Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH8362

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
816437 DX EXPL 06-2798
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze rolmededeling wijst de rechtbank op haar op 11 maart 2009 uitgesproken vonnis (zie: LJN BH5631) met betrekking tot de stelplicht en bewijslast ten aanzien van verjaring van een beroep op artikel 1:88 in verbinding met artikel 1:89 BW. Naar aanleiding hiervan dienen partijen ermee rekening te houden dat er een bewijsopdracht kan worden verstrekt. Om redenen van proceseconomie wordt partijen daarom verzocht hierop betrekking hebbend schriftelijk bewijs overeenkomstig de daarvoor geldende regels in het geding te brengen. Indien een partij voornemens is bewijs door middel van getuigen bij te brengen, dient zij ermee rekening te houden dat ter comparitie bij mondeling vonnis een bewijsopdracht kan worden verstrekt en dat direct, dat wil zeggen ter comparitie, getuigen kunnen worden gehoord.

Voorts wijst de rechtbank partijen op het op 23 maart 2009 door de rechtbank te Alkmaar uitgesproken vonnis (LJN: BH 7058). In dit vonnis heeft de rechtbank – onder meer – geoordeeld over het geval waarin een zogenoemde Dexia-Aanbodovereenkomst niet is ondertekend door de echtgenoot of geregistreerd partner van de afnemer. Partijen wordt verzocht deze uitspraak te betrekken in hun stellingname.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolmededeling

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie AMSTERDAM

Zaaknummer: 816437 DX EXPL 06-2798

Rolmededeling van 25 maart 2009

F.no.: 632

Doc.: Dx02

IN DE ZAAK VAN:

[persoon 1]

wonende te [woonplaats]

gemachtigde: mr. T.E. Wolfswinkel ([advocatenbureau])

t e g e n

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V.

gevestigd te Amsterdam

gemachtigde: [deurwaarder]

Verjaring van een beroep op artikel 1:88 in verbinding met artikel 1:89 BW

1. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft op 27 november 2007 (LJN BC1140) een arrest uitgesproken met betrekking tot de stelplicht en bewijslast ten aanzien van verjaring van een beroep op artikel 1:88 in verbinding met artikel 1:89 BW. Ook het hof ’s-Gravenhage heeft zich in een arrest van 28 oktober 2008 (LJN BG2704) over deze problematiek uitgesproken. In het verlengde van deze twee arresten heeft deze rechtbank op 11 maart 2009 een vonnis uitgesproken (LJN BH5631).

2. Naar aanleiding hiervan dienen partijen ermee rekening te houden dat er een bewijsopdracht kan worden verstrekt met betrekking tot het aanvangsmoment van de verjaringstermijn die geldt voor het beroep op artikel 1:88 in verbinding met artikel 1:89 BW. Om redenen van proceseconomie wordt partijen daarom verzocht hierop betrekking hebbend schriftelijk bewijs overeenkomstig de daarvoor geldende regels in het geding te brengen. Indien reeds een comparitie is bepaald, wijst de rechtbank erop dat dit bewijs, voorzover nog mogelijk, uiterlijk twee weken vóór de comparitie, althans zo snel mogelijk, aan de wederpartij en aan de rechtbank dient te worden gezonden.

3. Indien een partij voornemens is bewijs door middel van getuigen bij te brengen, dient zij ermee rekening te houden dat ter comparitie bij mondeling vonnis een bewijsopdracht kan worden verstrekt en dat direct, dat wil zeggen ter comparitie, getuigen kunnen worden gehoord. Om redenen van proceseconomie wordt partijen verzocht, voorzover nog mogelijk, uiterlijk twee weken vóór de comparitie, althans zo snel mogelijk, aan de wederpartij en aan de rechtbank kenbaar te maken welke getuigen alsdan door hen zouden worden voorgedragen. De rechtbank voorziet dat de afnemer en zijn of haar echtgenoot of geregistreerd partner ter comparitie als getuigen kunnen worden gehoord en dat eventuele andere getuigen op een later moment moeten worden gehoord. In dat verband acht de rechtbank het voor een efficiënte verdere behandeling de zaak van belang dat zowel de afnemer als de echtgenoot van de afnemer bij de comparitie aanwezig zijn. Indien daarnaast nog andere getuigen worden voorgedragen, zal ter zitting omtrent het verdere verloop van het getuigenverhoor worden beslist.

Beroep op Overeenkomst Dexia Aanbod

4. Voorts wijst de rechtbank partijen op het op 23 maart 2009 door de rechtbank te Alkmaar uitgesproken vonnis (LJN: BH 7058). In dit vonnis heeft de rechtbank – onder meer – geoordeeld over het geval waarin een zogenoemde Dexia-Aanbodovereenkomst niet is ondertekend door de echtgenoot of geregistreerd partner van de afnemer. Partijen wordt verzocht deze uitspraak te betrekken in hun stellingname.

In deze rolmededeling wijst de rechtbank op haar op 11 maart 2009 uitgesproken vonnis (zie: LJN BH5631) met betrekking tot de stelplicht en bewijslast ten aanzien van verjaring van een beroep op artikel 1:88 in verbinding met artikel 1:89 BW. Naar aanleiding hiervan dienen partijen ermee rekening te houden dat er een bewijsopdracht kan worden verstrekt. Om redenen van proceseconomie wordt partijen daarom verzocht hierop betrekking hebbend schriftelijk bewijs overeenkomstig de daarvoor geldende regels in het geding te brengen. Indien een partij voornemens is bewijs door middel van getuigen bij te brengen, dient zij ermee rekening te houden dat ter comparitie bij mondeling vonnis een bewijsopdracht kan worden verstrekt en dat direct, dat wil zeggen ter comparitie, getuigen kunnen worden gehoord.

Voorts wijst de rechtbank partijen op het op 23 maart 2009 door de rechtbank te Alkmaar uitgesproken vonnis (LJN: BH 7058). In dit vonnis heeft de rechtbank – onder meer – geoordeeld over het geval waarin een zogenoemde Dexia-Aanbodovereenkomst niet is ondertekend door de echtgenoot of geregistreerd partner van de afnemer. Partijen wordt verzocht deze uitspraak te betrekken in hun stellingname.