Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:9040

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
30-03-2015
Zaaknummer
awb 09/43
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

nvt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/43 HOREC

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te[woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. E.M. Devis,

en

de burgemeester van Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M. Guimaraes.

Procesverloop

De rechtbank heeft op 6 januari 2009 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 18 december 2008 (hierna: het bestreden besluit).

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2009.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. feiten en achtergronden

1.1.

Eiseres exploiteert de eenmanszaak [naam 1]) gevestigd aan de [adres]. Op 27 juni 2006 heeft eiseres onder meer een aanvraag ingediend om verlenging van de exploitatievergunning.
Eiseres is alleenstaande en heeft een zoon uit een relatie met de heer[naam 2]

1.2.

Bij brief van 2 augustus 2006 is aan eiseres meegedeeld dat verweerder advies heeft gevraagd aan het Landelijk Bureau Bibob (hierna: LBB). Het LBB heeft op 9 januari 2007 advies uitgebracht.

1.3.

Bij brief van 6 juni 2007 heeft verweerder aan eiseres zijn voornemen bekendgemaakt om de exploitatievergunning te weigeren. Eiseres heeft op 10 juli 2007 haar zienswijze gegeven. Tevens zijn zienswijzen gegeven door de heer [naam 3] (schriftelijk op 20 juli 2007) en[naam 2] (mondeling op 19 juli 2007).

1.4.

Bij brief van 12 september 2007 heeft verweerder nadere vragen gesteld aan het LBB. Het LBB heeft deze vragen op 14 november 2007 beantwoord.

1.5.

Bij primair besluit van 11 april 2008 heeft verweerder de exploitatievergunning geweigerd op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, alsmede artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob). Tevens heeft verweerder eiseres hierbij meegedeeld dat, indien niet binnen vier weken na verzending van het besluit de exploitatie van het bedrijf is beëindigd, op grond van artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet, bestuursdwang zal worden toegepast wegens overtreding van artikel 3:2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) en artikel 6:2, tweede lid, van de APV.

1.6.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt en bij de voorzieningenrechter een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening inhoudende de schorsing van het primaire besluit tot zes weken na het nemen van een besluit op bezwaar.
Bij uitspraak van 27 mei 2008 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen.

1.7.

Bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2008 is eiseres veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens het voorhanden hebben gehad van geldbedragen, in totaal een geldbedrag van € 45.200,-, in haar woning, terwijl eiseres redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit geld – onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf (schuldwitwassen).
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam, bij uitspraak van 3 november 2008,[naam 2] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. De rechtbank acht bewezen verklaard dat [naam 2] zich schuldig heeft gemaakt aan onder meer (medeplegen) van gewoontewitwassen, valsheid in geschrifte meermalen gepleegd, handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, handelen in strijd met de Opiumwet en opzet- en schuldheling.

1.8.

Bij het bestreden besluit van 19 december 2008 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar ongegrond verklaard met dien verstande dat het besluit thans wordt gebaseerd op artikel 3.8 van de op 1 november 2008 in werking getreden APV 2008, onder aanvulling van de motivering dat [naam 2] leiding heeft gegeven aan de onderneming van eiseres. Voorts heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd de hiervoor genoemde uitspraken van de rechtbank van 3 november 2008.

2. Juridisch kader

2.1.

Ingevolge artikel 3.8 van de APV is het verboden zonder vergunning van de Burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.

2.2.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob, voor zover hier van belang, kunnen bestuursorganen weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.

2.3.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob, voor zover hier van belang, kunnen bestuursorganen weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

2.4.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet Bibob wordt de mate van het gevaar, bedoeld in voormelde bepalingen, vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a,
b. in geval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

2.5.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob, voor zover hier van belang, staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:
a. hij deze feiten zelf heeft begaan;
b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het wetboek van strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of:
c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

2.6.

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob vindt de weigering dan wel intrekking van de vergunning, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met (a) de mate van het gevaar en (b) voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

2.7.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de wet Bibob kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf door het college van burgemeester en wethouders, respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken, in het geval en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3.

3. Strafbare feiten door eiseres begaan

3.1.

Verweerder heeft allereerst aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd de veroordeling van eiseres voor schuldwitwassen door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 3 november 2008.

3.2.

Eiseres heeft aangevoerd dat het juist is dat zij is veroordeeld voor schuldwitwassen, maar dat zij zich niet kan vinden in de veroordeling door de rechtbank Amsterdam en tegen het vonnis hoger beroep heeft ingesteld.

3.3.

Volgens artikel 3, vierde lid, van de wet Bibob staat betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien hij deze feiten zelf heeft begaan.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat eiseres door de rechtbank Amsterdam is veroordeeld wegens schuldwitwassen tot een gevangenisstraf van twee maanden. Dit feit op zich betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder deze veroordeling bij de aanvraag mocht betrekken, ook al is eiseres het niet eens met deze veroordeling en heeft zij naar haar zeggen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

4. De relatie van eiseres tot strafbare feiten door een ander begaan

4.1.

Verweerder heeft aan het besluit tevens ten grondslag gelegd de veroordeling van [naam 2] bij vonnis van de rechtbank van 3 november 2008.

4.2.

Voor de toepassing van artikel 3, vierde lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet Bibob is in de eerste plaats van betekenis dat[naam 2] bij uitspraak van de rechtbank van 3 november 2008 is veroordeeld voor de duur van vier jaar voor onder meer (medeplegen) van gewoontewitwassen, valsheid in geschrifte meermalen gepleegd, handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, handelen in strijd met de Opiumwet en opzet en schuldheling.

4.3.

Voorts dient, wat betreft het ’zakelijk samenwerkingsverband’, te worden vastgesteld dat de wetgever in de Wet Bibob en toelichting weinig handvatten heeft gegeven voor de uitleg van het begrip ‘zakelijk samenwerkingsverband’. In ieder geval volgt uit de tekst van de wet dat van een samenwerkingsverband sprake dient te zijn ten tijde van de beoordeling door het bestuursorgaan.

4.4.

De rechtbank overweegt dat in dit verband de volgende aspecten van belang zijn. De vastgestelde feiten moeten voldoende onderbouwing bieden voor de conclusie dat er sprake is van een relatie tussen de derde en de (aspirant) vergunninghouder. De feiten moeten voldoende onderbouwing bieden voor de conclusie dat binnen die relatie wordt samengewerkt. Voorts moeten de feiten voldoende onderbouwing geven voor de conclusie dat de samenwerking zakelijk van aard is. Voor het zakelijk karakter is tevens vereist dat aannemelijk is dat de vergunningaanvrager (of vergunninghouder) met de samenwerking enig materieel voordeel beoogt.

4.5.

Eiseres heeft betoogd dat de door verweerder overgenomen conclusie in het advies van het LBB dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres en [naam 2], niet gedragen kan worden door de feiten. Eiseres was niet op de hoogte van de op het adres van [naam 2] aangetroffen facturen op naam van [naam 1]. Dat [naam 2] zich uitgaf als eigenaar van [naam 1] betekent nog niet dat eiseres daarmee instemde. Eiseres ziet niet in hoe deze facturen kunnen bijdragen aan het oordeel dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband. Eiseres heeft voorts betoogd dat zij de alarminstallatie voor haar woning zelf heeft betaald en dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom het regelen van een alarminstallatie door [naam 2] zou leiden tot een zakelijk samenwerkingsverband.

4.6.

De rechtbank overweegt dat uit het op 15 maart 2006 ambtsedig opgemaakte proces-verbaal blijkt dat bij een huiszoeking in de woning van eiseres in totaal een bedrag van

€ 1.782.025,- aan contanten is aangetroffen. Dit bedrag was in pakketjes geseald en werd aangetroffen in een studiekamer/kantoor op de eerste etage, in een bergruimte op zolder, in de nok van het dak, onder een handdoek in een kast op zolder en in een plastic tas voor de kluis. Naast de wasmachine is een sealapparaat gevonden. Ook is een geldtelmachine aangetroffen. Voorts heeft eiseres verklaard dat het gevonden geldbedrag niet van haar is maar waarschijnlijk aan [naam 2] toebehoort. Over het sealapparaat heeft eiseres in eerste instantie verklaard dat dit door haar is aangeschaft om broodjes mee te verpakken om te verkopen in [naam 1]. Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft eiseres erkend dat zij over het sealapparaat niet de waarheid heeft gesproken; niet zij maar de heer [naam 2] heeft het sealapparaat gekocht en in haar woning geplaatst. Toen de politie haar met dit apparaat confronteerde, suggererend dat dit was gebruikt voor het verpakken van geld, is zij in paniek geraakt. Anders dan over het aangetroffen geld in contanten, was zij er wel van op de hoogte dat het sealapparaat zich in haar woning bevond. Zij was bang dat hieruit de conclusie zou worden getrokken dat zij ook wist dat er geld in haar woning was verstopt. Over de in haar huis aangebrachte alarminstallatie heeft eiseres verklaard dat alle woningen waar zij heeft gewoond beveiligd waren. Dat hangt samen met het feit dat zij elke avond de dagopbrengst van [naam 1] mee naar huis neemt. Omdat eiseres voor haar huidige woning aanvankelijk geen geld had voor de aanschaf van een alarminstallatie heeft zij daar enige tijd mee moeten wachten. Toen zij van plan was om daartoe over te gaan, wilde zij de persoon inschakelen die eerder in[naam 1] de installatie had aangebracht. Omdat deze ziek bleek te zijn, heeft eiseres [naam 2] gevraagd of hij iemand anders kende die dit kon doen, waarna [naam 2] inderdaad een ander heeft ingeschakeld.

4.7.

De rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat [naam 2] beschikte over een sleutel van de woning van eiseres en dat eiseres haar woning aan[naam 2] beschikbaar heeft gesteld voor de opslag van waardevolle goederen, waaronder geldbedragen en een sealapparaat. Eiseres moet dit geweten hebben. Ook in haar vonnis van 3 november 2008 gaat de rechtbank hier van uit. Eiseres heeft hierdoor meegewerkt aan criminele activiteiten van [naam 2]. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat [naam 2] de alarminstallatie in de woning van eiseres heeft doen aanleggen en de kosten hiervan voor zijn rekening heeft genomen. [naam 2] heeft de alarminstallatie ongeveer een maand voor de huiszoeking laten aanleggen met toestemming en medeweten van eiseres. Eiseres woonde toen ongeveer twee jaar in de woning.

4.8.

Verder blijkt uit het LBB-advies dat in een door [naam 2] in gebruik zijnde woning, facturen gericht aan[naam 1] zijn gevonden (onder andere voor de aanschaf van het sealapparaat en een Ipod), dat[naam 2] op 19 juli 2007 heeft verklaard vaak in[naam 1] aanwezig te zijn, dat de eigenaar van de woning van eiseres heeft verklaard dat hij met een zekere P. een huurcontract heeft afgesloten en dat (P.) [naam 2] zich daarbij heeft voorgesteld als eigenaar van[naam 1]. Uit het vonnis van de rechtbank van 3 november 2008 blijkt dat[naam 2] huurpenningen voor de woning van eiseres voorhanden had. Uit het LBB-advies volgt voorts dat eiseres heeft verklaard dat “[naam 2] meer dan eens verklaart eigenaar te zijn van [naam 1]”.

4.9.

De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat verweerder heeft mogen concluderen dat eiseres ten tijde hier van belang tot Brisban in een zakelijk samenwerkingsverband stond.

4.10.

Of eiseres van de aankopen door [naam 2] op naam van[naam 1] op de hoogte was dan wel er mee bekend was bij welke gelegenheid [naam 2] zich uitgaf als eigenaar van[naam 1], acht de rechtbank niet van belang. Eiseres heeft door dit zakelijk samenwerkingsverband het risico genomen dat [naam 2] gebruik kon maken van de exploitatievergunning van [naam 1], onder meer door met op naam van [naam 1] gestelde facturen aankopen te doen. Dat deze facturen geen onderdeel uitmaken van de boekhouding van [naam 1] doet hier niet aan af. Evenmin doet hieraan af dat [naam 2] de op naam van [naam 1] aangeschafte goederen mogelijk uitsluitend heeft aangewend voor “eigen gebruik”. Dat eiseres voorts, zoals zij heeft verklaard, niet langer contact heeft met [naam 2], dat hij niet langer een sleutel heeft en gedetineerd is, kan hier geen doorslaggevende rol spelen. Ten tijde van de beoordeling door verweerder van de aanvraag was van deze omstandigheden, wat hier verder ook van zij, immers nog geen sprake.

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de door [naam 2] gepleegde strafbare feiten en gelet op het zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres en [naam 2] ten tijde van belang, zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een relatie tussen eiseres en strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob.

4.12.

De vraag of[naam 2] (direct of indirect) leiding heeft gegeven aan (de onderneming van) eiseres als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob, zoals verweerder mede aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, behoeft, gelet op het bovenstaande, geen bespreking.

5. de mate van gevaar

5.1.

Eiseres betwist dat sprake is van een ernstige mate van gevaar en dat de vergunning zal worden gebruikt voor zaken waarvoor zij niet is bedoeld. Verder stelt eiseres dat, mocht het vonnis standhouden, dit nog niet betekent dat uit haar veroordeling een ernstig gevaar kan worden afgeleid als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, van de wet Bibob. Zij wijst er op dat zij is vrijgesproken van het opzettelijk witwassen van (bijna) € 1.800.000,-. Eiseres heeft op geen enkele wijze voordeel gehad van het feit waarvoor zij is veroordeeld. De kans is uitgesloten dat zij nogmaals aan een ander de sleutel van haar woning zal geven. Het strafbare feit waarvoor eiseres is veroordeeld, hangt op geen enkele wijze samen met de activiteit waarvoor de vergunning is aangevraagd, nu dit feit niet heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de exploitatievergunning. Voorts wijst eiseres er op dat zij een blanco strafblad had.

5.2.

De rechtbank wijst er op dat de rechtbank in haar vonnis van 3 november 2008 geen geloof heeft gehecht aan de verklaring van eiseres dat zij niet wist dat zich op de vliering voor de kluis een plastic tas met geld bevond. De verklaring van eiseres dat zij nooit op de vliering kwam is niet te rijmen met haar verklaring dat zij rollen muntgeld van [naam 1] in de zich op de vliering bevindende kluis bewaart. Ook heeft de rechtbank ongeloofwaardig geacht haar verklaring dat het in de studeerkamer aangetroffen bedrag aan contacten de gokopbrengst en dagomzet van [naam 1] betrof gelet op het aangetroffen aantal bankbiljetten van 500,- euro (22), van 200,- euro (5) en van 100,- euro (17). Niet aannemelijk is dat het bezit van een dit aantal bankbiljetten die in het normale verkeer niet of nauwelijks worden gebruikt, verklaard kan worden door het feit dat bezoekers van [naam 1] met dergelijke bankbiljetten hun consumpties zouden betalen.

5.3.

Weliswaar is eiseres maar één keer veroordeeld, daar staat tegenover dat deze veroordeling van recente datum is. Het staat voorts vast dat eiseres op zijn minst kennis droeg van de aanwezigheid van een aanzienlijk geldbedrag in haar woning, die zij, kennelijk bedoeld als opslagplaats, daarvoor beschikbaar stelde. Bovendien was zij bekend met de aanwezigheid van een sealapparaat en het doel daarvan. De rechtbank ziet in het betoog van eiseres dan ook geen omstandigheden gelegen die afbreuk doen aan de ernstige mate van het gevaar. Voorts geldt dat voor de toepassing van artikel 3, eerste lid aanhef en onder a, van de Wet Bibob niet vereist is dat er een verband bestaat tussen het strafbare feit waarvoor eiseres is veroordeeld en de activiteit waarvoor de vergunning is aangevraagd, zodat de rechtbank aan het betoog van eiseres ter zake voorbij gaat.

5.4.

Er is sprake van het strafbare feit van witwassen, schuldwitwassen bij eiseres en gewoontewitwassen bij [naam 2], terwijl [naam 2] daarnaast strafbare feiten heeft gepleegd die onder meer verband houden met handel in drugs. Aangezien dergelijke delicten er naar hun aard op gericht zijn om op geld waardeerbare voordelen voort te brengen, heeft verweerder zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat ernstig gevaar bestaat dat door eiseres gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit strafbare feiten voortkomende voordelen te benutten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob.

5.5.

Gelet op het bovenstaande behoeft geen bespreking of verweerder de weigering van de vergunning mede heeft mogen baseren op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob.

6. de bevoegdheid tot weigering en het evenredigheidsbeginsel

6.1.

Uit het voorgaande volgt dat er een ernstig gevaar bestaat dat de door eiseres gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob. Daarbij heeft verweerder de mate van het gevaar kunnen bepalen op door eiseres gepleegde strafbare feiten en op strafbare feiten die zijn gepleegd door[naam 2], waarmee zij in een zakelijk samenwerkingsverband staat.

6.2.

Verweerder was dan ook bevoegd de gevraagde vergunning te weigeren op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob.

6.3.

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob vindt de weigering dan wel intrekking van de vergunning, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats, voor zover hier relevant, indien deze evenredig is met de mate van het gevaar.

6.4.

De door eiseres in dit verband aangevoerde argumenten, deels betrekking hebbend op haar persoonlijke situatie, kunnen niet leiden tot het oordeel dat de weigering niet evenredig is nu deze geen betrekking hebben op (de mate van) het gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet Bibob. Verweerder heeft het algemeen belang laten prevaleren boven het economisch belang van eiseres om de exploitatie te kunnen voortzetten. De rechtbank acht deze afweging niet onredelijk. |

7. Bestuursdwang
Uit het voorgaande volgt dat de onderneming van eiseres zonder de vereiste vergunning werd geëxploiteerd zodat verweerder bevoegd was over te gaan tot de aanschrijving in verband met bestuursdwang. Vast staat dat niet tot legalisatie zal worden overgegaan. Gelet op het gestelde belang bij beëindiging van de exploitatie is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid kon overgaan tot handhaving van de betreffende wettelijke bepalingen.

8. Conclusie

Gelet op het bovenstaande kan het bestreden besluit stand houden.

De rechtbank zal beroep ongegrond verklaren.

Voor een proceskostenveroordeling of voor vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, voorzitter, en mrs. M.T. Boerlage en C.F. de Lemos Benvindo, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T.E. Bouwmeester, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2009.

De griffier,

De voorzitter,

De griffier is niet in staat

de uitspraak te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB