Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH6188

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
13.497.539.2008
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De door de Poolse autoriteiten afgegeven verzetgarantie mbt twee verstekvonnissen is onvoldoende om als een garantie als bedoeld in artikel 12 van de Overleveringswet te kunnen worden aangemerkt.

Aan het EAB ligt tevens een vonnis ten grondslag, waarbij de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf wordt bevolen. Niet duidelijk is waarop de beslissing tot tenuitvoerlegging berust. De mogelijkheid bestaat derhalve dat de voornoemde verstekvonnissen de grondslag vormen voor deze beslissing. Gelet op het ontbreken van een verzetgarantie ten aanzien van deze verstekvonnissen, zou, indien deze vonnissen de grondslag vormen voor de beslissing tot tenuitvoerlegging, overlevering mogelijk kunnen leiden tot schending van het bepaalde in artikel 6 EVRM. Reden voor de rechtbank om nadere informatie aan de Poolse autoriteiten te vragen ten aanzien van de grondslag voor de beslissing tot tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.539.2008

RK nummer: 08/5565

Datum uitspraak: 4 maart 2009

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 oktober 2008 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op

9 oktober 2008 door de rechter van de rechtbank van Wroclaw, 3de afdeling voor strafzaken, Polen. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting 'Achterhoek' te Zutphen,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 november 2008. Daarbij zijn de

officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. J.M. Rammelt, advocaat te Amsterdam gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting op 12 november 2008 heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 26 november 2008 beslist het onderzoek ter zitting te heropenen en te schorsen voor onbepaalde tijd en de officier van justitie verzocht de door de rechtbank in de tussenuitspraak geformuleerde vraag aan de Poolse autoriteiten te stellen.

Na beantwoording van vorenbedoelde vraag is de behandeling van de vordering op de openbare zitting van 18 februari 2009 voortgezet. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB liggen 3 vonnissen van de Arrondissementsrechtbank te Olesnica, Polen, ten grondslag, te weten:

- een vonnis van 22 december 2003 in de zaak met referentienummer VI K 604/03;

- een vonnis gewezen bij verstek van 1 december 2004 in de zaak met referentienummer VI K 731/04;

- een vonnis gewezen bij verstek van 12 april 2006 in de zaak met referentienummer VI K 1079/05.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van vrijheidsstraffen voor de duur van 1 jaar (VI K 604/03), 1 jaar en 6 maanden ( VI K 731/04) en 1 jaar (VI K 1079/05). Deze vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen.

De vonnissen betreffen respectievelijk de feiten zoals die zijn omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Poolse nationaliteit heeft.

4. Beoordeling

De rechtbank heeft naar aanleiding van de behandeling beraadslaagd.

Bij de beraadslaging is gebleken dat de rechtbank behoefte heeft aan nadere informatie van de Poolse justitiële autoriteiten met betrekking tot de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit het EAB en de aanvullende brief van een rechter van de Arrondissementsrechtbank te Olesnica van 7 november 2008 blijkt ten aanzien van de bovengenoemde vonnissen het volgende:

VI K 604/03 (met betrekking tot het onder punt I van het EAB omschreven strafbare feit)

De opgeëiste persoon is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Olesnica van 22 december 2003 veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 4 jaar.

De opgeëiste persoon was, zo blijkt uit voornoemde brief, in persoon aanwezig bij de behandeling van de zaak op 22 december 2003.

Dezelfde rechtbank heeft op 31 augustus 2005 (in de zaak met ref. nr VI Ko 386/35) de ten uitvoerlegging van deze gevangenisstraf ten opzichte van de opgeëiste persoon bevolen.

VI K 731/04 (met betrekking tot het onder punt II van het EAB omschreven strafbare feit)

De opgeëiste persoon is bij verstek vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Olesnica van 1 december 2004 veroordeeld tot 1 jaar en 6 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 4 jaar.

Dezelfde rechtbank heeft op 8 mei 2008 (in de zaak met ref.nr VI Ko 632/08) de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf bevolen.

VI K 1079/05 (met betrekking tot het onder punt III van het EAB omschreven strafbare feit)

De opgeëiste persoon is bij verstekvonnis van de Arrondissementsrechtbank te Olesnica van 12 april 2006 veroordeeld tot 1 jaar gevangenisstraf.

Voor de tenuitvoerlegging van deze drie vonnissen is de opsporing van de opgeëiste persoon bevolen, nu, zo wordt gesteld in het EAB, de oproepingen tot het ondergaan van de straffen vruchteloos zijn gebleken en de opgeëiste persoon zich voor de justitiële autoriteiten verbergt.

De rechtbank heeft allereerst de vraag te beantwoorden of ten aanzien van de beide bij verstek gewezen vonnissen de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van de Overleveringswet aan de orde kan zijn.

Artikel 12 OLW luidt als volgt:

Overlevering wordt niet toegestaan, indien het Europees aanhoudingsbevel strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis dat is gewezen zonder dat de verdachte in persoon is gedagvaard of anderszins in persoon in kennis is gesteld van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting, dan onder het beding dat de uitvaardigende justitiële autoriteit voldoende garantie geeft, dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in de gelegenheid zal worden gesteld om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting.

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 26 november 2008 overwogen dat de vraag of er in concreto nog rechtsmiddelen open staan tegen de twee gewezen verstekvonnissen met de voornoemde brief van 7 november 2008 onvoldoende duidelijk is beantwoord. Gelet hierop heeft zij de officier van justitie verzocht met betrekking tot de verstekvonnissen met referentienummers VI K 731/04 en VI K 1079/05 aan de Poolse justitiële autoriteiten te vragen of de opgeëiste persoon na zijn overlevering in de gelegenheid zal worden gesteld om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting.

De officier van justitie heeft deze vraag bij brief van 4 december 2008 voorgelegd aan de Poolse justitiële autoriteiten. Bij brief van 8 januari 2008 hebben deze autoriteiten de vraag beantwoord. De officier van justitie heeft vervolgens bij brief van 2 februari 2009 aan de Poolse autoriteiten voorgesteld een verzetgarantie te verstrekken waarvan de tekst overeenkomt met de inhoud van artikel 5 lid 1 van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel. Daarop is, ook na rappel, geen reactie ontvangen.

Het antwoord van de Poolse justitiële autoriteiten bij voornoemde brief van 8 januari 2008 luidt, vertaald in de Engelse taal, als volgt:

In accordance with art. 482 paragraph 1 of the Penal Code the person sentenced by the judgement in default may raise an objection to the judge’s decision within the seven-days period from the moment of delivery of the copy of the ruled in default judgement, in which he/she should provide reasons for the absence during the court trial. Along with the indicted objection may be attached the application for the ruled judgement’s justification in case of the lack of acception or its rejection.

Once the person does not submit any objection – the ruled judgement becomes final and binding, and is subject of execution.

From the files of [opgeëiste persoon] case results that he was sentenced by two judgements in default:

1. of the Provincial Court in Olesnica as of December 1st, 2004 case reference number VI K 731/04, and

2. of the Provincial Court in Olesnica as of April 12th, 2006 case reference number VI K 1079/05.

The above mentioned did not bring forward the adequate objections within the exercised period of seven days from the date of delivery of the judgements in default. Consequently as it was above proved the judge’s decision in question became final and binding.

Nevertheless theoretically, in accordance with art. 126 paragraph 1 of the penal code in the case in question, [opgeëiste persoon] may use the opportunity to recover the deadline for submitting the above mentioned objection. In case of accepting such application, and then the subject matter of the objection to the judgement ruled in default the rehearing of the case occurs.

De officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon hebben zich ter zitting van 18 februari 2009 op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat de overlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de straffen die zijn opgelegd bij de verstekvonnissen met referentienummers VI K 731/04 en VI K 1079/05 dient te worden geweigerd, omdat de door de Poolse autoriteiten bij brief van 8 januari 2009 gegeven garantie onvoldoende is om als een garantie als bedoeld in artikel 12 van de OLW te worden aangemerkt.

De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie en de raadsman. Daartoe wordt overwogen dat uit de hiervoor weergegeven brief niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon na aankomst in Polen in de gelegenheid zal worden gesteld om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting.

De rechtbank acht de overlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de straffen die zijn opgelegd bij de verstekvonnissen met referentienummers VI K 731/04 en VI K 1079/05 dan ook niet toelaatbaar.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de overlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 22 december 2003 (VI K 604/03) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf primair op het standpunt gesteld dat deze dient te worden geweigerd. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat het aannemelijk is dat de in Polen bij vonnis van 31 augustus 2005 (VI Ko 386/35) genomen beslissing tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf verband houdt met de verstekvonnissen in de zaken met referentienummers VI K 731/04 en VI K 1079/05. Hiervan uitgaande zal overlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf een schending van het bepaalde in artikel 6 van het EVRM betekenen. De Poolse autoriteiten hebben namelijk geen garantie gegeven dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in de gelegenheid zal worden gesteld om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting in de verstekzaken die mogelijk ten grondslag liggen aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsman heeft de rechtbank subsidiair verzocht om nadere informatie bij de Poolse justitiële autoriteiten op te vragen om duidelijk te krijgen of de tenuitvoerlegging in de zaak met referentienummer VI K 604/03 verband houdt met de zaken met referentienummers VI K 731/04 en VI K 1079/05.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het door de raadsman opgeworpen verweer primair op het standpunt gesteld dat het, gelet op de data van de vonnissen in de zaken met referentienummers VI K 731/04 en VI K 1079/05, niet aannemelijk is dat deze verband houden met de tenuitvoerlegging in de zaak met referentienummer VI K 604/03. Subsidiair heeft zij gesteld dat op dit punt duidelijkheid kan worden verkregen door het stellen van vragen aan de Poolse justitiële autoriteiten.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van het verweer van de raadsman als volgt.

Het dossier bevat geen informatie over de grondslag van de beslissing tot tenuitvoerlegging van de aan de opgeëiste persoon bij vonnis van 22 december 2003 (VI K 604/03) opgelegde voorwaardelijke straf. Het is echter niet goed denkbaar dat het vonnis van 12 april 2006 in de zaak met referentienummer VI K 1079/05 ten grondslag heeft gelegen aan de beslissing tot tenuitvoerlegging. Dit vonnis is namelijk van latere datum dan het vonnis waarbij is beslist tot tenuitvoerlegging, dat dateert van 31 augustus 2005. Het vonnis van 1 december 2004 in de zaak met referentienummer VI K 731/04 zou echter wel de grondslag kunnen zijn geweest voor de beslissing tot tenuitvoerlegging van 31 augustus 2005. De rechtbank acht het, mede gelet op hetgeen de raadsman in dit verband heeft aangevoerd, van belang hieromtrent duidelijkheid te verkrijgen alvorens een definitieve beslissing te nemen.

Gezien het voorgaande verzoekt de rechtbank de officier van justitie de volgende vraag door te geleiden naar de Poolse justitiële autoriteiten:

Wat is de aanleiding geweest voor de beslissing tot tenuitvoerlegging bij vonnis van

31 augustus 2005 (VI Ko 386/35) van de eerder bij vonnis van 22 december 2003 (VI K 604/03) opgelegde voorwaardelijke straf?

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Heropent en schorst het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd.

De rechtbank verzoekt de officier van justitie de bovengeformuleerde vraag door te geleiden aan de Poolse justitiële autoriteiten.

Beveelt dat het onderzoek op een nader te bepalen tijdstip zal worden hervat.

Beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon tegen dat nader te bepalen tijdstip met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

Beveelt de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen datzelfde tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzitter,

mrs. F. Salomon en J.H.M. van de Ven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 4 maart 2009.