Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH7010

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
20-03-2009
Zaaknummer
13.497.004-2009
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IRK, EAB Polen. Rechtsmachtvereiste artikel 6 lid 5 OLW. De rechtbank laat in het midden of sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen op grond van nationaliteit, nu er een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor ongelijke behandeling is.

De opgeëiste persoon kan immers in geval van weigering van de overlevering niet – zoals dat met een Nederlander wel het geval is – alsnog in Nederland worden vervolgd voor het misdrijf waarvoor hij in Polen is veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.004-2009

RK nummer: 09/538

Datum uitspraak: 25 februari 2009

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 januari 2009 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 18 april 2008 door de President of the District Court of Torun, Polen. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats], Polen, op [geboortedatum] 1980,

wonende: [adres],

thans gedetineerd: HvB “Schutterswei” te Alkmaar,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 februari 2009. Daarbij zijn de offi¬cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB liggen ten grondslag:

- arrest warrant based on a ruling by the Town Court of Golub-Dobrzyn from 2 March 2005, reference II K 13/05, of provisional detention of [opgeëiste persoon] for 2 month after arrest;

- enforceable judgement: a ruling of the Town Court of Rypin of 28 August 2002, reference II K 212/02.

Het EAB houdt ondermeer het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan een naar het recht van Polen strafbaar feit. Het feit is omschreven in onderdeel e) 2 onder I van het EAB.

De overlevering wordt tevens verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaren en 3 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis van de Town Court of Rypin. In het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon nog 7 maanden en 4 dagen van de opgelegde straf dient te ondergaan. Dit vonnis betreft de feiten zoals omschreven in onderdeel e) 2 onder II van het EAB.

Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van onderdeel e) van het EAB is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Poolse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank dient derhalve op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef onder a en 2º, van de OLW te beoordelen of de feiten zowel naar het recht van de uitvaardigende lidstaat als naar dat van Nederland strafbaar zijn en of op deze feiten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste 12 maanden is gesteld.

De raadsman heeft met betrekking tot het in onderdeel e) 2 onder I van het EAB genoemde feit betoogd dat voor dit feit naar Nederlands recht ten hoogste een gevangenisstraf van zes maanden kan worden opgelegd, nu niet is gebleken dat het feit opzettelijk is gepleegd. De overlevering voor dit feit dient derhalve te worden geweigerd, aldus de raadsman.

Het verweer van de raadsman mist feitelijke grondslag en wordt verworpen. In de omschrijving van het feit stelt de uitvaardigende justitiële autoriteit immers uitdrukkelijk dat de opgeëiste persoon intentionally heeft gehandeld. Aldus staat vast dat de Poolse justitie de opgeëiste persoon er van verdenkt dat hij opzet had op het plegen van het feit.

De feiten zijn zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar.

Op deze feiten is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5. Overige verweren

Artikel 6, vijfde lid, van de OLW.

5.1 De raadsman heeft gesteld dat de opgeëiste persoon voor de OLW gelijkgesteld dient te worden aan een Nederlander. De opgeëiste persoon is EU-burger en heeft daarom in beginsel het recht hier voor onbepaalde tijd te verblijven. Hij is in Nederland in het bevolkingsregister ingeschreven, hij spreekt redelijk Nederlands en ziet zijn toekomst in Nederland. Hij is derhalve geworteld in de Nederlandse samenleving. Dientengevolge kan hij aanspraak doen gelden op de in de OLW in artikel 6 eerste lid – voor zover het overleveringsverzoek ziet op de vervolging in Polen – en tweede lid – voor zover het overleveringsverzoek ziet op de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf – genoemde waarborgen.

Het ontbreken van rechtsmacht staat aan deze aanspraak niet in de weg, nu de in artikel 6, vijfde lid, van de OLW gestelde rechtsmachteis in strijd is met artikel 12 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en derhalve buiten toepassing dient te blijven. De OLW geeft meer ruimte om een overlevering van een Nederlander te weigeren dan van een niet-Nederlander. Voor een dergelijk onderscheid naar nationaliteit bestaat geen redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond. Een rechtvaardigingsgrond kan niet worden gevonden in het voorkomen van straffeloosheid, nu het VOGP en het SUO in het tegengaan van een dergelijke situatie voorzien.

In het Kaderbesluit wordt voorts niet over rechtsmacht gesproken. Het in de OLW gestelde rechtsmachtvereiste leidt ertoe dat meer overleveringen worden geweigerd dan op grond van het Kaderbesluit nodig is. Uit het arrest van het Europose Hof van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 2008 (Kozlowski) kan worden afgeleid dat een dergelijke ruime interpretatie van het Kaderbesluit niet geoorloofd is.

De raadsman verzoekt aanhouding van het onderzoek ter zitting teneinde het arrest van het Europese Hof van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot de prejudiciële vragen die door de rechtbank zijn gesteld bij interlocutoire uitspraak van 28 december 2007 in de zaak met parketnummer 13.497.431-2008 af te wachten, nu deze uitspraak van belang kan zijn voor de beoordeling van de geoorloofdheid van het in de OLW gestelde rechtsmachtvereiste.

5.2 De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat het ontbreken van rechtsmacht er aan in de weg staat dat de opgeëiste persoon de in artikel 6, eerste en tweede lid, van de OLW genoemde waarborgen toekomen. Deze in een wet in formele zin geformuleerde eis kan alleen door strijd met een hogere regeling worden gepasseerd. Van een dergelijke strijd is niet gebleken.

Voorts is de officier van justitie, anders dan de raadsman van mening, dat de opgeëiste persoon niet gelijk kan worden gesteld aan een vreemdeling met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, nu hij korter dan vijf jaren in Nederland woont en werkt en zijn binding met Nederland gering is.

De officier van justitie verzet zich tegen aanhouding van het onderzoek ter zitting. De door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen in de door de raadsman genoemde zaak hebben immers geen betrekking op het rechtsmachtvereiste.

5.3 De rechtbank overweegt als volgt.

In haar uitspraak van 23 december 2008 (LJN: BH0535), heeft de rechtbank overwogen:

“De rechtbank is van oordeel dat het buiten toepassing laten van een wet in formele zin slechts mogelijk is indien die toepassing in strijd is met een rechtens dwingende bepaling van hogere orde, zoals een een ieder verbindende verdragsbepaling of een algemeen of fundamenteel (Europees) rechtsbeginsel. Het enkele feit dat artikel 68 SUO een alternatieve basis kan bieden om de straf die aan de opgeëiste persoon is opgelegd over te nemen, dwingt op zichzelf niet tot de conclusie dat het vereiste van rechtsmacht in dit geval niet mag worden tegengeworpen.”

De rechtbank laat, met de Hoge Raad in zijn arrest van 11 november 2008 LJN BC9546, in het midden of het voorgaande tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen op grond van nationaliteit leidt, nu er een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor ongelijke behandeling is. De opgeëiste persoon kan immers in geval van weigering van de overlevering niet – zoals dat met een Nederlander wel het geval is – alsnog in Nederland worden vervolgd voor het misdrijf waarvoor hij in Polen is veroordeeld.

Nu in het onderhavige geval geen sprake is van rechtsmacht ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht en niet is gebleken dat de toepassing van artikel 6, vijfde lid, van de OLW in strijd is met een rechtens dwingende bepaling van hogere orde, zoals een eenieder verbindende verdragsbepaling of een algemeen of fundamenteel (Europees) rechtsbeginsel, is artikel 6, vijfde lid van de OLW om die reden reeds niet van toepassing op de opgeëiste persoon. Het verweer wordt verworpen.

Het verzoek tot aanhouden teneinde de beslissing van het arrest van het Europese Hof van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot de prejudiciële vragen die door de rechtbank zijn gesteld bij interlocutoire uitspraak van 28 december 2007 in de zaak met parketnummer 13.497.431-2008 af te wachten wordt verworpen, nu de gestelde prejudiciële vragen geen betrekking hebben op het in de OLW opgenomen rechtsmachtvereiste.

6. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de President of the District Court of Torun, Polen, ten behoeve van het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, zoals omschreven in onderdeel E 2 onder I van het EAB.

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de President of the District Court of Torun, Polen, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende staat wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, zoals omschreven in onderdeel E 2 onder II van het EAB.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit¬ter,

mrs. F. Salomon en L. Biller, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 25 februari 2009.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.