Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH1592

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2009
Datum publicatie
02-02-2009
Zaaknummer
13-527109/07 (A) en 13-430582/08 (B) (Promis)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BU9608, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor doodslag en ook voor diverse andere geweldsdelicten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13-527109/07 (A) en 13-430582/08 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 29 januari 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Den Haag” (Unit 1)

Van Alkemadelaan 1256 te ’s-Gravenhage.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna genoemd respectievelijk zaak A en zaak B.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

15 mei 2008, 20 mei 2008, 7 augustus 2008, 21 augustus 2008, 14 november 2008 en

15 januari 2009.

1. Telasteleggingen

Aan verdachte is telastegelegd dat

Zaak A:

1.

hij op of omstreeks 15 maart 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade,

althans opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een vuurwapen een of

meerdere kogels op die [slachtoffer 1] afgevuurd, welke kogel(s) het hoofd van die

[slachtoffer 1] is/zijn binnengedrongen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is

overleden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 15 maart 2007 te

Amsterdam, en of elders in Nederland, een of meer (vuur)wapens van categorie

III, te weten merk Glock, model 26, Kaliber 9x19 mm en/of merk Glock, model

19, kaliber 9x19 en/of merk Makarov, model 61, kaliber 9x18 mm en/of munitie

van categorie III, te weten een of meerdere (kogel)patro(o)n(en), voorhanden

heeft gehad en/of heeft afgeleverd;

3.

hij op of omstreeks 13 maart 2007 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, op voor voornoemde [slachtoffer 2] gericht en/of gericht gehouden;

4.

hij in of omstreeks de 1 maart 2007 tot en met 31 maart 2007 te Amsterdam [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen,

althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op voornoemde [slachtoffer 3] gericht

en/of gericht gehouden;

5.

hij en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 15 maart 2007 tot

en met 19 mei 2007, te Amsterdam, althans in Nederland, een voorwerp, te weten

geldbedrag(en), heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad,

heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten

geldbedrag(en), gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij en/of zijn

mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, in elk geval witwassen;

6.

hij in of omstreeks de periode van 15 maart 2007 tot en met 19 mei 2007 te

Amsterdam en of elders in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

opzettelijk [persoon 1] door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van

gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft uitgelokt om in voornoemde

periode [persoon 2] en/of [persoon 3] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag,

in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde

[persoon 2] en/of [persoon 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

De rechtbank leest het in de 4e regel van het telastegelegde vermelde “door geweld en/of bedreiging met geweld” niet aldaar in maar in de 7e regel voor de woorden “te dwingen”, aangezien hier sprake is van een kennelijke misslag. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.

Zaak B:

hij op of omstreeks 22 februari 2008 te Ter Apel (PI Ter Apel) ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer 4] van het leven te beroven en/of zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met

een mes in zijn hand naar voornoemde [slachtoffer 4] is toegelopen en vervolgens in/op

het hoofd van die [slachtoffer 4] heeft gestoken en/of een of meerdere stekende

beweging(en) richting het hoofd en/of de buik van die [slachtoffer 4] heeft gemaakt,

althans in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 4];

2. Voorvragen

2.1 Ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Grofweg is dit betoog gestoeld op drie pijlers, die hierna achtereenvolgens worden besproken. De eerste pijler betreft het gesprek dat verdachte heeft gehad met enkele leden van de Koninklijke Marechaussee, de tweede pijler betreft het horen door de politie van getuige

[getuige 1] en de derde pijler betreft detournement de pouvoir.

Marechaussee

Ter inleiding merkt de rechtbank het volgende op. De voorlopige hechtenis van verdachte die op 19 mei 2007 werd aangehouden op verdenking van onder meer de moord danwel doodslag op [slachtoffer 1] werd 24 augustus 2007 opgeheven. Vervolgens kwam verdachte in vreemdelingendetentie en zou hij op 10 september 2007 worden uitgezet naar zijn thuisland Israel. Deze uitzetting werd begeleid door een viertal leden van de Koninklijke Marechaussee. Verdachte voerde, voordat zij aan boord gingen van het vliegtuig, een gesprek met hen waarbij hij op een gegeven moment een zin heeft uitgesproken die bij de leden van de Marechaussee de indruk wekte dat hij mogelijk sprak over een levensdelict. Vervolgens is verdachte wederom aangehouden voor het onder 1 van zaak A telastgelegde feit en opnieuw in voorlopige hechtenis gekomen.

De raadsman heeft gevorderd dat de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren, nu vast staat dat de opsporingsambtenaren die de uitzetting van [verdachte] op 10 september 2007 hebben voorbereid en begeleid, hem niet de cautie hebben gegeven.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Daartoe wordt overwogen dat er, onder de – hierna te noemen – omstandigheden die uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn op te maken met betrekking tot de contacten tussen de opsporingsambtenaren en [verdachte] op 10 september 2007, geen verplichting op deze ambtenaren rustte om [verdachte] de cautie te geven.

De cautie blijft, blijkens artikel 29 eerste en tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv), beperkt tot gevallen waarin iemand als verdachte wordt gehoord. De strekking van artikel 29 Sv, het behoeden van verdachte tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling, brengt mee dat als verhoor als bedoeld in dit artikel worden beschouwd alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdacht aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit (Hoge Raad, 2 oktober 1979, NJ 1980, 243). Van een verhoor is geen sprake, indien de verdachte geheel op eigen initiatief en zonder dat hem dienaangaande een vraag is gesteld ten overstaan van een niet met het onderzoek belaste politieman een bekentenis aflegt (Hoge Raad, 8 maart 1988, NJ 795). Dat wordt anders, indien zo’n spontane bekentenis wordt uitgelokt, waardoor het spontane karakter aan de bekentenis ontvalt.

Op 10 september 2007 hebben de opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee [opsporingsambtenaar 1], [opsporingsambtenaar 2], [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] de uitzetting van [verdachte], die zich toen in vreemdelingendetentie bevond, voorbereid. Zij hebben de hoedanigheid van opsporingsambtenaar, maar zij traden die dag niet als zodanig op en zij waren die dag niet belast met het onderzoek naar de strafbare feiten, waarvan [verdachte] werd verdacht. [opsporingsambtenaar 1] heeft als getuige ter terechtzitting van 15 mei 2007 verklaard dat de volgende verklaring van [verdachte] uit het niets kwam: I will tell you a secret. Listen carefully. I did it because a man was tortured me for 20 years, of woorden van gelijke strekking. [opsporingsambtenaar 2] heeft als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat de bewuste woorden – in essentie de woorden die [opsporingsambtenaar 1] heeft gehoord – ineens tussendoor, uit het niets, kwamen. [opsporingsambtenaar 3] heeft als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat het stil was, dat ineens de passage over ‘rape and torture’ kwam, en dat het toen weer stil was, en dat [verdachte] de woorden die hij, [opsporingsambtenaar 3], met betrekking tot ‘rape and torture’ heeft gehoord, er ineens doorheen zei. [opsporingsambtenaar 4] heeft ter gelegenheid van zijn verhoor bij de politie en als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij en zijn collega’s [verdachte] niets hebben gevraagd en dat [verdachte] spontaan zei: What would you do, met een vergelijking als je vrouw of kind verkracht zou worden. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat deze ambtenaren, die zich bezig hielden met de uitzetting van een vreemdeling, vragen hebben gesteld over de mogelijke betrokkenheid van [verdachte] bij een geconstateerd strafbaar feit. Evenmin kan worden gezegd dat de ambtenaren [verdachte] als verdachte hebben aangemerkt of hadden moeten aanmerken. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de ambtenaren de uitlatingen van [verdachte] op enigerlei wijze hebben uitgelokt of anderszins iets hebben gedaan waardoor het spontane karakter van de uitlatingen zou komen te vervallen.

De rechtbank is om deze redenen van oordeel dat [verdachte] de voornoemde uitlatingen geheel op eigen initiatief, en zonder dat hem dienaangaande een vraag is gesteld, ten overstaan van niet met het onderzoek belaste opsporingsambtenaren heeft gedaan. De ambtenaren waren dan ook niet gehouden hem de cautie te geven.

De raadsman heeft verder betoogd dat [opsporingsambtenaar 1], [opsporingsambtenaar 2], [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] het proces-verbaal van 11 september 2007, waarin de voornoemde uitlatingen van verdachte zijn vastgelegd, valselijk hebben opgemaakt, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft daartoe gesteld dat tijdens de verhoren van deze opsporingsambtenaren na het opmaken van het proces-verbaal van 11 september 2007 duidelijk is geworden dat niet alle vier opsporingsambtenaren genoemde uitlatingen van verdachte hebben gehoord, terwijl dat wel in dat proces-verbaal is vastgelegd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Dat het proces-verbaal valselijk zou zijn opgemaakt, zoals de raadsman betoogt, is niet aannemelijk geworden. Uit de voornoemde verklaringen bij de politie, ten overstaan van de rechter-commissaris en ter terechtzitting, volgt enkel dat het relaas van de ambtenaren na 11 september 2007 is genuanceerd, in dier voege dat [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] een deel van genoemde uitlatingen niet hebben gehoord. Deze nuancering laat de verklaringen – die op de wezenlijke punten met elkaar overeenstemmen – voor het overige onverlet. Om deze redenen ziet de rechtbank, ook gelet op de door de raadsman genoemde uitspraak van de rechtbank Roermond van 6 november 2007, NJSF 303, geen grond om de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie uit te spreken.

De raadsman heeft voorts betoogd dat [opsporingsambtenaar 1] heeft gelogen door te verklaren dat [verdachte] voor hem geen verdachte was. De raadsman heeft in dat verband verwezen naar de verklaring van [opsporingsambtenaar 2] dat [opsporingsambtenaar 1] van de verdenking wist. Dat [opsporingsambtenaar 1] heeft gelogen, is niet aannemelijk geworden. Immers, [opsporingsambtenaar 1] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij van de mogelijke verdenkingen tegen [verdachte] wist (op grond van een M118-formulier), zodat de verklaring van [opsporingsambtenaar 1] op dit punt overeenstemt met de voornoemde verklaring van [opsporingsambtenaar 2]. De verklaring van [opsporingsambtenaar 1] dat [verdachte] voor hem geen verdachte was, moet worden bezien in samenhang met de taak van [opsporingsambtenaar 1] om de uitzetting van [verdachte] in goede banen te leiden. Aldus heeft [opsporingsambtenaar 1] in zoverre niet meer of anders verklaard dan dat hij niet met de verdenkingen tegen [verdachte] bezig was. Om deze redenen verwerpt de rechtbank dit betoog van de raadsman.

Getuige [getuige 1]

De raadsman heeft voorts betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu hij de getuige [getuige 1] ten overstaan van de politie heeft doen horen, nadat de rechter-commissaris op verzoek van de raadsman had aangekondigd dat deze getuige door de rechter-commissaris zou worden gehoord.

Dit betoog gaat niet op, reeds omdat deze getuige ten tijde van genoemde aankondiging door de rechter-commissaris niet eerder was gehoord. Overigens heeft dit verhoor niet geleid tot verklaringen die tot het bewijs bijdragen en heeft de officier van justitie verklaard dat hij zijn voornemen om [getuige 1] door de politie te doen horen reeds bij de rechter-commissaris in aanwezigheid van andere raadslieden heeft medegedeeld, terwijl de raadsman kennelijk toen daarbij niet aanwezig was, zodat hoogstens sprake is van verwarring. Om al deze redenen ziet de rechtbank geen gronden de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie uit te spreken.

Détournement de pouvoir

De raadsman heeft in dit verband tot slot betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu sprake is van détournement de pouvoir. Daartoe stelt de raadsman dat de rechter-commissaris op 10 september 2007 buiten aanwezigheid van de raadsman de officier van justitie heeft gesproken over de voorlopige hechtenis.

De rechtbank verwerpt dit verweer, nu het beroep op détournement de pouvoir niet wordt geschraagd door de feiten en ook ambtshalve niet is vast te stellen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is op te maken dat de rechter-commissaris de officier van justitie heeft medegedeeld dat zij in elk geval bij voorgeleiding van verdachte wenste te worden geïnformeerd over de vermeende gronden voor haar bevoegdheid, waarna de officier van justitie heeft besloten verdachte voor de raadkamer van de rechtbank te brengen in verband met een novum, dat naar zijn oordeel besloten lag in de uitlatingen van verdachte tegenover de Marechaussee. De raadkamer heeft de gevangenneming van verdachte bevolen, welk bevel na hoger beroep van verdachte is bekrachtigd door het gerechtshof. Onder deze omstandigheden is er in zoverre geen grond om de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie uit te spreken.

De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding van zaak A onder 5 nietig dient te worden verklaard, omdat deze niet voldoet aan het gestelde in artikel 261 Wetboek van Strafvordering.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat nu in de telastelegging een feitelijke omschrijving van de strafbare gedragingen, welke verdachte zou hebben begaan, ontbreekt, de dagvaarding niet aan het gestelde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldoet, zodat deze nietig dient te worden verklaard.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Vrijspraak

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsman van verdachte niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen in zaak A onder 4 is telastegelegd.

Het vermeende slachtoffer zelf heeft ontkend bedreigd te zijn en ook overigens zijn er geen feiten gesteld of aannemelijk geworden dat verdachte dit feit gepleegd zou hebben.

Verdachte dient daarom van dit feit te worden vrijgesproken.

3.2. Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart het in zaak A onder 1, 2, 3 en 6 en in zaak B telastegelegde wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hieronder opgenomen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Zaak A:

1.

op of omstreeks 15 maart 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade,

althans opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een vuurwapen een of

meerdere kogels op die [slachtoffer 1] afgevuurd, welke kogels het hoofd van die

[slachtoffer 1] zijn binnengedrongen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is

overleden;

2.

in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 15 maart 2007 te

Amsterdam, en of elders in Nederland, een of meer vuurwapens van categorie

III, te weten merk Glock, model 26, Kaliber 9x19 mm en/of merk Glock, model

19, kaliber 9x19 en/of merk Makarov, model 61, kaliber 9x18 mm en/of munitie

van categorie III, te weten een of meerdere kogelpatronen, voorhanden

heeft gehad en/of heeft afgeleverd;

3.

op of omstreeks 13 maart 2007 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, op voor voornoemde [slachtoffer 2] gericht en/of gericht gehouden;

6.

in of omstreeks de periode van 15 maart 2007 tot en met 19 mei op 5 en 6 april 2007 te

Amsterdam en of elders in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

opzettelijk [persoon 1] door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van

gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft uitgelokt om in voornoemde

periode [persoon 2] en/of [persoon 3] door geweld en/of bedreiging met geweld te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [persoon 2] en/of [persoon 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Zaak B:

op of omstreeks 22 februari 2008 te Ter Apel (PI Ter Apel) ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer 4] van het leven te beroven en/of zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met

een mes in zijn hand naar voornoemde [slachtoffer 4] is toegelopen en vervolgens in/op

het hoofd van die [slachtoffer 4] heeft gestoken en/of een of meerdere stekende

bewegingen richting het hoofd en/of de buik van die [slachtoffer 4] heeft gemaakt.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

Ten aanzien van zaak A feit 1:

4.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat naar zijn oordeel de verdachte het slachtoffer opzettelijk heeft doodgeschoten. De voorbedachte rade en dus een moord is niet te bewijzen.

De officier van justitie heeft zijn standpunt onderbouwd in zijn schriftelijke requisitoir, hetwelk als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht zijn cliënt vrij te spreken. Daartoe heeft de raadsman, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Zijn cliënt ontkent dat hij zijn jeugdvriend van het leven heeft beroofd. Het dossier bevat geen enkel overtuigend belastend bewijsmateriaal jegens cliënt. Zeer wel is mogelijk dat een ander of anderen, en in het bijzonder Israëlische criminelen waarmee het slachtoffer kort voor zijn overlijden contact had, de dader is/zijn geweest. Diverse afgelegde verklaringen, in het bijzonder de verklaringen van de getuigen [opsporingsambtenaar 1], [opsporingsambtenaar 2], [opsporingsambtenaar 3], [opsporingsambtenaar 4] en [getuige 2], kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd. Het NFI rapport is niet indicatief voor het tijdstip van overlijden en daarnaast is het DNA-spoor, aangetroffen op een ter plaatse gevonden huls, niet een DNA-spoor van verdachte, aldus steeds de raadsman.

De raadsman heeft zijn verweer gevoerd, overeenkomstig de pleitaantekeningen, welke als hier ingevoegd dienen te worden beschouwd. De verweren zullen hierna worden besproken.

4.3. Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat.

Op donderdag 15 maart 2007 omstreeks 22.00 uur werd door verbalisanten een onderzoek ingesteld in de woning aan de [adres 1] te Amsterdam. Op de vloer in de woonkamer werd het lichaam van een levenloze man aangetroffen op zijn buik liggend op een matras. Er was bloed zichtbaar op het achterhoofd.

De gemeentelijk lijkschouwer heeft schouw verricht op het stoffelijk overschot waarbij door hem 2 (vermoedelijk schot)verwondingen in het achterhoofd werden geconstateerd.

Op 17 maart 2007 is het stoffelijk overschot geïdentificeerd als: [slachtoffer 1], geboren te [geboorteland] op [geboortedatum] 1973.

Uit het obductieverslag blijkt dat het overlijden van [slachtoffer 1], volledig wordt verklaard door de schotletsels en de daardoor opgetreden verwikkelingen. Het tijdstip van overlijden van het slachtoffer kan niet door middel van het nomogram van Henssge voor het berekenen van de postmortale termijn op basis van temperatuurmeting worden bepaald. Op basis van een gecorrigeerd lichaamsgewicht van 200 kg zou het tijdstip van overlijden 09.18 uur op 15 maart 2007 zijn, met een spreiding tussen 06.30 uur en 12.06 uur. De grenzen geven daarbij een waarschijnlijkheidsinterval van 95% aan. Gegeven het feit dat op grond van het hogere gecorrigeerde lichaamsgewicht een eerder in de tijd gelegen tijdstip van overlijden kan worden verwacht, is het aannemelijk dat dit tijdstip (en de daarbij horende spreiding) eerder zal zijn dan 09.18 uur op 15 maart 2007.

Verdachte heeft de volgende verklaringen afgelegd: De dag van de moord heb ik [slachtoffer 1] voor het laatst gezien. Het was de dag dat ik Nederland heb verlaten. [slachtoffer 1] wordt [bijnaam slachtoffer 1] genoemd. Op donderdagochtend ben ik naar de woning van [persoon 4] gegaan. Toen ik binnenkwam zag ik dat [bijnaam slachtoffer 1] op de grond op een matras lag te slapen. Ik zei tegen hem dat ik met hem wilde praten en hij zei dat hij niet met mij wilde praten. Ik heb de sleutels in de richting van [bijnaam slachtoffer 1] gegooid en ben weggegaan. Daarna ben ik met de [merk auto] naar Schiphol gereden. Ik heb daarna met [getuige 2] gebeld, die is met de trein naar Schiphol gekomen en heeft de [merk auto] opgehaald. Op Schiphol heb ik eerst geprobeerd om een ticket te kopen naar Spanje, maar dat lukte niet, daarna ben ik met de trein naar Eindhoven gegaan, maar daar kon ik ook geen ticket krijgen voor Spanje, want het vliegtuig was net weg. Daar heb ik toen een ticket gekocht voor een vlucht naar Thailand. Ik ben toen met de taxi teruggereden naar Schiphol en ik ben laat in de avond vertrokken naar Thailand.

De getuige [getuige 2] heeft op 22 november 2007 bij de rechter commissaris het volgende verklaard: Ik heb [verdachte] op Schiphol gezien. Hij wilde de auto geven. Hij had een keppel op en was helemaal bezweet. Hij moest weg. Hij was over zijn toeren. Hij belde mij een of twee dagen later en zei toen: You’ll see it on the news. I did something terrible. I had to do it, he pressed me for 20 years. Ik heb hem wel gevraagd wat voor ergs hij gedaan had. Toen zei hij: You’ll see it on the news. Het was op AT5, maar ik weet niet of dat al op tv was geweest voordat ik hem sprak of dat [persoon 5] al in de stad had gehoord was er gebeurd was. De getuige heeft met ‘[verdachte]’ verdachte bedoeld en met ‘[persoon 5]’ haar vriend.

In een telefoontap van 12 april 2007 is het volgende opgenomen:

[persoon 6] wordt gebeld door [verdachte] vanuit Thailand.

[verdachte]: Die man heeft alles voor de overledene gedaan. Hij waste zelfs zijn onderbroeken en hij...hij spuugde op hem... Hij gaf hem klappen en zo, snap je?

[persoon 6]: Ja.

[verdachte]: Toen werd hij gek, klaar, afgelopen. Hij was het zat.

[persoon 6]: Ja.

[verdachte]: Hij was het zat.

[persoon 6]: Ik snap het.

De getuige [persoon 2] heeft over een telefoongesprek met verdachte het volgende verklaard: [verdachte] heeft me na de moord een keer gebeld. Hij vertelde mij dat hij bang was en niet hier wilde blijven. Hij wilde niet dat de politie vragen aan hem ging stellen, hij vertelde dat hij een heel goede vriend was van [slachtoffer 1] en dat het hem erg veel pijn deed dat hij dood was. [verdachte] zei dat het een kennis van [slachtoffer 1] was die hem heeft vermoord, omdat [slachtoffer 1] heel slecht was geweest voor die kennis.

Uit het proces-verbaal van 11 september 2007 vloeit voort dat [opsporingsambtenaar 1], [opsporingsambtenaar 2], [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] eveneens hebben gehoord dat [verdachte] de onderstaande zinnen had geuit, met dien verstande dat dit voor wat betreft [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] later is genuanceerd, zoals hiervoor is overwogen. De voornoemde getuige [opsporingsambtenaar 1] heeft verklaard: Op 10 september 2007 nam ik samen met 3 collega’s en [verdachte] plaats in de cellenruimte van Schiphol. Ik hoorde [verdachte] zeggen: I will tell you a secret between you and me; I did it because a man tortured and followed me for twenty years, that is the reason why I did it. What would you do if it happened to you? Even iets tussen ons, die gozer die vermoord is heeft me 20 jaar gemarteld en gevolgd, dus ik moest het doen. Later hoorde ik van mijn collega [opsporingsambtenaar 4] dat [verdachte] zou hebben gezegd: What would you do if your wife is raped? This man tortured and followed me for twenty years.

Bij de rechter-commissaris zijn de getuigen [opsporingsambtenaar 1], [opsporingsambtenaar 2], [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] gehoord. Uit deze verhoren blijkt dat deze getuigen blijven bij hun verklaringen over hetgeen [verdachte] op 10 september 2007 op Schiphol heeft verklaard.

Ter terechtzitting van 15 mei 2008 is [opsporingsambtenaar 1] nogmaals gehoord en heeft hij verklaard te blijven bij zijn verklaringen over hetgeen [verdachte] op 10 september 2007 op Schiphol heeft verklaard. Ter gelegenheid van deze terechtzitting heeft de getuige de door hem op 10 september 2007 gehoorde woorden, en de omstandigheden dienaangaande, nogmaals herhaald, waarbij zijn verklaring op de wezenlijke punten overeenstemt met zijn verklaringen bij de politie en ten overstaan van de rechter-commissaris.

In het verhoor dat volgde op het gesprek met de Marechaussee heeft verdachte verklaard: Ik heb van [bijnaam slachtoffer 1] twintig jaar leed gehad. Echt vernederende dingen. Ik heb die dingen onderdrukt. Ik kan er verder niet over praten.

4.4 Behandeling van de verweren

De raadsman heeft betoogd dat niet verdachte, maar een ander (aan wie verdachte de sleutels van de woning aa[adres 1] heeft afgegeven) de schutter was, waarbij de raadsman heeft verwezen naar contacten tussen het slachtoffer en Israëlische criminelen kort voor 15 maart 2007. Dit verklaart de uitlatingen van verdachte tegenover [getuige 2], [opsporingsambtenaar 1], [opsporingsambtenaar 2], [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4], aldus de raadsman. De raadsman, die een persoon genaamd “[naam]” of “[naam]” heeft genoemd als schutter, heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie ten onrechte heeft nagelaten op dit terrein nader onderzoek te verrichten. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte voor zijn leven vreest en daarom hierover geen openheid van zaken kan geven. Verdachte heeft dit laatste ter terechtzitting bevestigd.

Dit betoog wordt weerlegd door de vorenstaande bewijsmiddelen. Bovendien is uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet op te maken dat verdachte in zijn vele verklaringen tegenover de politie heeft gezegd dat hij op 15 maart 2007 de sleutels van de woning aa[adres 1] aan een derde heeft afgegeven. Integendeel, hij heeft bij de politie verklaard dat hij de sleutels in die woning in de richting van het slachtoffer heeft gegooid. Noch tegenover [getuige 2], [opsporingsambtenaar 1], [opsporingsambtenaar 2], [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4], noch in de vele afgeluisterde telefoongesprekken, heeft verdachte melding gemaakt van de ter terechtzitting gestelde afgifte van de sleutels aan een derde. Ook de angst die verdachte ter terechzitting zegt te hebben voor het leven van zijn 4 broers en dertien neven in Israel in verband met het criminele milieu waarbinnen de moord zich zou hebben afgespeeld, wordt pas voor het eerst ter terechtzitting van 15 januari 2009 gevoerd. In de telefoongesprekken tussen verdachte en zijn broer is dit nimmer een onderwerp van gesprek. Deze angst is daarom niet aannemelijk en kan niet verklaren dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven betreffende de

- in de ogen van de verdediging - echte schutter.

Bij het vorenstaande komt nog dat verdachte op 15 maart 2007 met grote haast heeft geprobeerd een ticket naar Spanje te kopen en later, met een in Eindhoven gekocht ticket, dezelfde avond naar Thailand is gevlogen, zonder iemand vooraf te hebben bericht dat hij voornemens was Nederland te verlaten.

Gelet op het vorenstaande staat het gegeven, dat het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek heeft verricht naar contacten tussen het slachtoffer en Israëlische criminelen, niet in de weg aan de bewezenverklaring hiervoor.

De raadsman heeft aangevoerd dat het obductieverslag en het rapport over het tijdstip van overlijden niet als belastend bewijsmateriaal kunnen worden gebruikt omdat in dit verband geen betrouwbare schatting mogelijk is en de verdediging verder niet in de gelegenheid is gesteld contra-expertise te laten uitvoeren.

De rechtbank overweegt dat ter terechtzitting van 27 maart 2008 is besloten het verzoek van de raadsman tot het bevelen van een contra-expertise af te wijzen, nu omtrent het tijdstip van het overlijden is gerapporteerd door een deskundige van het NFI. De rechtbank ziet ook thans geen aanleiding om alsnog contra-expertise te laten verrichten. De rechtbank ziet geen gronden om te twijfelen aan de conclusies van de deskundigen of de wijze waarop zij het onderzoek hebben uitgevoerd.

De raadsman heeft betoogd dat de getuige [getuige 2] zich heeft vergist en de hiervoor weergegeven woorden niet uit de mond van verdachte heeft gehoord. De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank is van oordeel dat de getuige [getuige 2] de hiervoor weergegeven woorden uit de mond van verdachte heeft gehoord. Hoewel deze getuige ten overstaan van de rechter-commissaris niet meer exact wist te reconstrueren of verdachte deze woorden op Schiphol dan wel tijdens telefoongesprekken daarna tegen haar heeft gezegd, heeft zij bij de politie en ten overstaan van de rechter-commissaris uitvoerig verklaard over de omstandigheden van haar voornoemde contacten met verdachte en heeft zij stellig verklaard dat hij de voornoemde woorden tegen haar heeft gezegd. Daarbij is van belang dat uit de verklaring van de getuige ten overstaan van de rechter-commissaris blijkt dat verdachte haar vaker belde, hetgeen verklaart dat zij zich ten overstaan van de rechter-commissaris het moment waarop zij de woorden heeft gehoord niet meer exact kon herinneren.

De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van [opsporingsambtenaar 1], [opsporingsambtenaar 2], [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, nu verdachte zijn desbetreffende uitlatingen heeft doen voorafgaan door de woorden ‘de politie denkt’, zodat hij slechts de inhoud van het dossier heeft willen weergeven. De uitlatingen van verdachte kunnen dan ook niet als bekentenis worden opgevat, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat deze getuigen de Engelse taal niet goed beheersen waardoor zij de woorden van verdachte niet goed hebben kunnen verstaan.

De rechtbank verwerpt deze verweren. Uit hun verklaringen blijkt dat de getuigen [opsporingsambtenaar 1], [opsporingsambtenaar 2], [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] de hiervoor weergegeven woorden uit de mond van verdachte hebben gehoord, zónder de toevoeging ‘de politie denkt’ vooraf. Dat verdachte daarnaast tegenover deze getuigen ook heeft verklaard over hetgeen de politie denkt, doet daar niet aan af. Bovendien valt het op dat verdachte dit niet meteen in zijn verhoor door de politie dat volgde op het gesprek met de Marechaussee naar voren heeft gebracht. Het is zelfs zo dat verdachte in dat verhoor heeft gezegd dat hij 20 jaar leed heeft gehad van [bijnaam slachtoffer 1], waarmee hij in feite een deel van zijn uitlatingen juist bevestigt.Voorts blijkt uit de verklaringen dat deze getuigen de Engelse taal, die zij in hun dagelijkse werkzaamheden bezigen, voldoende beheersen om de uitlatingen van verdachte te verstaan. De getuigen hebben de in de Engelse taal gestelde uitlatingen van [verdachte] immers desgevraagd correct in het Nederlands weergegeven, waaruit blijkt dat zij de betekenis van de Engelse woorden voldoende begrijpen. Dit blijkt ook uit de verklaring van [opsporingsambtenaar 1] in het Nederlands en in het Engels, zoals de rechtbank deze heeft gehoord ter terechtzitting van 15 mei 2008.

De raadsman heeft erop gewezen dat het op de patroon vlak bij het lichaam van het slachtoffer aangetroffen DNA-spoor niet van verdachte is. De raadsman heeft betoogd dat verdachte om die reden dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij de casus van het telastegelegde ter gelegenheid van een cursus heeft voorgelegd aan een deskundige, R. Eikelenboom, en dat deze deskundige desgevraagd heeft verklaard dat van ‘secondary transfer’ van het DNA-spoor geen sprake kan zijn. De raadsman heeft verzocht R. Eikelenboom als deskundige te benoemen teneinde op dit punt nader onderzoek te doen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het NFI rapport blijkt dat er in het huis, op de vloer vlak bij het stoffelijk overschot van het slachtoffer, een patroon is aangetroffen met daarop een DNA-spoor van [persoon 7]. Ook indien, met de raadsman, wordt aangenomen dat dit DNA-spoor van [persoon 7] niet door middel van ‘secondary transfer’ op de patroon is gekomen, dan nog is dit niet disculperend voor verdachte. Ten eerste laat dit spoor de vorenstaande bewijsmiddelen ten laste van verdachte onverlet. Ten tweede heeft de officier van justitie, gestaafd met verklaringen en foto’s, betoogd dat [persoon 7] het telastegelegde niet kan hebben begaan, nu hij, [persoon 7], zich op de dag van het telastegelegde aantoonbaar in [buitenland] bevond. Ten derde was deze patroon niet afgevuurd, en heeft het NFI niet kunnen vaststellen of deze patroon was geladen in het vuurwapen waarmee het telastegelegde is gepleegd, zodat een verband tussen de patroon en het telastegelegde niet is komen vast te staan. Daarbij is van belang dat [persoon 7] in het huis waar het slachtoffer dood is aangetroffen heeft gewoond, dat in dat huis meer munitie is aangetroffen, en dat het op de patroon aangetroffen DNA-spoor van [persoon 7] uit deze feiten kan worden verklaard. Om deze redenen ziet de rechtbank geen gronden om het verzoek van de raadsman met betrekking tot R. Eikelenboom te honoreren.

4.5 Slotsom

De rechtbank vat de diverse verklaringen en gesprekken van verdachte over de dood van [slachtoffer 1], namelijk het gesprek met de Marechaussee alsmede het verhoor dat daarop volgt, het gesprek met [getuige 2] en de telefoongesprekken met [persoon 6] en [persoon 2], in onderling verband beschouwd, op als een verkapte bekentenis. Overigens merkt de rechtbank op dat verdachte regelmatig over zichzelf spreekt in de derde persoon, zodat de rechtbank het er voor houdt dat verdachte in feite over zichzelf spreekt in de telefoongesprekken met [persoon 6] en [persoon 2].

Dat verdachte in zekere zin bekent dat hij [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd wordt voorts ondersteund door het volgende.

Uit diverse getuigenverklaringen, waaronder die van de echtgenote van het slachtoffer, komt naar voren dat verdachte en het slachtoffer ruzie hadden.

Verdachte is op de dag van de dood van het slachtoffer bij hem geweest en heeft met hem gesproken. Na het overlijden vertoont verdachte vluchtgedrag door diezelfde dag, in opgewonden toestand, na mislukte pogingen naar Spanje af te reizen, te vertrekken naar Thailand.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de uitgebreide verhoren van verdachte door de politie, waarbij opvalt dat hij draait en liegt en ook regelmatig kwaad wordt. Verdachte maakt tot aan de zitting van 15 januari 2009 nimmer melding van de overdracht van sleutels of angst voor het criminele milieu waarin het slachtoffer zich zou bewegen.

Voorts is verdachte kennelijk leugenachtig over de vraag hoe hij te weten kwam dat [slachtoffer 1] was overleden.

Verdachte verklaart namelijk tegenover de politie dat hij van zijn broer [broer verdachte] gehoord heeft dat [bijnaam slachtoffer 1] dood was. Verdachte verklaart dat [broer verdachte] gezegd zou hebben: “Ik heb gehoord dat ze je vriend hebben vernietigd.” “Zo zegt men dat in slang” voegt verdachte daar nog aan toe.

[broer verdachte] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij niet aan zijn broer [verdachte] verteld heeft dat [slachtoffer 1] vermoord was.

De rechtbank kan zich niet voorstellen dat verdachte, als hij de zo ingrijpende mededeling met betrekking tot de tragische dood van zijn jeugdvriend [slachtoffer 1] van een ander zou hebben gehoord, hij zich niet zou kunnen herinneren van wie.

Uit de telefoontap van een gesprek tussen verdachte en zijn broer [broer verdachte] op 9 juli 2007 blijkt het volgende:

[verdachte] vraagt aan [broer verdachte]: Wie heeft jou verteld of van wie heb je gehoord over de moord?

[broer verdachte]: Van een gerucht van mensen in [plaatsnaam], van zijn jeugdvrienden.

[verdachte]: Heb jij me verteld dat [bijnaam slachtoffer 1] was vermoord?

[broer verdachte]: Nee natuurlijk niet.

[verdachte]: Nee?

[broer verdachte]: Nee.

[verdachte]: O...uh..oke. Toen ik je belde, was dat op de dag van de moord?

[broer verdachte]: Nee.

[verdachte]: Hebben ze je gevraagd of ik je op de dag van de moord had gebeld?

[broer verdachte]: Nee, dat hebben ze met niet gevraagd.

[verdachte]: Hebben ze gevraagd of ik je gebeld had een dag na de moord?

[broer verdachte]: (even stil) Ik zei dat ik mij dat niet meer kon herinneren.

[verdachte]: Dat je je dat niet meer kon herinneren?

[broer verdachte]: Ik zei dat in al onze gesprekken, jij altijd het initiatief nam, dat jij naar me toe had gebeld.

[verdachte]: Mooi. Hebben ze gevraagd, op of na de dag van de moord, luister nu goed, hebben ze je gevraagd of ik de dag na de moord gebeld had?

[broer verdachte]: Nee, nee, nee, deze vraag hebben ze me niet gesteld.

[verdachte]: Hebben ze dat niet gevraagd? Je weet toch dat het verhoor werd opgenomen? Zowel geluid als beeld.

[broer verdachte]: Ja, dat weet ik. Ze hebben me dat niet gevraagd. En ook al hebben ze dat gevraagd- dan heb ik ze gezegd dat ik me dat niet kon herinneren, want ik kan me dat echt niet herinneren.

[verdachte]: Oke, mooi.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte tracht te verifiëren de houdbaarheid van zijn verklaring dat zijn broer degene is die aan hem, verdachte heeft gemeld dat [slachtoffer 1] was overleden. Dit in een poging om te verhullen dat verdachte geen plausibele verklaring kan geven voor zijn wetenschap van het overlijden, aangezien hij dit wist uit eigen wetenschap.

Tot slot geldt dat uit het dossier genoegzaam naar voren komt dat verdachte opvliegend en agressief is en voorts de beschikking had over vuurwapens.

Gelet op het vorenstaande, gezien in onderling verband en samenhang, is de rechtbank van oordeel dat verdachte het in zaak A onder 1 telastegelegde feit heeft gepleegd zoals in de rubriek Bewezenverklaring is opgenomen.

Ten aanzien van zaak A feit 2:

5.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht dit feit bewezen.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, nu verdachte dit feit heeft bekend, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5.3. Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat.

Verdachte heeft bij de politie verklaard, dat hij in de woning van [bijnaam slachtoffer 1] 3 pistolen bewaarde, twee pistolen van het merk Glock, kaliber 9 mm en nog een ander wapen, vermoedelijk Tsjechisch. Er zat ook een doos patronen bij, aldus de verdachte. Verdachte verklaarde voor [bijnaam slachtoffer 1] “de bumper”, de bewaarplaats, te zijn.

Uit het proces-verbaal van technisch onderzoek blijkt dat het gaat om vuurwapens van categorie III, te weten merk Glock, model 26, Kaliber 9x19 mm en merk Glock, model

19, kaliber 9x19 en merk Makarov, model 61, kaliber 9x18 mm en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte het in zaak A onder 2 telastegelegde heeft gepleegd zoals in de rubriek Bewezenverklaring is opgenomen.

Ten aanzien van zaak A feit 3:

6.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht dit feit bewezen.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat verdachte handelde in een situatie van noodweer dan wel noodweer-exces. De raadsman heeft erop gewezen dat verdachte heeft verklaard eerst door de taxichauffeur te zijn getrapt en daarna pas het aanstekerpistool op de taxichauffeur te hebben gericht.

6.3. Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat.

In het proces van aangifte van [slachtoffer 2], verklaart deze het volgende. Op 13 maart 2007 reed ik met mijn taxi op de Rijksweg A4, afslag Schiphol. Ik probeerde een rode auto in te halen. De rode auto blokkeerde mijn rijbaan door stil te gaan staan voor mij. Ik zag dat de bestuurder het portierraam opende en ik hoorde dat hij schreeuwde. Ik ben uitgestapt en naar de bijrijderkant van die auto gelopen. Ik vroeg aan hem wat hij nou wilde. Ik zag dat de bestuurder met zijn rechterhand onder zijn jas greep. Ik zag dat zijn hand weer onder de jas vandaan kwam. Ik zag dat de bestuurder een zwart robuust vuurwapen in zijn rechter hand had. Ik schrok en deinsde achteruit. Ik zag dat de bestuurder het vuurwapen op mij richtte.

De verdachte heeft bij de politie bekend op 13 maart 2007 met een taxichauffeur een conflict te hebben gehad, waarna hij, verdachte een aanstekerpistool op de chauffeur heeft gericht.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte het in zaak A onder 3 telastegelegde heeft gepleegd zoals in de rubriek Bewezenverklaring is opgenomen.

6.4 Behandeling van de verweren

Met betrekking tot het beroep op noodweer danwel noodweer-exces verwijst de rechtbank naar respectievelijk rubriek 9. De strafbaarheid van de feiten en 10. De strafbaarheid van verdachte.

Ten aanzien van zaak A feit 6:

7.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht dit feit bewezen.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat bij dit feit sprake is van vrijwillige terugtred. Verdachte heeft [persoon 1] immers aangespoord om niet te gaan naar de gebroeders [persoon 2]. Daarom dient vrijspraak te volgen.

7.3. Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat.

Uit de op 5 en 6 april 2007 afgeluisterde telefoongesprekken tussen verdachte en [persoon 1] blijkt het volgende:

[persoon 1] wordt gebeld door [verdachte] uit Thailand.

[verdachte] dreigt met brandstichting.

Zeg tegen dat als hij jou niet meteen het geld geeft dan laat binnen 2 dagen zijn zaak de lucht ingaan zo moet je tegen hem zeggen ik zal zijn hele zaak in de fik steken – zo moet je zeggen. Zeg tegen hem “Als je het geld niet geeft – komt hij vanuit Eindhoven hier naartoe en zet je hele zaak in de fik, zo moet je tegen hem zeggen, nu met die 700 Euro.”

[verdachte] dreigt met geweld: Ik ga daar met een knuppel naar binnen en ik sla er op los, ze gaan in het gips allebei.

[verdachte] zegt dat hij terug moet komen, want hij moet een paar mensen met een knuppel bewerken..vooral de broeders uit het café [naam café]. “Anders komt hij uit Eindhoven en onthoofdt je” zo moet [persoon 1] tegen die klootzak zeggen.

[persoon 1] wordt gebeld door [verdachte] uit Thailand.

Weet je waar [naam café] is? De eigenaar daarvan heet [persoon 2].

Morgen ga je naar hem toe en dat zeg je tegen hem: “Luister even hoerenzoon! Jij hebt tijdens het gesprek met hem de verbinding verbroken en hij is erg boos op je” Hij wil nu, nu, nu, al het extra geld, dat hij jou had gegeven, terug. Ik heb het berekend, dat is 600 euro en hij wil het nu hebben, geef het me nu.

[persoon 1] begrijpt wat hij tegen [persoon 2] moet zeggen.

[verdachte] instrueert [persoon 1] ook hoe hij dat moet doen:

Je moet er woedend naartoe gaan, je moet je niet als een meisje gedragen.

[persoon 1] belooft er als “een Nederlandse boef” naartoe te gaan.

Uit onderzoek is gebleken dat het gaat om eetcafé [naam café] in Amsterdam. De eigenaren daarvan zijn [persoon 2] en [persoon 3].

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte het in zaak A onder 6 telastegelegde heeft gepleegd zoals in de rubriek Bewezenverklaring is opgenomen.

7.4 Behandeling van de verweren

De raadsman heeft betoogd dat verdachte vrijwillig is teruggetreden doordat hij [persoon 1] na de voornoemde telefoongesprekken nogmaals heeft gebeld en verzocht om van de in de vorenstaande telefoongesprekken beoogde handelingen af te zien, zodat vrijspraak dient te volgen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het telastegelegde betreft een poging tot uitlokking, zoals bedoeld in artikel 46a Sr. De officier van justitie heeft dit in antwoord op vragen van de rechtbank ter terechtzitting bevestigd. De telastegelegde poging tot uitlokking is voltooid op het tijdstip van de voornoemde telefoongesprekken van 5 en 6 april 2007. Een vrijwillige terugtred is derhalve uitgesloten. Het verweer van de raadsman faalt derhalve.

Ten aanzien van zaak B:

8.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie is van oordeel dat poging tot moord bewezen is.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat niet bewezen is dat verdachte het opzet had om aangever te verwonden, zelfs niet in de voorwaardelijke vorm van opzet. Hooguit kan sprake geweest zijn van een eenvoudige mishandeling, maar nu dit niet is telastegelegd dient een vrijspraak te volgen, aldus de raadsman. De raadsman heeft voorts betoogd dat de verklaring van de getuige [persoon 8] niet betrouwbaar is, nu [persoon 8] en [slachtoffer 4] elkaar kennen.

8.3. Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat.

[slachtoffer 4] heeft bij de politie het volgende verklaard. Ik ben momenteel gedetineerd in de PI te Ter Apel. Op vrijdag 22 februari 2008, omstreeks 14.15 uur liep ik de afdeling A0 op. Op onze afdeling staan twee telefooncellen. Ik heb de deur gesloten en ben gaan bellen. Ik stond toen nog steeds met mijn rug naar de deur toe gekeerd. Ik hoorde dat de deur van de telefooncel openging. Ik voelde dat ik met iets werd geraakt aan mijn hoofd. Ik werd geraakt aan de rechter zijde van mijn hoofd. Ik voelde dat het pijn deed en er kwam bloed uit. Ik keek achterom en zag dat de gedetineerde die kort daarvoor in de telefooncel had staan bellen met een mes in zijn handen stond nabij de ingang van de telefooncel, waarin ik stond. Ik zag dat het een metalen mes betrof, hetwelk tot het standaard bestek behoort dat gedetineerden op cel hebben. Ik zag dat hij door een andere gedetineerde, genaamd [persoon 8], werd tegen gehouden. Ik zag namelijk dat [persoon 8] met kracht en moeite deze andere gedetineerde bij de handen vast hield en wegtrok bij de telefooncel vandaan, waarin ik stond. Kennelijk lukte het de mede gedetineerde toch om los te komen. Ik zag namelijk dat hij in mijn richting kwam en dat hij een steekbeweging met het mes in mijn richting maakte. Ik zag dat hij het mes in zijn rechter hand had en met zijn arm van boven zijn hoofd naar beneden een steekbeweging in de richting van mijn hoofd maakte. Ik heb mij toen verdedigd door hem weg te trappen. Ondanks dit lukte het hem toch om de steek beweging af te maken en ik zag en voelde dat hij met het mes van boven naar beneden een steek beweging maakte langs mijn buik.

Getuige [persoon 8] heeft bij de politie het volgende verklaard. Ik ben gedetineerd in de PI te Ter Apel. Op vrijdag 22 februari 2008, omstreeks 14.15 uur bevond ik mij in de hal van genoemde cellengang. Ik zag dat [slachtoffer 4] vervolgens in de telefooncel stapte en ging bellen. [slachtoffer 4] stond met zijn gezicht richting het telefoontoestel en dus met zijn rug naar de deur gekeerd. Ik zag vervolgens dat [verdachte] enkele minuten later uit zijn cel kwam. Ik zag dat [verdachte] strak in de richting van de telefooncel liep, waar [slachtoffer 4] in stond te bellen. Ik kon toen beter zien wat [verdachte] in zijn hand had en zag dat het een mes betrof. Omdat ik [verdachte] wilde stoppen, ben ik voor hem gaan staan en heb hem aangesproken. Ik heb toen in het Engels gezegd: “No, no, no, leave him!” of woorden van gelijke strekking. Ik bedoelde hiermee dat [verdachte] [slachtoffer 4] met rust moest laten. [verdachte] duwde mij echter aan de kant. Ik zag dat [verdachte] door liep in de richting van de telefooncel. Ik zag echter dat [verdachte] de deur van de telefooncel opende. Ik zag vervolgens dat [verdachte] zijn hand met daarin het mes omhoog hief en met kracht naar beneden stak. Ik heb op dat moment [verdachte] om zijn middel gepakt en hem bij [slachtoffer 4] weggetrokken. Hierbij raakte [verdachte] uit balans. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 4] met het mes raakte op het hoofd. Volgens mij werd [slachtoffer 4] aan de zijkant van zijn hoofd geraakt. Hoewel ik probeerde [verdachte] tegen te houden, lukte het hem toch om weer los te komen. Ik zag dat [verdachte] weer zijn hand met daarin het mes omhoog hield en met kracht stak in de richting van [slachtoffer 4]. Ik zag dat [slachtoffer 4] hierbij [verdachte] een trap gaf, waardoor [verdachte] bij [slachtoffer 4] weg werd geduwd. Ik zag dat [verdachte] met het mes nog stak in de richting van [slachtoffer 4]. Terwijl [verdachte] naar achteren kwam, door die trap die [slachtoffer 4] hem gaf, heb ik [verdachte] weer om zijn middel gepakt.

Getuige [persoon 8] heeft op 23 april 2008 ten overstaan van de rechter-commissaris het volgende verklaard. Op de grond van de telefooncel zit een ijzeren plaat en daar zag ik het bloed. [verdachte] kwam op de telefooncel aflopen. Ik hield hem tegen, maar hij duwde me weg en liep door. Ik heb hem vast gepakt. Dat is geweest voordat hij [slachtoffer 4] op het hoofd heeft geraakt.

Met “[verdachte]” bedoelt getuige [persoon 8] de verdachte.

Getuige [persoon 9] van de beveiliging van P.I. Ter Apel heeft verklaard dat verdachte op 22 februari 2008 te 14.30 uur in de inrichting Ter Apel HvB de deur van de telefooncel opende en slaande en schoppende bewegingen maakte naar [slachtoffer 4]; dat [slachtoffer 4] meermalen werd geraakt door verdachte en gewond raakte aan zijn hoofd, hoogstwaarschijnlijk door het mes dat verdachte in zijn hand had; dat [persoon 8] bij de telefooncel stond, verdachte vastgreep en bij de telefooncel wegtrok; en dat verdachte zich losrukte en terugging naar de telefooncel en wederom slaande en schoppende bewegingen maakte. Verder heeft getuige [persoon 9] verklaard dat hij met collega’s verdachte onder controle gebracht, waarbij verdachte pas door middel van pijnprikkels het mes losliet.

In zijn verklaring zegt verdachte op bedoelde dag ruzie te hebben gehad met aangever. Deze ruzie zou hebben bestaan uit het duwen en trekken aan elkaar.

De arts [naam arts] heeft [slachtoffer 4] behandeld en bij [slachtoffer 4] een hevig bloedende hoofdwond geconstateerd.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte het in zaak B telastegelegde heeft gepleegd zoals in de rubriek Bewezenverklaring is opgenomen.

8.4 Behandeling van de verweren

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat opzet en evenmin voorwaardelijke opzet bewezen kan worden, zodat vrijspraak dient te volgen.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdacht met kalm beraad en na rustig overleg heeft gehandeld. De politie heeft vastgesteld dat slechts twee minuten en 25 seconden zijn verstreken vanaf het tijdstip waarop verdachte de telefooncel verliet tot het tijdstip waarop [slachtoffer 4] werd gestoken. De rechtbank acht niet uitgesloten dat verdachte, zoals hij heeft verklaard, in die periode naar de keuken ging en bestek, met inbegrip van een mes, bij zich had.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte heeft gepoogd om [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm zijn de gedragingen van verdachte – krachtige stekende bewegingen met een mes in de richting van het hoofd en de buik van [slachtoffer 4] – zo zeer gericht op ernstig (hoofd)letsel, dat het niet anders kan dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 4] dergelijk letsel zou lijden.

Voorts blijkt uit de hiervoor weergegeven verklaringen van [slachtoffer 4], [persoon 8] en [persoon 9] dat verdachte welbewust naar [slachtoffer 4] is gelopen en [slachtoffer 4] heeft gestoken. Daar komt bij dat verdachte tijdens telefoongesprekken met zijn broer [broer verdachte] heeft verklaard dat “die jongen” drie keer “in zijn hoofd was gestoken”, “een keer in het gezicht en twee keer in het hoofd”, en dat de jongen “zwaar gewond” was. Alhoewel verdachte daarbij niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij [slachtoffer 4] heeft gestoken, maakt deze verklaring van verdachte, in samenhang gelezen met de verklaringen van [slachtoffer 4], [persoon 8] en [persoon 9], duidelijk dat van “gewoon matten” of “duwen en trekken”, zoals verdachte heeft betoogd, geen sprake was.

Uit de gedragingen van verdachte zoals hiervoor omschreven valt af te leiden dat verdachte het opzet had om het slachtoffer zwaar letsel toe te brengen. Het met kracht steken met een metalen mes naar het lichaam en met name het hoofd van een ander kan immers gemakkelijk leiden tot zwaar letsel. Dat dit laatste niet is gebeurd is een omstandigheid die niet aan verdachte te danken is.

Anders dan de raadsman, ziet de rechtbank geen gronden om aan de verklaring van de getuige [persoon 8] te twijfelen, te meer nu deze verklaring op wezenlijke punten steun vindt in de verklaring van [persoon 9]. Dat [persoon 8] en [slachtoffer 4] elkaar kennen doet daaraan niet af.

Gelet op de voornoemde verklaringen van [slachtoffer 4], [persoon 8] en [persoon 9], is de stelling van de raadsman, dat [slachtoffer 4] is gevallen in de telefooncel waardoor daar bloed is aangetroffen, niet aannemelijk geworden.

9. De strafbaarheid van de feiten

Ten aanzien van zaak A feit 3:

Uit de verklaring van aangever blijkt dat verdachte naar aanleiding van een vermeend verkeersconflict de taxichauffeur diverse malen hinderde met zijn auto en vervolgens de weg blokkeerde. Verdachte opende het raam en schreeuwde naar de taxichauffeur. Toen aangever er met zijn auto niet langs kon en hij naar de auto van verdachte toeliep, ging verdachte door met schreeuwen en toonde verdachte vervolgens een op een pistool gelijkend voorwerp. Gelet op de opeenvolgende agressieve gedragingen van de kant van verdachte, was er geen sprake van een weder¬rechtelijke aanranding van verdachte waartegen verdedi¬ging door verdachte noodzakelijk en geboden was. Voorgaande zou niet anders zijn als al zou vast staan dat verdachte daadwerkelijk een trap zou hebben gekregen van [slachtoffer 2]. Dit staat echter niet vast nu alleen verdachte aldus verklaart. Evenmin kan derhalve gezegd worden dat de gewelddadige bedreiging van de taxichauffeur door verdachte, door een noodzakelijke verdedi¬ging geboden was. Het beroep op noodweer wordt om deze redenen verworpen.

Ten aanzien van de overige feiten:

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

10. De strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van zaak A feit 3:

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat

het handelen van verdachte het onmid¬dellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, die door de vermeende aanranding zou zijn veroorzaakt. De rechtbank verwerpt derhalve ook het beroep op noodweer-exces.

Ten aanzien van de overige feiten:

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

11. Motivering van de straf en de maatregelen

11.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest en onttrekking aan het verkeer van het beslag.

Bij deze eis heeft de officier van justitie het volgende overwogen:

De richtlijnen van uw rechtbank aangaande doodslag bewegen zich tussen de 6 en 9 jaar, afhankelijk van de omstandigheden. Voor een enkele moord liggen deze ruwweg tussen de 8 en 15 jaar. Bij een poging gaat een derde van de straf af. Voor een afpersing als die die verdachte heeft geprobeerd uit te lokken zou de rechtbank als de afpersing gelukt zou zijn, een straf van twee jaar kunnen opleggen, afhankelijk van de omstandigheden. Voor het wapenbezit zou normaal gesproken 9 maanden worden opgelegd voor drie wapens. Bedreigingen zijn te casuïstisch om er algemene uitspraken over te doen.

11.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van oordeel dat bij een eventuele oplegging van straf in hoge mate rekening dient te worden gehouden met het feit dat bij verdachte blijvende hartschade is ontstaan, hetgeen het direct gevolg is van nalatigheid van onder het Openbaar Ministerie ressorterende organen, aldus de raadsman.

11.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft een ander om het leven gebracht door hem van achteren een tweetal kogels in het hoofd te schieten, terwijl het slachtoffer op dat moment in bed lag. Dit is een laffe en afschuwelijke daad. De naasten van het slachtoffer, met name zijn echtgenote en zijn twee kinderen, zullen de rest van hun leven met dit verlies en de manier waarop dit is teweeggebracht moeten leven. De rechtsorde is ook ernstig geschokt.

Daarnaast heeft verdachte een medegedetineerde met een mes op zijn hoofd gestoken, een taxichauffeur met een pistool bedreigd en gepoogd een ander te bewegen om bij derden geld af te persen. Tenslotte heeft hij drie vuurwapens met munitie voorhanden gehad. Verdachte is derhalve een gewelddadige man die een gevaar vormt voor zijn omgeving. Verdachte geeft de indruk explosief te zijn en zijn problemen op te lossen door zeer agressief te handelen. Dit gedrag heeft tot veel schade geleid. De houding van verdachte, het ontkennen van de doodslag alsmede het bagatelliseren van de andere bewezen geachte feiten, is bovendien zorgwekkend met het oog op de toekomst. Op grond van het bovenstaande is een vrijheidsstraf van aanmerkelijke duur op zijn plaats.

De rechtbank neemt bij haar strafoplegging de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de zogenoemde oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de hoven en de rechtbanken tot uitgangspunt. Genoemde oriëntatiepunten dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging en worden regelmatig geactualiseerd.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie als uitgangspunt in zijn eis voor ogen had. De verdachte zal in zaak B worden veroordeeld terzake van poging tot zware mishandeling, waar de officier van justitie uitgaat van een poging tot moord. Bovendien moet de ernst van dit feit naar het oordeel van de rechtbank worden gezien in het licht van het gegeven dat dit incident zich heeft voltrokken tussen medegedetineerden die ruzie kregen. Voorts blijken de verwondingen van het slachtoffer niet zwaar te zijn en heeft verdachte al vanuit de inrichting waar hij verbleef, een disciplinaire straf ondergaan. De andersluidende bewezenverklaring alsmede bovengeschetste beschouwing over de strafwaardigheid van dit feit verklaart het verschil in de eis van de officier van justitie en de hierna te noemen straf.

Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte tijdens zijn detentie mogelijk ernstig in zijn gezondheid is benadeeld doordat onder het Openbaar Ministerie ressorterende organen niet adequaat hebben gereageerd toen verdachte om medische hulp vroeg.

Tenslotte heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat niet gebleken is dat verdachte eerder veroordeeld werd.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat na te melden straf passend en geboden is.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 4].

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij:

[slachtoffer 4], niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. In de vordering wordt gesteld dat immateriële schade is geleden ten gevolge van psychische problemen, die zijn ontstaan als gevolg van het in zaak B telastegelegde.

Nu de stelling dat immateriële schade is geleden verder niet is onderbouwd en evenmin zondermeer aannemelijk is geworden dat een dergelijke schade geleden zou zijn, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Drie kartonnen dozen met pillen

Een pistool, merk Glock met houder (3046097)

Een pistool, merk Glock zonder houder (3046100)

Een pistool, merk onbekend (3046101)

34 patronen merk luger 9x19 (3046114)

9 patronen merk luger 9x19 (3046116)

1 patroon merk luger 9x19 uit houder 3046101 (3046122)

50 patronen, merk luger 9mm (3042827)

1 patroonhouder kleur zwart, merk Glock 9mm (3042843),

dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar.

Uit het rapport opgemaakt door [naam] (1939 ev) blijkt dat het bij de drie kartonnen dozen met pillen gaat om pillen bevattende MDMA en vervalsingen van Viagra-pillen. Deze zijn tijdens het opsporingsonderzoek in beslag genomen en behoren toe aan verdachte. Zij zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De vuurwapens en de munitie zijn inbeslaggenomen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit. Verdachte heeft verklaard de wapens en de munitie in bewaring te hebben gehad. Ze zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

12.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 45, 46a, 57, 285, 287, 302 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

13.Beslissing

Verklaart de dagvaarding in zaak A onder 5 nietig.

Verklaart het in zaak A onder 4 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, 2, 3 en 6 en in zaak B telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A onder:

1: Doodslag.

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

meermalen gepleegd.

3. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling.

6. Poging om een ander door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om het

misdrijf afpersing te begaan.

Ten aanzien van zaak B:

Poging tot zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

Drie kartonnen dozen met pillen

Een pistool, merk Glock met houder (3046097)

Een pistool, merk Glock zonder houder (3046100)

Een pistool, merk onbekend (3046101)

34 patronen merk luger 9x19 (3046114)

9 patronen merk luger 9x19 (3046116)

1 patroon merk luger 9x19 uit houder 3046101 (3046122)

50 patronen, merk luger 9mm (3042827)

1 patroonhouder kleur zwart, merk Glock 9mm (3042843)

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Wieland, voorzitter,

mrs. S.E. Sijsma en L.S. Frakes, rechters,

in tegenwoordigheid van J.H. Zandbergen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2009.

mr. S.E. Sijsma is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.