Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH6010

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-02-2009
Datum publicatie
13-03-2009
Zaaknummer
13.497.666-2008
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

executieoverlevering, lijstfeit, fraude, verstekvonnis, tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf, "Gesamtstrafe"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.666-2008

RK nummer: 08/6827

Datum uitspraak: 4 februari 2009

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 december 2008 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op

26 november 2008 door de President of the Regional Court in Gdansk (Polen). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1957,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede¬tineerd in Huis van Bewaring Tilburg te Tilburg,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 januari 2009. Daarbij zijn de offi¬cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. M.M.H. Zuketto, advocaat te Maastricht gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een onherroepelijk vonnis van het District Court in Gdynia, Criminal Division IX van 13 oktober 2005 (IX K 431/03, Wp 1224/2005), ten grondslag (hierna: vonnis A).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 (twee) jaren gevangenisstraf. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Aan het EAB ligt voorts een onherroepelijk vonnis van het District Court in Olsztyn, Criminal Division II van 12 maart 2004 (II K 3/04, Wp 184/2006), ten grondslag (hierna: vonnis B).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van 17 (zeventien) maanden en

16 (zestien) dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd

vonnis.

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Poolse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het in het EAB onder e) 2.a. weergegeven feit, ter zake waarvan vonnis A is gewezen, aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

De raadsman is van mening dat de Poolse justitiële autoriteiten niet in redelijkheid het lijstfeit “fraude” hebben kunnen aankruisen. Gelet op de omschrijving van het onder e) 2.a. weergegeven feit, had het veeleer voor de hand gelegen om dit feit onder de categorie “oplichting” te plaatsen. Nu bovendien niet de Poolse wetsartikelen zijn overgelegd die zien op dit feit, kan niet worden getoetst of in redelijkheid “fraude” is aangekruist en dient de overlevering ten aanzien van dit feit te worden geweigerd, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

De uitvaardigende justitiële autoriteiten hebben het feit onder nummer 8 (fraude) gerubriceerd. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de uitvaardigende justitiële autoriteiten in redelijkheid tot dit oordeel kunnen komen. De omstandigheid dat de op de lijst onder 8 genoemde fraude en de onder 20 genoemde oplichting mogelijk zien op gedeeltelijk dezelfde strafrechtelijke verwijten, maakt nog niet dat de rechtbank om die reden tot het oordeel moet komen dat de Poolse justitiële autoriteiten niet in redelijkheid het lijstfeit “fraude” hebben kunnen aankruisen.

Uit de stukken komt naar voren dat de opgeëiste persoon aan het slachtoffer van een autodiefstal heeft verteld dat hij wist waar zijn auto stond. Als het slachtoffer de opgeëiste persoon 2000 dollar zou betalen, dan zou de opgeëiste persoon hem het adres geven. Het slachtoffer heeft betaald en waarna de opgeëiste persoon hem een onjuiste locatie verstrekte. Uitgaande van deze, in rubriek e) van het EAB vermelde en bij schrijven van 30 december 2008 aangevulde, gegevens hebben de Poolse justitiële autoriteiten naar Pools recht in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat het feit valt onder nummer 8 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap

worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de

bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De overige in het EAB onder e) 2.b. weergegeven feiten, ter zake waarvan vonnis B is gewezen, zijn zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar.

Op deze feiten is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en

munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort,

beschadigen

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Overige verweren

6.1

De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon ter zake van vonnis A niet in persoon is gedagvaard, dan wel anderszins in persoon in kennis is gesteld van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting. Uit de brief van de Poolse justitiële autoriteiten van 30 december 2008 blijkt enkel dat de dagvaarding in ontvangst is genomen, maar niet door wie. Niet blijkt dat dit de opgeëiste persoon zelf was. Hij was, naar hij ter zitting heeft verklaard, op dat moment niet in Polen maar in Spanje. Omdat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon ter zake van vonnis A in persoon is gedagvaard, dan wel anderszins in persoon in kennis is gesteld van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting, hadden de Poolse justitiële autoriteiten de in artikel 12 van de OLW genoemde garantie moeten verstrekken. Dit is echter niet gebeurd. De opgeëiste persoon kan enkel vragen om een nieuwe appeltermijn indien hij kan aantonen dat er sprake is geweest van objectieve oorzaken waardoor hij niet bij de uitspraak aanwezig kon zijn. Alleen dan krijgt hij een nieuwe termijn, maar of hij daardoor ook een nieuw proces zal krijgen en de kans om daarbij aanwezig te zijn is niet gebleken. Er is onvoldoende gewaarborgd dat de opgeëiste persoon een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM ter dienste staat.

De officier van justitie heeft zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat uit het dossier niet geheel duidelijk wordt of de opgeëiste persoon op de laatste zitting betreffende vonnis A aanwezig is geweest. Anderzijds is evenmin door de opgeëiste persoon duidelijk gemaakt of hij aanwezig was of niet. Aangezien er onduidelijkheid bestaat over de vraag of een ondubbelzinnige garantie is verstrekt, zou de zaak eventueel kunnen worden aangehouden teneinde een garantie te verzoeken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 12 van de OLW wordt overlevering niet toegestaan, indien het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis dat is gewezen zonder dat de verdachte in persoon is gedagvaard of anderszins in persoon in kennis is gesteld van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting, dan onder het beding dat de uitvaardigende justitiële autoriteit voldoende garantie geeft, dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in de gelegenheid zal worden gesteld om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting.

Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 12 van de OLW strekt de garantie ertoe, dat de opgeëiste personen die in de uitvaardigende lidstaat bij verstek zijn veroordeeld zonder in de gelegenheid te zijn geweest hun verdediging te voeren, dat na hun overlevering alsnog kunnen doen overeenkomstig de maatstaven die het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaraan stelt (Kamerstukken II, 2002/03, 29 042, NR. 3, p. 16).

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon desgevraagd het navolgende aangevoerd. Hij was op de hoogte van het feit dat er een strafzaak tegen hem aanhangig was gemaakt en hij heeft een aantal keren een zitting bijgewoond in deze zaak, waarvan de behandeling meerdere jaren heeft geduurd. Hij ontving dan telkens een oproeping voor de desbetreffende zitting. De oproeping werd hem door de politie gebracht en hij moest voor ontvangst van de oproeping tekenen, aldus de opgeëiste persoon. De oproepingen voor de laatste zittingen heeft hij echter niet ontvangen omdat hij intussen in Spanje verbleef.

Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon in de gelegenheid is geweest om in eerste instantie verweer te voeren. Dat hij Polen heeft verlaten in de wetenschap dat er nog een strafzaak liep, zonder dat hij enige voorziening met betrekking tot zijn bereikbaarheid heeft getroffen, komt voor zijn rekening en risico. De omstandigheid dat de strafzaak lang heeft geduurd, doet hieraan niet af. Daarom is er naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak geen sprake van een verstekvonnis.

6.2

Voorts is namens de opgeëiste persoon het navolgende aangevoerd. De opgeëiste persoon is bij de uitspraak inzake vonnis B aanwezig geweest tezamen met zijn toegevoegde raadsman. Derhalve is er geen sprake van een verstekvonnis. Desalniettemin kan de vraag worden gesteld of de overlevering voor de tenuitvoerlegging van dat vonnis kan worden toegestaan, aldus de raadsman. Bij vonnis B is de opgeëiste persoon op 12 maart 2004 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren veroordeeld met een proeftijd van vijf jaren. Vervolgens is de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf op 13 of 14 oktober 2005 bevolen door de rechtbank, omdat de opgeëiste persoon in de proeftijd opnieuw werd veroordeeld. Gelet op de brief van de Poolse justitiële autoriteiten van 26 november 2008 lijkt het er echter op dat de tenuitvoerlegging is opgelegd vanwege de veroordeling ter zake van de oplichting in 1995, waarop het in het EAB onder A bedoelde vonnis betrekking heeft, ofwel een strafbaar feit dat ruim voor het ingaan van de proeftijd is begaan. Naar Pools recht is het niet mogelijk een voorwaardelijke straf te executeren vanwege een strafbaar feit dat voor het ingaan van de proeftijd is begaan, aldus de raadsman, die stelt dat klaarblijkelijk sprake is van een vergissing. De raadsman beroept zich in dit verband op (analoge uitleg van) artikel 7 van het EVRM, inhoudende het recht om geen zwaardere straf te krijgen dan die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Toen de opgeëiste persoon op 19 december 1995 een strafbaar feit beging, hing de voorwaardelijke veroordeling van twee jaren nog niet boven zijn hoofd. Gelet op het vorenstaande dient de overlevering niet te worden toegestaan.

De officier van justitie heeft zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat de rechtbank, gelet op het vertrouwensbeginsel, van de door de Poolse justitiële autoriteiten verstrekte gegevens moet uitgaan. Op 13 oktober 2005 is de opgeëiste persoon veroordeeld ter zake van het feit uit 1995 en op 14 oktober 2005 is de in 2004 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf tenuitvoergelegd. De raadsman gaat er van uit dat de tenuitvoerlegging het gevolg is van de veroordeling voor het feit uit 1995. Dat is evenwel niet vast komen te staan. Eventueel kan de rechtbank hierover vragen stellen aan de Poolse justitiële autoriteiten.

De rechtbank overweegt dat ingevolge vaste jurisprudentie van deze rechtbank een beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf niet onder het bereik van artikel 12 van de OLW valt.

Voor zover het verweer moet worden opgevat als een beroep op artikel 11 van de OLW, in die zin dat inwilliging van het verzoek tot overlevering zou leiden tot een flagrante schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon (namelijk artikel 7 EVRM), overweegt de rechtbank als volgt. Overlevering vindt alleen plaats aan de justitiële autoriteiten van landen die lid zijn van de Europese Unie. Polen is, zoals alle lidstaten van de Europese Unie, partij bij het EVRM. Uitgangspunt is dat een beroep op artikel 11 van de OLW slechts kan slagen indien het wordt gestaafd met concrete feiten en omstandigheden, op grond waarvan een gegrond vermoeden bestaat dat inwilliging van het verzoek tot overlevering van de opgeëiste persoon zou leiden tot een flagrante schending van zijn fundamentele rechten, zoals die worden gewaarborgd in het EVRM. Van een onderbouwing van dergelijke feiten en omstandigheden is echter niet gebleken.

6.3

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de OLW geldt de eis dat het bij een overlevering ter executie moet gaan om een opgelegde vrijheidsstraf van tenminste vier maanden, per afzonderlijk feit. Nu niet duidelijk is of voor elk van de drie feiten waarvoor de opgeëiste persoon in vonnis B is veroordeeld, is voldaan aan de eis dat daarvoor minimaal vier maanden gevangenisstraf werd opgelegd, dient de overlevering te worden geweigerd, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft hiertegen, kort weergegeven, aangevoerd dat het vereiste van vier maanden niet per feit hoeft te worden opgesplitst. Het gaat om het totaal van de opgelegde straf.

De rechtbank overweegt onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie (LJN BE0103) dat het er voor moet worden gehouden dat artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de OLW, dat naar structuur en inhoud is ontleend aan artikel 5 van de Uitleveringswet, overlevering toestaat ter zake van twee of meer - al dan niet bij verschillende vonnissen - opgelegde vrijheidsstraffen waarvan de gezamenlijke duur ten minste vier maanden bedraagt en dat deze bepaling niet vergt dat voor elk feit afzonderlijk een zodanige vrijheidsstraf is opgelegd. Deze uitleg komt overeen met de bewoordingen en het doel van artikel 2, eerste lid, van het Kaderbesluit, ter implementatie waarvan artikel 7 van de OLW onder meer strekt.

Naar het oordeel van de rechtbank is met de in het EAB vermelde opgelegde samengestelde vrijheidsstraf van twee jaren ("Gesamtstrafe"), voldaan aan het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de OLW gestelde vereiste aangaande de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 47, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Artikelen 2, 5, 7 en 12 van de OLW.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de President of the Regional Court in Gdansk (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende staat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit¬ter,

mrs. J.H.M. van de Ven en L. Biller, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E Jurgens, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 4 februari 2009.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.