Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH6646

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
373074
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Betaling declaraties, zorgplicht opdrachtnemer. Bewijsopdracht in conventie en in reconventie gelijktijdig.

GT vordert in conventie betaling van haar declaraties. X weigert betaling en voert primair aan dat GT niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de declaraties steeds werden verzonden op naam van de vennootschap van X. X zelf heeft geen opdracht gegeven aan GT om advieswerkzaamheden te verrichten. Subsidiair heeft X aangevoerd dat GT toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. In reconventie vordert X vergoeding van de door haar als gevolg van de tekortkoming van GT geleden schade.

De rechtbank is van oordeel dat in conventie onvoldoende is komen vast te staan dat X de opdrachtgever van GT is geweest. GT zal worden opgedragen te bewijzen dat zij in opdracht en voor rekening van X werkzaamheden heeft verricht. In reconventie overweegt de rechtbank dat in het algemeen geldt dat een opdrachtnemer bij de uitvoering van zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht dient te nemen. De opdrachtnemer dient te handelen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan. X heeft gesteld dat GT is tekortgeschoten in haar zorgplicht De bewijslast van de feitelijke grondslag van de gestelde tekortkoming van GT in de nakoming van haar zorgplicht rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv. op X. Overeenkomstig haar bewijsaanbod zal X hiertoe in de gelegenheid worden gesteld. Indien X slaagt in dit bewijs staat daarmee vast dat in beginsel sprake is van een tekortkoming aan de zijde van GT. De rechtbank geeft partijen in overweging uit proceseconomische redenen de enquête in conventie en in reconventie gelijktijdig te laten plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 373074 / HA ZA 07-1735

(CCH)

Vonnis van 18 februari 2009

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

GREENBERG TRAURIG, LLP,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. N. Peters,

tegen

[X],

wonende te [-],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer.

Partijen zullen hierna GT en [X] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 maart 2007,

- de akte houdende overlegging producties,

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties,

- het tussenvonnis van 17 september 2008 waarbij een comparitie van partijen is gelast,

- de conclusie van antwoord in reconventie tevens bewijsaanbod, met producties,

- het proces-verbaal van comparitie van 14 oktober 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [X] is sinds haar veertiende werkzaam als fotomodel.

2.2. Mr. F. Butselaar (hierna: Butselaar) heeft in de periode 2002-2006 [X], danwel haar vennootschappen [X]’s Inc. en Meavota Inc., geadviseerd naar aanleiding van aan [X] en haar vennootschappen opgelegde belastingaanslagen over de jaren 1997 tot en met 2002. Sinds 2005 is Butselaar werkzaam bij GT.

2.3. Medio 2003 zijn aan [X] en [X]’s Inc. ambtshalve aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) over de jaren 1997 en 1998 opgelegd en ambtshalve aanslagen vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) over de jaren 1998 en 1999 opgelegd.

2.4. Een door [X] op 29 mei 2005 ondertekend document luidt als volgt:

“Hierbij geef ik, [X], machtiging aan dhr. Frank Butselaar, wonende te Naarden, om mij te vertegenwoordigen in zaken aangaande De Nederlandse Belastingdienst. Deze machtiging geld voor mij, MeaVota inc en het inmiddels niet meer bestaande [X]’s Inc, en is geldig zolang ik niet anders beslis.”

2.5. In juni 2003 heeft de belastingdienst een boekenonderzoek aangekondigd naar [X] en [X]’s Inc. Op 10 mei 2005 werden de rapporten uitgebracht, waaruit volgde dat de belastingdienst het standpunt innam dat Nederland heffingsbevoegd was over de inkomsten van [X] en [X]’s Inc. Er werden correcties IB en Vpb aangekondigd voor ruim € 10.000.000,-, welke kort daarna werden opgelegd.

2.6. In september 2005 heeft Butselaar bezwaarschriften en pro forma beroepschriften ingediend terzake de opgelegde aanslagen IB en Vpb.

2.7. Vanaf januari 2006 heeft Butselaar met de belastingdienst onderhandeld om tot een compromis te komen. Op 17 januari 2006 heeft een eerste bespreking met de belastingdienst plaatsgevonden. Een e-mail van diezelfde dag van Butselaars assistent aan de adviseur van [X], [A] luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…) In essence we agreed on a ompromis (if accepted by [X]) (…)”

2.8. In een e-mail van 25 januari 2006 heeft Butselaar aan [X] uiteengezet wat een compromis met de belastingdienst zou inhouden. De e-mail luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

1) The total tax due over all years of e 317,000 is an estimate amount that needs to be confirmed by the tax authorities (…)

Finally, next to the discussion with the tax authorities there are also a couple of years pending with the Dutch court. Given the agreement now reached these cases can be withdrawn. Ideally we would need to withdraw these cases tomorrow hence your fast reply would be much appreciated.

Please let us know if you agree to the above so we can proceed.(…)”

2.9. Een e-mail van 3 februari 2006 van Butselaar aan [X] luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…) Alles overwegende adviseer ik [X] nadrukkelijk akkoord te gaan met het compromis (...)”.

2.10. Op 13 februari 2006 heeft een conference call plaatsgevonden tussen Butselaar, [X] en [A], waarna op 14 februari 2006 de beroepschriften tegen de aanslagen IB en Vbp door Butselaar zijn ingetrokken.

2.11. Op 6 maart 2006 heeft de belastingdienst een reeds door hem ondertekend exemplaar van het compromis aan Butselaar gestuurd.

2.12. Het door Butselaar bereikte compromis werd niet door [X] ondertekend. Zij heeft drs. [B] gevraagd om het compromis nader te beoordelen. [B] heeft vervolgens de onderhandelingen met de belastingdienst voortgezet.

2.13. Bij brief van 12 februari 2007 heeft de belastingdienst aan (de adviseur van) [X] bericht dat [X] in totaal wegens openstaande belastingaanslagen IB 1997 tot en met 2002 een bedrag van EUR 313.672,12 verschuldigd was.

3. De vordering in conventie

3.1. GT vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [X] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 40.067,38 en een bedrag van € 19.332,89 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2007, alsmede tot betaling van de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen.

3.2. GT legt aan haar vordering ten grondslag dat [X] een declaratie van 5 januari 2007 ad € 40.067,38, ondanks herhaalde sommatie, onbetaald heeft gelaten.

4. Het verweer in conventie

4.1. [X] bestrijdt de vordering en voert primair aan dat de declaraties hadden moeten worden verzonden aan Meavota Inc., niet aan [X]. De door GT verrichte advieswerkzaamheden waren een direct gevolg van het modellenwerk dat [X] voor haar vennootschappen verrichte. Alle voorgaande declaraties werden verzonden op naam van de vennootschappen van [X]. Er is ook geen opdracht geweest van [X] aan GT om de advieswerkzaamheden te verrichten. GT dient dan ook in haar vordering niet ontvankelijk te worden verklaard, althans deze moet worden afgewezen, aldus [X].

4.2. Subsidiair voert [X] aan dat de verrichte werkzaamheden grotendeels niet behoeven te worden betaald, omdat GT in de persoon van Butselaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen jegens [X]. Volgens [X] heeft Butselaar in ieder geval op 14 februari 2006 onjuist gehandeld door de bij de rechtbank aanhangige beroepschriften in te trekken, terwijl hij geen toestemming van [X] had voor het sluiten van het voorgestelde compromis met de belastingdienst. De door Butselaar verrichte werkzaamheden zijn hierdoor van onwaarde gebleken en moesten opnieuw worden verricht door [B]. De terzake sinds september 2006 door GT in rekening gebrachte bedragen van

€ 21.338,63 zijn volgens [X] dan ook onverschuldigd. Aan [X] is € 40.067,38 in rekening gebracht, zodat slechts € 18.728,75 als verschuldigd zou resteren.

4.3. Meer subsidiair beroept [X] zich op verrekening met de door haar geleden schade.

5. De vordering in reconventie

5.1. [X] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, GT te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 258.315,48, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2008, alsmede tot betaling van de proceskosten in reconventie.

5.2. [X] legt aan haar vordering ten grondslag dat Butselaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [X], omdat hij de beroepschriften heeft ingetrokken zonder dat zij akkoord was met het voorgestelde compromis met de belastingdienst. Doordat de beroepschriften reeds waren ingetrokken, waren de aanslagen IB 1997 en 1998 en de aanslagen Vpb 1998 en 1999 onherroepelijk geworden en was het niet meer mogelijk bij de verdere onderhandelingen van [B] een gunstiger compromis te bereiken. Het uiteindelijk door [B] bereikte compromis bedroeg € 360.000,-. Indien de aanslagen niet definitief vast hadden gestaan zou alleen een aanslag IB van

€ 142.000,- over zijn gebleven. [X] stelt zich dan ook op het standpunt dat het compromis € 218.000,- lager had kunnen uitvallen indien Butselaar de beroepschriften niet zou hebben ingetrokken. Voorts vordert [X] vergoeding van de advieskosten van [B] ad € 25.520,-, alsmede vergoeding van de kosten die gemoeid waren met het voeren van een tuchtrechtelijke procedure tegen Butselaar bij de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (hierna: NOB), te weten

€ 14.795,48.

6. Het verweer in reconventie

6.1. GT bestrijdt de vordering en voert aan dat geen sprake is geweest van een toerekenbare tekortkoming van haar zijde. Volgens GT heeft Butselaar in de gegeven omstandigheden gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mocht worden verwacht. Butselaar heeft de beroepschriften met instemming van [X] ingetrokken, zulks ter vermijding van verdere juridische kosten. Het doet er dan ook niet toe dat de betreffende beroepschriften waren ingetrokken voordat een definitief compromis was bereikt. Dat het door Butselaar bereikte compromis op zich een goed compromis was, wordt ook door [X] erkend, aangezien zij Butselaar niet verwijt slecht te hebben onderhandeld bij het totstandbrengen daarvan en zij hem enkel verwijt de beroepschriften te vroeg te hebben ingetrokken, aldus GT.

6.2. Voorts heeft GT aangevoerd dat het pure speculatie is dat de belastingdienst akkoord zou zijn gegaan met een compromis van € 142.000,-. [X] heeft haar stellingen op dit punt niet aannemelijk gemaakt, laat staan gemotiveerd onderbouwd. Bovendien volgt volgens GT uit de berekening van de belastingdienst dat [X] nog € 316.672,12 moet betalen en niet € 360.000,-, zodat de beweerdelijke schade niet € 218.000,-, maar maximaal € 174.672,12 kan bedragen. Voorts meent GT dat de kosten van de tuchtprocedure en de declaraties van [B] niet voor vergoeding in aanmerking komen.

7. De beoordeling in conventie

7.1. Als meest verstrekkende verweer heeft [X] aangevoerd dat de vordering van GT jegens haar moet worden afgewezen, nu de werkzaamheden in overwegende mate voor en in opdracht van haar vennootschappen zijn verricht. De declaraties hadden dan ook, net als alle voorgaande declaraties, aan Meavota Inc. als opdrachtgever moeten worden gericht en niet aan [X] in privé.

7.2. De rechtbank is van oordeel dat tot dusver onvoldoende is vast komen te staan dat, zoals GT aan haar vordering ten grondslag legt en [X] betwist, [X] en niet één van haar vennootschappen opdrachtgever van GT danwel Butselaar is geweest. Dit kan niet worden afgeleid uit de onder 2.4 genoemde machtiging, hieruit blijkt immers alleen dat Butselaar [X] mocht vertegenwoordigen in de onderhandelingen met de belastingdienst. Evenmin kan uit het feit dat de aanslagen IB waarover Butselaar heeft geadviseerd ten laste van [X] waren worden afgeleid dat [X] GT opdracht heeft gegeven voor haar rekening advies uit te brengen.

7.3. Nu GT zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten, ligt de bewijslast van de tussen partijen gemaakte afspraken ingevolge artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bij haar. De rechtbank zal GT, overeenkomstig haar bewijsaanbod, opdragen te bewijzen dat zij in opdracht en voor rekening van [X] de op 5 januari 2007 gedeclareerde werkzaamheden heeft verricht.

7.4. Indien GT niet slaagt in het haar opgedragen bewijs, zal haar vordering worden afgewezen. Indien GT wel slaagt in het haar opgedragen bewijs, zal vervolgens nader beoordeeld dienen te worden of sprake is geweest van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van GT en wat daar de consequenties van zouden moeten zijn.

in reconventie

7.5. [X] legt aan haar vordering in reconventie ten grondslag dat Butselaar de beroepschriften heeft ingetrokken voordat een compromis met de belastingdienst was bereikt en zonder dat zij daar toestemming voor had gegeven, zodat GT is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht. GT heeft een en ander gemotiveerd betwist.

7.6. In het algemeen geldt dat een opdrachtnemer bij de uitvoering van zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht dient te nemen. De opdrachtnemer dient te handelen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan.

7.7. Wanneer beroepschriften worden ingetrokken zonder dat de cliënt daarmee heeft ingestemd, is in beginsel sprake van een schending van de hiervoor beschreven op de opdrachtnemer rustende zorgplicht. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend belastingadviseur mag immers worden verwacht dat hij bezwaarschriften tegen belastingaanslagen niet intrekt voordat een definitief compromis met de belastingdienst tot stand is gekomen.

7.8. [X] heeft gesteld dat GT is tekortgeschoten in haar zorgplicht door zonder dat zij met het compromis akkoord was gegaan de beroepschriften in te trekken. De bewijslast van de feitelijke grondslag van de gestelde tekortkoming van GT in de nakoming van haar zorgplicht rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv. op [X]. Overeenkomstig haar bewijsaanbod zal [X] hiertoe in de gelegenheid worden gesteld. Indien [X] slaagt in dit bewijs staat daarmee vast dat in beginsel sprake is van een tekortkoming aan de zijde van GT. GT heeft echter aangevoerd dat niet terzake doet of [X] al had ingestemd met het compromis, aangezien zij in ieder geval had ingestemd met het intrekken van de beroepschriften. GT zal dan ook in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat [X] had ingestemd met intrekking van de beroepschriften. Indien GT slaagt in dit bewijs zal de vordering van [X] worden afgewezen.

in conventie en in reconventie

7.9. De rechtbank geeft partijen in overweging uit proceseconomische redenen de enquête inzake rechtsoverweging 7.4 en de enquête inzake rechtsoverweging 7.8 gelijktijdig te laten plaatsvinden.

8. De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1. draagt GT op te bewijzen dat zij in opdracht en voor rekening van [X] de op 5 januari 2007 gedeclareerde werkzaamheden heeft verricht,

in reconventie

8.2. draagt [X] op te bewijzen dat zij tijdens de conference call op 13 februari 2006 niet akkoord is gegaan met het door Butselaar voorgestelde compromis,

8.3. draagt GT op te bewijzen dat [X] akkoord is gegaan met intrekking van de ingediende beroepschriften terzake de aan [X] opgelegde belastingaanslagen IB en Vpb,

in conventie en in reconventie

8.4. verwijst de zaak naar de rol van 4 maart 2009 opdat partijen alsdan kunnen meedelen of zij van de gelegenheid tot bewijslevering door getuigen en zo ja, door hoeveel, gebruik maken, en met een opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen in de eerstvolgende maanden, waarna een dag voor getuigenverhoor zal worden bepaald dan wel wordt voort geprocedeerd,

8.5. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.H. Vink en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2009.?