Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BR3940

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
02-08-2011
Zaaknummer
283191 / HA ZA 04-428 (tussenvonnis 20 augustus 2008)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Benoeming deskundigen. Vaststelling vragen die aan de deskundigen worden voorgelegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 283191 / HA ZA 04-428

Vonnis van 20 augustus 2008

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiser,

procureur mr. R. Gardeslen,

tegen

het publiekrechtelijk lichaam de

GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelende te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. G.C. Endedijk.

Partijen zullen hierna [A] en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenvonnissen van 9 augustus 2006, 30 mei 2007 en 22 augustus 2007, waarbij de deskundige Koene is benoemd,

- de akte na deskundigenbericht zijdens [A], met producties,

- de conclusie van antwoord na deskundigenbericht zijdens de Gemeente, met producties,

- de akte zijdens [A].

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1 Op het verzoek van de Gemeente tot het doen houden van een voorlopig deskundigenbericht heeft de rechtbank bij beschikking van 28 mei 2004 dr. Th.A. Dokkum (hierna Dokkum), neurochirurg, tot deskundige benoemd. Dokkum heeft op 6 december 2004 een concept rapport uitgebracht en hij heeft partijen bij brief van 29 maart 2005 bericht naar aanleiding van de opmerkingen van partijen geen aanleiding te zien dat concept rapport te wijzigen. Op 4 mei en 1 juni 2005 hebben partijen zich over het rapport van Dokkum uitgelaten. Onder 2.9 van het tussenvonnis van 9 augustus 2006 heeft de rechtbank relevante antwoorden uit het rapport van Dokkum weergegeven. Deze antwoorden betreffen de vraag welke klachten en beperkingen van [A] zijn veroorzaakt door het ongeval.

2.2 Zoals overwogen onder 4.4 van het tussenvonnis van 9 augustus 2006, heeft de rechtbank een onderzoek door een neuropsycholoog noodzakelijk geacht ten einde inzicht te krijgen in de vraag of [A] lijdt aan vermoeidheid en cognitieve stoornissen, welke vermoeidheid en stoornissen, indien zij komen vast te staan, consequenties kunnen hebben voor de mate van arbeids(on)geschiktheid. Bij tussenvonnis van 22 augustus 2007 heeft de rechtbank mevrouw drs. T. Koene, neuropsycholoog, tot deskundige benoemd. De deskundige heeft op 1 december 2007 en 21 februari 2008 een rapport ter griffie van de rechtbank ingeleverd. Vervolgens hebben partijen zich er bij akte over uitgelaten.

2.3 Koene heeft op bladzijdes 6-7 van het rapport van 1 december 2007 onder ‘conclusie’ het volgende vastgelegd:

Er zijn geen aanwijzingen voor cognitieve functiestoornissen, wel zijn de resultaten wat wisselend. Er is geen algehele traagheid en de aandacht en concentratie zijn voldoende. Het leervermogen is ongestoord. Er zijn geen beperkingen in de taal, de executieve functies of de ruimtelijke vaardigheden. Het geschatte intelligentieniveau is overeenkomstig de verwachting op grond van leeftijd, opleiding en arbeidsverleden.

De klachten in het dagelijks leven over vergeetachtigheid en moeite met concentreren zouden het gevolg kunnen zijn van de pijnklachten.

Vragen aan de neuropsycholoog zoals opgesteld door de werkgroep Neurologie-Neuropsychologie, ingesteld door de Commissie Invaliditeit van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie en de Nederlandse Vereniging voor Neuropsychologie.

1. Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentaal functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn?

De spraak is vloeiend en er vallen geen woordvindstoornissen op. Het bewustzijn lijkt helder. Er zijn middels dit onderzoek geen cognitieve functiestoornissen naar voren gekomen.

2. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van die bepaalde gebeurtenis of aandoening?

Er zijn middels dit onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor hersenbeschadigingen.

3. Zijn er wellicht andere dan die bepaalde gebeurtenis of aandoening (al dan niet ermee samenhangend), die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen?

Er zijn tijdens dit onderzoek geen gebeurtenissen of aandoeningen ter sprake gekomen anders dan het doorgemaakte ongeval, die een verklaring kunnen vormen voor de ervaren beperkingen op cognitief gebied.

4. Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een ten gevolge van de genoemde gebeurtenis of aandoening ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan?

Er zijn geen beperkingen in het functioneren als gevolg van cognitieve stoornissen.

(…)

2.4 Tussen partijen is, mede gelet op het tussenvonnis van 9 augustus 2006, niet in geschil dat thans een arbeidsdeskundige dient te worden benoemd, eventueel bijgestaan door een verzekeringsarts. Voorts hebben partijen overeenstemming bereikt over de te benoemen personen: dr. Kruithof, verzekeringsarts, en de heer Wouters, arbeidsdeskundige. De rechtbank is van oordeel dat een arbeidsdeskundige en een verzekeringsdeskundige dienen te worden benoemd en zal dan ook de tussen partijen overeengekomen personen tot deskundigen benoemen. Dr. Kruithof heeft desgevraagd bevestigd vrij en bereid te zijn het onderzoek te verrichten. De rechtbank heeft niet kunnen verifiëren dat de heer Wouters vrij en bereid is het onderzoek te verrichten. Indien blijkt dat de deskundige Wouters niet vrij en bereid is het onderzoek te verrichten, dan kan de meest gerede partij de rechtbank verzoeken een andere deskundige te benoemen.

2.5 Het geschil tussen partijen spitst zich in dit stadium toe op de reikwijdte van het onderzoek van de deskundigen, en op de aan de deskundigen voor te leggen vragen. Ter beantwoording staan de volgende vragen: (a) dienen de deskundigen de door [A] aangevoerde vermoeidheidsklachten en cognitieve functiestoornissen bij hun beoordeling mee te wegen?; (b) dient de verzekeringsarts in dat verband één of twee beperkingenprofielen op te stellen?; en (c) welke vragen dienen aan de deskundigen te worden voorgelegd?

2.6 De Gemeente, die zich kan verenigen met de conclusies van Koene, geeft in overweging dat de rechtbank de arbeidsdeskundige benoemt, die – al dan niet nadat door de verzekeringsarts de beperkingen zijn samengevat in een functionele mogelijkhedenlijst – onderzoek doet naar prestatieverlies en verdienverlies. [A] bepleit dat de deskundigen in aanvulling daarop ook zijn vermoeidheidsklachten en cognitieve stoornissen dienen mee te wegen, nu sprake is van een dusdanig consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten in verband met pijnklachten als gevolg van het ongeval, dat deze klachten en stoornissen aannemelijk zijn geworden, ondanks de subjectieve aard daarvan, zodat deze klachten en stoornissen door de deskundigen dienen te worden meegenomen.

2.7 De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de conclusies van Koene te twijfelen, nu Koene zich heeft gebaseerd op haar ervaring en expertise, die partijen niet bestrijden. Zoals hiervoor onder 2.3 weergegeven, is Koene tot de conclusie gekomen dat er geen aanwijzingen zijn voor cognitieve functiestoornissen en dat er geen beperkingen in het functioneren als gevolg van cognitieve stoornissen zijn. Hieruit volgt dat dergelijke stoornissen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende objectief zijn komen vast te staan. De cognitieve stoornissen dienen dan ook niet aan de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige te worden voorgelegd. Dat laat onverlet dat de pijnklachten en beperkingen in verband met de door Dokkum vastgestelde klachten aan nek, schouder en linkerarm door de deskundigen dienen te worden meegewogen, met de (pijn)klachten en beperkingen die daaruit voortvloeien. Deze klachten en beperkingen zijn weergegeven onder 2.9 van het tussenvonnis van 9 augustus 2006 (met name antwoorden 3a, 3c en 5c, met dien verstande dat de onder 3a genoemde cognitieve functiestoornissen en de onder 5c genoemde nadelige beïnvloeding van de cognitieve functie niet meegewogen dienen te worden).

2.8 De Gemeente verzoekt aan de verzekeringsarts op te dragen één beperkingenprofiel op te maken. [A] acht twee beperkingenprofielen nodig, één op grond van de beperkingen die volgens Dokkum een gevolg van het ongeval zijn, en daarnaast een beperkingenprofiel in verband met de medische situatie zoals die zich vanaf medio 2004 voordoet (de discusprolaps die klachten begint te geven). Uit overweging 4.2 van het tussenvonnis van 9 augustus 2006 volgt dat met één beperkingenprofiel kan worden volstaan. Immers, onder 4.2 van dat vonnis is overwogen dat niet is komen vast te staan dat de HNP C6-7 ongevalgerelateerd is. Het is derhalve niet nodig een apart beperkingenprofiel met betrekking tot de HNP C6-7 op te maken.

2.9 De Gemeente verzoekt aan de deskundigen ook de vraag voor te leggen of [A] – in de situatie zonder ongeval – inderdaad per 1999 in de eenmanszaak van zijn vader zou hebben deelgenomen. [A] betoogt dat de rechtbank bij tussenvonnis van 9 augustus 2006 onder 4.6 op dit punt een bindende eindbeslissing heeft genomen, in dier voege dat is komen vast te staan dat [A] ten tijde van het ongeval bezig was met het uitvoeren van het voornemen dat hij de eenmanszaak van zijn vader zou overnemen, zodat hierover geen vraag aan de deskundigen dient te worden voorgelegd.

2.10 De rechtbank is van oordeel dat het onder 2.9 genoemde betoog van [A] berust op een verkeerde lezing van het tussenvonnis van 9 augustus 2006. Onder 4.6 van dat vonnis heeft de rechtbank slechts overwogen dat is komen vast te staan dat [A] bezig was zijn voornemen tot overname van de eenmanszaak uit te voeren. De rechtbank heeft, zoals blijkt uit overweging 4.7 van dat vonnis, nog geen beslissing genomen over de vraag of, en zo ja in hoeverre en voor hoelang, [A] daarin zou zijn geslaagd, indien het ongeval zich niet zou hebben voorgedaan. Deze vraag dient aan de deskundigen te worden voorgelegd, nu de vraag voor de begroting van de schade van belang is en nu te verwachten is dat de deskundigen op grond van hun wetenschap daarover zullen kunnen verklaren. [A] dient met betrekking tot zijn vooropleiding, werkervaring en inkomen van vóór het ongeval nadere stukken in het geding te brengen, indien de deskundigen dat voor hun onderzoek gewenst achten.

2.11 De Gemeente stelt voor aan de verzekeringsarts de volgende vraag voor te leggen:

Kunt u op basis van het rapport van dr. Dokkum een beperkingenprofiel opstellen? Heeft u overigens nog bemerkingen die voor de beoordeling van de zaak relevant zijn?

2.12 [A] laat zich niet uit over de aan de verzekeringsarts voor te leggen vragen.

2.13 De rechtbank zal de vraag aan de verzekeringsarts vaststellen overeenkomstig het voorstel van de Gemeente, nu de rechtbank deze vraagstelling juist acht en nu deze niet door [A] is bestreden. De rechtbank zal ook het rapport van de deskundige Koene in de vraagstelling betrekken.

2.14 De Gemeente betoogt dat het de voorkeur heeft om bij de formulering van de vragen aan te sluiten bij de gebruikelijke terminologie, en dat aan de arbeidsdeskundige derhalve de volgende vragen kunnen worden voorgelegd:

1) Kunt u, rekeninghoudende met de gegeven belastbaarheid die uit het opgestelde beperkingenprofiel volgt, aangeven of er prestatieverlies is, en dit eventuele prestatieverlies uitdrukken in uren, per week en per jaar?

2) Indien er sprake is van prestatieverlies, kunt u dan aangeven of er sprake is van verdienverlies, uitgedrukt in bruto bedragen per jaar? Kunt u daarbij zoveel als mogelijk rekening houden met relevante restcapaciteit?

3) Zijn er in het kader van de door u geduide restcapaciteit vacatures waarop betrokkene, gezien zijn leeftijd, vooropleiding en werkervaring met een gerede kans op succes kan solliciteren? Zijn er wat dit betreft nog (nadere) reïntegratiemogelijkheden?

4) Heeft u overigens nog bemerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang (kunnen) zijn?

2.15 [A] betoogt dat de volgende vragen aan de arbeidsdeskundige kunnen worden voorgelegd:

Kunt u een functie beschrijving geven van het eigen beroep van betrokkene, te weten het zijn van de eigenaar van het Café [B], gevestigd in Amsterdam door bijvoorbeeld een taken en functie analyse te maken van dit beroep?

In hoeverre wordt betrokkene door zijn beperkingen verhinderd in het uitoefenen van dit beroep? Wilt u bij uw antwoord gebruik maken van de door de heer Kruithof opgestelde beperkingen en daarbij een onderscheid maken naar de beperkingen die direct na het ongeval zijn opgetreden, en de medische situatie vanaf medio 2004?

Is er bij betrokkene sprake van restcapaciteit, en zo ja, op welke wijze zou hij deze succesvol kunnen aanwenden? Wilt u in uw antwoord op deze vraag de vooropleiding, het arbeidsverleden, de beperkingen, de afstand tot de arbeidsmarkt en de mogelijkheid op de arbeidsmarkt betrekken? Kunt u beschrijven welke inspanningen verricht moeten worden door betrokkene om dit doel te bereiken?

Kunt u, indien uw conclusie is dat betrokkene succesvol deze restcapaciteit kan aanwenden, aangeven welk verdienvermogen dan gerealiseerd kan worden?

In hoeverre vormen de beperkingen een belemmering voor het uitoefenen van taken in de sfeer van zelfwerkzaamheid, te weten het verrichten van huishoudelijke taken en het verrichten van onderhoud aan een woning?

Wilt u bij het antwoord op deze vraag een onderscheid maken naar de beperkingen die direct na het ongeval zijn ontstaan en de medische situatie vanaf medio 2004? Wilt u uw antwoord niet alleen toespitsen op de huidige woonsituatie, maar ook op de situatie dat betrokkene in de toekomst mogelijk een eengezinswoning met tuin van normale omvang zou betrekken?

2.16 De rechtbank is van oordeel dat het gewenst is de voor de arbeidsdeskundige gebruikelijke terminologie te hanteren, met het oog op een duidelijk en overzichtelijk bericht van deze deskundige. [A] heeft niet bestreden dat de door de Gemeente bepleite vraagstelling aansluit bij de gebruikelijke terminologie. De door [A] aangevoerde vraagstelling volgt dezelfde hoofdlijnen als die van de Gemeente. De rechtbank zal dan ook de door de Gemeente aangevoerde vraagstelling – met enkele tekstuele aanpassingen – volgen. In aanvulling daarop zal de rechtbank, zoals hiervoor onder 2.10 overwogen, een vraag voorleggen met betrekking tot (de omvang van) de eventuele deelname in de eenmanszaak van de vader van [A] (zie vraag 1 e) hierna). In dat verband acht de rechtbank de door [A] genoemde taken en functie analyse van belang (vraag 1 d) hierna). De rechtbank zal, anders dan door [A] voorgesteld, de vragen over het prestatieverlies en het verdienverlies niet toespitsen op het café van de vader van [A], nu nog dient te worden onderzocht in hoeverre [A] er zonder ongeval in zou zijn geslaagd het café over te nemen. De rechtbank zal de door [A] aangevoerde vraag over zelfwerkzaamheid tot slot aan de deskundige Wouters voorleggen (vraag 4 hierna).

2.17 De rechtbank zal de passages in de door [A] aangevoerde vraagstelling, waarin wordt verzocht onderscheid te maken naar de beperkingen die direct na het ongeval zijn ontstaan en de medische situatie medio 2004, niet aan de deskundige Wouters voorleggen, nu niet is komen vast te staan dat de HNP C6-7 ongevalgerelateerd is. Verwezen wordt naar overweging 4.2 van het tussenvonnis van 9 augustus 2006.

2.18 De rechtbank zal de klachten en beperkingen vanwege de HNP C6-7 wel aan de deskundige Wouters voorleggen in de vorm van een aparte vraag (zie vraag 1 b) hierna) , nu niet is uit te sluiten dat de klachten en beperkingen vanwege de HNP C6-7 tot gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid leiden. Verwezen wordt naar overweging 4.3 van het tussenvonnis van 9 augustus 2006.

2.19 De rechtbank zal om deze redenen de hierna te noemen vragen voorleggen aan de arbeidsdeskundige.

2.20 Ten laste van [A] zal een voorschot ter zake van de kosten van de deskundigen door de griffier van deze rechtbank in debet worden gesteld, welk voorschot zal worden vastgesteld op het door de deskundigen te bepalen bedrag, tenzij binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffier aan partijen, waarbij een kopie van de voorschotnota van de deskundigen wordt doorgezonden, schriftelijk bezwaar tegen het voorschot ter griffie is ingekomen. In laatstgenoemd geval zal de rechtbank nader beslissen over de begroting van het voorschot.

2.21 De deskundigen zullen het onderzoek zelfstandig dienen te verrichten. Daarbij moeten de deskundigen partijen in de gelegenheid stellen om opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Uit de deskundigenberichten moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan. Tevens zal in de deskundigenberichten melding dienen te worden gemaakt van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken van partijen. Indien een partij schriftelijk opmerkingen aan de deskundigen doet toekomen, verstrekt deze partij daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij.

2.22 Nadat de deskundigenrapporten zijn ontvangen krijgen partijen de gelegenheid te reageren op de rapporten. De rechtbank acht het gewenst dat daartoe een comparitie van partijen zal worden bepaald ten overstaan van de meervoudige kamer. De comparitie zal tevens worden benut om de mogelijkheid van een minnelijke regeling te onderzoeken.

2.23 De deskundige Kruithof heeft de rechtbank verzocht een termijn van vijf maanden te bepalen voor het verrichten van zijn onderzoek. Mede gelet daarop zal de rechtbank de zaak naar de parkeerrol van 7 april 2010 verwijzen voor bepaling van de datum van een comparitie van partijen.

2.24 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

- beveelt een deskundigenonderzoek met betrekking tot de vraag welke gevolgen het ongeval heeft voor het arbeidsvermogen en de zelfwerkzaamheid van [A];

- benoemt tot deskundigen:

Dr. G.J. Kruithof, verzekeringsarts

Medisch Adviesbureau Kruithof

Laan van Westmolen 4

3271 BK Mijnsheerenland

telefoon: 0186 60 21 82

06 284 162 67;

De heer J. Wouters, arbeidsdeskundige

Bureau Terzet

Westkadijk 10

3861 MB Nijkerk

telefoon: 033 432 0230;

- bepaalt dat aan de deskundigen de volgende vragen zullen worden gesteld:

aan de deskundige Kruithof:

Kunt u op basis van het rapport van de deskundige Dokkum en het rapport van de deskundige Koene een beperkingenprofiel opstellen? Heeft u overigens nog bemerkingen die voor de beoordeling van de zaak relevant zijn?

aan de deskundige Wouters:

1. Prestatieverlies

a) Is er volgens u, rekening houdende met de gegeven belastbaarheid die uit het opgestelde beperkingenprofiel volgt, sprake van prestatieverlies?

b) Wilt u uw antwoord op vraag a) mede toespitsen op de klachten en beperkingen vanwege de HNP C6-7, in die zin dat u beoordeelt of, en zo ja, wanneer deze klachten en beperkingen tot (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid leiden?

c) Wilt u, zo mogelijk, dit eventuele prestatieverlies uitdrukken in uren, per week en per jaar?

d) Wilt u – in verband met de voorgaande vragen en vraag e) hierna – een taken en functie analyse maken van de rol die [A] zou hebben indien hij zou deelnemen in de eenmanszaak van zijn vader?

e) Zou [A], in de situatie zonder ongeval, mede gelet op het eventuele door u vastgestelde prestatieverlies, per 1999 in de eenmanszaak van zijn vader hebben deelgenomen, en zo ja, voor hoeveel uur per week en per jaar, en voor hoe veel jaren?

2. Verdienverlies

a) Indien er sprake is van prestatieverlies, wilt u dan aangeven of er sprake is van verdienverlies, uitgedrukt in bruto bedragen per jaar? Wilt u daarbij zoveel als mogelijk rekening houden met relevante restcapaciteit?

b) Wilt u het eventuele door uw vastgestelde verdienverlies toespitsen op uw antwoord over de vraag of [A] in de situatie zonder ongeval zou hebben deelgenomen in de eenmanszaak van zijn vader?

3. Vacatures

a) Zijn er in het kader van de door u geduide restcapaciteit vacatures waarop betrokkene, gezien zijn leeftijd, vooropleiding en werkervaring met een gerede kans op succes kan solliciteren?

b) Zijn er wat dit betreft nog (nadere) reïntegratiemogelijkheden?

4. Zelfwerkzaamheid

a) In hoeverre vormen de beperkingen een belemmering voor het uitoefenen van taken in de sfeer van zelfwerkzaamheid, te weten het verrichten van huishoudelijke taken en het verrichten van onderhoud aan een woning?

b) Wilt u uw antwoord niet alleen toespitsen op de huidige woonsituatie, maar ook op de situatie dat betrokkene in de toekomst mogelijk een eengezinswoning met tuin van normale omvang zou betrekken?

5.

Heeft u overigens nog bemerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang (kunnen) zijn?

- bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig zullen verrichten en dat dit zal plaatsvinden op een door de deskundigen te bepalen plaats en tijd;

- bepaalt dat de deskundigen partijen in de gelegenheid zullen stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat uit hun schriftelijk(e) bericht(en) moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan en daarbij tevens melding zal worden gemaakt van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken van partijen;

- bepaalt dat de partij die schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundigen doet toekomen daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij verstrekt;

- bepaalt dat ten laste van [A] een voorschot ter zake van de kosten van de deskundigen door de griffier van deze rechtbank in debet zal worden gesteld, welk voorschot zal worden vastgesteld op het door de deskundigen te bepalen bedrag, tenzij binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffier aan partijen, waarbij een kopie van de voorschotnota van de deskundigen wordt doorgezonden, schriftelijk bezwaar tegen het voorschot ter griffie is ingekomen;

- bepaalt dat beide partijen vóór 10 september 2008 kopieën van de gedingstukken aan de deskundigen zullen doen toekomen; kopieën van andere door de deskundigen noodzakelijk geachte stukken zullen partijen zo spoedig mogelijk aan de deskundigen doen toekomen;

- bepaalt dat het door de deskundige Kruithof uit te brengen bericht uiterlijk op 30 januari 2009 zal worden ingeleverd ter griffie van deze rechtbank, en dat het door de deskundige Wouters uit te brengen bericht uiterlijk op 29 april 2009 zal worden ingeleverd ter griffie van deze rechtbank;

- verwijst de zaak naar de parkeerrol van 7 april 2010, voor opgave verhinderdata ter bepaling van de datum van een comparitie van partijen ter terechtzitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank tot het verkrijgen van inlichtingen en het beproeven van een schikking;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2008.?