Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH1029

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
06-03-2009
Zaaknummer
AWB 07-1583 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ziet geen aanleiding de schending van artikel 4:8 te passeren, omdat eiser door het achterwege blijven van de vooraankondiging in zijn belangen is geschaad. Door slechts één korte termijn te geven om aan de last te voldoen alvorens de dwangsommen te verbeuren heeft verweerder eiser onvoldoende in de gelegenheid gesteld zelf aan de last te voldoen, terwijl de dwangsom door verweerder is geïncasseerd alvorens de zienswijze van eiser was vernomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07/1583 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. O.E.R.A.M. van der Vlies

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum,

verweerder,

gemachtigde mr. N. Boelens.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2006 heeft verweerder eiser aangeschreven tot het uiterlijk binnen twee weken na dagtekening van het besluit verwijderen van drie zonweringen van het pand aan de [adres] onder oplegging van last onder dwangsom van € 7.500,-. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft het bezwaar van eiser bij besluit van 27 februari 2007, verzonden 1 maart 2007, (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft op 6 april 2007 een beroepschrift van eiser en eiseres ontvangen gericht tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2008. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Eiser en verweerder hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Aan partijen is verzocht om schriftelijk hun standpunt ten aanzien van de ontvankelijkheid van eiseres kenbaar te maken. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op de ingezonden stukken te reageren. Nadat partijen schriftelijk toestemming hebben gegeven de zaak zonder nadere mondelinge behandeling af te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

Het beroep van eiseres

2.1. Eiser is eigenaar en eiseres is huurder van het pand [adres] (hierna: het pand). De beslissing op bezwaar is enkel gericht aan eiser. Het is de rechtbank niet gebleken dat ook door of namens eiseres bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 28 juli 2006. De rechtbank zal het beroep van eiseres daarom, gelet op het bepaalde in artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet-ontvankelijk verklaren. Van een beroep gericht tegen een beslissing op bezwaar is ten aanzien van eiseres immers (nog) geen sprake. Het beroepschrift zal als bezwaarschrift worden doorgezonden aan verweerder.

Het beroep van eiser

2.2. Zienswijze

2.2.1. Ingevolge artikel 4:8 van de Awb stelt het bestuursorgaan, voordat het bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen.

2.2.2 Eiser heeft gesteld dat hij de brief van 20 juni 2006, die verweerder met het oog op 4:8 van de Awb heeft verzonden, niet heeft ontvangen.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 september 2007, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BB3842), dient, in geval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk daadwerkelijk is verzonden.

2.2.3. De rechtbank stelt vast dat de brief van 20 juni 2006 niet aangetekend is verzonden. De brief bevat een dagstempel. Ondanks onderzoek naar de vraag of verzending heeft plaatsgevonden heeft verweerder geen stuk kunnen overleggen, bijvoorbeeld een kopie van een verzendregistratie, waaruit blijkt dat de brief daadwerkelijk is verzonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat bedoelde brief daadwerkelijk is verzonden. Dit betekent dat de last onder dwangsom in strijd met artikel 4:8 van de Awb is opgelegd.

2.2.4. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding de schending van artikel 4:8 te passeren, omdat de rechtbank van oordeel is dat eiser door het achterwege blijven van de vooraankondiging in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft op 28 juli 2006, midden in de bouwvakantie, de niet vooraf aangekondigde last onder dwangsom ontvangen, die een zeer korte termijn begunstigingstermijn, te weten twee weken, bevatte. Uit de gedingstukken blijkt ook dat verweerder na die twee weken terstond aanspraak heeft gemaakt op de dwangsom en dat deze door eiser, naast het verwijderen van de zonweringen, is voldaan. Dit betekent dat de feitelijke effecten van de onzorgvuldige besluitvorming reeds voordat eiser is gehoord en voordat hij in de bezwaarfase kon worden gehoord, volledig geëffectueerd waren. Door slechts één korte termijn te geven om aan de last te voldoen alvorens de dwangsommen te verbeuren heeft verweerder eiser onvoldoende in de gelegenheid gesteld zelf aan de last te voldoen, terwijl de dwangsom door verweerder is geïncasseerd alvorens de zienswijze van eiser was vernomen.

2.2.5. De rechtbank ziet aanleiding het bestreden besluit te vernietigen omdat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en de zienswijze van eiser niet is ingewonnen, hetgeen in strijd is met respectievelijk de artikelen 3:2 en 4:8 van de Awb.. Aangezien het gebrek in bezwaar niet meer kan worden hersteld ziet de rechtbank aanleiding ook het primaire besluit te herroepen. De rechtbank zal voorts bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, zodat verweerder geen nieuwe beslissing op bezwaar hoeft te nemen.

2.3. De overige beroepsgronden

2.3.1. De rechtbank zal ook de overige beroepsgronden van eiser bespreken.

2.3.2. Tussen partijen is niet in geschil - en ook de rechtbank is van oordeel - dat voor het aanbrengen van de onderhavige zonweringen op de betreffende locatie, gelet op het bepaalde in artikel 3, derde lid, aanhef en onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) in samenhang met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bblb, een lichte bouwvergunning is vereist.

Op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

2.3.3. Voorts is niet in geschil dat het pand van eiser een rijksmonument is als bedoeld in de Monumentenwet 1988, zodat eveneens een monumentenvergunning nodig is.

Ingevolge artikel 11, tweede lid van de Monumentenwet 1988 - voor zover relevant - is het verboden zonder of in afwijking van een vergunningen een beschermd monument in enig opzicht te wijzigen.

2.3.4. Nu vaststaat dat de markiezen zijn aangebracht zonder bouwvergunning of monumentenvergunning, was verweerder bevoegd en gehouden om tot handhaving over te gaan. Dit is alleen anders wanneer er concreet zicht is op legalisatie van de illegale situatie of als handhaving zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden behoort te worden afgezien.

2.3.5. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat legalisatie van de zonweringen mogelijk is omdat de markiezen juist meer in overeenstemming zijn met het monumentale karakter van het pand dan de nieuwe welstandsrichtlijnen voorschrijven. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat de zonweringen in strijd zijn met de objectcriteria van de Welstandsnota, zodat een aan te vragen bouwvergunning op grond van artikel 44 van de Woningwet moet worden geweigerd wegens strijd met de redelijke eisen van welstand.

2.3.6. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder ook voldoende onderzocht heeft of een monumentenvergunning zou kunnen worden verleend. Verweerder heeft de situatie voorgelegd aan de Commissie voor Welstand en Monumenten. Deze commissie heeft zich op het standpunt gesteld dat de zonwering een ernstige verstoring van het gevelbeeld van het rijksmonument oplevert en daarom onacceptabel is.

2.3.7. Eiser heeft zijn stelling dat de zonweringen wel aan redelijke eisen van welstand of monumentale eisen voldoen niet onderbouwd, zodat deze niet kan slagen.

2.3.8. Ter zitting heef eiser aangevoerd dat de last onder dwangsom niet aan hem opgelegd had mogen worden omdat hij het niet in zijn macht had om de zonweringen te verwijderen.

De rechtbank is van oordeel dat eiser het als eigenaar van het pand in zijn macht had de last uit te voeren, zodat deze grond niet slaagt.

2.3.9. Met betrekking tot eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in vergelijkbare gevallen handhavend wordt opgetreden. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat de gevallen die buiten het stadsdeel liggen niet vergelijkbaar zijn, omdat verweerders bevoegdheid zich beperkt tot de grenzen van het stadsdeel. Eveneens heeft verweerder voldoende gemotiveerd welke gevallen binnen het stadsdeel als vergelijkbaar kunnen worden beschouwd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt daarom.

2.3.10. Aangezien het herroepen van het primaire besluit tot gevolg heeft dat de verbeurde dwangsommen door verweerder dienen te worden terugbetaald, ziet de rechtbank geen aanleiding op de beroepsgronden omtrent de hoogte van de dwangsom en de toezegging omtrent de terugbetaling van de dwangsom in te gaan.

Conclusie

2.4. De rechtbank zal het beroep van eiseres niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep van eiser is gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, die met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 322). Voorts dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

1. verklaart het beroep eiseres niet-ontvankelijk;

2. verklaart het beroep van eiser gegrond;

3. vernietigt het bestreden besluit van 27 februari 2007;

4. herroept het besluit van 28 juli 2006;

5. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

6. veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644 (zegge: zeshonderd vierenveertig euro) te betalen door de gemeente Amsterdam aan eiser;

7. bepaalt dat de gemeente Amsterdam het griffierecht ad € 143 (zegge: honderd drieënveertig euro) aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 13 januari 2009 door mr. Y.A.A.G. de Vries, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.W. Speksnijder, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B