Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BG9055

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-01-2009
Datum publicatie
07-01-2009
Zaaknummer
13-993005-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BR0740, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 69 lid 2 AWR, 225 Sr, 47 Sr

Vrijspraak, wegens ontbreken van vereiste opzet.

Verdachte -ervaren belegger, maar daarmee nog niet fiscaal onderlegd- heeft na navraag bij zijn accountant de op advies van een groot belastingadvieskantoor gekozen fiscale afhandeling door zijn bank gevolgd. Niet kan van verdachte verwacht worden dat hij zou inzien dat de aan hem betaalde vergoeding in fiscale zin zeker niet (geheel) was aan te merken als een ontslagvergoeding. Voorts kan niet worden gezegd dat verdachte onvoldoende heeft gedaan om na te gaan of hij zijn belastingaangifte kon invullen zoals hij heeft gedaan. Aldus geen voorwaardelijk opzet.

Verbetering van kennelijke omissie.

Geen sprake van schending gelijkheidsbeginsel en aldus geen niet-ontvankelijkheid officier van justitie; in de loop van het voorbereidend onderzoek kon de officier van justitie tot de conclusie komen dat de context waarin bepaalde strafrechtelijk van belang zijnde omstandigheden zich hebben voorgedaan bij de onderscheidene verdachten verschilde, waarmee ook de relevantie van die verschillen uiteen ging lopen.

Uitgekeerde vergoeding heeft in ieder geval voor een deel betrekking op de bonus over 1999 en is voor dat deel dus geen vergoeding voor in de toekomst te derven inkomsten. Aangifte inkomstenbelasting 2000 in zoverre onjuist, dat daarin voor het gehele bedrag van de vergoeding toepassing van het 45%-tarief wordt gevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0060
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/993005-06 (PROMIS)

Datum uitspraak: 7 januari 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres]

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15, 18 en 24 december 2008.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij, op of omstreeks 1 oktober 2001, althans in oktober 2001, althans in het jaar

2001, in Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk, een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten, een aangifte voor de Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/premie WAZ over het jaar 2000 (Bijlage D1), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of heeft doen en/of laten doen door (een) ander(en), immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededaders opzettelijk, op het bij de Belastingdienst te Amsterdam ingeleverde aangiftebiljet over het genoemde jaar 2000, opgenomen dat hij in 2000 een bedrag van HFL 8.544.205,- aan inkomsten en/of ontslagvergoeding had ontvangen van Mees Pierson NV, welk bedrag was belast tegen een percentage van 45% terwijl dit had moeten worden belast tegen een percentage van 60% omdat het een bonusbetaling over het jaar 1999 betrof, althans heeft hij, verdachte, en/of zijn mededaders die aangifte gedaan tot een te laag belastbaar inkomen, terwijl dat feit ertoe heeft gestrekt dat te weinig belasting werd geheven;

artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

artikel 47 Wetboek van Strafrecht

2.

hij, op of omstreeks 11 februari 2000, althans in de maand februari 2000, althans in het jaar 2000, in Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, een geschrift, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

- een agreement en/of overeenkomst gedateerd op 11 februari 2000 tussen Mees Pierson NV, [persoon 1], [persoon 2] en [verdachte],

valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen of laten opmaken en/of vervalsen, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s), valselijk, in de agreement of overeenkomst (bijlage D-6), opgenomen en/of doen of laten opnemen, dat [persoon 1], [persoon 2] en [verdachte] een bedrag van ongeveer NLG 7.494.205 als ontslagvergoeding zouden ontvangen, terwijl dat bedrag in werkelijkheid een bonusbetaling betrof, met het oogmerk omdat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en of te doen gebruiken;

Artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Artikel 47 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

hij, in of omstreeks de periode gelegen tussen 11 februari 2000, althans in de maand februari 2000 en 8 maart 2005, in Amsterdam en/of te Loosdrecht (gemeente Wijdemeren) en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, een geschrift, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

- een agreement en/of overeenkomst gedateerd op 11 februari 2000 tussen Mees Pierson NV, [persoon 1], [persoon 2] en [verdachte],

bestaande dat gebruik maken en/of dat afleveren en/of dat voorhanden hebben hierin, dat verdachte en/of zijn mededaders, van de agreement en/of overeenkomst na ondertekening een afschrift hebben ontvangen en/of in het bezit hebben gehad en bestaande die valsheid daarin dat in de agreement of overeenkomst (bijlage D-6),was opgenomen dat [persoon 1], [persoon 2] en [verdachte] een bedrag van ongeveer NLG 7.494.205 als ontslagvergoeding zouden ontvangen, terwijl dat bedrag in werkelijkheid een bonusbetaling betrof, zulks terwijl hij verdachte of zijn mededaders wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

Artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Artikel 47 Wetboek van Strafrecht

3.

hij, op of omstreeks 11 april 2000, althans in de maand april 2000, althans in het jaar 2000,

in Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, een geschrift, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

- een procedure-overeenkomst beeindiging dienstverband, gedateerd op 11 april 2000 tussen Mees Pierson NV en [verdachte],

valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen of laten opmaken en/of vervalsen, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s), valselijk, in de procedure-overeenkomst (bijlage D-8), opgenomen en/of doen of laten opnemen, dat [verdachte] een bedrag van ongeveer NLG 8.544.205,- als ontslagvergoeding zou ontvangen, terwijl dat bedrag in werkelijkheid een bonusbetaling betrof, met het oogmerk omdat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en of te doen gebruiken;

Artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Artikel 47 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

hij, in of omstreeks de periode gelegen tussen 11 april 2000 en 8 maart 2005, in Amsterdam en/of Loosdrecht(gemeente Wijdemeren) en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, een geschrift, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

- een procedure-overeenkomst beeindiging dienstverband gedateerd op 11 april 2000 tussen Mees Pierson NV en [verdachte],

bestaande dat gebruik maken en/of dat afleveren en/of dat voorhanden hebben hierin, dat verdachte en/of zijn mededaders, van deze overeenkomst na ondertekening een afschrift hebben ontvangen en/of in het bezit hebben gehad en/of heeft ingeleverd bij de Belastingdienst Amsterdam, bestaande die valsheid daarin dat in de overeenkomst(bijlage D-8),was opgenomen dat [verdachte] een bedrag van ongeveer NLG 8.544.205,- als ontslagvergoeding zou ontvangen, terwijl dat bedrag in werkelijkheid een bonusbetaling betrof, zulks terwijl hij verdachte en/of zijn mededaders wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

Artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Artikel 47 Wetboek van Strafrecht

1.1. Kennelijke omissie

De rechtbank constateert dat in het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde is opge-nomen de zinsnede “bestaande die valsheid daarin”. Uit deze zinsnede leidt de rechtbank af dat door de officier van justitie kennelijk wordt verwezen naar een voorafgaand gedeelte in de respectieve tenlastegelegde feiten. Die term “valsheid’ of een term van gelijke aard of strek-king is echter niet opgenomen in een voorafgaand gedeelte.

De rechtbank constateert tevens dat de officier van justitie in overeenstemming met artikel 261 lid 1 Sv in het onderschrift van beide tenlastegelegde feiten artikel 225 lid 2 Sr heeft op-genomen, dat de tenlastelegging voor het overige inhoudelijk met genoemd artikel overeen-stemt en dat in het onder 2 primair en 3 primair tenlastegelegde, waarin de zinsnede “valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen of laten opmaken en/of vervalsen” is opgenomen, het onder meer gaat om dezelfde overeenkomsten als in de respectievelijke bij-behorende subsidiaire tenlastegelegde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de respectieve ten-lastegelegde feiten worden geschaad doordat er sprake is van een kennelijke verwijzing, waar-bij hetgeen waarnaar wordt verwezen ontbreekt. Uit het geheel van alle hiervoor genoemde constateringen is echter de bedoeling van de officier van justitie om de respectieve tenlastege-legde feiten tenlaste te leggen conform artikel 225 lid 2 Sr evident. Dit was evenzeer in de vi-sie van de verdediging het geval, nu hieromtrent geen verweer is gevoerd.

De rechtbank leest dan ook het in de 4e regel van het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair ten-lastegelegde vermelde (en eerstegenoemde) “een geschrift” als “een vals of vervalst ge-schrift”, aangezien hier sprake is van een kennelijke omissie. Door de verbetering hiervan wordt verdachte niet in zijn verdediging geschaad.

2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.1. Standpunt van de verdediging

Bij pleidooi heeft de raadsvrouw namens verdachte het verweer van de verdediging van medeverdachte [medeverdachte] waar het gaat om de niet–ontvankelijkheid van de officier van justitie nadrukkelijk en onverkort overgenomen. Dit verweer houdt -zakelijk en verkort samengevat- het volgende in.

De officier van justitie dient in haar vervolging niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat zij daarin ongerechtvaardigd selectief is geweest en daarmee ook onredelijk en/of willekeurig en dus in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. De verdediging komt tot die conclusie omdat, behalve medeverdachte [medeverdachte], de andere verdachte (rechts)personen in de onderhavige strafzaak bij gelijke verdenking van betrokkenheid bij één en hetzelfde gemeenschappelijk delict niet op dezelfde wijze zijn aangepakt. Deze verdenking komt er in de kern (met de daarbij horende varianten) op neer dat door alle betrokkenen een bonusvergoeding is gepresenteerd als een ontslagvergoeding om aldus een fiscaal voordeel te behalen.

2.2. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar de daarop betrekking hebbende overwegingen in de beschikking van de rechtbank op het bezwaarschrift tegen de inleidende dagvaarding geconcludeerd dat er in dezen geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

2.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van het verweer stelt de rechtbank allereerst nog maar eens vast dat gelijkheid een groot goed is. Het objectieve geabstraheerde gelijkheidsbeginsel ligt ook vast in wet en verdrag zoals in artikel 1 van onze Grondwet en in artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. Ook in het strafrecht is aanvaard dat het gelijkheidsbeginsel een algemeen beginsel van behoorlijk strafprocesrecht is. Daarbij geldt evenwel dat in het bijzonder in het strafrecht, waar ongelijkheid bij vervolging min of meer is geïnstitutionaliseerd, ongelijkheid meer dan wellicht in andere rechtsgebieden gerechtvaardigd is te achten.

Naar het oordeel van de rechtbank komt het OM bij zijn vervolgingsbeslissing(en), gegeven de in ons rechtsstelsel aan het OM toekomende bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 167 en 242 Sv, aanmerkelijke vrijheid toe de keuze te maken tot vervolging over te gaan, buiten het strafproces om tot een afdoening te komen of na beoordeling van het voorbereidende onderzoek te besluiten van verdere vervolging af te zien. Eerst als sprake is van een werkelijk willekeurige ongelijke behandeling van gelijke zaken zou dat tot niet-ontvankelijkheid van het OM moeten leiden.

In de onderhavige strafzaak heeft de officier van justitie bij aanvang van het strafrechtelijk opsporingsonderzoek een aantal personen als verdachte aangemerkt. Hieronder vielen van meet af aan verdachte en medeverdachte [medeverdachte], een aantal medewerkers van de bank Mees Pierson (en daarmee dus ook de bank), die betrokken waren bij de onderhandelingen en het ondertekenen van de overeenkomsten tussen de bank en [verdachte] en zijn medeprincipals, een medewerker van PriceWaterhouseCoopers (hierna: PWC), de externe belastingadviseur van de bank en de Amerikaanse principals.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 17 december 2008 betoogd dat in de loop van het voorbereidend onderzoek verschillend is beslist over de verdere vervolging van de onderscheidenlijke verdachten. Daarbij heeft de officier van justitie toegelicht dat voor wat betreft de bank en haar medewerkers er onvoldoende bewijs voorhanden bleek om een vervolging door te zetten. Voor de Amerikaanse principals gold dat –in het licht van de fiscale afhandeling over 1999/2000- onvoldoende nationaal belang was en dat zij geen voordeel hadden genoten. Ten slotte zag de officier van justitie grond de strafzaak tegen één van de verdachten buitengerechtelijk –door het aanbieden van een schikking– af te doen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie, na afweging van alle in het geding zijnde belangen en gegeven haar beleidsvrijheid, in alle redelijkheid tot deze beslissingen kunnen komen. De toelichting die zij daaromtrent heeft gegeven acht de rechtbank genoegzaam.

Het is mogelijk ook in deze strafzaak de uitgangspunten van mogelijk strafrechtelijk verwijtbaar handelen van al de verdachten die in beeld waren gelijk te zien. Echter in de loop van het voorbereidend onderzoek kon de officier van justitie tot de conclusie komen dat de context waarin bepaalde strafrechtelijke van belang zijnde omstandigheden zich hebben voorgedaan (met name natuurlijk als het gaat over de totstandkoming van de overeenkomsten) bij de onderscheidene verdachten verschilde, waarmee ook de relevantie van die verschillen uiteen ging lopen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het niet-vervolgen van een aantal verdachten tegenover verdachte niet getuigt van werkelijk willekeurig ongelijke behandeling zodat het beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt afgewezen.

3. Vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.1. Verdachte is in 1998 net als de Amerikanen [persoon 2] en [persoon 1] ‘principal’ van de [afdeling] (hierna: [de afdeling]), een afdeling binnen de Mees Pierson-bank (hierna: MP) (onderdeel van Fortis) die zich met name bezighoudt met het uitlenen van effecten. Op 26 augustus 1998 wordt een nieuwe groepsovereenkomst tussen MP en de principals gesloten (D-4). Onderdeel van deze overeenkomst is een bonuspool, waarbij per kalenderjaar tot maximaal 40% van het ‘special net result’ kan worden verdeeld over de principals, na aftrek van de voorgestelde bedragen voor de overige werknemers van de [de afdeling].

3.2. Ingevolge deze overeenkomst krijgt elk van de principals in 1999 een bonus over 1998 van fl 6 miljoen uitbetaald. Omdat het nieuwe (hogere) management van MP en Fortis moeite hebben met dermate hoge bonussen, start MP nieuwe onderhandelingen (zie o.a. D-59) met de principals om te komen tot een nieuwe groepsovereenkomst.

3.3. Per interne memo van 14 december 1999 (D-23) wordt een tekstvoorstel gedaan voor een nieuwe groepsovereenkomst, geldend vanaf 1 januari 1999. In deze overeenkomst is het maximum-winstdeel teruggebracht tot 25%.

3.4. Tot ondertekening van dit voorstel komt het niet, zo blijkt ook uit een brief van de princi-pals [verdachte], [persoon 2] en [persoon 1] van 10 januari 2000 (D-24), waarin zij mededelen dat ze net als in 1999 bereid zijn verder te onderhandelen over een nieuwe overeenkomst, ter vervanging van de onverkort geldende overeenkomst van 26 augustus 1998.

3.5. Die onderhandelingen lopen uiteindelijk op niets uit, zo blijkt uit een concept-overeenkomst tot beëindiging (D-62), naar aanleiding van een overleg op 31 januari 2000. In deze overeenkomst is als voorwaarde opgenomen dat de principals in februari 2000 ieder fl 7,5 miljoen wordt betaald.

3.6. In een interne memo van 9 februari 2000 geeft [persoon 3] (bedrijfsjurist van MP) aan dat [persoon 1], [persoon 2] en [verdachte] het bedrag van circa fl 7,5 miljoen niet meer wil-len ontvangen als Bonus Payment maar als beëindigingsvergoeding, zodat het rekenwerk ver-der achterwege kan blijven (D-33).

3.7. Bij een interne memo van 10 februari 2000 aan [persoon 4], [persoon 1] en [persoon 2] (D-34) voegt [persoon 3] twee versies van de beëindigingsovereenkomst. Hij geeft aan dat in de één het bedrag is aangemerkt als bonusbetaling, in de ander als beëindigingsbe-taling.

3.8. Op 11 februari 2000 sluiten de principals dan met MP een beëindigingsovereenkomst (D-6). Hierin is bepaald dat de principals een beëindigingsvergoeding van fl 7.494.205 zullen ontvangen ter vervanging van enige betalingen over 1999 voortvloeiende uit de groepsover-eenkomst en hun arbeidsovereenkomst. In de overeenkomst is opgenomen dat [verdachte] (als enige van de principals) nog voorlopig bij MP werkzaam zal blijven, en dat MP en [verdachte] in goed vertrouwen onderhandelingen zullen starten over diens vergoeding voor 2000.

3.9. In een e-mail van 16 februari 2000 van [persoon 5] van PWC aan [persoon 6] ([functie] bij MP) wordt in het algemeen uitleg gegeven over het 45% tarief bij ontslagvergoeding (D-44).

3.10. Bij intern memo van 17 februari 2000 (D-119) laat [persoon 6] aan [persoon 7] ([functie] van MP) de bruto uitkeringen aan een aantal [de afdeling]-medewerkers we-ten:

[persoon 8] fl 3.747.102,-; [persoon 2] - 7.274.168,-; [persoon 1] - 7.412.123,40;

[verdachte] - 7.494.205,-

3.11. In een bijlage behorende bij een fax van 2 maart 2000 van [persoon 5] aan [verdachte] wordt de toepassing van het 45%-tarief bij afkoop van contractsrechten nader toegelicht (D-133).

3.12. Op 11 april 2000 sluit [verdachte] dan met MP een overeenkomst tot beëindiging van zijn dienstverband per 30 juni 2000 (D8). Overeengekomen wordt dat de bank een uitkering in-eens zal verstrekken van fl 8.544.205,-, als tegemoetkoming met betrekking tot de toekomsti-ge derving van inkomsten.

3.13. In zijn aangifte inkomstenbelasting over 2000 van 1 oktober 2001 (D-1) vraagt [verdachte] ten aanzien van het bedrag van fl 8.544.205,-, wegens tegemoetkoming met betrekking tot de toe-komstige derving van inkomsten, toepassing van het bijzonder tarief van 45%.

3.14. In juni 2004 heeft de belastinginspecteur Amsterdam naar aanleiding van een bericht van een ambtgenoot van de Belastingdienst Limburg/kantoor Buitenland te Heerlen (waar de belastingaangiften van [persoon 2] en [persoon 1] worden afgehandeld) een nader onderzoek inge-steld naar de door de verdachte ontvangen vergoeding. Op basis van dit onderzoek conclu-deert de belastinginspecteur dat de hiervoor bedoelde inkomsten ten onrechte op basis van het bijzondere tarief zijn belast.

3.15. [verdachte], hiervan op de hoogte gesteld, schakelt de hulp in van medeverdachte [medeverdachte], die dan al de belangen van [persoon 2] behartigt in diens zaak met de belastingdienst Heerlen.

3.16. In een brief van 5 augustus 2004 aan [verdachte] deelt de belastinginspecteur mede dat het voornemen bestaat om een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2000 op te leggen waarbij het door [verdachte] ontvangen bedrag van fl 7.494.205 ter zake van de ontbinding van de bonuspoolovereenkomst zal worden belast tegen het tabeltarief in plaats van tegen het tarief van 45%, met oplegging van een boete van 50% van de verschuldigde betaling. De navorde-ringsaanslag is uiteindelijk zonder boete opgelegd met dagtekening 30 december 2005 en daarin is het door [verdachte] aangegeven belastbare inkomen belast tegen het progressieve tarief.

3.17. Op 24 augustus 2004 stuurt [medeverdachte] (D-15) een brief naar de inspecteur, met de beëindi-gingsovereenkomst van 11 april 2000 als bijlage, waarin hij benadrukt dat het om een ont-slagvergoeding gaat.

3.18. Door de FIOD-ECD is op 11 november 2004 een strafrechtelijk onderzoek ingesteld te-gen onder anderen [verdachte] in verband met de verdenking van strafbare feiten liggend op het ter-rein van de belastingwetgeving en valsheid geschrifte.

3.19 [verdachte] heeft tegen de opgelegde navorderingsaanslag beroep ingesteld bij de belasting-rechter. De belastingkamer van de rechtbank Haarlem heeft in december 2008 het beroep on-gegrond verklaard en daartoe, kort gezegd, overwogen dat het aan [verdachte] betaalde bedrag van fl 8.544.205 een bonus voor verrichte werkzaamheden betrof en dus niet onder het bijzondere tarief van 45% kon vallen. De navorderingsaanslag is daarmee dus in stand gebleven.

4. Beoordeling ten gronde

4.1. Bonus

4.1.1. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

MP heeft aan de principals (met verwijzing naar in het pleidooi aangehaalde getuigenverklaringen) een ontslagvergoeding uitgekeerd. Nu op 31 januari 2000 met wederzijds goedvinden de arbeidsrelatie is beëindigd, betekent dit dat de arbeidsovereenkomst mede door verdachte is beëindigd. Hiermee is niet aan de opschortende voorwaarde voldaan en heeft verdachte geen recht op een bonus over het jaar 1999. Dit is, met verwijzing naar het -eerder in de strafzaak overgelegde- rapport van professor Loonstra, ook logisch vanuit arbeidsrechtelijk perspectief, omdat de toekenning van het recht op een bonus in eerste instantie bedoeld is als prikkel voor de werknemer tot optimale prestatie en behoud van de werknemer voor het bedrijf, en dus afhankelijk is gesteld van een nog bestaand dienstverband. Verder is ook niet begrijpelijk waarom verdachte genoegen zou nemen met beëindiging van een lucratieve bonuspoolovereenkomst zonder daarbij een ontslagvergoeding te bedingen. Dat het extra miljoen geen bonusbetaling betrof blijkt uit het feit dat verdachte over die periode gewoon salaris heeft ontvangen en geen contractant is geworden van een nieuwe bonuspoolovereenkomst. Dit dient te leiden tot vrijspraak van alle feiten, aldus de raadsvrouw.

4.1.2. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte recht had op een bonus over 1999 en onderschrijft de uitspraak van de rechtbank Haarlem in de belastingzaak hieromtrent, inhoudende dat het contract met wederzijds goedvinden werd ontbonden en er aldus geen sprake was van opstappen uit eigen beweging en derhalve artikel 4 van de overeenkomst van 26 augustus 1998 niet van toepassing is. Kortom, het recht op een bonus over 1999 bestond nog. Niet aannemelijk is dat verdachte zich er zonder meer bij zou hebben neergelegd als de bank geweigerd had de bonus over 1999 uit te keren. De officier onderbouwt haar stelling met een reeks bewijsmiddelen (zie requisitoir p. 10-12). In de betaling die uiteindelijk is gedaan was deze bonus begrepen. De bonus was daar ten minste de hoofdmoot van. Het extra miljoen betrof een bonusbetaling over 2000.

4.1.3. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt niet het betoog van de verdediging, dat verdachte op het moment van ondertekening van de overeenkomst van 11 februari 2000 geen aanspraak meer kon maken op een bonusbetaling over het jaar 1999.

Uit het dossier volgt evident dat de arbeidsovereenkomst van verdachte met de bank niet is beëindigd op 31 januari 2000, zoals de raadsvrouw heeft gesteld, maar op 30 juni 2000. In de overeenkomst van 11 februari 2000 is immers met zoveel woorden opgenomen dat verdachte voorlopig in dienst blijft van de bank en pas in de overeenkomst van 11 april 2000 wordt vastgelegd dat het dienstverband wordt beëindigd, en wel met ingang van 30 juni 2000. Dit betekent dat verdachte op 1 februari 2000 nog in dienst was en dus in ieder geval recht had op de 1e tranche van de bonus over 1999, die op die datum betaalbaar moest worden gesteld. Overigens had verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, ook recht op de 2e tranche van de bonus over 1999. Verdachte heeft zijn arbeidsovereenkomst immers niet eenzijdig opgezegd om naar elders te vertrekken, dus de situatie waarin volgens de destijds bij de bank vigerende regels geen recht op een bonus over het voorgaande jaar meer zou bestaan, deed zich niet voor.

Het andersluidende standpunt van de verdediging doet in de ogen van de rechtbank gekunsteld aan en spoort ook niet met hetgeen verdachte zelf ter zitting een en andermaal heeft verklaard, namelijk dat het vanzelfsprekend was dat hij recht had op een bonus over 1999 en dat hij niet zou zijn vertrokken zonder daarvoor een betaling te ontvangen.

Het vorenstaande laat nog open de volgende vraag: wàs het overeengekomen bedrag ook daadwerkelijk een bonusbetaling? Deze vraag kan naar het oordeel van de rechtbank niet ten volle bevestigend worden beantwoord. Dat wil zeggen, weliswaar is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat in dit bedrag een bonusbetaling over 1999 is begrepen, maar niet kan worden (vast)gesteld dat dit bedrag voor het geheel een bonusbetaling betreft.

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

In het kader van de onderhandelingen tussen de principals en de bank over een nieuwe groepsovereenkomst is er, zo blijkt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, veel ‘gesteggel’ geweest over de hoogte van de bonus over 1999. De bank wilde niet weer, zoals over 1998 het geval was geweest, aan iedere principal een bonus uitkeren van fl 6 miljoen of wellicht zelfs meer. Om deze reden probeerde de bank de op de bonus in mindering te brengen kosten en goodwill zo hoog mogelijk op te schroeven. Over de wijze van berekening van die kosten was kennelijk weinig tot niets vastgelegd. Uiteindelijk is er nooit een definitieve berekening gemaakt van de aan de principals toekomende bonus over 1999. Het ‘gesteggel’ beu, hebben de principals een bedrag genoemd waarvoor zij bereid waren het lucratieve bonuspoolcontract op te geven. Dit bedrag is aanvankelijk door iedereen onverkort een bonus genoemd, hetgeen erop lijkt te wijzen dat het in zijn geheel de bonus over 1999 betrof. Die aanwijzing wordt nog eens versterkt doordat [persoon 8] -die ingevolge een side-letter recht had op de helft van de aan de principals toekomende bonus- (G05-01 pag. 4) over 1999 een bonus heeft ontvangen van precies de helft van het bedrag dat in de overeenkomst van 11 februari 2000 aan de principals is toegekend, aanvankelijk als bonus en later als beëindigingsvergoeding.

Toch acht de rechtbank dit niet doorslaggevend voor de kwalificatie van het gehele bedrag. Het bedrag ziet immers op de beëindiging van de gehele bonuspoolovereenkomst, waarmee de principals –naar hun eigen zeggen- in 2000 en later nog veel geld hadden kunnen verdienen. Het is niet onlogisch dat die toekomstige inkomsten in het bedrag zijn verdisconteerd. Voorts merkt de rechtbank op dat de bank (in de persoon van [persoon 4]) zich in de onderhandelingen op het standpunt stelde dat de bonus over 1999 niet meer dan fl 1 miljoen kon bedragen en dat de bonus over 1998 was uitgekomen op fl 6 miljoen. Dat het bedrag van fl 7,4 miljoen geheel een bonus over 1999 is, kan daarom niet met zekerheid worden vastgesteld. Het extra miljoen dat verdachte heeft bedongen voor de periode dat hij als enige principal nog aan de bank verbonden was, vermag de rechtbank echter bezwaarlijk anders zien dan een bonus over 2000 ingevolge artikel 4.2 van de overeenkomst van 11 februari 2000, nu de handgeschreven berekening in het dossier (D-29) hierop duidt en de betaling zich anders niet logisch laat verklaren. Het ligt immers niet voor de hand dat een vertrekkende werknemer, die iets langer in dienst blijft dan aanvankelijk was beoogd, een hogere vertrekpremie meekrijgt. Een vertrekpremie is bedoeld om toekomstig te derven inkomsten te vergoeden en hoe langer een werknemer in dienst blijft, hoe korter de periode waarover hij inkomsten derft, dus hoe lager de vergoeding.

Al met al kan worden vastgesteld dat de aan verdachte uitgekeerde vergoeding van ruim fl 8,5 miljoen in ieder geval voor een (aanzienlijk) deel betrekking heeft op de bonus over 1999 en voor dat deel dus géén vergoeding is voor in de toekomst te derven inkomsten. De aangifte inkomstenbelasting 2000 van verdachte is in zoverre dan ook onjuist, dat daarin voor het gehele bedrag van fl 8,5 miljoen toepassing van het 45%-tarief wordt gevraagd.

4.2. Opzetvereiste

4.2.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte wist wat de voor-waarden waren voor toepassing van het bijzonder tarief. Zo heeft hij kennis genomen van het advies van PWC aan MP en de Amerikaanse principals hieromtrent. Dit advies was er ruim voor de overeenkomst van april 2000 en dus ook ruim voor het doen van aangifte over dat jaar. Verdachte is financieel onderlegd en moet dit advies toen ook hebben begrepen. Uit de rest van het dossier volgt dat verdachte niet lijdelijk is geweest bij alle fiscale perikelen. Hij heeft zich bekommerd over de wijze waarop de contracten zijn geformuleerd, de belasting-aangifte is gedaan en de informatieverstrekking aan de fiscus is gelopen. Hij heeft wel dege-lijk grote invloed gehad op het onjuiste karakter daarvan.

Zelfs als verdachte zich er helemaal niet mee had beziggehouden en het maar aan anderen had overgelaten om voor hem te handelen, dan nog kan hem een strafrechtelijk verwijt worden gemaakt. Immers, als het gaat om de aangifte inkomstenbelasting, om informatieverstrekking aan de fiscus en om een contract waar verdachte zijn handtekening onder zet, dan is hij wel normadressaat. Dan moet hij er zich van verzekeren dat datgene waar hij zijn handtekening onder zet, strookt met de waarheid. Doet hij dit niet, dan neemt hij bewust de aanmerkelijke kans op de koop toe dat de aangifte, het contract en de informatieverstrekking niet juist, on-volledig en/of vals zijn.

4.2.2. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten nu hij niet met het vereiste opzet heeft gehandeld. Verdachte werd pas bekend met het feit dat voor de overeengekomen vergoeding een bijzonder tarief zou gelden na ondertekening van de beëindigingsovereenkomst van 11 februari 2000 en dus nadat de ontslagvergoeding was vastgesteld. Toen verdachte het advies van PWC aan MP op 2 maart 2000 kreeg toegefaxt, had MP de vergoeding al gekwalificeerd als een ontslagvergoeding, namelijk in de overeenkomsten ter beëindiging van de arbeidsrelaties van [persoon 1] en [persoon 2] (van 25 februari 2000). Verdachte heeft daarna met zijn eigen accountant gebeld om dit te verifiëren. [persoon 6] van MP heeft het besluit genomen tot verloning tegen het bijzondere tarief. Signalen dat hierover discussie mogelijk zou kunnen zijn, hebben verdachte nooit bereikt.

Bij het indienen van zijn aangifte IB 2000, in oktober 2001, had verdachte dan ook geen enkele aanleiding te veronderstellen of eraan te twijfelen dat de vergoeding niet tegen het bijzonder tarief belast kon worden. Immers, verdachte ging er logischerwijs van uit dat een gerenommeerde bank als MP, die zelf beschikt over een juridische en fiscale afdeling, maar zich ter zake ook nog eens heeft laten voorlichten door een gerenommeerd kantoor als PWC, voor de aangifte loonbelasting tot de toepassing van het juiste tarief besluit. Verdachte is daarenboven niet alleen afgegaan op MP, maar heeft een en ander daarnaast ook nog geverifieerd bij zijn eigen accountant. Onder deze omstandigheden kan bezwaarlijk worden aangenomen dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat hij een onjuiste aangifte IB indiende.

4.3.2. Oordeel van de rechtbank

Voorop staat dat verdachte als belastingplichtige zelf verantwoordelijk is voor een juiste en volledige belastingaangifte. Dat zijn aangifte over 2000 onjuist is, omdat daarin een bedrag van ruim fl 8,5 miljoen wordt gepresenteerd als een vergoeding voor gederfde of te derven inkomsten terwijl het in ieder geval voor een gedeelte een bonusvergoeding voor in 1999 verrichte werkzaamheden betreft -zoals de rechtbank onder 4.1.3. heeft vastgesteld- , komt in fiscale zin daarom voor zijn rekening.

Dit levert echter nog niet direct een strafrechtelijk verwijt op, omdat daarvoor sprake moet zijn van een opzettelijk onjuiste aangifte. De vraag is of bij verdachte een dergelijk (voorwaardelijk) opzet aanwezig was toen hij zijn aangifte deed.

De rechtbank heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden die erop wijzen dat verdachte het voortouw zou hebben genomen bij het opstellen van de overeenkomsten van 11 februari 2000 en 11 april 2000 noch dat hij de hand zou hebben gehad in de daarin gekozen bewoordingen. Evenmin zijn er aanwijzingen dat verdachte betrokken is geweest bij de wijze waarop de bank de fiscale afhandeling heeft geregeld. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij alles door zijn werkgever, de bank, heeft laten regelen, geloofwaardig. De bank, zo staat vast, heeft de aan verdachte betaalde vergoeding tegen 45% afgerekend met de fiscus, nadat de bank zich hierover had laten adviseren door het gerenommeerde belastingadvieskantoor PWC. Verdachte heeft deze door zijn werkgever -een grote financiële bankinstelling- op advies van een groot belastingadvieskantoor gekozen fiscale afhandeling gevolgd. Hij heeft dit zelfs niet klakkeloos gedaan, maar eerst bij zijn eigen accountant nagevraagd of het 45%-tarief inderdaad bestond en zo ja, wanneer dat van toepassing was.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht bij deze stand van zaken niet van verdachte –die een ervaren belegger is, maar daarmee nog niet fiscaal is onderlegd- verwacht worden dat hij zou inzien dat de aan hem betaalde vergoeding in fiscale zin zeker niet (geheel) was aan te merken als een ontslagvergoeding, maar deels had moeten worden afgerekend tegen het gewone, progressieve, belastingtarief van 60%. Voorts kan niet worden gezegd dat verdachte onvoldoende heeft gedaan om na te gaan of hij zijn belastingaangifte kon invullen zoals hij dat heeft gedaan.

Dit alles betekent dat het voor een strafrechtelijk verwijt vereiste (voorwaardelijk) opzet bij verdachte niet kan worden vastgesteld en dat hij van het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte moet worden vrijgesproken. Ook van de onder 2 en 3 tenlastegelegde betrokkenheid bij het opmaken of gebruik maken van valse overeenkomsten moet verdachte op dezelfde gronden worden vrijgesproken, nu er onvoldoende bewijs is waaruit overtuigend volgt dat hij op die valsheid het opzet heeft gehad. De rechtbank merkt terzijde wel op dat zij op grond van het onderzoek op de terechtzitting tot de conclusie is gekomen dat de bank een grote mate van onduidelijkheid en weinig professioneel handelen heeft laten zien als het gaat om de wijze waarop de beëindigingsovereenkomsten tot stand zijn gekomen en de wijze waarop de daarbij betrokken hoge functionarissen hebben gehandeld.

De rechtbank acht het telastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Verklaart de aan verdachte tenlastegelegde feiten onder 1, 2 primair en subsidiair en 3 primair en subsidiair niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.G. Bauduin, voorzitter,

mrs. G.M. van Dijk en W.M. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.C.N. van Gelderen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 januari 2009.