Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH9318

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
13/523345-08 (PROMIS)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BX5735, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een man veroordeeld voor het doodsteken van zijn buurman. De rechtbank acht doodslag bewezen en heeft een gevangenisstaf opgelegd voor de duur van acht jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/523345-08 (PROMIS)

Datum uitspraak: 1 april 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Demersluis” te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 maart 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. H. Hoekstra en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. B.C. Swier en

door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 28 september 2008 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes een of meermalen in de romp, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, waardoor voornoemde [slachtoffer] zodanig bloedverlies en/of functieverlies van het hart en/of weefselschade heeft opgelopen, dat hij

daaraan is overleden.

(artikel 289 Wetboek van Strafrecht)

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vordering en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vrijspraak

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) opzettelijk en met voorbedachten rade twee maal met een mes in zijn romp heeft gestoken, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het impliciet primair tenlastegelegde, moord, wettig en overtuigend bewezen, en heeft zich hierbij onder meer gebaseerd op het sectierapport, de verklaringen van getuigen en de verklaringen van verdachte waaruit zij – kort weergegeven- het volgende afleidt. Verdachte is in zijn woning geïrriteerd geraakt over de geluidsoverlast die [slachtoffer] en zijn bezoek midden in de nacht veroorzaakten. Hij heeft een broek en een vest aangedaan en is, zonder zijn schoenen aan te trekken, naar buiten gerend. In zijn broek zat een mes. Gezien de zwaarte van het mes acht de officier van justitie het onmogelijk dat verdachte niet heeft gemerkt dat hij dit mes bij zich had. Verdachte is naar [slachtoffer] toegelopen, die zich aan het eind van de straat bevond, is [slachtoffer] om zijn nek gesprongen, heeft het mes gepakt en dit opengeklapt, en heeft [slachtoffer] vervolgens twee maal met het mes gestoken, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. De officier van justitie is van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade nu verdachte tijd had om zich te bezinnen op zijn voorgenomen besluit om [slachtoffer] met een mes te steken, in de tijdsspanne van enkele minuten tussen het moment waarop hij zijn broek met daarin het mes heeft aangedaan en het tijdstip waarop hij de dodelijke messteken heeft toegebracht.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van moord bepleit en daartoe aangevoerd dat er geen bewijs is waaruit volgt dat verdachte heeft gestoken na een moment van kalm beraad en rustig overleg. Geen van de getuigen heeft gezien dat verdachte met een mes naar [slachtoffer] toeliep. Bovendien valt uit de getuigenverklaringen niet op te maken dat zij daadwerkelijk hebben gezien dat verdachte heeft gestoken, zodat ook niet kan worden bewezen dat verdachte dit na rustig en kalm beraad heeft gedaan. Ook uit het feit dat verdachte tweemaal heeft gestoken kan het bewijs voor voorbedachten rade niet worden gehaald, nu niet duidelijk is welke steekwond tot het overlijden heeft geleid. Verdachte had geen enkel motief om [slachtoffer] van het leven te beroven en de raadsman acht het dan ook veel aannemelijker dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, hetgeen voorbedachten rade uitsluit.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

Voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade dient vast komen te staan dat de verdachte tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Uit de processtukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen is niet komen vast te staan dat verdachte, op het moment van het aantrekken van zijn broek, wetenschap had van het feit dat daarin een mes zat. Evenmin is uit het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting vast komen te staan dat verdachte op enig moment het voornemen heeft gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de bewijsmiddelen de rechtbank geen aanleiding geven om ervan uit te gaan dat de verdachte een vooropgezet plan had om na kalm beraad en rustig overleg [slachtoffer] van het leven te beroven, en aldus met voorbedachten rade zou hebben gehandeld. Hieruit volgt dat het impliciet primair ten laste gelegde, moord, niet wettig en overtuigend bewezen is, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

4. De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

4.1. De bewijsmiddelen

Op 28 september 2008 om 04:14 uur kregen verbalisanten de melding dat zij zich dienden te begeven naar de [adres] te Amsterdam, waar een vechtpartij zou plaatsvinden. Om 04:15 uur kregen zij de melding dat bij deze vechtpartij iemand was neergestoken. Om 04:20 uur kwamen zij ter plaatse. Zij zagen het slachtoffer ter hoogte van [adres] op de grond liggen met diverse steekwonden in de buikstreek. Het ter plaatse gekomen ambulancepersoneel deelde mede dat het slachtoffer was overleden.

Het slachtoffer van de vechtpartij bleek te zijn [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]). Uit het pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood blijkt dat bij [slachtoffer] een huidperforatie met onderliggend steekkanaal zichtbaar was aan de linkerzijde van de borst, waarbij het hart is geperforeerd. Aan de rechterzijde van de borstwand was eveneens een huidperforatie zichtbaar, met onderliggend steekkanaal. Deze letsels zijn bij leven opgelopen en verklaren het intreden van de dood op basis van bloedverlies, functieverlies van het hart en weefselschade.

Verdachte is enkele uren later aangehouden. Hij heeft bekend dat hij [slachtoffer] op 28 september 2008 twee keer met een mes in zijn buik heeft gestoken, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Verdachte heeft verklaard dat het jachtmes dat in beslag is genomen , het mes is waarmee hij heeft gestoken.

4.2. De beoordeling van de bewijsmiddelen

Verdachte heeft verklaard dat hij de dood van [slachtoffer] nimmer heeft gewild. Hij heeft aldus geen opzet gehad op de dood van [slachtoffer], zo stelt verdachte. Uit de bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, kan niet worden vastgesteld dat verdachte boos opzet had op de dood van [slachtoffer]. Echter, nu het volgens algemene ervaringsregels vast staat dat door het steken met een mes in iemands borst, de aanmerkelijke kans bestaat dat die persoon daardoor zal overlijden, terwijl verdachte ondanks deze wetenschap toch tweemaal in de borst van [slachtoffer] heeft gestoken, heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bewust aanvaard. Verdachte heeft dan ook voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] gehad.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 28 september 2008 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, met een mes meermalen in de romp van voornoemde [slachtoffer] gestoken, waardoor voornoemde [slachtoffer] zodanig bloedverlies en functieverlies van het hart en weefselschade heeft opgelopen dat hij daaraan is overleden.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van het feit

5.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte handelde uit zelfverdediging en aldus dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft hij in de eerste plaats verwezen naar de stelling van verdachte dat hij niet degene was die als eerste een agressieve handeling heeft gepleegd. Verdachte heeft ter zitting de volgende lezing van de gebeurtenissen naar voren gebracht. Verdachte werd midden in de nacht wakker van een ruzie tussen [slachtoffer] en [getuige 1]. De ruzie verplaatste zich naar buiten, voor het raam van de woning van verdachte. Verdachte heeft een vest en een broek aangetrokken en is op zijn blote voeten door zijn voortuin gelopen die naar het pad voor de woningen leidt. [getuige 1] en [slachtoffer] waren nog steeds voor de woning van verdachte ruzie aan het maken. Verdachte heeft tegen [getuige 1] gezegd dat hij weg moest gaan. Op dat moment vloog [slachtoffer] hem aan en werd verdachte door hem het hele pad in de richting van het grasveld door geslagen en geschopt. Op het grasveld is verdachte tijdens het handgemeen op de grond gevallen. Toen voelde hij dat er een mes in zijn broekzak zat. Hij heeft het mes gepakt en heeft, nu hij vreesde voor zijn leven, uit zelfverdediging in de buik van [slachtoffer] gestoken. [slachtoffer] leek hier niets van te voelen en bleef door slaan en schoppen. Het mes viel op de grond, samen met verdachte. Verdachte kon het mes weer te pakken krijgen. Hij heeft [slachtoffer] nog een keer uit zelfverdediging gestoken. Omstanders zagen dat [slachtoffer] bloedde. Hierna is verdachte weggelopen.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat zelfs indien verdachte als eerste enige agressieve handelingen zou hebben gepleegd (zoals de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren), de reactie van [slachtoffer] in dat geval zodanig (disproportioneel) agressief was dat deze als wederrechtelijk kan worden gekwalificeerd en het redelijk en noodzakelijk was dat verdachte zich hiertegen mocht verdedigen. Ook in dat geval dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

5.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een situatie van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die verdachte noopte tot noodzakelijke verdediging. De officier van justitie heeft hiertoe overwogen dat op grond van de getuigenverklaringen, de bevindingen van het sectierapport, de letselverklaring van verdachte en zijn ongeloofwaardige en wisselende verklaringen bij de politie, niet is vast komen te staan dat er sprake was van een forse vechtpartij. Er kan dan ook geen sprake zijn van een situatie waarin verdachte zich gerechtvaardigd mocht verdedigen.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

5.3.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de vraag of er sprake was van een noodweersituatie uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 28 september 2008 om ongeveer 04:00 uur werd verdachte wakker. Verdachte woont aan de [adres] in Amsterdam en hoorde dat zijn bovenbuurman, [slachtoffer], samen met een stel andere mensen, onder wie [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), thuis kwam. Hij hoorde dat [slachtoffer] en [getuige 1] ruzie maakten en dat de ruzie uiteindelijk op straat, voor de deur, doorging.

[getuige 1] heeft bevestigd dat hij en [slachtoffer] een woordenwisseling kregen in de woning van [slachtoffer]. [getuige 1] is vervolgens naar beneden gelopen, de voordeur uit. Voor de voordeur hebben [slachtoffer] en hij nog een woordenwisseling gehad. Daarna is hij linksaf geslagen en doorgelopen in de richting van zijn woning aan de [adres].

[getuige 3] (hierna: [getuige 3]), woonachtig aan de [adres], heeft de ruzie in de woning van [slachtoffer] tussen [slachtoffer] en [getuige 1] gehoord. Nadat er in de woning ruzie werd gemaakt, zag hij dat er daarna voor de voordeur nog meer gebakkelei was, waarna de ruzie zich verplaatste in de richting van het grasveld. [getuige 3] zag dat twee mannen de ruzie probeerden te sussen.

Deze twee mannen zijn [getuige 4] (hierna: [getuige 4]) en [getuige 5] (hierna: [getuige 2]).

Zowel [getuige 4] als [getuige 2] hebben verklaard dat [slachtoffer] en [getuige 1] ruzie kregen in de woning van [slachtoffer]. Toen [slachtoffer] en [getuige 1] naar buiten gingen, zijn zij hen achterna gegaan om de ruzie te sussen. Net als [getuige 1] hebben zij verklaard dat zij van het huis van [slachtoffer] naar de hoek van de straat, in de richting van de [adres], liepen.

Langs de woningen van [slachtoffer] en verdachte loopt een pad, richting de dwars daarop liggende [adres], die wederom naar de [adres] leidt. Aan het einde van dit pad, op de hoek, ligt aan de ene zijde een grasveld. Aan de andere zijde van het pad, tegenover het grasveld, ligt de woning van [getuige 6] (hierna: [getuige 6]). Zij is woonachtig aan de [adres]. Het hek in haar voortuin vormt de scheiding met het pad. De afstand tussen de woning van verdachte en het trottoir ter hoogte van de woning van [getuige 6] bedraagt 25,75 meter.

Toen de ruzie was gesust had [slachtoffer] zijn arm om [getuige 1] heen geslagen. Ze bevonden zich op dat moment op het pad ter hoogte van het voornoemde grasveld.

[getuige 6] heeft verklaard dat zij in de nacht van 28 september 2008 wakker werd van gepraat op straat. Zij zag vier jongens staan, waaronder [slachtoffer]. Zij stonden op het pad tussen het grasveld en het hek van haar voortuin. Terwijl zij zich op die plek bevonden, kwam verdachte vanuit zijn woning naar buiten op hen aflopen, zo verklaren alle getuigen van het incident.

[getuige 3] en [getuige 7] (hierna: [getuige 7]), beiden woonachtig [adres], hebben verklaard dat zij zagen dat verdachte met dollemanspassen naar buiten kwam lopen. [getuige 3] is vervolgens naar buiten gerend, verdachte achterna.

[getuige 2], [getuige 4] en [getuige 1] hoorden iemand van achteren aan komen rennen. Dit bleek verdachte te zijn. Verdachte sprong van achteren op de nek van [slachtoffer].

Nadat verdachte op de nek van [slachtoffer] was gesprongen, is er een worsteling tussen [slachtoffer] en verdachte ontstaan. [getuige 4] heeft verklaard dat verdachte is begonnen met slaan, waarna [slachtoffer] heeft teruggevochten. Bij de worsteling gingen [slachtoffer] en verdachte het grasveldje op. [slachtoffer] en verdachte tuimelden naar beneden, waarna zij weer omhoog kwamen. De worsteling heeft heel kort geduurd, misschien 10 à 15 seconden. Ook [getuige 2] heeft verklaard dat er een schermutseling ontstond nadat verdachte op de nek van [slachtoffer] was gesprongen. Hij zag dat zij in het grasveld samen op de grond vielen. Hij zag bovendien zwaaiende bewegingen. Ook volgens hem duurde de schermutseling heel kort.

Ongeveer18 seconden nadat [getuige 3] zag dat verdachte met dollemanspassen naar buiten liep kwam [getuige 3] op het voetpad voor zijn woning aan, waar vandaan hij zicht had op de groep van vijf mannen. Op dat moment zag hij nog een duwbeweging van verdachte richting [slachtoffer]. [getuige 3] liep naar de groep toe, trok verdachte hierna weg en hoorde [slachtoffer] zeggen dat hij was gestoken.

Verdachte is weggelopen en enkele uren later aangehouden. Een dag later, op 29 september 2008, is een geneeskundige verklaring omtrent het letsel van verdachte opgemaakt. Op 30 september 2008 is wederom een geneeskundige verklaring omtrent het letsel opgemaakt. Uit de verklaringen blijkt dat er geen letsels bij verdachte zijn waargenomen die zijn verhaal over het slaan en schoppen over zijn hele lichaam ondersteunen.

3.3. De beoordeling van de feiten en omstandigheden

Bij een beroep op noodweer dient vastgesteld te worden dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed, waartegen noodweer geboden was.

De rechtbank stelt op basis van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden vast dat de lezing van verdachte, inhoudende dat hij voor zijn woning werd aangevallen door [slachtoffer], en vervolgens over het pad in de richting van het grasveld is geslagen en geschopt door [slachtoffer], niet aannemelijk is geworden. Alle getuigen van het incident hebben immers verklaard dat [slachtoffer] op het pad ter hoogte van het grasveld stond, op ruim 25 meter van de woning van verdachte verwijderd, toen verdachte uit zijn woning kwam. De getuigen [getuige 2], [getuige 4] en [getuige 1] hebben voorts verklaard dat [slachtoffer] door verdachte werd aangevallen. De lezing van verdachte wordt evenmin ondersteund door de verklaring die omtrent het letsel van verdachte is opgemaakt. Daar staat immers in beschreven dat er geen letsels bij verdachte zijn waargenomen die het slaan en schoppen over het hele lichaam, ondersteunen. Bovendien is door de politie berekend dat er slechts 18 seconden kunnen hebben gezeten tussen het moment waarop [getuige 3] zag dat verdachte met dollemanspassen naar buiten liep, en het moment waarop [getuige 3] buiten weer zicht had op de groep van vijf mannen. Daar zag hij nog maar één duw, waarna hij verdachte heeft weggetrokken. Ook de getuigen [getuige 2] en [getuige 4] hebben verklaard dat de vechtpartij maar zeer kort duurde. Nu de lezing van verdachte overigens ook geen steun vindt in enig bewijsmiddel in het dossier, is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat verdachte vanuit zijn woning naar [slachtoffer] is toegelopen, die op 25 meter afstand van hem stond, en zelf de aanval op [slachtoffer] heeft geopend. Nu er geen sprake was van een verdedigingshandeling door verdachte, dient het beroep op noodweer reeds om deze reden te worden verworpen.

De rechtbank acht wel aannemelijk dat verdachte en [slachtoffer] na de aanval door verdachte in een worsteling terecht zijn gekomen. Uit de getuigenverklaringen is echter niet gebleken dat de reactie van [slachtoffer] op de aanval van verdachte zodanig disproportioneel was dat deze als wederrechtelijk kan worden gekwalificeerd, zodat verdachte zich hiertegen mocht verdedigen.

Nu het bestaan van een rechtvaardigingsgrond niet aannemelijk is geworden, is het bewezen geachte feit volgens de wet strafbaar.

6. De strafbaarheid van verdachte

6.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte een geslaagd beroep kan doen op noodweerexces, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte heeft immers gehandeld om zich te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer]. Het feit dat het handelen van verdachte de grenzen van het noodzakelijke heeft overschreden, werd veroorzaakt door de hevige gemoedsbeweging die door de klappen en schoppen van [slachtoffer] bij verdachte ontstond.

6.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen geslaagd beroep kan doen op noodweerexces, nu er nimmer van een noodweersituatie sprake is geweest.

6.3 Oordeel van de rechtbank

Het beroep op noodweerexces kan niet slagen, nu er geen sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich noodzakelijk diende te verweren. Onder die omstandigheden gaat ook een beroep op noodweerexces niet op. Voor het overige zijn er ook geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit (moord) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaar, met aftrek van voorarrest. Bij deze eis heeft zij de ernst van het strafbare feit, het leed van de nabestaanden, de zinloosheid van de daad, het niet nemen van verantwoordelijkheid van verdachte voor zijn daad, en de enorme impact die de gebeurtenis heeft gehad op de buurt waarin verdachte en het slachtoffer woonden, betrokken.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft hij bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van de tenlastegelegde moord. De raadsman is van oordeel dat, indien er een straf wordt opgelegd, bij het bepalen van de straf rekening dient te worden gehouden met het feit dat verdachte veel psychische problemen heeft als gevolg van het besef dat door zijn toedoen een meisje geen vader meer heeft. Ook acht de raadsman de omstandigheden waaronder het incident heeft plaatsgevonden,- het ondervinden van terugkerende geluidsoverlast door iemand die daar bijzonder gevoelig voor is - disculperend. Tenslotte heeft de raadsman gewezen op het ontbreken van relevante strafrechtelijke documentatie op naam van verdachte, en op het feit dat de moeder van verdachte lijdt onder het besef dat zij haar enige zoon wellicht niet meer op vrije voeten zal zien.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt verdachte een straf op die in overeenstemming is met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op zijn bovenbuurman. De verdachte heeft [slachtoffer], nadat hij wakker was geworden van geluidsoverlast veroorzaakt door met name het bezoek van [slachtoffer], op straat aangevallen en hem hierbij twee maal met een mes in zijn borst gestoken.

Door toedoen van verdachte is er aan het leven van een nog jonge man een eind gekomen en heeft een kind van twee jaar haar vader verloren. Verdachte heeft de nabestaanden van [slachtoffer] onherstelbaar leed berokkend, zoals door hen ter terechtzitting ook is verwoord. Het opzettelijk benemen van het leven van een ander behoort tot de ernstigste delicten die onze rechtsorde kent. De aanleiding voor de steekpartij was bovendien uiterst futiel.

De rechtbank weegt in haar oordeel zwaar mee dat verdachte blijkens zijn houding in het vooronderzoek en ter terechtzitting geen inzicht heeft verkregen en geen verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn gedrag. Door star vast te blijven houden aan zijn eigen lezing van de gebeurtenissen, die buiten de werkelijkheid staat, heeft verdachte, tegen beter weten in, zichzelf in de slachtofferrol geplaatst en daardoor het verdriet van de nabestaanden nog versterkt.

De rechtbank heeft bovendien meegewogen dat het gebeuren veel verdriet en angst heeft teweeg gebracht in de buurt waarin verdachte en het slachtoffer woonden. Feiten als deze versterken bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij als geheel.

Voorts heeft de rechtbank mee laten wegen dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is voor zijn gedrag. Dit blijkt uit hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gerapporteerd in het over hem opgemaakte psychiatrisch rapport Pro Justitia d.d. 5 februari 2009, opgemaakt door dr. I. Maksimovic, psychiater. Uit dit rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van afhankelijkheid van heroïne, cocaïne, cannabis en benzodiazepinen, en in de zin van een chronische pijnstoornis. Al deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Echter, de gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde, kunnen niet worden verklaard vanuit een van deze stoornissen of combinaties daarvan. De psychiater adviseert daarom verdachte volledig toerekeningsvatbaar te verklaren. De rechtbank neemt dit advies over. Zij heeft in het dossier of het verhandelde ter zitting ook geen aanknopingspunten, die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, gevonden om het gedrag van verdachte te verklaren.

Tenslotte heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie op naam van verdachte, en op straffen die voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar geëist. Hoewel een langdurige straf op zijn plaats is, ziet de rechtbank aanleiding om een lagere straf op te leggen dan is geëist, gezien het feit dat zij moord niet bewezen acht en verdachte dus vrijspreekt van voorbedachten rade. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar passend en geboden. Met het opleggen van deze straf beoogt de rechtbank de maatschappij te beschermen tegen verdachte, die geen inzicht heeft getoond in en geen verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn handelen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) JAAR.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M.J. Lommen-van Alphen, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en L. Biller, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.G. Verkerk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 april 2009.