Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BH0904

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
AWB 07-4386 WRO
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK5085, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Reguliere bouwvergunning eerste fase en vrijstelling artikel 19, tweede lid, van de WRO voor oprichten van twee villa’s. Verweerder heeft terecht toepassing gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO zonder verklaring van geen bezwaar. Het bouwplan is geen speerpunt van beleid van GS van Noord-Holland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07/4386 WRO

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

Buurtvereniging Trompenberg-Oost,

gevestigd te Hilversum,

eiseres,

[eiser 2] en [eiser 3],

[eiser 4] en [eiser 5],

[eiser 6] en [eiser 7],

[eiser 8] en [eiser 9],

[eiser 10] en [eiser 11],

[eiser 12] en [eiser 13],

allen wonende te [woonplaats],

eisers 2 t/m 13,

hierna samen ook: eisers,

gemachtigde: mr. S. Levelt,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum,

verweerder,

gemachtigde [naam].

Tevens heeft aan het geding deelgenomen:

[vergunninghoudster],

wonende te [woonplaats],

vergunninghoudster,

gemachtigde: mr M.J.E. Boudesteijn.

1. Procesverloop

Op 1 mei 2006 heeft vergunninghouder een reguliere bouwvergunning eerste fase aangevraagd voor het oprichten van twee woonhuizen op het perceel [adres] (hierna: het perceel).

Op 16 november 2006 heeft de commissie voor welstand en monumenten van de gemeente Hilversum (hierna: de welstandscommissie) positief geadviseerd ten aanzien van het bouwplan.

Bij besluit van 12 februari 2007 heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning en de benodigde vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

Op 6 juli 2007 heeft de commissie bezwaarschriften van de gemeente Hilversum (hierna: de bezwarencommissie) geadviseerd om de bezwaren ontvankelijk en gegrond te verklaren en de bouwvergunning te weigeren.

Bij besluit van 28 september 2007 heeft verweerder – contrair aan het advies van de bezwarencommissie - ingestemd met de aangepaste ruimtelijke onderbouwing van juli 2007, de bezwaren ontvankelijk doch ongegrond verklaard en het besluit van 12 februari 2007 gehandhaafd onder aanvulling van de motivering.

Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2008. Namens eiseres is verschenen [persoon 1] (voorzitter). Eisers hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. C.J.V. Koenen. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen. Namens vergunninghoudster zijn verschenen haar gemachtigde en [vergunninghoudster].

2. Overwegingen

2.1 Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken en is de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Krachtens het overgangsrecht is op dit geschil de WRO van toepassing.

2.2 Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de voorschriften van het geldende bestemmingsplan “Bestemmingsplan Noordwestelijk Villagebied’ (hierna: het bestemmingsplan), zodat voor het verlenen van medewerking aan het bouwplan een vrijstelling krachtens artikel 19 van de WRO noodzakelijk is.

2.3 Partijen zijn allereerst verdeeld over de vraag of verweerder bevoegd was om een vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO in plaats van artikel 19, eerste lid, van de WRO af te geven. Voorts zijn partijen verdeeld over de vraag of verweerder gehouden was om een verklaring van geen bezwaar te vragen aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland.

Uit de circulaire en beleidsnotitie van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 19 juli 2005 inzake de aanpassing van het beleid artikel 19 WRO (verder “de beleidsnotitie”), blijkt dat een vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO alleen nodig is als het project valt onder een speerpunt van beleid. Eisers hebben gesteld dat het bouwplan onder de omschrijving van het vijfde speerpunt, Cultuurhistorie en Archeologie, te rekenen is. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat dit bouwplan niet onder dit speerpunt valt, omdat ten tijde van de aanvraag van de bouwvergunning het ter bescherming van monumentale waarden geldende bestemmingsplan “Noordwestelijk villagebied” van kracht was en voorts ten tijde van de beslissing op bezwaar de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht van kracht was.

Anders dan eisers is de rechtbank voorts van oordeel dat paragraaf 1.2 van de beleidsnotitie, gelet op de verwijzing ‘in relatie tot de speerpunten en de te volgen procedures’ niet op zichzelf staat maar dient te worden gelezen in samenhang met paragraaf 1.1. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO.

2.4 Ten aanzien van de stelling van eisers dat ten onrechte geen verklaring van geen bezwaar ten behoeve van dit bouwplan is afgegeven, stelt de rechtbank vast dat uit paragraaf 3, aanhef en onder b, van de beleidsnotitie blijkt dat geen verklaring van geen bezwaar krachtens artikel 19, tweede lid van de WRO, is vereist voor projecten die niet afwijken van vastgesteld ruimtelijk provinciaal of rijksbeleid en die geen speerpunt van beleid betreffen als bedoeld in paragraaf 1.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geen verklaring van geen bezwaar aangevraagd, aangezien niet gebleken is dat dit project afwijkt van provinciaal of rijksbeleid en het project voorts niet valt onder een speerpunt van beleid.

2.5 In tegenstelling tot eisers is de rechtbank van oordeel dat de passage uit de circulaire van Gedeputeerde Staten van 19 juli 2005 over de Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Holland niet op dit project van toepassing is. Gelet op de tekst van de toelichting bij speerpunt 5 wordt aan de Waardenkaart pas toegekomen wanneer het project is gelegen buiten een beschermd stads- of dorpsgezicht. Aangezien onderhavig project gelegen is binnen een beschermd stadsgezicht is deze passage niet van toepassing op dit project.

2.6 De rechtbank betrekt bij het voorgaande de email van [persoon 2], ambtenaar bij Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, die door verweerder ter zitting in het geding is gebracht en waarin deze ambtenaar verklaart dat verweerder terecht artikel 19, tweede lid, van de WRO heeft toegepast zonder een verklaring van geen bezwaar aan te vragen. De rechtbank ziet geen aanleiding het overleggen van deze verklaring ter zitting aan te merken als tardief en in strijd met de goede procesorde, nu dit een onderbouwing betreft van een van meet af aan door verweerder ingenomen standpunt en ook eisers zich tot de provincie hadden kunnen wenden met de vraag of er al dan niet een verklaring van geen bezwaar voor dit project nodig was geweest.

2.7 Eisers hebben aangevoerd dat het bouwplan het ruimtelijke karakter van het villagebied zal aantasten. Voorts zou de ruimtelijke onderbouwing in strijd zijn met de (uitgangspunten van de) beleidsvisie Noordwestelijk Villagebied, onder andere neergelegd in artikel 10 (Beschrijving in hoofdlijnen) van de voorschriften van het bestemmingsplan “Noordwestelijk villagebied” (hierna: het bestemmingplan). Afwijking hiervan is volgens eisers niet mogelijk. Gelet hierop mocht de ruimtelijke onderbouwing niet ten grondslag mocht worden gelegd aan de vrijstelling, aldus eisers.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 19, van de WRO, juist voorziet in de mogelijkheid om – in afwijking van het bestemmingsplan en de toelichting daarop – vrijstelling te verlenen, mits deze vrijstelling is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

De ruimtelijke onderbouwing van juli 2007 bevat in paragraaf 4 de navolgende passages:

“In het recent goedgekeurde bestemmingsplan Noordwestelijk Villagebied is het perceel [adres] bestemd voor Kantoordoeleinden. Tijdens de ontwikkeling van het bestemmingsplan was de Dienst (Stad) niet op de hoogte van het bestaan van 4 niet gerealiseerde bouwvergunningen. Deze zijn derhalve ook niet betrokken bij het bepalen van de bouwmogelijkheden op dit perceel… Er is een risico aanwezig dat de ingetrokken bouwvergunningen in stand blijven. Mocht het daarop uitkomen dan is de inbreuk op de stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het perceel en de omgeving vele malen groter dan wanneer er een alternatief plan gerealiseerd wordt, dat voldoet aan de uitgangspunten van het gebied. Het doel van het bestemmingsplan is namelijk niet om principieel alle nieuwbouw tegen te gaan maar om nieuwe ontwikkelingen op een ruimtelijk verantwoorde wijze te sturen zodat de hoge stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast. Het perceel is namelijk met ruim 4000 m2 groot genoeg om te bezien of een verantwoorde ontwikkeling kan plaatsvinden die niet de nadelen in zich heeft van de verleende bouwvergunningen.”

De rechtbank is, in tegenstelling tot eisers, van oordeel dat deze door verweerder gegeven ruimtelijke onderbouwing toereikend is om het project te dragen. Verweerder heeft zich niet beperkt tot de onzekere uitkomst van de aanhangige procedure over de intrekking van de eerder verleende bouwvergunningen maar acht nieuwbouw in dit gebied aanvaardbaar mits verantwoord ingepast en overweegt ook dat het perceel groot genoeg is voor een verantwoorde ontwikkeling. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit bouwplan een geringere aantasting van het geldende planologische regime meebrengt dat het voorheen geldende bouwplan, en voorts dat dit bouwplan, mede gelet op het positieve advies van de welstandscommissie en op de bouwtekeningen, een zorgvuldige inpassing is van nieuwbouw in dit gebied. De rechtbank komt mitsdien tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid medewerking aan dit bouwplan heeft kunnen verlenen.

2.8 Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de beroepsgrond van eisers, dat het bouwplan in strijd is met de welstandscriteria, niet buiten beschouwing dient te worden gelaten omdat deze te laat naar voren is gebracht. Nu de toets aan de redelijke eisen van welstand een onderdeel is van het limitatieve imperatieve stelsel neergelegd in artikel 44, van de Woningwet, mag een beroepsgrond als deze ook voor het eerst in beroep naar voren worden gebracht.

2.9 De rechtbank stelt vast dat verweerder een positief welstandsadvies van 16 november 2006 ten grondslag heeft gelegd aan de bouwvergunning. Volgens vaste jurisprudentie mag verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Eisers hebben geen tegenadvies van een deskundige overgelegd ter bestrijding van het welstandsadvies. Niet gebleken is dat het welstandsadvies zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet had mogen overnemen. Ook is niet gebleken dat de welstandscommissie niet in redelijkheid tot een positief advies heeft mogen komen. Deze beroepsgrond slaagt mitsdien niet.

2.10 Eisers hebben gesteld dat niet is gebleken dat het bouwplan in overeenstemming is met de Wet Geluidhinder (Wgh).

Ingevolge artikel 74, van de Wgh, heeft een weg een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg:

a. in stedelijk gebied:

1°. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;

2°. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken genoemde geval: 200 meter;

b. in buitenstedelijk gebied:

1°. voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter;

2°. voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;

3°. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

Ingevolge het tweede lid geldt het eerste lid niet met betrekking tot:

a. wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied;

b. wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt.

Niet in geschil is dat het bouwplan is gesitueerd aan een weg waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt. Gelet op artikel 74, tweede lid, van de Wgh, gelezen in samenhang met hoofdstuk VI tm VIIIb van de Wgh, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat toetsing aan de Wgh hier niet aan de orde is. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.11 Ten aanzien van de stelling van eisers dat ten onrechte een rapport omtrent de bodemkwaliteit ontbreekt, overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab), hoeft een bodemonderzoekrapportage niet te worden ingediend bij een aanvraag bouwvergunning eerste fase. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpuntgesteld dat de bodemonderzoekrapportage eerst bij de bouwvergunning tweede fase aan de orde komt en slaagt deze beroepsgrond dus niet.

2.12 Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat het griffierecht of de proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 14 januari 2009 door mr. Y.A.A.G. de Vries, voorzitter, en mrs. A.C. Looman en W. Den Ouden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier, en bekendgemaakt door toezending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B