Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH7456

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2009
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
09.110
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking ingevolge art. 513 Sv. Verzoek toegewezen. Het wrakingsverzoek heeft betrekking op een politierechter.

Het verzoek berust op de gedachte dat de rechter door mede te delen geen geloof te hechten aan een ter zitting door verzoeker afgelegde verklaring, al een eindoordeel heeft gegeven over de verklaring. De rechter wekt daarmee de schijn niet meer open te staan voor een ander oordeel. Dat geldt temeer nu nog geen aanvang was gemaakt met een inhoudelijke behandeling van de zaak.

De rechtbank stelt voorop dat het de rechter vrijstaat om een verdachte te confronteren met bewijsmateriaal dat niet strookt met de verklaring van verdachte en dat de rechter zich daarbij mag bedienen van een kritische vraagstelling. In het onderhavige geval heeft de rechter zich echter, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting, niet beperkt tot een confronterende en kritische ondervraging maar heeft de rechter verzoeker ook medegedeeld dat zij zijn verklaring omtrent zijn aanwezigheid ter plekke niet geloofde. Aangezien de verklaring van de verdachte omtrent zijn aanwezigheid aldaar ook voor de beoordeling van de op dat moment nog te behandelen strafzaak van belang was heeft de rechter op dat moment al blijk gegeven van haar overtuiging omtrent een nog te voeren verweer. Daarmee heeft de rechter blijk gegeven van een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid. Het was daarmee voor verdachte en zijn raadsman immers ook weinig zinvol meer dit verweer in die strafzaak alsnog te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking van 12 februari 2009 op het op 20 januari 2009 ter zitting gedane en onder rekestnummer 09.110 ingeschreven verzoek tot wraking van:

[ ],

wonende te [ ],

gedetineerd in het Huis van bewaring Zwaag te Zwaag,

verzoeker tot wraking,

raadsman mr. M.L. van Gaalen, advocaat te Amsterdam,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [X], hierna de rechter, in haar hoedanigheid van politierechter in de strafzaak met parketnummer [ ] in de zaak van het openbaar ministerie tegen verzoeker als verdachte voornoemd.

1. De procedure

Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 6 februari 2009, alwaar de rechtbank de raadsman van verzoeker en de officier van justitie heeft gehoord.

De rechtbank heeft kennis genomen van:

? het van de zitting van 20 januari 2009 opgemaakte proces-verbaal met bijlagen;

? de reactie van de rechter;

? de verklaring van afstand van verzoeker om de zitting bij te wonen..

De uitspraak is nader bepaald op 12 februari 2009.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek is door de raadsman van verzoeker ter zitting samengevat als volgt toegelicht.

De rechter heeft nadat de officier van justitie de zaak had voorgedragen verzoeker gevraagd of hij nog een verklaring af wilde leggen met betrekking tot het telastegelegde feit. Verzoeker heeft vervolgens een verklaring afgelegd. Hierop heeft de officier van justitie aanhouding van de behandeling verzocht. De rechter heeft de zitting vervolgens geschorst en na hervatting het verzoek om aanhouding afgewezen. Ter toelichting gaf de rechter aan geen geloof te hechten aan de ter zitting door verzoeker afgelegde verklaring. De rechter heeft daarmee te kennen gegeven dat het er niet toe doet waarom iemand ergens aanwezig is. Dat nodigt niet uit tot verdere uitleg van de kant van verzoeker. De rechter heeft, door geen geloof te hechten aan de door verzoeker afgelegde verklaring, al een eindoordeel gegeven over de verklaring. De rechter wekt daarmee de schijn niet meer open te staan voor een ander oordeel. Dat geldt temeer nu nog geen aanvang was gemaakt met een inhoudelijke behandeling van de zaak. Hiermee heeft de rechter de schijn van partijdigheid op zich geladen.

3. De reactie van de rechter

De rechter heeft aangevoerd dat de zaak een woninginbraak in een portiekwoning betreft. Een getuige heeft beschreven dat zij drie mannen heeft gezien en geeft van één van hen een goed signalement. Bij een latere spiegelconfrontatie heeft zij de medeverdachte herkend. Verdachte herkent zij niet. Verbalisanten troffen in het portiek beide verdachten in deze zaak aan, die aan het signalement voldeden. Na hun aanhouding zijn beide mannen gevlucht. Kort daarna worden zij opnieuw aangehouden. Een verdieping hoger wordt in het portiek een rugzak aangetroffen onder meer met sieraden, die door de aangever van de woninginbraak worden herkend als zijnde ontvreemd uit zijn woning. Voor beide verdachten is de bewaring en de gevangenhouding bevolen. Beide verdachten hebben zich tot de zitting op hun zwijgrecht beroepen.

Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij in één van de woningen in het betreffende portiek een vriendin heeft bezocht. Desgevraagd heeft hij gezegd haar naam niet te kunnen noemen, omdat haar ouders niet zouden instemmen met een dergelijk bezoek. De medeverdachte heeft zich bij deze verklaring aangesloten. Een nadere onderbouwing voor de verklaring is door de verdachte noch zijn raadsman gegeven.

Hierop heeft de officier van justitie om aanhouding van de zaak verzocht, om te onderzoeken wie de bewoners zijn van de woningen in het portiek. De raadslieden hebben zich tegen dit aanhoudingsverzoek verzet en om een inhoudelijke behandeling verzocht.

De rechter heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen, omdat zij de informatie niet nodig achtte voor de door haar te nemen beslissing. De rechter heeft daarbij opgemerkt dat zij overigens geen geloof hechtte aan het verhaal nu dit op geen enkele manier werd onderbouwd. Hierop heeft de raadsman van verzoeker de rechter gewraakt.

Wat betreft de noodzakelijkheid merkt de rechter op dat zij de uitkomst van het door de officier van justitie voorgestelde onderzoek niet van belang vond voor enig door haar te nemen beslissing. De verdenking is immers woninginbraak in een portiekwoning. Of verdachten al dan niet bij iemand op bezoek zijn geweest in datzelfde portiek is niet relevant. Voorts stonden beide raadslieden een inhoudelijke behandeling voor en vond de rechter aanhouding niet in het belang van de verdachten.

De enkele omstandigheid dat de rechter de verklaring van de verdachte niet aannemelijk achtte en dat heeft uitgesproken staat in de visie van de rechter volkomen los van de vraag of zij tot het oordeel komt of er tegen de verdachte voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is. Aan beantwoording van die vraag was zij nog niet toe.

De rechter wenst tegen justitiabelen geen verhullende taal te gebruiken. Een verdachte heeft er recht op te horen hoe de rechter tegen zijn verhaal aankijkt. Een dergelijke opmerking geeft geen blijk van vooringenomenheid. Het biedt de verdachte duidelijkheid en de mogelijkheid daarop te reageren, aldus de rechter.

4. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft samengevat aangevoerd dat hij in de reactie van de rechter op de verklaring van verzoeker, in het licht van wat de rechter daarover heeft verklaard, geen zwaarwegende aanwijzigen ziet, dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Op grond van het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2 Daarbij dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is,

althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het standpunt van de verdachte te dien aanzien is wel belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

5.3 Onderzocht dient te worden of de aangevoerde omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

5.4 De rechtbank stelt voorop dat het de rechter vrijstaat om een verdachte te confronteren met bewijsmateriaal dat niet strookt met de verklaring van verdachte en dat de rechter zich daarbij mag bedienen van een kritische vraagstelling. In het onderhavige geval heeft de rechter zich echter, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting, niet beperkt tot een confronterende en kritische ondervraging maar heeft de rechter verzoeker ook medegedeeld dat zij zijn verklaring omtrent zijn aanwezigheid ter plekke niet geloofde. Aangezien de verklaring van de verdachte omtrent zijn aanwezigheid aldaar ook voor de beoordeling van de op dat moment nog te behandelen strafzaak van belang was heeft de rechter op dat moment al blijk gegeven van haar overtuiging omtrent een nog te voeren verweer. Daarmee heeft de rechter blijk gegeven van een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid. Het was daarmee voor verdachte en zijn raadsman immers ook weinig zinvol meer dit verweer in die strafzaak alsnog te voeren. Het verzoek tot wraking dient derhalve te worden toegewezen.

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

B E S L I S S I N G :

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking toe.

Aldus gegeven door mr. F.G. Bauduin, voorzitter, mrs F. Wieland en Y.A.A.G. de Vries, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.