Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH6671

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
396661
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen 6:119 BW en 8:75 AWB.

Gedaagde heeft onrechtmatig jegens eiser gehandeld doordat aan eiser toekomende uitkeringen door (rechtsvoorgangers van) gedaagde niet tijdig aan eiser zijn uitbetaald. De gevorderde verklaring voor recht dat gedaagde jegens eiser aansprakelijk is voor schade die eiser ten gevolge hiervan zou hebben geleden, welke schade groter is dan wettelijke rente, wordt afgewezen. Op grond van artikel 6:119 BW wordt de vergoeding die een schuldenaar verschuldigd is wegens vertraging in de betaling van een geldsom immers onafhankelijk van de werkelijk geleden schade vastgesteld en gefixeerd op de wettelijke rente. Dit fixum kan niet door de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid worden opzijgezet op de grond dat de wettelijke rente geen adequate schadeloosstelling voor de rechthebbende vormt.

Ook de gevorderde verklaring voor recht dat gedaagde aansprakelijk is voor de werkelijke reis- en rechtsbijstandskosten van eiser in verband met de administratiefrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedures die hebben geleid tot de conclusie dat (rechtsvoorgangers van) gedaagde onrechtmatig jegens eiser hebben gehandeld, wordt afgewezen. Bij het bestaan van een op de wet gebaseerde forfaitaire regeling als de regeling die van toepassing was in bedoelde administratiefrechtelijke procedures, bestaat slechts in zeer bijzondere gevallen grond om de partij die in een procedure in het ongelijk is gesteld grond van onrechtmatige daad te veroordelen tot vergoeding van de gehele schade die de wederpartij, als gevolg van het voeren van die procedure heeft geleden. In dit geval is geen sprake van een dergelijk zeer bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 396661 / HA ZA 08-1233

Vonnis van 18 februari 2009

in de zaak van

[A],

wonende te [-],

eiser,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

het rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam

UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. B.J.H. Crans.

Partijen zullen hierna [A] en UWV genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 juni 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 15 oktober 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. UWV is rechtsopvolger van het Landelijk Instituut Werknemersverzekeringen (hierna: LISV), het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (hierna: GAK) en de bedrijfsvereniging GUO (hierna: GUO).

2.2. UWV, althans een van haar rechtsvoorgangers, heeft aan [A] met ingang van 8 juni 1992 een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW) naar mate van een arbeidsongeschiktheid van 80-100% toegekend. GUO heeft deze uitkering met ingang van 8 december 1996 beëindigd.

2.3. GAK heeft bij beschikking van 30 november 1998 aan [A] met ingang van 15 november 1996 een uitkering krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) toegekend naar mate van een arbeidsongeschiktheid van 80-100% en deze uitkering per 8 december 1996 weer beëindigd.

2.4. Tegen de beëindigingsbeslissingen, genoemd onder 2.2 en 2.3, zijn diverse bezwaar- en beroepsprocedures gevoerd.

2.5. Bij beslissing op bezwaar van 21 juni 1999 heeft GAK [A] met ingang van 13 oktober 1997 een WAO-uitkering toegekend naar mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

2.6. Bij beschikking van 31 mei 2002 heeft GAK [A] alsnog met ingang van 8 december 1996 80-100% arbeidsongeschikt geacht. GUO heeft zich hierbij aangesloten en bij beschikking van 18 april 2003 aan [A] met ingang van 8 december 1996 een AAW-uitkering toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%.

2.7. UWV heeft aan [A] de wettelijke rente voldaan over de periode dat de uitbetaling van uitkeringen ten onrechte niet had plaatsgevonden.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat UWV aansprakelijk is voor de schade die [A] geleden heeft tengevolge van het intrekken van de AAW-uitkering en het te laat toekennen van de WAO-uitkering, veroordeling van UWV tot betaling van een schadevergoeding op te maken bij staat, althans een in goede justitie te bepalen schadevergoeding en veroordeling van UWV in de proceskosten.

3.2. [A] legt – kort weergegeven – aan zijn vorderingen ten grondslag de onder 2.1 tot en met 2.6 weergegeven feiten alsmede het volgende. Door (rechtsvoorgangers van) UWV is onrechtmatig jegens [A] gehandeld doordat uitkeringen ten onrechte zijn ingetrokken, nieuwe aanvragen zijn geweigerd en pas na jaren procederen uitkeringen gedeeltelijk zijn toegekend en verhoogd. [A] beschikte hierdoor vanaf 8 december 1996 tot 21 juni 1999, respectievelijk 31 mei 2002, respectievelijk 18 april 2003 niet over een minimuminkomen krachtens arbeid of enige sociale verzekering. UWV is aansprakelijk voor de schade die [A] als gevolg hiervan heeft geleden. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- schade doordat [A], om bij gebreke van een uitkering in zijn levensonderhoud te voorzien, in 1998 zijn appartementen in Margraten heeft moeten verkopen cq overdragen en de waarde van de appartementen thans aanzienlijk hoger is;

- schade doordat [A] door de overdracht van de appartementen blijvend inkomsten uit de verhuur daarvan mist en hij deze inkomsten voordien wel realiseerde;

- schade bestaande uit reiskosten en kosten van rechtsbijstand die [A] heeft moeten maken in verband met de onder 2.4 genoemde bezwaar- en beroepsprocedures en die hij niet vergoed heeft gekregen.

De volledige schade van [A] dient te worden vergoed aangezien de enkele vergoeding van wettelijke rente voor [A] geen adequate schadeloosstelling vormt.

3.3. UWV voert verweer. UWV erkent dat door zijn rechtsvoorgangers beslissingen zijn genomen die als jegens [A] onrechtmatig kunnen worden aangemerkt. Die beslissingen brengen mee dat aan [A] toekomende uitkeringen door (rechtsvoorgangers van) UWV niet tijdig aan [A] zijn uitbetaald. UWV stelt primair dat [A] voor de opgetreden vertraging in de voldoening van de uitkeringen alleen aanspraak heeft op de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, welke rente UWV reeds integraal heeft voldaan. Voor het toekennen van compensatoire interessen bestaat geen grondslag. De overigens door [A] gevorderde kosten zijn niet aan te merken als buitengerechtelijke kosten, doch betreffen gerechtelijke kosten die niet voor vergoeding in aanmerking komen anders dan met de veroordeling(en) in de proceskosten, die [A] bij winst van de onder 2.4 genoemde procedures kon krijgen en heeft gekregen. Subsidiair stelt UWV, kort gezegd, dat het causaal verband tussen de beweerdelijk door [A] geleden schade en het onrechtmatige handelen van UWV ontbreekt. Ook betwist UWV de omvang van de door [A] gestelde schade. Tenslotte beroept UWV zich op verjaring ten aanzien van schade van vóór 21 december 1999, nu de aansprakelijkheidsstelling van UWV door [A] van 21 december 2004 dateert. UWV concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [A] met veroordeling van [A] in de proceskosten van UWV, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

4. De beoordeling

4.1. [A] vordert onder meer een verklaring voor recht dat UWV aansprakelijk is voor de schade die [A] geleden heeft tengevolge van het intrekken van de AAW-uitkering en het te laat toekennen van de WAO-uitkering. Blijkens de dagvaarding bestaat deze schade volgens [A] uit vermogensschade wegens overdracht van de appartementen in 1998, gederfde huurinkomsten, reiskosten en kosten rechtsbijstand. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht dan ook met betrekking tot deze schadeposten beoordelen.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat door (rechtsvoorgangers van) UWV onrechtmatig jegens [A] is gehandeld doordat beslissingen zijn genomen die bij beroep op de rechter geen stand hebben gehouden. Tussen partijen staat eveneens vast dat die beslissingen meebrengen dat aan [A] toekomende uitkeringen door (rechtsvoorgangers van) UWV niet tijdig aan [A] zijn uitbetaald.

4.3. Partijen hebben ter comparitie verklaard vooreerst een beslissing te wensen met betrekking tot de vraag of UWV aansprakelijk is voor voornoemde schade van [A].

De rechtbank zal dan ook eerst ingaan op de verklaring voor recht die [A] ter zake vordert. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

4.4. Allereerst zal worden ingegaan op de gestelde schade die verband houdt met de overdracht van de appartementen. [A] stelt schade te hebben geleden doordat hij zijn appartementen heeft moeten overdragen cq verkopen en zo niet heeft kunnen profiteren van de waardestijging die de appartementen tussen 1998 en heden hebben doorgemaakt alsmede doordat hij – in tegenstelling tot de periode daarvoor – over deze periode geen huurinkomsten uit de appartementen heeft ontvangen. Indien zou vaststaan dat [A] op bovengenoemde gebieden inderdaad schade heeft geleden door het uitblijven van de uitkeringen, vormt dit schade wegens vertraging in de betaling van een geldsom. Op grond van artikel 6:119 BW wordt de vergoeding die een schuldenaar verschuldigd is wegens vertraging in de betaling van een geldsom abstract en dus onafhankelijk van de werkelijk geleden schade vastgesteld en gefixeerd op de wettelijke rente. Blijkens de parlementaire geschiedenis wordt daarbij voor lief genomen dat “een zodanig fixum (…) impliceert dat ter wille van de eenvoud van de regel een beroep op de werkelijk geleden schade wordt afgesneden”(MvA p. 474). Deze strekking brengt mee dat het in artikel 6:119 BW opgenomen fixum niet door de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid kan worden opzijgezet op de grond dat de wettelijke rente geen adequate schadeloosstelling voor de rechthebbende vormt (vgl. HR 14-01-2005, NJ 2007, 482). Andere feiten of omstandigheden dan een in werkelijkheid geleden hogere schade, op grond waarvan de rechtsregel van artikel 6:119 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zijn gesteld noch gebleken. Nu tussen partijen vaststaat dat UWV de verschuldigde wettelijke rente reeds heeft voldaan, moet dan ook worden geconcludeerd dat UWV niet aansprakelijk is voor schade inzake de overdracht cq verkoop en de verhuur van de appartementen die [A] stelt te hebben geleden ten gevolge van het uitblijven van tijdige voldoening van de uitkeringen.

4.5. Voorts stelt [A] schade te hebben geleden bestaande uit de reis- en rechtsbijstandskosten die hij beweerdelijk heeft moeten maken in verband met de onder 2.4 genoemde bezwaar- en beroepsprocedures, voor zover hij die kosten niet in voornoemde procedures heeft vergoed gekregen. Deze posten vormen naar het oordeel van de rechtbank voor [A] geen schade wegens vertraging in de voldoening van de uitkeringen zodat artikel 6:119 BW op zichzelf niet aan aansprakelijkheid van UWV in de weg staat. Wel is op deze kosten van toepassing de regeling vervat in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb), het Besluit proceskosten bestuursrecht en de in artikel 2 daarvan genoemde bijlage. Nu [A] vergoeding van genoemde kosten vordert op grond van onrechtmatige daad is de sector civiel van de rechtbank bevoegd over de aansprakelijkheid van UWV hiervoor te oordelen. Eerdergenoemde regeling bevat een forfaitaire regeling van de proceskosten. Bij het bestaan van een dergelijke op de wet gebaseerde forfaitaire regeling bestaat slechts in zeer bijzondere gevallen grond om de partij die in een procedure in het ongelijk is gesteld, in dit geval UWV, op grond van onrechtmatige daad te veroordelen tot vergoeding van de gehele schade die de wederpartij, in dit geval [A], als gevolg van het voeren van die procedure heeft geleden (vgl. Hoge Raad, 17-12-2004, NJ 2005, 361). Geen feiten zijn gesteld of gebleken op grond waarvan geoordeeld moet worden dat sprake is van een dergelijk zeer bijzonder geval, zodat geen grond bestaat voor aansprakelijkheid van UWV voor de schade die [A] ter zake van de reis- en rechtsbijstandkosten stelt te hebben geleden.

4.6. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.4 en 4.5 zal de gevorderde verklaring voor recht worden geweigerd.

4.7. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank ook reeds thans zal ingaan op de overige vorderingen van [A]. Nu UWV niet aansprakelijk is voor de door [A] genoemde schadeposten dient ook de gevorderde veroordeling van UWV tot betaling van een schadevergoeding op te maken bij staat, althans een in goede justitie te bepalen schadevergoeding te worden afgewezen.

4.8. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van UWV worden begroot op:

- vast recht € 254,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 1158,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van UWV tot op heden begroot op € 1158,00.

5.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Overbosch en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2009.?