Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH7462

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-02-2009
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
09.118
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking ingevolge art. 513 Sv. Verzoek afgewezen. Het wrakingsverzoek heeft betrekking op een rechter-commissaris.

Het verzoek berust op de grond dat de rechter tijdens het verhoor van verzoeker een

door de OvJ aan haar verstrekte vragenlijst heeft gehanteerd en dit niet tevoren heeft gemeld.

Door uitsluitend de vragen van de OvJ te stellen heeft de rechter de schijn van

vooringenomenheid gewekt. Voorts heeft de rechter in afwezigheid van zijn raadsvrouw

uitlatingen gedaan die verzoeker ontoelaatbaar acht.

Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele feit dat de rechter tijdens het verhoor de vragenlijst van de OvJ voor zich had is onvoldoende voor het oordeel dat zij jegens verzoeker een vooringenomenheid koesterde. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de door de rechter ter zitting gegeven toelichting dat zij weliswaar een aantal van de door de OvJ verstrekte vragen heeft gesteld, doch dat zij op grond van de antwoorden van verzoeker vervolgens haar eigen vragen daar doorheen heeft gevlochten, terwijl zij in haar vragen ook haar observaties in de reeds afgenomen getuigenverhoren heeft verwerkt. De rechtbank merkt op dat het beter zou zijn geweest als de rechter had gemeld dat zij (ook) vragen van de OvJ stelde op basis van door de OvJ op schrift gestelde vragen. Het nalaten kan echter niet tot de conclusie leiden dat sprake is van vooringenomenheid.

De overige aangevoerde gronden geven evenmin reden om aan te nemen dat bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees kon bestaan dat de rechter daardoor een vooringenomenheid koesterde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het voor aanvang van een verhoor door de rechter-commissaris op

5 februari 2009 gedane en onder rekestnummer 419091 HA RK 09.118 ingeschreven

verzoek van:

[ ], geboren op [ ] te [ ],

gedetineerd in het Huis van Bewaring [ ],

verzoeker,

raadsvrouw: mr. D.M. Rupert

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [X], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

? een e-mail van de officier van justitie van 24 april 2008. Hierin wordt de rechter-commissaris onder meer in overweging gegeven om, alvorens over te gaan tot het horen van getuigen, eerst verzoeker te horen;

? een proces-verbaal terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 26 juni 2008;

? een proces-verbaal terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 18 septem-ber 2008

? een door de OvJ opgestelde vragenlijst ten behoeve van het verhoor van verdach-te;

? een proces verbaal van nader verhoor verdachte van 3 februari 2009;

? een proces-verbaal van bevindingen van 5 februari 2009;

? een fax van verzoekers raadsvrouw van 5 februari 2009, houdende de gronden van de wraking.

De e-mail van de OvJ van 24 april 2008 en de door hem opgestelde vragenlijst zijn, zoals ter zitting besproken, niet in het bezit van de raadsvrouw.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 6 februari 2009, alwaar de raadsvrouw, de rechter en de OvJ zijn gehoord. De raadsvrouw heeft haar eerder gedane telefonische mededeling dat klager afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de zitting aanwezig te zijn, bevestigd en heeft een brief van verdachte voorgelezen, welke brief aan het procesdossier is toegevoegd.

Na de behandeling ter zitting is op het verzoek tot wraking beslist. Partijen zijn geïnformeerd over de beslissing. Deze beschikking vormt de uitwerking van voormelde beslissing.

1. Gronden van de beslissing

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

a) Verzoeker is verdachte in een strafzaak geregistreerd onder parketnummer [ ];

b) De toenmalige raadsman van verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van 26 juni 2008 verzocht om het horen van getuigen. De OvJ heeft aangegeven hiertegen geen bezwaar te hebben.

c) Uit het proces-verbaal van 18 september 2008 blijkt onder meer dat verzoeker een andere raadsman heeft en dat de OvJ er, anders dan verzoeker, de voorkeur aan geeft dat verzoeker als eerste wordt verhoord door de rechter-commissaris. De rechtbank heeft de rechter-commissaris opgedragen om eerst de getuigen te horen en dan verzoeker.

d) Ter zitting heeft de rechter toegelicht dat zij zich zoveel mogelijk aan de bevolen volgorde van horen heeft gehouden en dat de data zijn vastgelegd waarop (eerst) de getuigen (en vervolgens) verzoeker zouden worden verhoord. De meeste getuigen zijn inmiddels verhoord. Enkele getuigenverhoren, konden om verschillende, buiten de rechter gelegen redenen geen doorgang vinden. Deze getuigen zijn verschillende keren opgeroepen voor verhoor. Omdat de gehele dag was gereserveerd voor het verhoor van verzoeker en nog maar enkele getuigen verhoord moesten worden heeft de rechter besloten het verhoor op 3 februari 2008 te handhaven en verzoeker eerst te horen en de resterende getuigen daarna.

e) De raadsvrouw heeft aan de rechter eerst in de ochtend van 3 februari 2008 gemeld dat zij het verhoor tweemaal zou moeten onderbreken voor het bijwonen van een politierechterzitting en een zitting van de meervoudige strafkamer.

f) Verzoeker is op 3 februari 2009 in de ochtend verhoord door de rechter. Na een onderbreking is een kantoorgenoot van de raadsvrouw verschenen, omdat de zittingen van de raadvrouw uitliepen. Deze kantoorgenoot was onvoldoende in het dossier ingevoerd, zodat het verhoor toen geen doorgang meer heeft gevonden. Op 5 februari 2009 is het verhoor hervat.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende ter zitting mondeling toegelichte gronden.

1) Verzoeker heeft de rechter gewraakt, omdat de rechter tijdens het verhoor van 3 februari 2009 een door de OvJ aan haar verstrekte vragenlijst heeft gehanteerd en dit niet tevoren heeft gemeld. Door uitsluitend de vragen van de OvJ te stellen heeft de rechter de subjectieve schijn van vooringenomenheid gewekt aldus verzoeker. Verzoeker stelt dat hij, indien hij had geweten dat hij uitsluitend op verzoek van de OvJ werd verhoord, niet zou zijn verschenen en zich op zijn zwijgrecht zou hebben beroepen.

2) Voorts stelt verzoeker dat de rechter in afwezigheid van zijn raadsvrouw zou hebben gezegd: "Ik had gehoopt dat er nu eindelijk twee goede advocaten op de zaak zaten, maar dit kan zo in de prullenbak.' Deze uitlating acht verzoeker ontoelaatbaar en een grond voor wraking. In de ter zitting overgelegde brief vermeldt verzoeker nog dat de rechter tegen hem zou hebben gezegd 'ik heet [ ]' en dat zij een soort wantrouwen bij hem wilde creëren ten opzichte van zijn advocaten.

3. De reactie van de rechter

De rechter heeft verklaard dat zij op 3 februari 2009 inderdaad niet expliciet heeft meegedeeld dat zij een vragenlijst van de OvJ had ontvangen. Zij bestrijdt echter dat zij alleen diens vragen zou hebben gesteld. Het verhoor gaf aanleiding tot vele nieu-we vragen van haarzelf, terwijl de beantwoording van de vragen ook vele door de OvJ genoemde vragen overbodig maakte. De rechter geeft aan dat zij heeft gezegd: ‘twee raadslieden dan denk je te kunnen opschieten, dat is dus ook niet zo’. Zij bestrijdt dat zij haar naam zou hebben genoemd tegen de verdachte of dat zij wantrouwen wilde kweken tegen de raadslieden van verzoeker.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Hierbij is niet de visie van verzoeker beslissend. De rechtbank zal het wrakingsverzoek dan ook aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf beoordelen.

4.2. Het enkele feit dat de rechter tijdens het verhoor op 3 februari 2009 de vragenlijst van de OvJ voor zich had is onvoldoende voor het oordeel dat zij jegens verzoe-ker een vooringenomenheid koesterde als hiervoor bedoeld.

4.3. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de door de rechter ter zitting gegeven toelichting dat zij weliswaar een aantal van de door de OvJ verstrekte vragen heeft gesteld en de onderwerp-indeling van de OvJ heeft gevolgd, doch dat zij op grond van de antwoorden van verzoeker vervolgens haar eigen vragen daar doorheen heeft gevlochten, terwijl zij in haar vragen ook haar observaties in de reeds afgenomen getuigenverhoren heeft verwerkt. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de OvJ ter zitting heeft verklaard dat dit aansluit bij zijn observatie, die is gegrond op het proces verbaal van het betreffende verhoor, dat de volgorde van vragen anders is dan in de door hem opgestelde vragenlijst en dat deze vragen aansluiten bij wat uit de getuigenverhoren is gebleken.

4.4. De rechtbank merkt op dat het beter zou zijn geweest als de rechter had gemeld dat zij (ook) vragen van de OvJ stelde op basis van door de OvJ op schrift gestelde vragen. Het nalaten kan echter niet tot de conclusie leiden dat sprake is van voorin-genomenheid. Verzoeker is immers mede verhoord omdat hij zich zelf bereid heeft verklaard bij de rechter-commissaris wel een verklaring te willen afleggen. Hij heeft daarbij volgens de hiervoor vermelde processen-verbaal nimmer aangegeven dat hij tijdens het verhoor niet zou willen antwoorden op vragen van de OvJ. Tenslotte heeft te gelden dat tijdens het verhoor op 3 februari 2009 de wijze van vraagstelling van de rechter is aangepast nadat de raadsvrouw had aangegeven dat de gestelde vragen een (te) gesloten karakter hadden. De rechtbank leidt daaruit af dat de rechter open stond voor interventies van de raadsvrouw, hetgeen juist tegen de gestelde vooringenomenheid pleit.

4.5. Dat de rechter liet blijken dat het haar ergerde dat de raadsvrouwe op 3 februari 2009 nog twee andere zittingen moest bijwonen, moge zo zijn, doch dit geeft geen reden om aan te nemen dat bij verzoeker daarom de objectief gerechtvaardigde vrees kon bestaan dat de rechter daardoor een vooringenomenheid koesterde als hiervoor bedoeld. Hierbij is in aanmerking genomen dat de raadsvrouw ter zitting heeft erkend dat zij voormelde mededeling pas op de dag van het verhoor heeft gedaan, terwijl zij er reeds lang mee bekend was dat deze hele dag was ingepland voor het verhoor van verzoeker. Er diende een groot aantal getuigen verhoord te worden, hetgeen een strak tijdschema vergde. Doordat de zaak in april a.s op zitting zal komen, had de rechter belang bij het doorgaan van de verhoren van de verdachte op de geplande data en om de beschikbare dagen zo optimaal mogelijk te benutten. In dat licht gezien is enige ergernis niet onbegrijpelijk.

4.7. De rechter heeft ter zitting verklaard dat zij anders dan verzoeker heeft ver-klaard, heeft opgemerkt: 'Nu zijn er twee advocaten en dan denk je op te schieten, dat is dus ook niet zo' Zij heeft bestreden dat zij haar voornaam heeft genoemd of de intentie heeft gehad een vorm van wantrouwen te creëren bij verzoeker.

4.8. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de door de rechter gegeven toelichting ten aanzien van haar eerste opmerking te twijfelen. Dit geldt eveneens voor de door de rechter bestreden tweede opmerking en haar beweerdelijke poging tot het creëren van wantrouwen bij verzoeker jegens zijn advocaten.

4.9. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat in hetgeen door verzoeker is aangevoerd, geen objectieve rechtvaardiging is te vinden dat zich hier een omstandigheid voor-doet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor de vrees dat de rechter voorin-genomen zou zijn of dat het haar aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.10. Hetgeen verzoeker overigens heeft aangevoerd levert geen feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden. Vorenstaande betekent dat het verzoek tot wraking van de rechter dient te worden afgewezen.

4.11. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

B E S L I S S I N G :

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af.

Aldus gegeven door mrs. H.C. Hoogeveen, A.J.T. Karskens en C.M. Degenaar leden van de wrakingskamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.