Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BG9067

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-01-2009
Datum publicatie
07-01-2009
Zaaknummer
13-993033-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BR0739, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 68 AWR, 69 AWR, 225 lid 2 Sr, 47 Sr

Vrijspraak

Geen verplichting ingevolge de belastingwet tot het beschikbaar stellen van informatie; immers slechts sprake van in de gelegenheid stellen om op voornemen belastinginspecteur te reageren.

Uitgekeerde vergoeding heeft in ieder geval voor een deel betrekking op de bonus over 1999 en is voor dat deel dus geen vergoeding voor in de toekomst te derven inkomsten. Aangifte inkomstenbelasting 2000 in zoverre onjuist, dat daarin voor het gehele bedrag van de vergoeding toepassing van het 45%-tarief wordt gevraagd.

Verbetering van kennelijke omissie. Nu de tenlastelegging er ondubbelzinnig op is toegesneden dat het gehele bedrag een bonus betrof biedt deze geen ruimte om bewezen te verklaren dat dit voor een deel van het bedrag geldt.

Geen bewijs voor ter hand stellen overeenkomst, noch dat hij van deze gebruik heeft gemaakt of deze in bezit heeft gehad.

Geen sprake van schending gelijkheidsbeginsel en aldus geen niet-ontvankelijkheid officier van justitie; in de loop van het voorbereidend onderzoek kon de officier van justitie tot de conclusie komen dat de context waarin bepaalde strafrechtelijk van belang zijnde omstandigheden zich hebben voorgedaan bij de onderscheidene verdachten verschilde, waarmee ook de relevantie van die verschillen uiteen ging lopen.

Ook geen niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 69 lid 4 AWR. Of succesvol kan worden vervolgd op grond van artikel 69 lid 1 of 2 AWR zal afhangen van de vraag of de verweten gedraging valt binnen het bereik van artikel 69 lid 1 of 2 AWR en die vraag kan zonder onderzoek ter terechtzitting niet worden beantwoord. Als na dat onderzoek niet kan worden vastgesteld dat de verweten gedraging onder de AWR valt, is in dat geval vervolging op grond van artikel 225 lid 2 Sr niet uitgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/993033-07 (PROMIS)

Datum uitspraak: 7 januari 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [woonplaats] (Ethiopië) op [geboortedatum] 1969,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15, 18 en 24 december 2008.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging ter zitting van 15 december 2008, tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2004, althans in de maand augustus 2004, althans in het jaar 2004, in Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of met anderen, althans alleen, zijnde die [medeverdachte] degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot

a. het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen,

opzettelijk deze niet, onjuist of onvolledig heeft/hebben verstrekt;

en/of

b. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan,

opzettelijk deze in valse of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld,

terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,immers heeft/hebben de verdachte en/of zijn mededader(s) (D/15) de procedure-overeenkomst (bijlage D8) beschikbaar gesteld voor raadpleging aan de Belastingdienst, terwijl de verdachte wist dat het daarin vermelde bedrag Hfl 8.544.205,- geen ontslagvergoeding maar een bonusbetaling over het jaar 1999 betrof, en/aldus opzettelijk inlichting(en) onjuist en/of onvolledig verstrekt en/of

opzettelijk die procedure-overeenkomst in valse of vervalste vorm voor raadpleging beschikbaar gesteld;

Artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 68 lid 2 onder c Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 68 lid 2 onder a Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 47 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, indien het vorenstaande onder 1. niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de periode van op/of omstreeks 21 april 2004 tot en met 8 maart 2005, in Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, een geschrift, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

- een procedure-overeenkomst beeindiging dienstverband gedateerd op 11 april 2000 tussen Mees Pierson NV en [medeverdachte],

bestaande dat gebruik maken en/of dat afleveren en/of dat voorhanden hebben hierin, dat verdachte en/of zijn mededaders, van de procedure-overeenkomst gebruik hebben gemaakt en/of in het bezit hebben gehad en/of hebben ingeleverd bij de Belastingdienst Amsterdam,

bestaande die valsheid daarin dat in de overeenkomst (bijlage D8), was opgenomen dat [medeverdachte] een bedrag van ongeveer Hfl 8.544.205,- als ontslagvergoeding zou ontvangen, terwijl dat bedrag in werkelijkheid een bonusbetaling betrof,

zulks terwijl hij verdachte en/of zijn mededaders wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij, in de periode gelegen tussen 21 april 2004 tot en met 8 maart 2005, in Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, een geschrift, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

- een agreement en/of overeenkomst gedateerd op 11 februari 2000 tussen Mees Pierson NV, [persoon 1] , [persoon 2] en [medeverdachte],

bestaande dat gebruik maken en/of dat afleveren en/of dat voorhanden hebben hierin,

dat verdachte en/of zijn mededaders, van de agreement en/of overeenkomst gebruik hebben gemaakt en/of in het bezit hebben gehad en/of hebben ingeleveverd bij de Belastingdienst

Amsterdam,bestaande die valsheid daarin dat in de agreement en/of overeenkomst (bijlage D 6), was opgenomen dat [persoon 1], [persoon 2] en [medeverdachte] een bedrag van ongeveer Hfl 7.494.205,- als ontslagvergoeding zouden ontvangen, terwijl dat bedrag in werkelijkheid een

bonusbetaling betrof, zulks terwijl hij verdachte en/of zijn mededaders wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

Artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Artikel 47 Wetboek van Strafrecht

1.1. Kennelijke omissie

De rechtbank constateert dat in het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde is opgenomen de zinsnede “bestaande die valsheid daarin”. Uit deze zinsnede leidt de rechtbank af dat door de officier van justitie kennelijk wordt verwezen naar een voorafgaand gedeelte in de respectieve tenlastegelegde feiten. Die term “valsheid’ of een term van gelijke aard of strekking is echter niet opgenomen in een voorafgaand gedeelte.

De rechtbank constateert tevens dat de officier van justitie in overeenstemming met artikel 261 lid 1 Sv in het onderschrift van beide tenlastegelegde feiten artikel 225 lid 2 Sr heeft op-genomen, dat de tenlastelegging voor het overige inhoudelijk met genoemd artikel overeen-stemt en dat in het onder 1 primair tenlastegelegde, waarin de term “valse of vervalste vorm” is opgenomen, het onder meer gaat om dezelfde procedure-overeenkomst als in het onder 1 subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank is van oordeel dat de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de respectieve ten-lastegelegde feiten worden geschaad doordat er sprake is van een kennelijke verwijzing, waar-bij hetgeen waarnaar wordt verwezen ontbreekt. Uit het geheel van alle hiervoor genoemde constateringen is echter de bedoeling van de officier van justitie om de respectieve tenlastege-legde feiten tenlaste te leggen conform artikel 225 lid 2 Sr evident. Dit was evenzeer in de vi-sie van de verdediging het geval, nu hieromtrent geen verweer is gevoerd.

De rechtbank leest dan ook het in de 3e regel van het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde vermelde “een geschrift” als “een vals of vervalst geschrift”, aangezien hier sprake is van een kennelijke omissie. Door de verbetering hiervan wordt verdachte niet in zijn verdediging ge-schaad.

2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.1. Gelijkheidsbeginsel

2.1.1. Standpunt van de verdediging

Bij pleidooi heeft de raadsman namens verdachte primair betoogd dat de officier van justitie in haar vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat zij daarin – zakelijk en verkort samengevat – ongerechtvaardigd selectief is geweest en daarmee ook onredelijk en/of willekeurig en dus in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.

De verdediging komt tot die conclusie omdat, behalve medeverdachte [medeverdachte], de andere ver-dachte (rechts)personen in de onderhavige strafzaak bij gelijke verdenking van betrokkenheid bij één en hetzelfde gemeenschappelijk delict niet op dezelfde wijze zijn aangepakt. Deze ver-denking komt er in de kern (met de daarbij horende varianten) op neer dat door alle betrokke-nen een bonusvergoeding is gepresenteerd als een ontslagvergoeding om aldus een fiscaal voordeel te behalen.

2.1.2. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar de daarop betrekking hebbende overwe-gingen in de beschikking van de rechtbank op het bezwaarschrift tegen de inleidende dag-vaarding geconcludeerd dat er in deze geen sprake is van schending van het gelijkheidsbegin-sel.

2.1.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van het verweer stelt de rechtbank allereerst nog maar eens vast dat gelijk-heid een groot goed is. Het objectieve geabstraheerde gelijkheidsbeginsel ligt ook vast in wet en verdrag zoals in artikel 1 van onze Grondwet en in artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR.

Ook in het strafrecht is aanvaard dat het gelijkheidsbeginsel een algemeen beginsel van be-hoorlijk strafprocesrecht is. Daarbij geldt evenwel dat in het bijzonder in het strafrecht, waar ongelijkheid bij vervolging min of meer is geïnstitutionaliseerd, ongelijkheid meer dan wel-licht in andere rechtsgebieden gerechtvaardigd is te achten.

Naar het oordeel van de rechtbank komt het OM bij zijn vervolgingsbeslissing(en), gegeven de in ons rechtsstelsel aan het OM toekomende bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 167 en 242 Sv, aanmerkelijke vrijheid toe de keuze te maken tot vervolging over te gaan, buiten het strafproces om tot een afdoening te komen of na beoordeling van het voorbereidende on-derzoek te besluiten van verdere vervolging af te zien. Eerst als sprake is van een werkelijk willekeurige ongelijke behandeling van gelijke zaken zou dat tot niet-ontvankelijkheid van het OM moeten leiden.

In de onderhavige strafzaak heeft de officier van justitie bij aanvang van het strafrechtelijk opsporingsonderzoek een aantal personen als verdachte aangemerkt. Hieronder vielen van meet af aan verdachte en medeverdachte [medeverdachte], een aantal medewerkers van de bank Mees Pierson (en daarmee dus ook de bank), die betrokken waren bij de onderhandelingen en het ondertekenen van de overeenkomsten tussen de bank en [medeverdachte] en zijn medeprincipals, een me-dewerker van PriceWaterhouseCoopers (hierna: PWC), de externe belastingadviseur van de bank en de Amerikaanse principals.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 17 december 2008 betoogd dat in de loop van het voorbereidend onderzoek uiteindelijk verschillend is beslist over de verdere vervolging van de onderscheidenlijke verdachten. Daarbij heeft de officier van justitie toegelicht dat voor wat betreft de bank en haar medewerkers onvoldoende bewijs voorhanden bleek om een vervolging door te zetten. Voor de Amerikaanse principals gold dat -in het licht van de fiscale afhandeling over 1999/2000- er onvoldoende nationaal belang was en dat zij geen voordeel hadden genoten. Ten slotte zag de officier van justitie grond de strafzaak tegen één van de verdachten buitengerechtelijk -door het aanbieden van een schikking- af te doen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie, na afweging van alle in het geding zijnde belangen en gegeven haar beleidsvrijheid, in alle redelijkheid tot deze beslissin-gen kunnen komen. De toelichting die zij daaromtrent heeft gegeven acht de rechtbank ge-noegzaam.

Het is mogelijk ook in deze strafzaak de uitgangspunten van mogelijk strafrechtelijk verwijt-baar handelen van al de verdachten die in beeld waren gelijk te zien. Echter in de loop van het voorbereidend onderzoek kon de officier van justitie tot de conclusie komen dat de context waarin bepaalde strafrechtelijke van belang zijnde omstandigheden zich hebben voorgedaan (met name natuurlijk als het gaat over de totstandkoming van de overeenkomsten) bij de on-derscheidene verdachten verschilde, waarmee ook de relevantie van die verschillen uiteen ging lopen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het niet vervolgen van een aantal verdachten te-genover verdachte niet getuigt van werkelijk willekeurig ongelijke behandeling zodat het be-roep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt afgewezen.

Evenmin leidt tot niet-ontvankelijkheid het verweer dat ten onrechte verdachte wel, maar me-deverdachte [medeverdachte] niet wordt vervolgd voor –kort gezegd- het verstrekken van onjuiste inlich-tingen en/of bescheiden aan de belastingdienst, terwijl [medeverdachte] de kwaliteit heeft van belasting-plichtige en verdachte niet. Medeverdachte [medeverdachte] wordt immers, in het kader van hetzelfde fei-tencomplex als hier aan de orde is, wel degelijk vervolgd voor een belastingdelict, namelijk het doen van onjuiste aangifte.

2.2. Artikel 69 lid 4 AWR

2.2.1. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de ver-volging voor feit 1 subsidiair (feit 3 in de oorspronkelijke tenlastelegging) en feit 2. Volgens de raadsman is, gelet op artikel 69 lid 4 AWR, vervolging op grond van artikel 225 lid 2 Sr naast of subsidiair aan artikel 69 lid 1 en/of 2 AWR niet mogelijk. Nu onder 1 primair over-treding van artikel 69 lid 1 en 2 AWR ten laste is gelegd, is de officier van justitie ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 niet ontvankelijk, aldus de raadsman.

2.2.2. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van dit verweer van de raadsman aangevoerd dat in artikel 69 lid 4 AWR staat vermeld dat het openbaar ministerie kàn vervolgen en voorts dat zij van mening is dat het standpunt van de verdediging in dezen niet begrijpelijk is wegens innerlijke tegenstrijdigheid. Immers, de verdediging meent dat het primair tenlastegelegde niet van toepassing is maar ook dat voor het subsidiair tenlastegelegde niet kan worden vervolgd nu ook het primair tenlastgelegde ten laste is gelegd, aldus de officier van justitie.

2.2.3. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank kan uiteraard niet oordelen over de ontvankelijkheid ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde zonder eerst te oordelen over het primair tenlastegelegde. Voor zo-ver hierna overwegingen volgen ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde, zijn die dan ook bedoeld ten overvloede.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 69 lid 4 AWR bepaalt dat artikel 225 lid 2 Sr niet de grondslag voor strafvervolging kan zijn als de verweten gedraging valt onder de in artikel 69 lid 1 en/of lid 2 AWR voorziene strafbaarstellingen. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit niet -zoals de raadsman lijkt te betogen- dat overtreding van artikel 225 lid 2 Sr nimmer naast of subsidiair aan over-treding van artikel 69 lid 1 of 2 AWR kan worden tenlastegelegd. De bewoordingen “kan worden vervolgd” in artikel 69 lid 4 AWR leest de rechtbank zo dat indien succesvol kan worden vervolgd op grond van artikel 69 lid 1 of 2 AWR, voor hetzelfde feit niet tevens arti-kel 225 lid 2 Sr de grondslag voor de strafvervolging kan zijn. Óf succesvol kan worden ver-volgd op grond van artikel 69 lid 1 of 2 AWR zal afhangen van de vraag of de verweten ge-draging valt binnen het bereik van artikel 69 lid 1 of 2 AWR en die vraag kan zonder onder-zoek ter terechtzitting niet worden beantwoord. In de onderhavige zaak is het verwijt aan ver-dachte, kort gezegd, dat hij samen met anderen valse stukken heeft afgeleverd aan de belas-tingdienst. Die verweten gedraging valt slechts onder het bereik van artikel 69 AWR als komt vast te staan dat verdachte (of zijn mededader), samengevat, op grond van belastingwetgeving verplicht was tot het verstrekken van inlichtingen of het beschikbaar stellen van bescheiden. Reeds vanwege de betwisting door de raadsman staat het bestaan van zo een verplichting in deze zaak niet vast. Hiernaar moet dus onderzoek worden gedaan op de terechtzitting. Als, na dat onderzoek, die verplichting niet kan worden vastgesteld, valt de verweten gedraging niet onder de AWR. In dat geval is vervolging op grond van artikel 225 lid 2 Sr dus ook niet uit-gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank staat artikel 69 lid 4 AWR er niet aan in de weg dat voor dát geval overtreding van artikel 225 lid 2 Sr wordt tenlastegelegd naast of subsidiair aan overtreding van artikel 69 lid 1 en/of 2 AWR.

3. Vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.1. Medeverdachte [medeverdachte] is in 1998 net als de Amerikanen [persoon 2] en [persoon 1] ‘principal’ van de [afdeling] (hierna: [de afdeling]), een afdeling binnen de Mees Pierson-bank (hierna: MP) (onderdeel van Fortis) die zich met name bezighoudt met het uitlenen van effec-ten. Op 26 augustus 1998 wordt een nieuwe groepsovereenkomst tussen MP en de principals gesloten (D-4). Onderdeel van deze overeenkomst is een bonuspool, waarbij per kalenderjaar tot maximaal 40% van het ‘special net result’ kan worden verdeeld over de principals, na af-trek van de voorgestelde bedragen voor de overige werknemers van de [de afdeling].

3.2. Ingevolge deze overeenkomst krijgt elk van de principals in 1999 een bonus over 1998 van fl 6 miljoen uitbetaald. Omdat het nieuwe (hogere) management van MP en Fortis moeite hebben met dermate hoge bonussen, start MP nieuwe onderhandelingen (zie o.a. D-59) met de principals om te komen tot een nieuwe groepsovereenkomst.

3.3. Per interne memo van 14 december 1999 (D-23) wordt een tekstvoorstel gedaan voor een nieuwe groepsovereenkomst, geldend vanaf 1 januari 1999. In deze overeenkomst is het maximum-winstdeel teruggebracht tot 25%.

3.4. Tot ondertekening van dit voorstel komt het niet, zo blijkt ook uit een brief van de princi-pals [medeverdachte], [persoon 2] en [persoon 1] van 10 januari 2000 (D-24), waarin zij mededelen dat ze net als in 1999 bereid zijn verder te onderhandelen over een nieuwe overeenkomst, ter vervanging van de onverkort geldende overeenkomst van 26 augustus 1998.

3.5. Die onderhandelingen lopen uiteindelijk op niets uit, zo blijkt uit een concept-overeenkomst tot beëindiging (D-62), naar aanleiding van een overleg op 31 januari 2000. In deze overeenkomst is als voorwaarde opgenomen dat de principals in februari 2000 ieder fl 7,5 miljoen wordt betaald.

3.6. In een interne memo van 9 februari 2000 geeft [persoon 3] ([functie] van MP) aan dat [persoon 1], [persoon 2] en [medeverdachte] het bedrag van circa fl 7,5 miljoen niet meer wil-len ontvangen als Bonus Payment maar als beëindigingsvergoeding, zodat het rekenwerk ver-der achterwege kan blijven (D-33).

3.7. Bij een interne memo van 10 februari 2000 aan [persoon 4], [persoon 1] en [persoon 2] (D-34) voegt [persoon 3] twee versies van de beëindigingsovereenkomst. Hij geeft aan dat in de één het bedrag is aangemerkt als bonusbetaling, in de ander als beëindigingsbe-taling.

3.8. Op 11 februari 2000 sluiten de principals dan met MP een beëindigingsovereenkomst (D-6). Hierin is bepaald dat de principals een beëindigingsvergoeding van fl 7.494.205 zullen ontvangen ter vervanging van enige betalingen over 1999 voortvloeiende uit de groepsover-eenkomst en hun arbeidsovereenkomst. In de overeenkomst is opgenomen dat [medeverdachte] (als enige van de principals) nog voorlopig bij MP werkzaam zal blijven, en dat MP en [medeverdachte] in goed vertrouwen onderhandelingen zullen starten over diens vergoeding voor 2000.

3.9. In een e-mail van 16 februari ‘00 van [persoon 5] van PWC aan [persoon 6] ([functie] bij MP) wordt in het algemeen uitleg gegeven over het 45% tarief bij ontslagvergoeding (D-44).

3.10. Bij intern memo van 17 februari 2000 (D-119) laat [persoon 6] aan [persoon7] ([functie] van MP) de bruto uitkeringen aan een aantal [de afdeling]-medewerkers we-ten:

[persoon 8] fl 3.747.102,-; [p[persoon 2] - 7.274.168,-; [persoon 1] - 7.412.123,40;

[medeverdachte] - 7.494.205,-

3.11. In een bijlage behorende bij een fax van 2 maart 2000 van [persoon 5] aan [medeverdachte] wordt de toepassing van het 45%-tarief bij afkoop van contractsrechten nader toegelicht (D-133).

3.12. Op 11 april 2000 sluit [medeverdachte] dan met MP een overeenkomst tot beëindiging van zijn dienstverband per 30 juni 2000 (D8). Overeengekomen wordt dat de bank een uitkering in-eens zal verstrekken van fl 8.544.205,-, als tegemoetkoming met betrekking tot de toekomsti-ge derving van inkomsten.

3.13. In zijn aangifte inkomstenbelasting over 2000 van 1 oktober 2001 (D-1) vraagt [medeverdachte] ten aanzien van het bedrag van fl 8.544.205,-, wegens tegemoetkoming met betrekking tot de toe-komstige derving van inkomsten, toepassing van het bijzonder tarief van 45%.

3.14. In juni 2004 heeft de belastinginspecteur Amsterdam naar aanleiding van een bericht van een ambtgenoot van de Belastingdienst Limburg/kantoor Buitenland te Heerlen (waar de belastingaangiften van [persoon 2] en [persoon 1] worden afgehandeld) een nader onderzoek inge-steld naar de door de verdachte ontvangen vergoeding. Op basis van dit onderzoek conclu-deert de belastinginspecteur dat de hiervoor bedoelde inkomsten ten onrechte op basis van het bijzondere tarief zijn belast.

3.15. [medeverdachte], hiervan op de hoogte gesteld, schakelt de hulp in van verdachte, die dan al de be-langen van [persoon 2] behartigt in diens zaak met de belastingdienst Heerlen.

3.16. In een brief van 5 augustus 2004 aan [medeverdachte] deelt de belastinginspecteur mede dat het voornemen bestaat om een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2000 op te leggen waarbij het door [medeverdachte] ontvangen bedrag van fl 7.494.205 ter zake van de ontbinding van de bonuspoolovereenkomst zal worden belast tegen het tabeltarief in plaats van tegen het tarief van 45%, met oplegging van een boete van 50% van de verschuldigde betaling. De navorde-ringsaanslag is uiteindelijk zonder boete opgelegd met dagtekening 30 december 2005 en daarin is het door [medeverdachte] aangegeven belastbare inkomen belast tegen het progressieve tarief.

3.17. Op 24 augustus 2004 stuurt [verdachte] (D-15) een brief naar de inspecteur, met de beëindi-gingsovereenkomst van 11 april 2000 als bijlage, waarin hij benadrukt dat het om een ont-slagvergoeding gaat.

3.18. Door de FIOD-ECD is op 11 november 2004 een strafrechtelijk onderzoek ingesteld te-gen onder anderen [verdachte] in verband met de verdenking van strafbare feiten liggend op het ter-rein van de belastingwetgeving en valsheid in geschrifte.

3.19 [medeverdachte] heeft tegen de opgelegde navorderingsaanslag beroep ingesteld bij de belasting-rechter. De belastingkamer van de rechtbank Haarlem heeft in december 2008 het beroep on-gegrond verklaard en daartoe, kort gezegd, overwogen dat het aan [medeverdachte] betaalde bedrag van fl 8.544.205 een bonus voor verrichte werkzaamheden betrof en dus niet onder het bijzondere tarief van 45% kon vallen. De navorderingsaanslag is daarmee dus in stand gebleven.

4. Beoordeling ten gronde

4.1. Verplichting ingevolge de belastingwet tot het beschikbaar stellen van informatie

4.1.1. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de belastinginspecteur in zijn brief van 5 augustus 2004 aan [medeverdachte] slechts vrijblijvend de gelegenheid heeft gegeven te reageren, en er voor [medeverdachte] aldus geen verplichting ingevolge de belastingwet bestond, en dus ook niet voor verdachte, om te reageren. Daarom dient verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

4.1.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft volstaan met op te merken dat zij het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen acht.

4.1.3. Oordeel van de rechtbank

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat toen verdachte de brief van 24 augustus 2004 met bijlage aan de belastinginspecteur verzond, er geen sprake was van een op hem of zijn cliënt [medeverdachte] ingevolge de belastingwet rustende verplichting tot het beschikbaar stellen van informatie. Immers, in de brief van de belastinginspecteur van 5 augustus 2004, waar de voornoemde brief van verdachte blijkens het in de eerste regel opgenomen “naar aanleiding van uw brief d.d. 5 augustus 2004 informeren wij u als volgt” een reactie op is, vraagt de inspecteur niet om (nadere) informatie. Hij stelt slechts [medeverdachte] in de gelegenheid om op het voornemen tot navordering te reageren. Hiermee wordt voor [medeverdachte], en de door hem gemachtigde verdachte, geen verplichting ingevolge de belastingwet tot het geven van informatie in het leven geroepen.

De rechtbank acht dan ook geen bewijs aanwezig voor het bestanddeel “die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot” van het onder 1 primair tenlastegelegde, zodat verdachte van dat feit dient te worden vrijgesproken.

4.2. Bonus

4.2.1. Standpunt van de verdediging

Bij pleidooi heeft de raadsman het verweer van de verdediging van medeverdachte [medeverdachte] waar het gaat om het ontbreken van een recht op bonus en het ontbreken van bewijs voor valsheid van de overeenkomsten, nadrukkelijk en onverkort overgenomen. Dit verweer houdt -zakelijk en verkort samengevat- het volgende in.

MP heeft aan de principals (met verwijzing naar in het pleidooi aangehaalde getuigenverklaringen) een ontslagvergoeding uitgekeerd. Nu op 31 januari 2000 met wederzijds goedvinden de arbeidsrelatie is beëindigd, betekent dit dat de arbeidsovereenkomst mede door medeverdachte [medeverdachte] is beëindigd. Hiermee is niet aan de opschortende voorwaarde voldaan en heeft medeverdachte [medeverdachte] geen recht op een bonus over het jaar 1999. Dit is, met verwijzing naar het -eerder in de strafzaak overgelegde- rapport van professor Loonstra, ook logisch vanuit arbeidsrechtelijk perspectief, omdat de toekenning van het recht op een bonus in eerste instantie bedoeld is als prikkel voor de werknemer tot optimale prestatie en behoud van de werknemer voor het bedrijf, en dus afhankelijk is gesteld van een nog bestaand dienstverband. Verder is ook niet begrijpelijk waarom medeverdachte [medeverdachte] genoegen zou nemen met beëindiging van een lucratieve bonuspoolovereenkomst zonder daarbij een ontslagvergoeding te bedingen. Dat het extra miljoen geen bonusbetaling betrof blijkt uit het feit dat medeverdachte [medeverdachte] over die periode gewoon salaris heeft ontvangen en geen contractant is geworden van een nieuwe bonuspoolovereenkomst. Dit dient in de zaak van verdachte -zo begrijpt de rechtbank- te leiden tot vrijspraak van alle feiten, nu niet kan worden bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde documenten vals zijn.

4.2.2. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich –zakelijk weergegeven- op het standpunt gesteld dat medeverdachte [medeverdachte] recht had op een bonus over 1999 en onderschrijft de uitspraak van de rechtbank Haarlem in de belastingzaak hieromtrent, inhoudende dat het contract met wederzijds goedvinden werd ontbonden en er aldus geen sprake was van opstappen uit eigen beweging en derhalve artikel 4 van de overeenkomst van 26 augustus 1998 niet van toepassing is. Niet aannemelijk is dat medeverdachte [medeverdachte] zich er zonder meer bij zou hebben neergelegd als de bank geweigerd had de bonus over 1999 uit te keren. De officier onderbouwt haar stelling met een reeks bewijsmiddelen (zie requisitoir p. 10-12). In de betaling die uiteindelijk is gedaan was deze bonus begrepen. De bonus was daar ten minste de hoofdmoot van. Het extra miljoen betrof een bonusbetaling over 2000.

4.2.3. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt niet het betoog van de verdediging, dat medeverdachte [medeverdachte] op het moment van ondertekening van de overeenkomst van 11 februari 2000 geen aanspraak meer kon maken op een bonusbetaling over het jaar 1999.

Uit het dossier volgt evident dat de arbeidsovereenkomst van [medeverdachte] met de bank niet is beëindigd op 31 januari 2000, zoals de raadsvrouw van [medeverdachte] heeft gesteld, maar op 30 juni 2000. In de overeenkomst van 11 februari 2000 is immers met zoveel woorden opgenomen dat [medeverdachte] voorlopig in dienst blijft van de bank. Pas in de overeenkomst van 11 april 2000 wordt vastgelegd dat het dienstverband wordt beëindigd, en wel met ingang van 30 juni 2000. Dit betekent dat [medeverdachte] op 1 februari 2000 nog in dienst was en dus in ieder geval recht had op de 1e tranche van de bonus over 1999, die op die datum betaalbaar moest worden gesteld. Overigens had [medeverdachte], naar het oordeel van de rechtbank, ook recht op de 2e tranche van de bonus over 1999. [medeverdachte] heeft zijn arbeidsovereenkomst immers niet eenzijdig opgezegd om naar elders te vertrekken, dus de situatie waarin volgens de destijds bij de bank vigerende regels geen recht op een bonus over het voorgaande jaar meer zou bestaan, deed zich niet voor.

Het andersluidende standpunt van de verdediging doet in de ogen van de rechtbank gekunsteld aan en spoort ook niet met hetgeen verdachte zelf ter zitting een en andermaal heeft verklaard, namelijk dat het vanzelfsprekend was dat hij recht had op een bonus over 1999 en dat hij niet zou zijn vertrokken zonder daarvoor een betaling te ontvangen.

Het vorenstaande laat nog open de volgende vraag: wàs het overeengekomen bedrag ook daadwerkelijk een bonusbetaling? Deze vraag kan naar het oordeel van de rechtbank niet ten volle bevestigend worden beantwoord. Dat wil zeggen, weliswaar is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat in dit bedrag een bonusbetaling over 1999 is begrepen, maar niet kan worden (vast)gesteld dat dit bedrag voor het geheel een bonusbetaling betreft.

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

In het kader van de onderhandelingen tussen de principals en de bank over een nieuwe groepsovereenkomst is er, zo blijkt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, veel ‘gesteggel’ geweest over de hoogte van de bonus over 1999. De bank wilde niet weer, zoals over 1998 het geval was geweest, aan iedere principal een bonus uitkeren van fl 6 miljoen of wellicht zelfs meer. Om deze reden probeerde de bank de op de bonus in mindering te brengen kosten en goodwill zo hoog mogelijk op te schroeven. Over de wijze van berekening van die kosten was kennelijk weinig tot niets vastgelegd. Uiteindelijk is er nooit een definitieve berekening gemaakt van de aan de principals toekomende bonus over 1999. Het ‘gesteggel’ beu, hebben de principals een bedrag genoemd waarvoor zij bereid waren het lucratieve bonuspoolcontract op te geven. Dit bedrag is aanvankelijk door iedereen onverkort een bonus genoemd, hetgeen erop lijkt te wijzen dat het in zijn geheel de bonus over 1999 betrof. Die aanwijzing wordt nog eens versterkt doordat [persoon 8] -die ingevolge een side-letter recht had op de helft van de aan de principals toekomende bonus- (G05-01 pag. 4) over 1999 een bonus heeft ontvangen van precies de helft van het bedrag dat in de overeenkomst van 11 februari 2000 aan de principals is toegekend, aanvankelijk als bonus en later als beëindigingsvergoeding.

Toch acht de rechtbank dit niet doorslaggevend voor de kwalificatie van het gehele bedrag. Het bedrag ziet immers op de beëindiging van de gehele bonuspoolovereenkomst, waarmee de principals –naar hun eigen zeggen- in 2000 en later nog veel geld hadden kunnen verdienen. Het is niet onlogisch dat die toekomstige inkomsten in het bedrag zijn verdisconteerd. Voorts merkt de rechtbank op dat de bank (in de persoon van [persoon 4]) zich in de onderhandelingen op het standpunt stelde dat de bonus over 1999 niet meer dan fl 1 miljoen kon bedragen en dat de bonus over 1998 was uitgekomen op fl 6 miljoen. Dat het bedrag van fl 7,4 miljoen geheel een bonus over 1999 is, kan daarom niet met zekerheid worden vastgesteld. Het extra miljoen dat verdachte [medeverdachte] heeft bedongen voor de periode dat hij als enige principal nog aan de bank verbonden was, vermag de rechtbank echter bezwaarlijk anders zien dan een bonus over 2000 ingevolge artikel 4.2 van de overeenkomst van 11 februari 2000, nu de handgeschreven berekening in het dossier (D-29) hierop duidt en de betaling zich anders niet logisch laat verklaren. Het ligt immers niet voor de hand dat een vertrekkende werknemer, die iets langer in dienst blijft dan aanvankelijk was beoogd, een hogere vertrekpremie meekrijgt. Een vertrekpremie is bedoeld om toekomstig te derven inkomsten te vergoeden en hoe langer een werknemer in dienst blijft, hoe korter de periode waarover hij inkomsten derft, dus hoe lager de vergoeding.

Al met al kan worden vastgesteld dat de aan verdachte [medeverdachte] uitgekeerde vergoeding van ruim fl 8,5 miljoen in ieder geval voor een (aanzienlijk) deel betrekking heeft op de bonus over 1999 en voor dat deel dus géén vergoeding is voor in de toekomst te derven inkomsten. De aangifte inkomstenbelasting 2000 van verdachte [medeverdachte] is in zoverre dan ook onjuist, dat daarin voor het gehele bedrag van fl 8,5 miljoen toepassing van het 45%-tarief wordt gevraagd.

Deze conclusie betekent eveneens dat voor de in het onder 1 subsidiair tenlastegelegde zinsnede “terwijl dat bedrag in werkelijkheid een bonusbetaling betrof” onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is. Slechts kan worden vastgesteld dat het bedrag van ruim fl 8,5 miljoen voor een (aanzienlijk) deel een bonusbetaling betrof. De tenlastelegging is er echter ondubbelzinnig op toegesneden dat het gehele bedrag een bonus betrof en biedt geen ruimte om bewezen te verklaren dat dit voor een deel van het bedrag geldt. Dit voert ertoe dat verdachte van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, waarin hij onder meer als mededader is gekwalificeerd, ook dient te worden vrijgesproken.

4.3. Feit 2

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, reeds omdat niet kan worden vast-gesteld dat hij de overeenkomst van 11 februari 2000 de belastingdienst ter hand heeft gesteld, noch dat hij van die overeenkomst gebruik heeft gemaakt of deze in bezit heeft gehad.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Verklaart de aan verdachte tenlastegelegde feiten onder 1 primair en subsidiair en 2 niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.G. Bauduin, voorzitter,

mrs. G.M. van Dijk en W.M. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.C.N. van Gelderen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 januari 2009.