Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH6253

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
AWB 08-1891 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdelijke aansprakelijkstelling voor en terugvordering van aan de ex-partner verstrekte bijstand. Geen schending van artikel 8 EVRM. Ex-partner heeft toestemming gegeven voor het huisbezoek. Haar verblijf in de woning impliceert dat zij daartoe bevoegd was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/1891 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. G.J. de Kaste

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Mulders

1. Procesverloop

Verweerder heeft eiser bij besluit van 31 augustus 2007 hoofdelijk aansprakelijk geacht voor een bedrag van € 6.306,42 dat aan de aan ex-partner van eiser als bijstandsuitkering over de periode 31 december 2005 tot en met 31 mei 2006 is verstrekt en dit bedrag mede van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 3 april 2008 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en besloten dat de ten onrechte verleende bijstand over de periode van 31 december 2005 tot en met 10 april 2006 wordt teruggevorderd. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 december 2008, alwaar eisers gemachtigde en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Feiten en omstandigheden

2.1.1. Eiser geniet inkomsten uit arbeid. Zijn inmiddels ex-partner (hierna ook: ex-partner) ontvangt een alleenstaande-ouderuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De ex-partner staat in de Gemeentelijke Basisadministratie op het adres van haar ouders ingeschreven. Uit de relatie van eiser en zijn ex-partner is een kind geboren.

2.1.2. Verweerder heeft een anonieme tip ontvangen dat eiser en zijn ex-partner op het adres van eiser samenwonen. Naar aanleiding van deze tip hebben medewerkers van verweerder op 10 april 2006 een buurtonderzoek in de omgeving van eisers woning gedaan en hierbij twee buren gesproken. Deze personen hebben verklaard dat op eisers adres een gezin, bestaande uit een vader, een moeder en een kind, woont. Na het buurtonderzoek hebben de medewerkers op 10 april 2006 een huisbezoek op het adres van eiser afgelegd. Bij het huisbezoek is eisers ex-partner aangetroffen. Zij heeft toestemming tot binnentreden gegeven.

2.1.3. In eisers woning zijn persoonlijke spullen van de ex-partner aangetroffen, waaronder foto’s van haar, het kind en haar ouders.Verder zijn aan haar gerichte poststukken en administratieve bescheiden, alsmede kinder-dvd’s en een grote hoeveelheid speelgoed aangetroffen. De ex-partner heeft tijdens het huisbezoek in eerste instantie verklaard twee dagen in de week bij eiser te verblijven. Naderhand heeft zij verklaard samen met haar kind sinds een jaar met eiser samen te wonen. De ex-partner heeft de verklaring ondertekend. Van het huisbezoek heeft verweerder op 18 april 2006 een rapportage opgesteld.

2.1.4. Eiser heeft op 11 april 2006 een bezoek aan verweerders dienst gebracht en hierbij aangegeven bezwaren te hebben tegen het huisbezoek dat op zijn adres is afgelegd.

2.1.5. Medewerkers van verweerders dienst hebben op 24 april 2006 een huisbezoek afgelegd op het adres van de ouders van de ex-partner. De moeder van de ex-partner heeft hierbij verklaard dat haar dochter in de periode 31 december 2005 tot en met eind maart 2006 met eiser heeft samengewoond.

2.1.6. Tijdens een bezoek aan verweerders dienst op 25 april 2006 heeft eisers ex-partner haar eerdere verklaring over de periode waarin zij met eiser heeft samengewoond, aangepast en verklaard dat zij van 31 december 2005 tot half maart 2006 op het adres [adres] te [woonplaats] met eiser woonachtig is geweest.

2.1.7. De rechtbank Amsterdam heeft in zijn uitspraak van 30 januari 2008, AWB 06/5226 WWB, het beroep tegen verweerders besluit waarbij de uitkering met ingang van 31 december 2005 is ingetrokken, ongegrond verklaard.

2.1.8. Met als motivering dat eiser geen belanghebbende is, heeft verweerder bij besluit van 3 april 2008 eisers bezwaar tegen de intrekking van de uitkering van zijn ex-partner niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft het hiertegen ingestelde beroep op 8 augustus 2008 ingetrokken.

2.2. Standpunten van partijen

2.2.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat zowel eiser als zijn ex-partner de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, WWB hebben geschonden. De aan de ex-partner teveel verstrekte bijstand kan op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB mede van eiser worden teruggevorderd en op grond van het derde lid van deze bepaling is eiser hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er in dit geval niet gebleken is van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering moet worden afgezien. Naar de mening van verweerder moet de door de ex-partner van eiser verleende toestemming voor het huisbezoek aan eiser worden toegerekend.

2.2.2. Eiser meent dat verweerder niet consistent is geweest bij de vaststelling van de periode van terugvordering. Verweerder heeft voor de begindatum van deze periode wel, maar voor de einddatum geen aansluiting gezocht bij de verklaringen van zijn ex-partner en haar moeder.

Eiser stelt zich verder op het standpunt dat zijn privacy is geschonden. Hij heeft geen toestemming voor het huisbezoek gegeven. Hij beroept zich op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en stelt dat het bewijs uit dit huisbezoek onrechtmatig is verkregen en daarom buiten beschouwing dient te blijven. Het wel meenemen van het bewijs is naar de mening van eiser in strijd met het fair-trial-beginsel van artikel 6 EVRM. Eiser stelt zich op het standpunt dat nu voldoende ander bewijs ontbreekt, de terugvordering van de bijstand van zowel zijn ex-partner als van hem niet op een draagkrachtige motivering berust.

Eiser heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding, maar van een LAT-relatie. De verklaringen van de buurtbewoners zijn naar zijn mening onvoldoende voor de conclusie dat wel van een gezamenlijke huishouding sprake is.

2.3. Toetsingskader

2.3.1. In artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB is, voor zover hier van belang bepaald dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt degene die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge het derde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In het vierde lid, onder b, van dit artikel is voor zover hier van belang bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en uit hun relatie een kind is geboren.

2.3.2. In artikel 17, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

2.3.3. In artikel 59, tweede lid, van de WWB is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4. bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. In het derde lid van dit artikel is voor zover hier van belang bepaald dat de in het eerste en tweede lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

2.3.4. Op grond van het beleid van de gemeente Amsterdam worden kosten van bijstand altijd teruggevorderd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (artikel 6.1, vijfde lid, van de Beleidsregels WWB).

2.4. Overwegingen rechtbank

2.4.1. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder zich al dan niet terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser is aan te merken als een persoon als bedoeld in tweede lid van artikel 59 WWB, te weten een persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Daarbij dient de rechtbank tevens te toetsen of de feiten waarop verweerder zich bij de beantwoording van deze vraag beroept het product zijn van op een zodanig onrechtmatige wijze verkregen bewijs, dat deze feiten buiten beschouwing dienen te blijven.

2.4.2. De hiervoor onder 2.1.1. t/m 2.1.7. genoemde feiten bieden naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun voor het standpunt van verweerder dat in de hier te beoordelen periode van 31 december 2005 tot en met 10 april 2006 eiser en zijn ex-partner samen in de woning aan de [adres] te [woonplaats] hun hoofdverblijf hadden. Nu uit de relatie van eiser en zijn ex-partner een kind is geboren, betekent dat in die periode sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de WWB.

2.4.3. Eiser heeft gesteld dat hij in de aan de orde zijnde periode geen gezamenlijke huishouding met zijn voormalige partner heeft gevoerd, maar dat sprake was van een LAT-relatie. Eiser heeft zijn stelling niet nader onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat tegenover eisers betwisting de verklaringen van zijn ex-partner, haar moeder en buurtbewoners staan. Verder heeft eiser aangevoerd dat niet is gemotiveerd waarom als einddatum voor de gezamenlijke huishouding niet is afgegaan op de verklaringen van de ex-partner en haar moeder, maar dat deze is bepaald op 10 april 2006. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder uit de bevindingen van het huisbezoek op 10 april 2006, zoals neergelegd in het rapport van 18 april 2006, heeft kunnen vaststellen dat de ex-partner van eiser in elk geval nog op 10 april 2006 haar hoofdverblijf op het adres aan de [adres] had zodat verweerder heeft kunnen aannemen dat de gezamenlijke huishouding tot en met 10 april 2006 heeft geduurd.

2.4.4. De rechtbank verwerpt eisers stelling dat het bewijs tot stand is gekomen door middel van schending van het hem op grond van artikel 8 van het EVRM toekomende huisrecht.

Eisers ex-partner heeft met eisers toestemming op enig moment haar hoofdverblijf overgebracht naar zijn woning. Doorgaans impliceert het feit dat een persoon zijn hoofdverblijf heeft op een bepaald adres, dat deze persoon ook de bevoegdheid heeft verkregen van de oorspronkelijke bewoner om te beslissen over de vraag wie wel en wie niet wordt toegelaten tot de woning. Niet gesteld of gebleken is dat tussen eiser en zijn ex-partner op dit punt afwijkende afspraken zijn gemaakt. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder naast de toestemming van de ex-partner niet ook nog eens de expliciete toestemming van eiser zelf behoefde om op 10 april 2006 de woning te mogen betreden. Van een schending van artikel 8 van het EVRM door verweerder jegens eiser is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

2.4.5.Voor zover eiser aan de orde heeft willen stellen dat verweerder tegenover zijn ex-partner artikel 8 van het EVRM heeft geschonden gaat de rechtbank daaraan voorbij. De ex-partner is geen belanghebbende bij het bestreden besluit. Bovendien heeft zij de gelegenheid gehad om in de procedure die zij zelf heeft gevoerd een schending van artikel 8 van het EVRM aan de orde te stellen. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat bij het geven van toestemming door de ex-partner voor het op 10 april 2006 afleggen van het huisbezoek aan het gezamenlijke woonadres sprake is geweest van onregelmatigheden.

2.4.6. Nu sprake is van een gezamenlijke huishouding, had de bijstand op grond van het bepaalde in artikel 59, tweede lid, van de WWB, als gezinsbijstand aan gehuwden verleend moeten worden. Dat dit niet is gebeurd is een gevolg van het feit dat verweerder niet is geïnformeerd over de gezamenlijke huishouding. Eiser had in de desbetreffende periode arbeidsinkomsten en met die inkomsten had bij de verlening van bijstand rekening gehouden moeten worden. Verweerder kan gelet op het bepaalde in artikel 59, tweede lid, van de WWB in een dergelijk geval besluiten de kosten van bijstand van eiser terug te vorderen. Tevens is eiser gelet op het bepaalde in artikel 59, derde lid, van de WWB hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

2.4.7. Verweerder voert het beleid dat kosten van bijstand altijd worden teruggevorderd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank acht het door verweerder gevoerde beleid niet onredelijk. De rechtbank overweegt verder dat verweerder het beleid correct heeft toegepast en dat van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan verweerder van zijn beleid had moeten afwijken, niet is gebleken.

2.4.8. Gezien het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten in beroep die door eiser zijn gemaakt en evenmin voor vergoeding van het door eiser gestorte griffierecht.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2009 door mr. M. de Rooij, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.M.P. Mulder, griffier, en bekendgemaakt door toezending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier De rechter

De rechter is verhinderd te tekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B