Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH4602

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
413048 / HA ZA 08-3232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kredietgever heeft aan kredietnemer een krediet verstrekt waarop de Wet op het consumentenkrediet (Wck) van toepassing is. Kredietgever vordert, na ingebrekestelling en opeising, zowel contractuele rente, vertragingsvergoeding als wettelijke rente. Op grond van artikel 34 van de Wck mag een kredietgever, indien de kredietnemer te laat is met zijn betaling, vertragingsrente in rekening brengen over de achterstallige termijnen. Hiertoe is vereist dat de kredietgever de kredietnemer in gebreke heeft gesteld en dat de kredietnemer zijn verplichtingen ook na ingebrekestelling niet nakomt. De hoogte van de verschuldigde vertragingsrente dient in het prospectus te worden vermeld. Voor het overige kan de kredietgever geen aanspraak maken op vergoedingen, indien de kredietnemer niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet. Wel is het de kredietgever toegestaan om na ingebrekestelling, in plaats van contractuele vertragingsrente, de wettelijke rente te vorderen, voor zover deze rente de maximaal toegestane vertragingsvergoeding van artikel 11 van het Besluit Kredietvergoeding niet overschrijdt. De gevorderde contractuele rente en vertragingsvergoeding worden afgewezen. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 413048 / HA ZA 08-3232

Vonnis van 4 maart 2009

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ABN-AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. J.G. Keizer,

tegen

[KREDIETNEMER],

wonende te Amsterdam,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook ABN Amro en kredietnemer worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 3 november 2008 met producties,

- het tegen gedaagde verleende verstek,

- het tussenvonnis van 24 december 2008,

- de akte specificatie met producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. ABN Amro heeft op of omstreeks 15 september 2004 een krediet verstrekt aan kredietnemer. De kredietovereenkomst luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

1. De Bank stelt aan Kredietnemer op bovengenoemd bankrekeningnummer een krediet ter beschikking tot een maximum bedrag van EUR 5.000 (zegge: vijf duizend euro) (de “ABN AMRO Privélimiet Plus”).

2. Kredietnemer zal over het opgenomen krediet aan de Bank maandelijks rente vergoeden. Het rentepercentage kan variëren en bedraagt thans 0,751 % per maand, hetgeen overeenkomt met een effectief kredietvergoedingspercentage van 9,4 % per jaar. Het genoemde tarief betekent voor Kredietnemer een korting van 1 % effectief op het normale tarief. De korting is geldig tot en met 31 maart 2005. Vanaf 31 maart 2005 betaalt Kredietnemer het dan geldende rentepercentage. Iedere wijziging van voornoemde percentages zal de Bank schriftelijk aan Kredietnemer meedelen.

3. A. De te betalen rente wordt per kalendermaand achteraf gedebiteerd op de hierboven genoemde bankrekening.

B. Kredietnemer is gehouden tot een maandelijkse betaling aan de Bank van een bedrag van 2,5 % van de kredietlimiet (de “maandtermijn”).

[…]

4. Naast de in de onderhavige overeenkomst vermelde algemene voorwaarden en de Algemene Voorwaarden van de Bank die op 22 december 1995 zijn gedeponeerd ter griffie van de rechtbank van Amsterdam, zijn de Productvoorwaarden ABN AMRO Privélimiet Plus op het hierbij aangeboden ABN AMRO Privélimiet Plus van toepassing, welke als Bijlage I aan deze kredietovereenkomst zijn gehecht.

2.2. Artikel 7 van de Productvoorwaarden ABN AMRO Privélimiet Plus luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Alle op grond van de Kredietovereenkomst nog aan de Bank verschuldigde bedragen zullen ineens opeisbaar zijn indien:

a) Kredietnemer gedurende ten minste twee (2) maanden achterstallig is in de betaling van een (1) maandtermijn en, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de volledige nakoming van zijn verplichtingen.

2.3. Kredietnemer is op een gegeven moment nalatig gebleven de maandelijkse termijnen aan ABN Amro te voldoen. Per 5 juni 2008 bedroeg het door kredietnemer aan ABN Amro verschuldigde bedrag EUR 5.672,60. Op 30 juni 2008 heeft Swier & Van der Weijden Gerechtsdeurwaarders een brief gezonden aan kredietnemer, welke brief, voorzover hier van belang, luidt als volgt:

Onze cliënt(e), ABN-AMRO BANK N.V. te Amsterdam, stelt ter incassering in onze handen haar vordering op de door u Privé Limiet Plusrekening, met nummer 59.76.74.760, u voldoende bekend, voor de volgende bedragen:

- hoofdsom € 5.672,60

- rente:

a. berekend tot 30/6/2008 € 5,73

b.berekend vanaf 30/6/2008 p.m.

- waarop in mindering strekt € 0,00

- totaal 5.678,33

Cliënte heeft ons verzocht rechtsmaatregelen tegen u te nemen.

Voordat wij daartoe zullen overgaan, stellen wij u in de gelegenheid om bovenstaand bedrag binnen VIJF dagen na heden op een van onze onderstaande rekeningen te voldoen, zulks onder vermelding van ons dossiernummer […].

Mocht u van die gelegenheid geen gebruik maken dan nemen wij verdere maatregelen en zal cliënte, voorzover u niet reeds op andere gronden rente verschuldigd bent, aanspraak maken op vergoeding van de wettelijke rente vanaf de dag waartegen u bent aangemaand.

Voor zoveel nodig wordt u hierbij tot betaling gesommeerd.

Voor het geval u aan deze sommatie niet mocht voldoen, stellen wij u reeds nu in gebreke en wettig verzuim.

3. De vordering

3.1. ABN Amro vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, kredietnemer te veroordelen tot betaling van EUR 5.900,80, te vermeerderen met de contractuele rentevergoeding ad 9,4% per jaar over EUR 5.672,60 alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 5.900,80, telkens vanaf de dag van de dagvaarding (3 november 2008) tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van kredietnemer in de kosten van deze procedure.

3.2. Kredietnemer is zijn verplichtingen jegens ABN Amro niet nagekomen en is achterstallig gebleven in de betaling van twee of meer vervallen termijnen. ABN Amro heeft kredietnemer in gebreke gesteld en daarbij aangezegd dat wanneer kredietnemer de achterstallige termijnen niet zou voldoen, ABN Amro gebruik zou maken van haar recht het gehele saldo op te eisen. Kredietnemer is ook na deze ingebrekestelling in gebreke gebleven de achterstallige termijnen te voldoen. Daarop heeft ABN Amro het gehele saldo vervroegd opgeëist.

3.3. Het door kredietnemer aan ABN Amro verschuldigde bedrag van EUR 5.900,80 is volgens ABN Amro als volgt opgebouwd.

Het saldotekort bedroeg op 5 juni 2008 EUR 5.672,60. Over dit bedrag is vanaf 27 juni 2008 tot en met 21 oktober 2008 de contractuele rente in rekening gebracht, hetgeen neerkomt op een bedrag van EUR 169,46. Verder is een bedrag van EUR 58,74 aan informatiekosten in rekening gebracht.

4. De beoordeling

4.1. Op de overeenkomst tussen ABN Amro en kredietnemer is de Wet op het consumentenkrediet (Wck) van toepassing. In afdeling 3 van hoofdstuk IV van de Wck is dwingend voorgeschreven dat geen andere of hogere kosten in rekening mogen worden gebracht dan die zijn toegestaan op grond van de bepalingen van die afdeling.

4.2. Op grond van artikel 34 van de Wck mag een kredietgever, indien de kredietnemer te laat is met zijn betaling, vertragingsrente in rekening brengen over de achterstallige termijnen. Hiertoe is vereist dat de kredietgever de kredietnemer in gebreke heeft gesteld en laatstgenoemde zijn verplichtingen ook na ingebrekestelling niet nakomt. De hoogte van de verschuldigde vertragingsrente dient in het prospectus te worden vermeld. Voor het overige kan de kredietgever geen aanspraak maken op vergoedingen, indien de kredietnemer niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet. Wel is het de kredietgever toegestaan om na ingebrekestelling, in plaats van contractuele vertragingsrente, de wettelijke rente te vorderen, voorzover deze rente de maximaal toegestane vertragingsvergoeding van artikel 11 van het Besluit Kredietvergoeding niet overschrijdt.

4.3. ABN Amro heeft kredietnemer bij brief van 30 juni 2008 (nogmaals) in gebreke gesteld en het gehele saldo vervroegd opgeëist. Thans vordert ABN Amro, althans zo begrijpt de rechtbank, de contractuele rentevergoeding over het (volledige) saldotekort per 5 juni 2008 vanaf 27 juni 2008 (drie dagen vóór de opeising) tot 21 oktober 2008 (twee weken vóór de dagvaarding), alsmede (vanaf de dag van de dagvaarding) de contractuele vertragingsvergoeding (gelijk aan de contractuele rentevergoeding) èn de wettelijke rente.

4.4. De rechtbank heeft ABN Amro bij tussenvonnis van 24 december 2008 om een nadere specificatie van haar vordering verzocht, omdat uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid (i) wanneer kredietnemer voor het eerst in gebreke is gesteld en welke betalingstermijn daarbij is gehanteerd, (ii) met de betaling van welke termijnen kredietnemer ten tijde van de ingebrekestelling(en) achterstallig is (geweest) en (iii) of ABN Amro een vertragingsvergoeding heeft bedongen, zodat het voor de rechtbank onmogelijk is om na te gaan of ABN Amro haar vordering op kredietnemer juist heeft berekend.

4.5. De rechtbank stelt vast dat de gevraagde nadere specificatie niet door ABN Amro is gegeven, zodat de rechtbank de gevorderde contractuele rentevergoeding over de periode vanaf 27 juni 2008 tot 21 oktober 2008 en de gevorderde vertragingsrente vanaf de dag van de dagvaarding als onvoldoende met feiten onderbouwd zal afwijzen. De gevorderde informatiekosten zijn op grond van de Wck niet toewijsbaar, zodat de rechtbank ook deze kosten zal afwijzen. De gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding acht de rechtbank wel toewijsbaar.

4.6. Kredietnemer zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ABN Amro worden begroot op:

- dagvaarding EUR 92,44

- vast recht 303,00

- salaris advocaat 384,00 (1,0 punt × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 779,44

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt gedaagde om aan ABN Amro te betalen een bedrag van EUR 5.672,60 (vijfduizendzeshonderdtweeënzeventig euro en zestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 3 november 2008 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van ABN Amro tot op heden begroot op EUR 779,44,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.E. Dorsman en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2009