Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH4457

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
03-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/1058
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Als gevolg van de exportbeperking vanuit de Wet BEU bestaat voor eiseres geen aanspraak op kinderbijslag voor haar in Ghana wonende kinderen. Geen sprake van verboden discriminatie aangezien de situatie in Ghana niet vergelijkbaar is met die in andere landen waarnaar uitkeringen vanuit Nederland worden geëxporteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/1058

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde [gemachtigde 3].

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, zetelend te Amstelveen,

verweerder,

gemachtigden [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2].

1. Procesverloop

Eiseres heeft tot 1 januari 2003 op basis van de overgangsregeling van de Wet Beperking Export Uitkeringen (Wet BEU) kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen voor haar twee in Ghana wonende kinderen. Bij beschikking van 22 januari 2003 is aan eiseres vanaf 1 januari 2003 kinderbijslag geweigerd, omdat vermelde overgangsregeling in de Wet BEU op 31 december 2002 geëindigd is.

Op 30 september 2003 heeft eiseres een verzoek om herziening ingediend. Bij primair besluit van 30 oktober 2003 is dit verzoek afgewezen.

Bij besluit van 10 februari 2004 heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Op 16 september 2005 heeft deze rechtbank het hiertegen door eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard, tegen welke uitspraak eiseres in hoger beroep is gekomen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft bij uitspraak van 6 september 2007 bepaald dat de zaak wordt terugverwezen naar deze rechtbank ter verdere behandeling van de mogelijke aanspraak van eiseres op kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2003.

Deze rechtbank heeft de zaak ter zitting van de enkelvoudige kamer behandeld op 27 mei 2008. Na sluiting van het onderzoek ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het onderzoek is heropend en verweerder is in de gelegenheid gesteld een aantal vragen te beantwoorden.

De zaak is verwezen naar de meervoudige kamer en ter zitting behandeld op 6 november 2008. Zowel eiseres als verweerder hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

2. Overwegingen

Wettelijk kader

Met de Wet BEU is aan de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) een nieuw artikel 7b toegevoegd. Dit artikel luidt, voorzover van belang, als volgt:

1. Geen recht op kinderbijslag heeft de verzekerde die op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont. Evenmin heeft de verzekerde recht op

kinderbijslag ten behoeve van het eigen kind, het aangehuwde kind of het pleegkind, indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de verzekerde dan wel dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan.(...)

6. Onze Minister maakt de landen bekend waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan.

Artikel XIII van de Wet BEU bepaalt, voorzover van belang, het volgende:

Art. 7b van de Algemene Kinderbijslagwet is gedurende drie jaren na inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing op:

(...)

b. de verzekerde, voorzover die over het kwartaal voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van deze wet, op grond van art. 7 van de Algemene Kinderbijslagwet recht heeft op kinderbijslag ten behoeve van het eigen kind, het aangehuwde kind of het pleegkind, dat op de laatste dag van dat kwartaal niet in Nederland woont.

Op grond van bovenstaande overgangsregeling heeft eiseres het recht op kinderbijslag behouden tot 1 januari 2003.

Met het primaire en in bezwaar gehandhaafde besluit heeft verweerder dan ook op juiste wijze toepassing gegeven aan de nationaalrechtelijke bepaling, neergelegd in artikel 7b, van de AKW in combinatie met artikel XIII, van de Wet BEU.

Wat betreft de aanspraak van eiseres op kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2003 heeft de CRvB geoordeeld dat de rechtbank het herzieningsverzoek van eiseres van 30 september 2003 terecht heeft beoordeeld met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Ten aanzien van de mogelijke aanspraak van eiseres op kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2003 heeft de CRvB vastgesteld dat de rechtbank de gronden van eiseres inhoudelijk dient te beoordelen.

In beroep heeft eiseres aangevoerd dat door de ontwikkelingen in 2003 rond de Wet BEU, die hebben geleid tot de wetswijzigingen van 10 december 2004, de bepalingen van de Wet BEU thans uitsluitend gelden voor de AKW. Daardoor is er feitelijk sprake van een verboden discriminatie door beëindigen van de kinderbijslag.

In dit verband heeft eiseres een beroep gedaan op artikel 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).Voorts is eiseres van mening dat de toepassing van de wet BEU een disproportionele inbreuk maakt op het recht zoals vervat in het eerste lid van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), alsmede een schending van artikel 14 van het EVRM. Voor het gemaakte onderscheid is geen rechtvaardiging.

Ten slotte is eiseres van mening dat gelet op de wijze waarop verweerder de Wet BEU uitvoert sprake is van ongelijke behandeling.

Beëindiging AKW en IVRK

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de vergelijking die door eiseres is gemaakt tussen de kinderbijslag en de uitkeringen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW) niet opgaat. Immers, anders dan door eiseres gesteld, is met de kinderbijslag niet beoogd een inkomensvoorziening te treffen, terwijl met de uitkeringen op grond van de AOW en ANW wel een voorziening voor inkomensderving is getroffen. Dit onderscheid acht de rechtbank relevant, nu daarmee de consequenties van het beëindigen danwel voortduren van de onderscheiden uitkeringen verschillen. Aldus is in dezen geen sprake van gelijke gevallen, zodat het beroep op het verbod op discriminatie, althans ongelijke behandeling, faalt.

Met betrekking tot het beroep van eiseres op het vierde lid van artikel 27 van het IVRK, als zou dit aan beëindiging van de AKW-uitkering in de weg staan, overweegt de rechtbank dat dit artikellid een instructienorm voor de verdragspartijen bevat. Zonder nadere uitwerking van deze verdragsbepaling in nationale wet- en regelgeving is deze naar het oordeel van de rechtbank niet direct toepasbaar. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State gepubliceerd onder nummers LJN: AS9909 en AZ9524. Eiseres’ beroep hierop kan reeds daarom niet slagen.

Het beroep op Artikel 1 van het EP en artikel 14 van het EVRM

Artikel 1 van het EP:

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om betaling van belastingen of ander heffingen of boeten te verzekeren.

Artikel 14 van het EVRM:

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

De rechtbank staat vooraleerst voor de vraag of in dezen sprake is van een ‘possession’ als bedoeld in artikel 1 van het EP. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt als volgt.

Zoals overwogen door de CRvB in zijn uitspraak van 6 september 2007 tussen partijen gedaan, had eiseres in het eerste kwartaal van 2003 geen recht op kinderbijslag. Het herzieningsverzoek van eiseres dient thans te worden opgevat als een aanvraag om kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal.

Onder deze omstandigheden, te weten een aanvraag na een kwartaal waarin geen recht op kinderbijslag bestond, kan de aangevraagde kinderbijslag, gelet op de uitspraak van de CRvB van 17 september 2004 (LJN: AR2764), niet worden aangemerkt als een ‘possession’ van eiseres. Het beroep op artikel 1 van het EP faalt derhalve, en mitsdien tevens het beroep op artikel 14 van het EVRM.

Ongelijke behandeling bij de uitvoering van de Wet BEU

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu gebleken is dat verweerder de export van uitkeringen toestaat naar landen waarvan het BEU-verdrag nog niet in werking getreden is.

De rechtbank constateert dat Mexico het enige land is, waarnaar verweerder export van uitkeringen toestaat, ondanks het ontbreken van een BEU-verdrag. De rechtbank acht evenwel relevante verschillen tussen Ghana en Mexico aanwezig, zodat geen sprake is van vergelijkbare gevallen.

In de eerste plaats vinden, onbestreden, onderhandelingen met Mexico plaats teneinde tot een BEU-verdrag te komen. Dit geldt niet voor Ghana. Op uitdrukkelijk verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid handhaaft verweerder de export naar Mexico en is hiertoe een uitzondering geformuleerd in paragraaf 4.4. van de beleidsregels van verweerder die erop neer komt dat verweerder ‘in afwachting van de ondertekening en ratificatie van het BEU-verdrag met Mexico handelt alsof met dit land reeds een verdrag bestaat’.

In de tweede plaats ontbreekt het in Ghana aan betrouwbare gegevens in nationale administraties. Eiseres heeft dit niet bestreden. De stelling van eiseres dat de gegevens uit Ghana door Nederlands ambassadepersoneel kunnen worden gecontroleerd, wat er zij van de juistheid van die stelling, doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat de onbetrouwbaarheid van de gegevens van de Ghanese nationale administratie voor verweerder een factor mocht zijn om zonder afwijking de Wet BEU in Ghana toe te passen. Dit geldt te meer nu de exportbeperking vervat in de Wet BEU bij uitstek gericht is op het voorkomen van export van uitkeringen, wanneer geen of bezwaarlijk controle op de juistheid van verstrekking mogelijk is.

Bij gebreke van gelijke gevallen, kan naar het oordeel van de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor eiseres geen aanspraak bestaat op kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2003. Het beroep zal mitsdien ongegrond worden verklaard.

Schadevergoeding overschrijding beslistermijn

Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 6 november 2003 tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaren verstreken. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat het verzoek om schade zich beperkt tot de periode van de behandeling in eerste aanleg op 27 juni 2005 tot aan de zitting van 27 mei 2008. Een periode van om en nabij drie jaar.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 4 juni 2008 (LJN: BD3121) en van de CRvB van 11 juli 2008 (LJN: BD7033) acht de rechtbank zich bevoegd te oordelen op dit verzoek van eiseres.

De rechtbank leest deze uitspraken (met name de uitspraak van de AbRvS) zo dat een verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb in situaties als deze met zich meebrengt dat de eis van gegrondverklaring van het beroep, zoals verwoord in dat artikel, eiseres niet kan worden tegengeworpen.

De periode waar eiseres zich over beklaagt is die vanaf de eerste behandeling van het beroep van eiseres door deze rechtbank, tot aan de behandeling ter zitting van de enkelvoudige kamer, nadat het beroep door de CRvB was terugverwezen naar de rechtbank. Deze periode bedraagt bijna drie jaar. In het licht van met name de genoemde uitspraak van de CRvB kan daaraan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de rechtbank.

De rechtbank verbindt hieraan de conclusie dat op grond van het tweede lid van artikel 8:73 van de Awb het onderzoek in de procedure onder nummer AWB 08/1058 AOW moet worden heropend en dat de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie) met – eveneens – verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb dient te worden aangemerkt als partij in deze procedure.

Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffiegeld ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat het onderzoek onder nummer AWB 08/1058 AKW wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van eiseres om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan op 30 januari 2009 door mr. C.G. Meeder, voorzitter en mrs. M.T. Boerlage en M.L. van Emmerik, in tegenwoordigheid van mr. N. van Slooten, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B