 deelt [directeur] [medeverdachte] telefonisch mee dat deze niets meer voor reke-ning van 23 April BV mag doen. Eveneens op 22 augustus laat [directeur] een aantal be-leggingsadviseurs van Staal weten dat naast de aan Staal toekomende bevoegdheid uit hoofde van de door 23 April BV aan haar verstrekte volmacht geen enkele andere partij dan de tekeningsbevoegden van 23 April BV opdrachten namens deze BV mag geven.

41. Bij intern memo van 26 augustus 2003 stelt de afdeling Compliance van Staal, zakelijk weergegeven, na een analyse van een aantal telefoongesprekken inzake VHS onder meer het volgende vast:

- Medewerkers van Staal verstrekken [medeverdachte] tegen de regels in informatie over 23 April BV;

- [medeverdachte] legt orders in die worden geaccepteerd, hetgeen niet is toegestaan;

- Hoewel volgens de opdrachtbrief alleen, binnen een bepaalde range, kooporders mogen worden ingelegd, worden ook verkooporders ingelegd, hetgeen niet is toegestaan;

- [medeverdachte] doet alsof hij over de aandelen van 23 April BV mag beschikken;

- Het is opvallend dat de koers zich sinds begin 2002 constant in de range tussen 17,50 en 18,50 heeft bewogen, ook al heeft VHS een zeer goed rendement.

42. Op 26 augustus 2003 besluit de afdeling Internal Audit Services (hierna: IAS) van Ach-mea (die Staal inmiddels heeft overgenomen) een intern onderzoek naar de transacties voor rekening van 23 April BV en de rol van [medeverdachte] daarbij te laten verrichten. IAS komt dan op 14 oktober 2003 met een rapport.

43. Uit transactieoverzichten blijkt dat [medeverdachte] in de periode van 16 februari 2001 tot en met 1 april 2004 alleen een verkooptransactie van 250.000 aandelen VHS op 3 december 2001 bij de STE en (per 1 maart 2002) de AFM meldt. Voor het overige meldt [medeverdachte] geen van de hiervoor besproken transacties.

44. Naar aanleiding van het rapport van IAS van 14 oktober 2003 laat [accountmanager] alle beleggingsadviseurs van Staal bij e-mail van 23 oktober 2003 weten dat de schriftelijke vol-macht van 23 April BV per direct is ingetrokken.

45. Op 13 januari 2004 beëindigt Staal haar relatie met 23 April BV.

46. Bij brief van 21 januari 2004 beëindigt Staal haar relatie met [medeverdachte] en de aan hem gelieer-de vennootschappen. Staal sluit op 1 november 2004 met [medeverdachte] en de aan hem gelieerde vennootschappen een beëindigingsovereenkomst.

47. VHS komt op 5 april 2004 met 23 April BV overeen dat 23 April BV al haar bijna 1 mil-joen aandelen VHS zal verkopen aan Haghehove BV. Van Haghehove BV maken deel uit: Vastgoed en Hellenraad BV, ieder voor 30%, en twee op 8 juli 2004 opgerichte stich-tingen, genaamd Stichting Sir Camelot en Stichting Sir Lancelot, ieder voor 20%. Bij brief van 15 juli 2004 draagt [medeverdachte2] namens 23 April BV aan Staal op tegen betaling van € 17.500.00,- 988.637 aandelen VHS aan Haghehove BV uit te leveren. Op 12 okto-ber 2004 deelt [medeverdachte] aan de Belastingdienst mee dat NBC haar belang van 15% in VHS aan Haghehove BV heeft overgedragen. Haghehove BV heeft na deze transacties een be-lang van bijna 25% in VHS.

48. De notering VHS op Euronext, die op 15 januari 2004 is geschorst, vervalt op 23 augus-tus 2005 definitief.

4. Beoordeling van het onder 1 ten laste gelegde feit

4.1. De vraag die allereerst voorligt, is of op grond van de hiervoor onder 3 weergegeven fei-ten moet worden vastgesteld dat [medeverdachte] in de in de tenlastelegging genoemde periode met be-trekking tot de daarin weergegeven en andere transacties met aandelen VHS heeft verzuimd aan een op hem op grond van artikel 46b Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995) (oud) rustende meldingsplicht te voldoen. Daarvoor is, gelet op de tekst van deze bepaling, nodig dat komt vast te staan dat

- hij het dagelijks beleid van VHS bepaalde of mede bepaalde (art. 46b lid 3 onder a);

- hij van de transacties niet onverwijld melding heeft gedaan;

- hij de transacties heeft verricht of bewerkstelligd;

- de uitzondering “anders dan ter bediening van derden” niet van toepassing is.

Voorop staat dat [medeverdachte], als bestuursvoorzitter van VHS, behoort tot de in het derde lid van ar-tikel 46b genoemde categorie van personen en dat het om transacties in aandelen in deze ven-nootschap gaat. In dit verband dient de tenlastelegging niet aldus te worden gelezen dat daar-mee alleen is bedoeld [medeverdachte] de daarin geformuleerde verwijten te maken, voor zover hij daar-bij in zijn hoedanigheid van bestuursvoorzitter is opgetreden. Het gaat erom aan te duiden dat hij die positie had. Voorts staat vast dat de desbetreffende transacties niet (en derhalve niet onverwijld) bij de bevoegde autoriteit (STE, resp. AFM) zijn gemeld. Tevens dient echter komen vast te staan dat [medeverdachte] de transacties heeft verricht of bewerkstelligd en dat de in arti-kel 46b lid 1 genoemde uitzondering “anders dan ter bediening van derden” niet van toepas-sing is

Heeft [medeverdachte] de transacties verricht of bewerkstelligd?

Het standpunt van de officier van justitie

4.2.1. De officier van justitie neemt het standpunt in dat [medeverdachte] de in de tenlastelegging ge-noemde (en andere) transacties heeft verricht of bewerkstelligd. Weliswaar ging het om orders op naam van een ander ([persoon1]), maar [medeverdachte] bepaalde of en wanneer deze – door Staal – moesten worden uitgevoerd. Hij bracht de aandelen bij deze derden onder, maar hield daarover de zeggenschap.

4.2.2. Ten aanzien van de aandelen van [persoon1], beheerd door verdachte, hebben medewerkers van Staal (zoals [beleggingsadviseur1] en [beleggingsadviseur2]) tegenover de FIOD verklaard dat [medeverdachte] geen opdrachten gaf. Uit de telefoongesprekken en uit een aantal bescheiden blijkt echter dat [medeverdachte] steeds de initiator was. Bovendien was [medeverdachte] tegelijkertijd met het zoeken naar een in-stitutionele belegger voor de aandelen van Staal bezig met het opbouwen van het belang in aandelen VHS ten gunste van [persoon1], door deze op de beurs aan te kopen. Zo hadden in de loop van 2001 vrijwel dagelijks aankopen voor haar rekening plaats. Voor geen van deze aankopen verstrekte verdachte de opdracht aan Staal. Evenmin blijkt van gesprekken waarin hij daarvoor achteraf toestemming aan medewerkers van Staal gaf. Hij werd uitslui-tend – achteraf – daarvan op de hoogte gesteld.

Het standpunt van de verdediging

4.2.4. Volgens de verdediging verrichtte noch bewerkstelligde [medeverdachte] de transacties in VHS-aandelen die voor rekening van [persoon1] werden uitgevoerd. Dat blijkt ten eerste uit de door verdachte zelf afgelegde verklaring dat hij [medeverdachte] geen toestemming had gegeven op naam van zijn moeder te handelen. Verder blijkt het onder meer uit uitlatingen van, bijvoor-beeld, [beleggingsadviseur2], die tegenover de FIOD heeft verklaard dat [medeverdachte] niet op naam van verdachte of Petrolia B.V. mocht handelen en dat hij (= [beleggingsadviseur2]) daarvoor altijd toestemming van ver-dachte nodig had en kreeg. Ook [medeverdachte] zelf heeft tegenover de FIOD verklaard dat verdachte in 99 van de 100 gevallen zelf met Staal contact opnam en dat hij het, maar dan op verzoek van verdachte, alleen deed, als deze er niet was. Verdachte acht zeer aannemelijk dat de verslag-legging van zijn opdrachten zich niet in het dossier bevindt.

Onduidelijk is verder hoe het zit met de telastegelegde transacties (van 1.800 en 2.200 aande-len). Zo blijkt uit het overzicht dat op 7 november 2001 drie transacties plaats hadden, waar-van twee (voor in totaal 1.729 aandelen) al in de ochtend en vroeg in de middag, voordat [medeverdachte] (om 16.04 uur) met Staal belde. Ook de kooporder van 2.200 aandelen op 8 november 2001 ging vergezeld van andere transacties in de dagen daarna. De telefoongesprekken tussen [medeverdachte] en [beleggingsadviseur2] wijzen niet uit dat over specifieke transacties voor rekening van [persoon1] werd gesproken.

Het oordeel van de rechtbank

4.2.4. Voorop staat dat het moet gaan om “verrichten” (iemand brengt zelf de transactie tot stand) of “bewerkstelligen” (iemand leidt het ertoe dat een ander de transactie aangaat). Uit het dossier kan worden afgeleid dat Staal de transacties steeds feitelijk uitvoerde en in die zin dus verrichtte. De vraag is dan ook of en in hoeverre [medeverdachte] deze bewerkstelligde.

4.2.5. Wat de transacties voor rekening van [persoon1] betreft, blijkt uit het dossier niet van gesprekken waarin verdachte opdrachten aan medewerkers van Staal geeft. Mede gezien het grote aantal weergegeven gesprekken en het grote aantal transacties voor rekening van [persoon1] in het najaar van 2001 is niet aannemelijk dat het ontbreken van ge-sprekken met verdachte (uitsluitend) aan de wijze van verslaglegging te wijten zou zijn. In de hiervoor onder 3, punt 9 en 10 weergegeven telefoongesprekken tussen [medeverdachte] en [beleggingsadviseur2] van 2 en 8 november 2001 geeft [medeverdachte] in concreto opdracht tot de verkoop van 1.800, resp. 2.200 aandelen tegen een koers van € 15,70 per aandeel. Deze gegevens komen overeen met de transacties die op 5 en 6 november 2001, resp. op 12 en 13 november 2001 voor rekening van [persoon1] zijn uitgevoerd. Weliswaar worden op deze dagen nog andere aande-lentransacties voor rekening van [persoon1] verricht, maar daarbij gaat het ten dele om andere aantallen en ten dele om een andere koers. Voorts is, gelet op de toonzetting van de gesprekken tussen [medeverdachte] en [beleggingsadviseur2], niet louter sprake van adviseren of ondersteunen. Of verdachte deze transacties (achteraf) goedkeurde, doet hieraan niet af. Ook uit het hiervoor onder 3, punt 14 weergegeven gesprek tussen [medeverdachte] en [beleggingsadviseur2] van 3 december 2001 kan worden afgeleid dat [medeverdachte] zich actief met transacties voor rekening van [persoon1] bezighield, zonder dat daaruit blijkt dat verdachte daarvoor – vooraf of achteraf – specifiek toestemming gaf.

4.2.6. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank dan ook bewezen dat [medeverdachte] de in de tenlastelegging genoemde en andere transacties voor rekening van [persoon1] heeft bewerkstelligd.

Is sprake van “bediening van derden”?

4.3.1. Artikel 46b Wte 1995 (oud) maakt ten aanzien van de meldingsplicht een uitzondering voor het geval de aandelentransacties “ter bediening van derden” worden verricht. De vraag is of deze uitzondering hier van toepassing is. Vaststaat immers dat [medeverdachte] de transacties waarom het gaat, niet voor eigen rekening heeft bewerkstelligd.

De zinsnede “anders dan ter bediening van derden” kwam niet in het oorspronkelijke ontwerp van artikel 46b Wte 1995 voor. Zij is bij een nadere nota van wijziging aan de tekst toege-voegd. In de toelichting daarbij staat, voor zover van belang, het volgende:

‘Het huidige voorstel verplicht financiële instellingen die zelf effecten uitgeven, om transac-ties in die effecten te melden, ook indien die transacties worden verricht ten behoeve van en voor rekening van hun cliënten. Aangezien de financiële instelling in die gevallen slechts als tussenpersoon optreedt en zelf geen beslissing neemt omtrent koop of verkoop van die ef-fecten, is een meldingsplicht dan niet noodzakelijk. Met deze wijziging wordt bepaald dat de meldingsplicht slechts geldt indien de instelling de transactie voor eigen rekening ver-richt.’

4.3.2. De rechtbank leidt hieruit af dat is bedoeld financiële instellingen (bijv. banken) die zelf effecten uitgeven, uit te zonderen van de meldingsplicht, wanneer zij ten behoeve van cliënten dergelijke effecten verhandelen. Hoewel de wettekst de beperking tot financiële instellingen niet bevat, moet het op grond van deze toelichting en de bij de Nota naar aanleiding van het nadere verslag door kamerleden gemaakte opmerkingen ervoor worden gehouden dat de uit-zondering “anders dan ter bediening van derden” niet geldt in, bijvoorbeeld, het geval dat een instelling als VHS (of een van de in lid 3 van artikel 46b Wte 1995 genoemde personen) in opdracht van een derde VHS-aandelen voor rekening van die derde koopt of verkoopt.

Dat betekent dat [medeverdachte] niet kan worden geacht ter bediening van derden in de zin van artikel 46b Wte 1995 te hebben gehandeld bij de transacties voor rekening van [persoon1]. Voor zover de verdediging ten aanzien hiervan een ander standpunt heeft ingenomen, wordt dat dan ook verworpen. Dit geldt ook voor zover wordt gesteld dat verdachte (of zijn moeder) zelf geen meldingsplicht had, omdat hij niet tot de in artikel 46b lid 3 Wte 1995 genoemde ca-tegorieën van personen behoorde. Artikel 46b richt zich tot degene die de transacties verricht of bewerkstelligt, ongeacht of hij dat met of zonder volmacht doet en ongeacht of hij zijn ei-gen aandelen in de vennootschap zelf houdt of via een ander. Dit volgt uit de Memorie van toelichting bij de wetswijziging van de Wte 1995:

‘De meldingsplicht is van toepassing ongeacht in welke hoedanigheid de betrokken persoon handelt, hetzij direct of indirect, hetzij voor eigen rekening of voor rekening van een derde.’

(Kamerstukken II 1996-1997, 25 095, nr. 3, blz. 11)

Is sprake van medeplegen?

4.4.1. Aangezien aan alle vereisten van artikel 46b Wte 1995 (oud) is voldaan en de daarin opgenomen uitzondering “anders dan ter bediening van derden” niet van toepassing is, acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte] niet aan zijn in deze bepaling voorgeschreven verplichting heeft voldaan door de door hem voor rekening van [persoon1] bewerkstelligde transacties niet bij de bevoegde autoriteit te melden. De vraag is thans of verdachte dit feit heeft medege-pleegd.

Het standpunt van de officier van justitie

4.4.2. De officier van justitie neemt het standpunt in dat verdachte het niet-nakomen door [medeverdachte] van diens meldingsplicht heeft medegepleegd door daarbij bewust en nauw met hem samen te werken. Daarvoor is niet noodzakelijk dat verdachte de meldingsplicht zelf had. Verdachte stelde zijn bankrekening (althans die van zijn moeder) ter beschikking, waardoor het voor [medeverdachte] mogelijk werd buiten het zicht van de AFM om in aandelen VHS te handelen. Mede nu in het dossier geen gesprekken zijn aangetroffen waarin verdachte medewerkers van Staal opdrachten verstrekte, moet het ervoor worden gehouden dat aan het handelen door [medeverdachte] een algemene stilzwijgende toestemming van verdachte ten grondslag lag. Dit geldt te-meer, omdat verdachte de bankafschriften van de transacties ontving en deze volgens zijn ei-gen verklaring bekeek.

Verdachte was [medeverdachte] door dit alles behulpzaam bij het verrichten van aandelentransacties zonder dat deze werden gemeld. Doordat [medeverdachte] in de aandelen van verdachtes moeder handel-de, viel niet op dat hij dat deed. Verdachte viel in feite zelf onder de meldingsplicht, omdat hij voor 50% eigenaar van Florijnstaete B.V. was, dat, volgens zijn eigen verklaring, ongeveer 20% van VHS uitmaakte. Florijnstaete is ook in de geconsolideerde rekening van VHS opge-nomen, omdat de 50% deelneming van Florijnstaete een wezenlijk onderdeel van het vermo-gen en het resultaat van VHS uitmaakte.

Het standpunt van de verdediging

4.4.3. De verdediging is van mening dat iemand, zoals verdachte, die niet tot de in artikel 46b lid 3 Wte 1995 genoemde (gesloten) categorieën van personen behoort, geen meldingsplicht heeft. Als dat anders zou zijn, zou het systeem verstoord raken. De bevoegde autoriteit (STE, resp. AFM) zou meldingen door dergelijke personen niet kunnen categoriseren en openbaar maken. Voorts blijkt niet van de vereiste bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering bij de vermeende schending van de meldingsplichten. Daarvoor is in ieder geval onvoldoende dat [medeverdachte] de rekeningen van verdachte en [persoon1]/Petrolia BV kende of dat ver-dachte geen bezwaar had tegen de contacten tussen [medeverdachte] en Staal. Voor bewuste samenwer-king is noodzakelijk dat verdachten willens en wetens tot het verrichten van de desbetreffende gedraging samenwerken. Het zich niet distantiëren is onvoldoende. Ook ontbrak het vereiste (voorwaardelijke) opzet, alleen al omdat verdachte niet met de mogelijke schending door [medeverdachte] van de meldingsplicht bekend was. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.4.Voor medeplegen is bewuste en nauwe samenwerking noodzakelijk. Niet noodzakelijk is dat medeplegers dezelfde kwaliteit als de (hoofd)pleger hebben. Ook als, zoals in dit geval, alleen [medeverdachte] in zijn hoedanigheid van bestuursvoorzitter van VHS heeft verzuimd aandelen-transacties te melden, konden anderen dit feit medeplegen door daarbij bewust en nauw met hem samen te werken. [medeverdachte] heeft, met stilzwijgende of uitdrukkelijke toestemming, vooraf of achteraf, van verdachte, voor rekening van diens moeder in VHS-aandelen gehandeld. [medeverdachte] heeft daarbij ten doel gehad over een voor de buitenwereld onzichtbaar groot deel van de VHS-aandelen controle uit te oefenen en te blijven uitoefenen. Verdachte heeft daaraan mee-gewerkt, in het bijzonder door [medeverdachte] de ruimte te geven voor rekening van zijn moeder in een betrekkelijk korte periode van ongeveer drie maanden grote aantallen aandelen te kopen.

Bij dit alles hoort onmiskenbaar en als essentieel onderdeel van de plannen van [medeverdachte] dat deze de transacties die hij met instemming van verdachte bewerkstelligde, niet zou melden. Ook daarvan moet verdachte zich bewust zijn geweest en ook daarop is de samenwerking tussen beiden derhalve gericht geweest. Op grond van al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is sprake van een zodanige mate van samenwerking dat van mede-plegen van verdachte kan worden gesproken.

4.4.5 De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde feit dan ook bewezen. Daarbij verdient nog opmerking dat de rechtbank ook Staal beschouwt als medepleger, aangezien de medewerking van Staal aan de transacties onontbeerlijk was en ook Staal moet hebben beseft dat [medeverdachte] de transacties niet zou melden.

5. Beoordeling van de onder 2 (primair en subsidiair) en 3 (primair en subsidiair) ten laste gelegde feiten

Het standpunt van de verdediging

5.1. Ten aanzien van de tenlastegelegde feiten 2 en 3 heeft de verdediging vrijspraak bepleit en daartoe het volgende aangevoerd. De in deze feiten aan verdachten verweten gedragingen zien – kort samengevat – op marktmanipulatie, hetgeen nog niet strafbaar was gesteld ten tijde van de verweten gedragingen. Verder zijn deze gedragingen, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 2007, NJ 2008, 467 (hierna: het Cardio Control arrest), niet strijdig met het in artikel 46 (oud) Wte 1995 neergelegde verbod op handel met voorwetenschap, omdat sprake is van eigen wetenschap.

Het standpunt van de officier van justitie

5.2. Volgens de officier van justitie zijn de gedragingen wel strafbaar onder artikel 46 (oud) Wte 1995, omdat van eigen wetenschap geen sprake is. Bovendien heeft na het Cardio Con-trol arrest het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HJEG) zich in het arrest van 10 mei 2007, NJ 2007, 418 (hierna: het Georgakis arrest) uitgelaten over de toepasselijk-heid van het verbod van misbruik van voorwetenschap in een geval van marktmanipulatie en kan op basis van dit arrest geconcludeerd worden dat in casu wel sprake is van voorweten-schap. Alleen de in feit 2 onder de eerste bijzonderheid sub d. uitgewerkte omstandigheid heeft betrekking op marktmanipulatie, aldus de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank

3.1 Artikel 46 (oud) Wte 1995 is gebaseerd op de EG-Richtlijn van 13 november 1989 tot co-ordinatie van de voorschriften inzake transacties van ingewijden (89/592/EEG). In de pream-bule staat onder meer het volgende:

'Overwegende dat, aangezien de verwerving of vervreemding van effecten noodzakelijker-wijs wordt voorafgegaan door een daartoe strekkend besluit van de persoon die zo'n transac-tie verricht, het feit dat deze verwerving of vervreemding plaatsvindt op zichzelf niet bete-kent dat misbruik wordt gemaakt van voorwetenschap (...).'

De parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van art. 46 (oud) Wte 1995 houdt in dit verband onder meer het volgende in:

'Aan de toelaatbaarheid van het met het oog op een overname opbouwen van een positie in aandelen van de over te nemen vennootschap wordt met dit wetsvoorstel niet getornd. De in sommige commentaren gedane suggestie dat het wetsvoorstel een belemmering voor over-names zou vormen is onjuist. Zij gaat uit van de veronderstelling dat de overnemende partij per definitie over voorwetenschap beschikt. Ervan uitgaande dat de overnemende partij ech-ter slechts kennis van een eigen voornemen (namelijk: om een overname te plegen) draagt, is geen sprake van voorwetenschap in de zin van de wet. Dit is overigens thans niet anders.'

(Kamerstukken II 1997-1998, 25 095, nr. 8, blz. 4)

en:

'Het aankopen van aandelen in het zicht van een bieding door de aspirant-koper levert geen verboden gedraging op, zolang de aspirant-koper slechts kennis draagt van eigen voorne-mens, hetgeen niet als voorwetenschap is te beschouwen. Indien echter de aspirant-koper op het tijdstip van de aankoop, naast kennis over het eigen voorgenomen handelen, tevens be-schikt over voorwetenschap in de zin van de wet, dient het verbod vanzelfsprekend onver-kort van toepassing te zijn.'

(Kamerstukken II 1997-1998, 25 095, nr. 8, blz. 7, 8)

De Hoge Raad heeft in het Cardio Control arrest, voor zover hier van belang, overwogen:

‘5.5.1. Vooropgesteld moet worden dat de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis uitdrukke-lijk heeft beoogd het verbod dat (…) was opgenomen in art. 46, eerste lid, (oud) Wte 1995, niet te doen uitstrekken tot de effectentransacties die worden verricht of bewerkstelligd met wetenschap die slechts de eigen voorgenomen effectentransacties betreft.

5.5.2. Het Hof heeft in zijn in 5.4 weergegeven overwegingen op grond van het voorhanden bewijsmateriaal vastgesteld dat in de onderhavige zaak de bijzonderheden, zoals in de ten-lastelegging feitelijk omschreven, hierin bestaan dat de verdachte door het verspreiden van zelf gecreëerde leugenachtige berichten en het in verband daarmee verrichten van aan elkaar tegengestelde transacties heeft getracht de koers van het aandeel Cardio Control in voor hem gunstige zin te beïnvloeden.

Nu deze bijzonderheden door de verdachte zelf zijn geschapen moet zijn wetenschap daar-omtrent worden aangemerkt als wetenschap omtrent zijn eigen voorgenomen effectentrans-acties. Dergelijke wetenschap is, naar uit het onder 5.5.1 overwogene voortvloeit, geen voorwetenschap in de zin van art. 46 (oud) Wte 1995.’

5.4. Vast is komen te staan dat grote aantallen transacties in aandelen VHS op n[persoon1] en Petrolia B.V. hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht bewezen dat [medeverdachte] deze transacties heeft bewerkstelligd. Aangezien van deze transacties geen melding bij de bevoegde autoriteit (STE, resp. AFM) is gedaan, was de betrokkenheid van [medeverdachte] bij de transacties voor de markt niet kenbaar. Evenmin wist de markt dat [medeverdachte] voor een belangrijk deel het financieel risico van door anderen gehouden aandelen bleef dragen. De overeenkom-sten met Staal houden dit immers in en die overeenkomsten zijn niet openbaar gemaakt.

Voorts staat vast dat [medeverdachte] door middel van de door hem bewerkstelligde transacties en het in stand houden van een zogenoemde geringe free float de beurskoers van VHS op een bepaald kunstmatig (gewenst) niveau heeft willen neerzetten en daarin ook is geslaagd. Dat blijkt zon-neklaar uit de telefoongesprekken die in het dossier zijn terug te vinden. [medeverdachte] heeft dit ook toegegeven. Ook is voldoende aannemelijk geworden dat verdachte en [medeverdachte] onderling af-spraken hebben gemaakt over de omvang van het door verdachte te nemen belang.

Deze gedragingen, zoals ook feitelijk omschreven in de bijzondere omstandigheden, genoemd in de tenlastegelegde feiten 2 en 3, leveren marktmanipulatie op. Dit is eerst strafbaar gesteld per 1 oktober 2005 door invoering van de Wet Marktmisbruik, die inmiddels is vervangen door de Wet op het financieel toezicht.

5.5. Deze gedragingen zijn, gelet op het hiervoor aangehaalde Cardio Control-arrest van de Hoge Raad, echter niet strafbaar onder artikel 46 (oud) Wte 1995. [medeverdachte] en zijn medeverdach-ten, alsmede Staal, hebben de hiervoor onder 5.4. besproken bijzonderheden immers zelf ge-schapen. De wetenschap daarover moet worden aangemerkt als wetenschap over eigen voor-genomen transacties.

Het Georgakis arrest van het HJEG doet hieraan niet af. In dit arrest is immers eveneens ge-oordeeld dat het verbod van gebruik van voorwetenschap niet toepasselijk is bij marktmanipu-latie, zij het dat het HJEG de kwestie anders benadert, namelijk door te oordelen dat in een dergelijk geval van onderlinge afspraken tussen aandeelhouders geen sprake is van het ‘ge-bruik maken’ van voorwetenschap.

5.6. Uit het vorenstaande volgt dat verdachte van al hetgeen hem onder de feiten 2 en 3 is ten-lastegelegd, dient te worden vrijgesproken.

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde:

in de periode van 19 februari 2001 tot en met 1 oktober 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met [medeverdachte], de bestuursvoorzitter van de Raad van Bestuur van VHS On-roerend Goed Maatschappij N.V., zijnde die [medeverdachte] een persoon die het dagelijks beleid van deze instelling (mede) bepaalde, als bedoeld in artikel 46b lid 3 onder a Wet toezicht effec-tenverkeer 1995 (oud), en een ander, aan een rechtspersoon die ingevolge artikel 40 van die Wet (oud) taken en bevoegdheden zijn overgedragen, te weten de Stichting Toezicht Effec-tenverkeer, thans geheten de Autoriteit Financiële Markten, in bovengenoemde periode meermalen, telkens opzettelijk, niet onverwijld melding heeft gedaan van transacties in effec-ten VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V. die [medeverdachte] telkens anders dan ter bedie-ning van derden, als bedoeld in artikel 46b, lid 1 WTE 1995 (oud), heeft bewerkstelligd, wel-ke effecten telkens waren genoteerd op een op grond van artikel 22 Wet toezicht effectenver-keer 1995 (oud) erkende effectenbeurs, te weten Euronext Amsterdam NV, immers heeft hij, verdachte, in bovengenoemde periode onder andere

- in de periode van 5 november 2001 tot en met 7 november 2001, 1800 aandelen van voor-noemde instelling aangekocht op naam van persoon1] en

- in de periode van 12 november 2001 tot en met 13 november 2001, 2200 aandelen van voornoemde instelling aangekocht op naam van [persoon1]

door orders strekkende tot het uitvoeren van deze effectentransacties door zijn, verdachtes, mededader, te weten [medeverdachte], door te laten geven aan medewerkers van Staalbankiers, waarbij een van zijn, verdachtes, mededader, te weten [medeverdachte], telkens die transacties in voornoemde periode niet onverwijld heeft gemeld aan bovengenoemde rechtspersoon.

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Ver-dachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

7. De strafbaarheid van de feiten

Toepasbaarheid van artikel 46b Wte 1995 (oud)

7.1. De volgens de tenlastelegging niet nagekomen meldingsplicht was op de bewezen pleeg-data neergelegd in het eerste en derde lid van artikel 46b van de toen geldende Wet toezicht effectenverkeer (Wte 1995). Per 1 oktober 2005 is de meldingsplicht van artikel 46b Wte 1995 vervallen en vervangen door de meldingsplicht van het toen in werking getreden artikel 47a Wte 1995. Dit laatste artikel is op 1 januari 2007 met de inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) vervallen. De materie is nu geregeld in artikel 5:60 Wft. De tekst van artikel 5:60 Wft is in overwegende mate gelijk aan die van artikel 47a Wte 1995 (oud), voor zover het gaat om het hierna volgende. Om die reden zal de rechtbank hierna wan-neer artikel 47a Wte 1995 (oud) ter sprake komt, niet ook telkens artikel 5:60 Wft noemen.

7.2. Artikel 47a Wte 1995, eerste lid, zoals geldend van 1 oktober 2005 tot 1 januari 2007, luidde, voor zover hier van belang:

‘1. Een ieder die:

a. het dagelijks beleid bepaalt of mede bepaalt van een rechtspersoon, vennootschap of in-stelling met statutaire zetel in Nederland die effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a of b, heeft uitgegeven (..)

b. (..)

c. (..) of

d. (..),

doet uiterlijk op de vijfde werkdag na de transactiedatum melding van voor eigen rekening (onderstreping rechtbank) verrichte of bewerkstelligde transacties in aandelen die betrek-king hebben op de onder a (..) bedoelde rechtspersoon, vennootschap of instelling, of in ef-fecten waarvan de waarde mede wordt bepaald door de waarde van deze aandelen. (..)’

Artikel 46b Wte 1995, zoals geldend ten tijde van het ten laste gelegde feit, spreekt niet van “voor eigen rekening” verrichte of bewerkstelligde transacties. Artikel 46b Wte 1995 (oud) luidde tot 1 oktober 2005, voor zover van belang:

‘1. Een instelling die effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a, heeft uitgegeven of zal uitgeven, doet onverwijld melding van door haar, anders dan ter bediening van derden (onderstreping rechtbank), verrichte of bewerkstelligde transacties in op haar betrekking hebbende effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid (..).

[…]

3.Het eerste lid is, met betrekking tot door de betrokkene verrichte of bewerkstelligde trans-acties in de in dat lid bedoelde effecten, van overeenkomstige toepassing op:

a. een ieder die het dagelijks beleid van de instelling bepaalt of mede bepaalt;

b. (..)

c. (..)’

Dit verschil in redactie doet de vraag rijzen of de artikelen 47a Wte 1995 en 5:60 Wft een voor verdachte gunstiger bepaling in de zin van artikel 1 lid 2 Sr vormen dan artikel 46b Wte 1995 en daarom op de onderhavige zaak moeten worden toegepast. Daarbij is niet alleen de wijziging van de tekst van de wettelijke bepaling van belang. Doorslaggevend criterium is of de verandering in wetgeving duidt op een gewijzigd inzicht van de wetgever ten aanzien van de strafbaarheid van de bewezen gedragingen (in casu het niet melden van in de tenlasteleg-ging genoemde, door de bestuurder van VHS bewerkstelligde transacties).

7.3. Bij de beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank het volgende vast.

Sinds 1 januari 1999 bevat de Nederlandse wetgeving een verplichting voor bestuurders van beursgenoteerde effectenuitgevende instellingen transacties in de aandelen van de ‘eigen in-stelling’ te melden. Deze verplichting is bij wet van 17 december 1999 (Stb. 320) opgenomen in het meergenoemde artikel 46b Wte 1995. De meldingsplicht werd ingevoerd als preventief middel tegen de handel met voorwetenschap. Dit blijkt onder meer uit de Memorie van toe-lichting, behorende bij de invoering van artikel 46b Wte 1995. In dit stuk wordt de strekking van de invoering van deze meldingsplicht door de Minister van Financiën nader toegelicht:

‘Naar zijn aard zal de handel in effecten met gebruik van voorwetenschap het meest voor-komen bij een kleine kring van ingewijden, zoals bestuurders en commissarissen van de in-stelling die de desbetreffende effecten heeft uitgegeven. Dit zou er op het eerste gezicht voor kunnen pleiten de genoemde personen een handelsverbod met betrekking tot effecten van de eigen instelling op te leggen. Een zodanig verbod zou echter zijn doel ver voorbij schieten. Het nieuwe artikel 46b voorziet daarom in een minder vergaande bepaling, name-lijk een verplichting voor (onder andere) bestuurders en commissarissen om transacties in effecten die betrekking hebben op de eigen instelling te melden aan de Stichting Toezicht Effectenverkeer. Hiermee wordt beoogd de controle op de naleving van de strafbepaling te vergemakkelijken. Niet minder belangrijk is dat van de voorgestelde meldingsplicht naar verwachting een preventieve werking zal uitgaan. De verplichting werpt een drempel op om te handelen met voorkennis, doordat de pakkans wordt vergroot.’

(Kamerstukken II 1996-1997, 25 095, nr. 3, p. 9)

7.4. Onmiskenbaar is bedoeld dat de meldingsplicht betrekking heeft op alle transacties in ef-fecten in de eigen onderneming, verricht of bewerkstelligd door de bestuurder. Dat blijkt het duidelijkst het hiervoor ook al onder 4.3.2. opgenomen citaat uit de wetsgeschiedenis, luiden-de:

‘De meldingsplicht is van toepassing ongeacht in welke hoedanigheid de betrokken persoon handelt, hetzij direct of indirect, hetzij voor eigen rekening of voor rekening van een derde.’

(Kamerstukken II 1996-1997, 25 095, nr. 3, p. 11)

Daarin is geen verandering gekomen door de latere invoeging in het eerste lid van artikel 46b Wte 1995 van de hiervoor onderstreepte woorden “anders dan ter bediening van derden”.Uit de Tweede Nota van Wijziging (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 095, nr. 9, p 10) blijkt, zoals hiervoor onder 4.3.2. al is overwogen, dat daarmee uitsluitend is beoogd een uitzondering te maken voor het geval een uitgevende instelling, bijvoorbeeld een bank, een transactie die be-trekking heeft op eigen effecten, bijvoorbeeld aandelen in die bank, doet voor rekening van een klant.

7.5. Bij wet van 1 oktober 2005 (de Wet marktmisbruik Stb. 2005, 346) is de Wte 1995 ge-wijzigd, onder meer ten aanzien van de meldingsplicht van bestuurders van emitterende in-stellingen. Het meergenoemde artikel 47a Wte 1995 kwam in de plaats van artikel 46b Wte 1995. Daarin is, als gezegd, de zojuist besproken uitzondering niet terug te vinden en is met zoveel woorden vermeld dat alleen transacties voor eigen rekening moeten worden gemeld.

7.6. Aan deze wetswijziging lag de implementatie van de Richtlijn 2003/6/EG betreffende de handel met voorwetenschap en marktmisbruik (Pb EU 2003, L 339.70) (hierna: de richtlijn Marktmisbruik) ten grondslag. De richtlijn Marktmisbruik legt onder meer een meldingsplicht op aan personen met leidinggevende verantwoordelijkheid bij emitterende instellingen ten aanzien van transacties van ‘eigen aandelen’. Deze meldingsplicht is neergelegd in artikel 6, vierde lid van die Richtlijn, welke bepaling luidt:

‘Personen met leidinggevende verantwoordelijkheid bij een emittent van financiële instru-menten en, in voorkomend geval, personen die nauw met hen gelieerd zijn, moeten mini-maal de bevoegde autoriteit in kennis stellen van transacties voor eigen rekening met aande-len die zijn uitgegeven door de emittent waarvan zij deel uitmaken of met derivaten daarvan of andere daaraan verbonden financiële instrumenten. De lidstaten zorgen ervoor dat het publiek zo spoedig mogelijk gemakkelijk toegang heeft tot dergelijke informatie, op zijn minst in afzonderlijke vorm.’

In de preambule van die richtlijn wordt hierover vermeld:

‘26. Meer openheid over transacties die worden verricht door personen met leidinggevende verantwoordelijkheden bij de emittenten en, in voorkomend geval, door personen die nauw aan hen gelieerd zijn, is een preventieve maatregel tegen marktmisbruik. Bekendmaking van deze transacties, op zijn minst in afzonderlijke vorm, kan tevens een zeer waardevolle bron van informatie voor de beleggers vormen.’

7.7. Bij de invoering van het meergenoemde artikel 47a van de Wte 1995 stond de nationale wetgever voor ogen zoveel als mogelijk de lijn en tekst van de communautaire wetgeving aan te houden. Dit volgt onder meer uit de Memorie van toelichting op de Wijziging van de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Hierin wordt met betrekking tot de invoering van artikel 47a opgemerkt, voor zover van belang:

‘Dit artikel bepaalt dat een aantal categorieën van personen transacties in effecten van de «eigen instelling» (de instelling waar men werkzaam is) dienen te melden. De richtlijn Marktmisbruik (artikel 6, vierde lid) en de uitwerking daarvan in de Uitvoeringsrichtlijn ge-bruikelijke marktpraktijken en meldingsregeling (artikel 6, eerste lid) voorzien niet in de verplichting voor de uitgevende instelling zelf om te melden, noch in een meldingsplicht voor een aantal andere categorieën (rechts-)personen die wel in de huidige Regeling mel-ding en reglementering transacties in effecten 1999 zijn opgenomen. Hoewel de gegevens die uit de melding voortvloeien voor de handhaving van het verbod op gebruik maken van voorwetenschap en voor de transparantie van de markt van belang zijn gebleken, is ervoor gekozen om niet af te wijken van de meldingsregeling zoals die is omschreven in de betref-fende richtlijnen. Het wordt meer van belang geacht om op dit punt zoveel mogelijk te har-moniseren en de administratieve lastendruk zo laag mogelijk te houden. Bovendien wordt daarmee ook de concurrentiepositie zo min mogelijk beperkt. Daarnaast zorgt de richtlijn Marktmisbruik ervoor dat de transparantie van de markt en het toezicht op de verbodsbepa-lingen voor een deel van de gegevens, die anders door het schrappen van categorieën van meldingsplichtigen verloren zouden gaan, op een andere manier wordt gewaarborgd. In de artikelen 4 e.v. van de Verordening terugkoop en stabilisatie is bijvoorbeeld voorzien in pu-blicatie- en meldingsverplichtingen voor terugkoopprogramma's. Ook de meldingen op grond van de Wmz 1996 voorzien deels in gegevens die van belang kunnen zijn voor het toezicht op de naleving van hoofdstuk XII van de Wte 1995. Daarnaast kan informatie voor het toezicht ook bijvoorbeeld geput worden uit de op grond van artikel 47, eerste lid, ge-melde bijzonderheden.’

(Kamerstukken II, vergaderjaar 2005-2005, 29 827, nr. 3, p. 37-38)

In de wetsgeschiedenis is niets terug te vinden dat in het bijzonder betrekking heeft op de in-voering van de woorden “voor eigen rekening”. Nu de wetgever kennelijk bij de communau-taire regelgeving heeft willen aansluiten, moet voor de betekenis hiervan – en ook voor de vraag of sprake is van een breuk in wetgeving – die regelgeving op dit punt worden bezien. Ook de tekst van de richtlijn Marktmisbruik of de preambule van die richtlijn biedt echter geen uitsluitsel, ook niet waar de richtlijn spreekt over handelen “voor eigen rekening of voor rekening van derden” (het verbod van handelen met voorwetenschap). Over dit onderwerp schrijft Kristen in zijn proefschrift (p. 535), dat het betrekking heeft op de vraag wiens ver-mogen wordt belast met de kosten van de transactie of ten gunste van wiens vermogen de ba-ten van de transactie komen . De rechtbank sluit zich daarbij aan.

7.8. Er is dus een breuk in de wetgeving. Tot 1 oktober 2005 moest de bestuurder ook de transacties in eigen aandelen melden waarvan de kosten door een ander werden gedragen en/of waarvan de baten voor een ander waren, daarna nog uitsluitend de transacties voor eigen beurs en op eigen kosten.

7.9. Uit het voorgaande volgt echter eveneens dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het niet voldoen aan de meldingsplicht onder het voor 1 oktober 2005 geldende regime niet is veranderd. Vast staat immers dat de wetgever met de wetswijziging van dit artikel heeft beoogd de nationale wetgeving, mede om administratieve beweegrede-nen, zoveel mogelijk te harmoniseren met de Europese regelgeving. De wijziging van de wet-geving vloeit voort uit de implementatie van de richtlijn Marktmisbruik. Deze richtlijn heeft tot doel marktmisbruik (marktmanipulatie en handel met voorwetenschap) tegen te gaan, en langs die weg de integriteit van de markt voor financiële diensten te bevorderen en het ver-trouwen van de beleggers in deze markten te vergroten. Transparantie van de markt en het kenbaar maken van informatie die voor beleggers redelijkerwijs van belang mag worden ge-acht, zijn enkele middelen die aan het bereiken van deze doelen kunnen bijdragen.

7.10. Uit de hiervoor aangehaalde preambule van de richtlijn Marktmisbruik blijkt dat de aan leidinggevenden van emitterende instellingen opgelegde verplichting transacties in ‘eigen aandelen’ te melden voortkomt uit de behoefte van de communautaire regelgever marktmis-bruik tegen te gaan. In zoverre verschillen het doel en de strekking van de meldingsplicht van de richtlijn niet van de strekking van de meldingsplicht, zoals deze in de Nederlandse wetge-ving in artikel 46b Wte 1995 (oud) was neergelegd. Uit de hiervoor weergegeven achterlig-gende wetsgeschiedenis van artikel 46b Wte 1995 (oud) blijkt immers dat ook dit artikel was ingevoerd met het oog op de preventie van handel met voorkennis. Dat de Richtlijn markt-misbruik in zoverre geen breuk vormt met de toen vigerende nationale wetgeving, belijdt ove-rigens ook de wetgever, zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting:

‘Volgens overweging 26 van de richtlijn Marktmisbruik is meer openheid over transacties die worden verricht door personen met leidinggevende verantwoordelijkheden bij de uitge-vende instellingen en, in voorkomend geval, door personen die nauw aan hen gelieerd zijn, een preventieve maatregel tegen marktmisbruik. Bekendmaking van deze transacties, op zijn minst in afzonderlijke vorm, kan een zeer waardevolle bron van informatie voor de be-leggers vormen. Overigens is in de parlementaire geschiedenis met betrekking tot de wijzi-ging van de Wte 1995 teneinde de effectiviteit van deze wet op het gebied van het bestrijden van gebruik van voorwetenschap te verbeteren, dit positieve effect op de transparantie van de markt reeds onderkend.’

(Kamerstukken II, vergaderjaar 2005-2005, 29 827, nr.3, p. 16)

Het doel van de meldingsplicht blijft zowel onder de oude als de huidige wetgeving de pre-ventie van marktmisbruik en het bevorderen van transparantie op de markt in financiële in-strumenten.

7.11. De conclusie is derhalve dat geen sprake van een gewijzigd inzicht van de wetgever is en dat verdachte artikel 46b Wte 1995 (oud), zoals geldend tot 1 oktober 2005, ten volle tegen zich moet laten gelden. De bewezen geachte feiten zijn dan ook volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straffen en maatregelen

9.1. De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd verdachte ter zake van die feiten een geldboete ter hoogte van € 60.000,00 op te leggen, bij gebreke van be-taling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 318 dagen.

9.2. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

Gedurende lange tijd heeft de directeur van het toen door deze geleide, beursgenoteerde be-drijf VHS gehandeld in eigen aandelen. Hij deed dit voor zijn risico, maar op en voor reke-ning van anderen, onder wie de moeder van verdachte en haar vennootschap. Verdachte be-heerde het vermogen van zijn moeder en leidde haar vennootschap. Het handelen op en voor rekening van anderen had tot doel voor het beleggend publiek geheim te houden dat de direc-teur van het beursgenoteerd bedrijf de transacties verrichtte of bewerkstelligde en heeft deze in staat gesteld de koers van het aandeel te manipuleren. Koersmanipulatie was ten tijde van dit handelen niet strafbaar, maar wel het geheim houden van de transacties. De transacties hadden moeten worden gemeld. Verdachte moet dat hebben beseft, en ook dat met opzet niet aan deze verplichting werd voldaan.

Verdachte treft in het bijzonder het verwijt dat hij aan deze misleiding van het beleggend pu-bliek zijn medewerking heeft gegeven. Hem is ook kwalijk te nemen dat hij zich hiertoe uit-sluitend in het vooruitzicht van geldelijk gewin heeft laten overhalen en daarbij afspraken heeft gemaakt die financiële risico’s voor zijn moeder uitsloten. Aannemelijk is dan ook dat de moeder van verdachte – en uiteindelijk verdachte - hiermee financieel voordeel heeft be-haald.

Mede door toedoen van verdachte is de reputatie van de Amsterdamse effectenhandel grote schade toegebracht.

Ten voordele van verdachte telt dat hij nadat de verdenking tegen hem openbaar is geworden, lange tijd op zijn berechting heeft moeten wachten.

De rechtbank zal een lagere boete opleggen dan gevorderd, omdat zij, anders dan de officier van justitie, van het ten laste gelegde alleen het eerste feit bewezen acht. Voor het daarnaast opleggen van een werkstraf ziet de rechtbank geen aanleiding.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Straf-recht, de artikelen 1 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 46b van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk, zoals geldend ten tijde van het bewezengeach-te.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing

Verklaart al hetgeen onder feit 2 en 3 is ten laste gelegd niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hiervoor in rubriek 6 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 46b van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 35.000,00 (zegge: vijfendertigdui-zend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 210 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter,

mrs. D.J. Cohen Tervaert en C. Kraak, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Vogelaar, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2009.