Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH9144

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
13/447866-08 en 13/420644-08 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op een juwelierszaak, waarbij een medewerker met een pistool op zijn hoofd wordt geslagen. Verdachte bekent de overval tezamen met een onbekend gebleven mededader te hebben gepleegd, maar ontkent daarbij geweld te hebben gebruikt, noch dat hij heeft gezien dat zijn mededader het aanwezige personeel en publiek met een vuurwapen heeft bedreigd. Nu de mededader aan verdachte voorafgaand aan de overval een mes heeft getoond, de mededader aan verdachte heeft verteld een neppistool in zijn bezit te hebben en de mededader volgens de verdachte gewelddadig is, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de overval vergezeld zou gaan van geweld dan wel bedreiging met geweld. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij wel had kunnen weten dat de mededader geweld zou gebruiken. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een deels voorwaardelijke straf met Reclasseringstoezicht noodzakelijk, gelet op onder meer kans op recidive. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/447866-08 en 13/420644-08 (TUL)

Datum uitspraak: 10 februari 2009 (PROMIS)

op tegenspraak

PROMIS VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Weg" te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 januari 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. H.C. Bijleveld en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. I.R. Rigter en door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 30 oktober 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen één of meer horloge(s) (merk: Edox) en/of één of meer trouwring(en) en/of één of meer siera(a)d(en) en/of één of meer portemonnaie(s) en/of één of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon1] en/of juwelier [juwelier] en/of [persoon3] en/of [persoon4] en/of [persoon5] en/of [persoon6] en/of [persoon7] en/of [persoon8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [persoon1] en/of [persoon3] en/of [persoon4] en/of [persoon5] en/of [persoon6] en/of [persoon7] en/of [persoon8], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en), dat hij, verdachte, en/of zijn mededader (met gestrekte arm) een vuurwapen in de richting van voornoemde [persoon1] en/of [persoon3] en/of [persoon4] en/of [persoon5] en/of [persoon6] en/of [persoon7] en/of [persoon8] heeft/hebben gehouden en/of (vervolgens) het vuurwapen omhoog heeft/hebben gedaan en (met kracht) op het hoofd van voornoemde [persoon1] heeft/hebben geslagen;

en/of

hij op of omstreeks 30 oktober 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [persoon1] en/of [persoon3] en/of [persoon4] en/of [persoon5] en/of [persoon6] en/of [persoon7] en/of [persoon8] heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer horloge(s) (merk: Edox) en/of één of meer trouwring(en) en/of één of meer siera(a)d(en) en/of één of meer portemonnaie(s) en/of één of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon1] en/of juwelier [juwelier] en/of [persoon3] en/of [persoon4] en/of [persoon5] en/of [persoon6] en/of [persoon7] en/of [persoon7], , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader (met gestrekte arm) een vuurwapen in de richting van voornoemde [persoon1] en/of [persoon3] en/of [persoon4] en/of [persoon5] en/of [persoon6] en/of [persoon7] en/of [persoon8] heeft/hebben gehouden en/of (vervolgens) het vuurwapen omhoog heeft/hebben gedaan en (met kracht) op het hoofd van voornoemde [persoon1] heeft/hebben geslagen;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 30 oktober 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen horloges en trouwringen en sieraden toebehorende aan juwelier [juwelier], welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [persoon1] en [persoon3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan de andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat zijn mededader met gestrekte arm een (de rechtbank begrijpt:) op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van voornoemde [persoon1] en [persoon3] heeft gehouden en vervolgens dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp omhoog heeft gedaan en op het hoofd van voornoemde [persoon1] heeft geslagen;

en

op 30 oktober 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [persoon1] en [persoon3] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee en een geldbedrag, geheel toebehorende aan juwelier [juwelier], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat zijn mededader met gestrekte arm een (de rechtbank begrijpt:) op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van [persoon1] en [persoon3] heeft gehouden en vervolgens het (de rechtbank begrijpt:) op een vuurwapen gelijkend voorwerp omhoog heeft gedaan en op het hoofd van voornoemde [persoon1] heeft geslagen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Waardering van het bewijs

4.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat hetgeen ten laste is gelegd aangaande de geldbedragen primair dient te worden gekwalificeerd als diefstal, subsidiair als afpersing. Daarnaast heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het gepleegde geweld, wat er ook zij van het specifieke aandeel van verdachte daaraan, (mede) aan verdachte kan worden toegerekend.

4.2. Standpunt van de verdediging

De (raadsman van) verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat er met betrekking tot de sieraden sprake is van diefstal en ten aanzien van de portemonnee sprake is van verduistering. Voorts heeft hij betoogd dat het geweld alleen jegens [persoon1] en [persoon3] is gericht en niet jegens de anderen in de tenlastelegging aangeduide personen, zodat verdachte wat die laatsten betreft dient te worden vrijgesproken. Verder heeft de raadsman gesteld dat verdachte door zijn mededader is gedwongen de overval te plegen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hierna weergegeven feiten en omstandigheden in de (als voetnoten) weergegeven bewijsmiddelen.

Op 30 oktober 2008 pleegt verdachte samen met een onbekend gebleven mededader (hierna: de mededader) een overval op Juwelier [juwelier] te Amsterdam (hierna: de juwelierszaak). Verdachte en de mededader lopen die dag de juwelierszaak binnen. De mededader heeft een vuurwapen, althans een voorwerp gelijkend op een vuurwapen in zijn hand en loopt daarmee op de aldaar aanwezige bedrijfsleider [persoon1] af en slaat genoemde [persoon1] daarmee op zijn hoofd. [persoon1] loopt vervolgens naar de kassa, haalt al het geld uit de kassa en geeft dat aan de mededader. Omdat de mededader zegt meer geld te willen, gaat [persoon1] naar de kluis en pakt daaruit een portemonnee met daarin een geldbedrag en geeft ook deze aan de mededader. In de tussentijd slaat verdachte met een hamer de vitrines aan de rechterzijde van de winkel kapot en pakt daaruit horloges weg.

Voordat de daders, opgeschrikt door een persoon die buiten de winkel de overvallers toeschreeuwt, de juwelierszaak uitrennen, loopt de mededader van verdachte richting [persoon3], eveneens aldaar werkzaam, en schreeuwt naar haar: "Liggen!!". [persoon3] kijkt omhoog in de loop van zijn vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp. Kort daarop rennen verdachte en zijn mededader de juwelierszaak uit.

Later constateert voornoemde [persoon1] dat er drie ramen van de vitrines zijn stukgeslagen en dat daaruit een aantal horloges en een aantal bakjes met trouwringen zijn weggenomen. Voorts blijken de horloges die op een tableau op de tafel lagen waaraan verkoopster [persoon3] met een klant zat, weg te zijn.

De betrokkenheid van verdachte

Bij de rechter-commissaris heeft verdachte - kort gezegd - bekend de overval op de juwelierszaak samen met zijn mededader te hebben gepleegd. Ter terechtzitting heeft verdachte deze bekentenis herhaald, met dien verstande dat hij heeft ontkend daarbij geweld te hebben gebruikt en voorts dat hij niet wist - en ook niet heeft gezien - dat de mededader ten tijde van de overval een vuurwapen bij zich had en daarmee het in de juwelierszaak aanwezige publiek/personeel heeft bedreigd. Voor zover verdachte daarmee heeft willen betogen dat er geen sprake is van opzet op het ten laste gelegde geweld, wordt dit betoog verworpen. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard, welke verklaring hij ter terechtzitting eveneens heeft herhaald, dat de mededader hem eerder die dag had verteld dat hij een neppistool in zijn bezit had en dat verdachte dat wel van hem zou mogen lenen. Tevens heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat de mededader ten tijde van de overval een mes bij zich had en dat is door hem aan verdachte getoond toen de mededader verdachte daarmee bedreigde. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat de mededader bij eerdere ontmoetingen gewelddadig was en ook een zodanige reputatie heeft. Onder genoemde omstandigheden heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de overval vergezeld zou gaan van geweld dan wel bedreiging met geweld. Daarbij komt dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij wel had kunnen weten dat de mededader geweld zou gebruiken en dat hij zich dat ook op enig moment wel heeft afgevraagd maar dat hij het niet aan zijn mededader wilde vragen.

Nu (de raadsman van) verdachte het standpunt inhoudende dat - samengevat - verdachte door de mededader zou worden afgeperst en dientengevolge gedwongen zou zijn de overval te plegen, niet heeft onderbouwd - anders dan dat verdachte met een mes door de mededader zou zijn bedreigd en ook zou zijn verwond - en daaraan ook overigens geen gevolgtrekking aangaande de bewezenverklaring heeft verbonden, behoeft dit standpunt geen verdere bespreking.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde voor zover dat ziet op de portemonnee, niet kan worden gekwalificeerd als diefstal, maar als afpersing. Voor kwalificatie van de handelwijze van verdachte en zijn mededader ten aanzien van de portemonnee als diefstal, vindt de rechtbank in de stukken van het voorbereidend onderzoek noch in de verklaring van verdachte ter terechtzitting enig aanknopingspunt. Voorts is de rechtbank, uitgaande van de voorhanden bewijsmiddelen, met de raadsman van oordeel dat het geweld zich met name tegen [persoon1] en [persoon3] heeft gericht en niet tegen de andere in de tenlastelegging met name genoemde personen, zodat de rechtbank verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging zal vrijspreken.

5. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt toegewezen.

De raadsman heeft bepleit, onder verwijzing naar jurisprudentie in gelijksoortige zaken, een lagere straf dan gevorderd op te leggen. Daarnaast heeft hij verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte onder druk van zijn mededader de overval heeft gepleegd en de mededader in die zin ook als hoofddader valt aan te merken. Voorts heeft de raadsman verzocht een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, nu verdachte heeft aangegeven hulp nodig te hebben.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan - kort gezegd - een gewelddadig en agressief uitgevoerde overval. Een dergelijk feit grijpt diep in de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en heeft doorgaans voor hen langdurige nadelige gevolgen, hetgeen ook blijkt uit de ter terechtzitting namens de slachtoffers gegeven toelichting. Dit soort delicten wordt daarnaast ook als zeer schokkend ervaren door de samenleving als geheel, leidt tot onrust en draagt in hoge mate bij tot een gevoel van onveiligheid.

Een dergelijk feit behoort te worden bestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 januari 2009 is verdachte eerder voor het plegen van een soortgelijk feit veroordeeld tot een vrijheidsstraf (jeugddetentie). Deze veroordeling heeft hem er niet van weerhouden wederom een strafbaar feit te plegen. De rechtbank heeft ook dit gegeven betrokken bij het oordeel over de op te leggen straf.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat er, gelet op de nog relatief jeugdige leeftijd van verdachte en de conclusie van het reclasseringsrapport d.d. 26 januari 2009, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank, gelet op de conclusies uit voornoemd rapport, het wenselijk een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Uit het rapport blijkt dat verdachte over onvoldoende vaardigheden beschikt om zelfstandig buiten het criminele circuit te blijven en dat hij bij tegenslagen niet weerbaar genoeg is om zijn problemen adequaat op te lossen. De kans op recidive is derhalve hoog te achten indien er geen begeleiding wordt geboden dan wel toezicht wordt gehouden. Gelet hierop acht de rechtbank het wenselijk de na te noemen bijzondere voorwaarde op te leggen.

7. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 6 november 2008 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/420644-08, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 23 juli 2008 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 117 dagen met aftrek, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 30 dagen, niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Voorts bevindt zich bij de stukken een extract van het vonnis van de politierechter van 23 juli 2008, waaruit blijkt dat het vonnis op tegenspraak is gewezen. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte op de hoogte was van de hem opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en een ander de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en,

medeplegen van afpersing

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 12 maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt. Tevens kan de tenuitvoerlegging worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde

- dat veroordeelde zich (onverwijld) stelt en dat hij gedurende de proeftijd blijft onder toezicht en leiding van de Reclassering en zich gedurende die proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat wenselijk oordeelt, ook als dat inhoudt het volgen van een COVA-training en opname bij Stichting Exodus of een andere vorm van begeleid wonen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis d.d. 23 juli 2008 opgelegde voorwaardelijke straf, zijnde een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Wieland, voorzitter,

mrs. W.M. van den Bergh en A.C. Schaafsma, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. Leeuwenkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 februari 2009.