Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BR2944

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
25-07-2011
Zaaknummer
302173 / HA ZA 04-3446 (eindvonnis 16/01/08)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis na deskundigenbericht. De deskundige wordt gevolgd in zijn oordeel dat de getroffen maatregel de meest geëigende was om onmiddellijk dreigend gevaar te voorkomen. De kosten moeten bij de beoordeling van de geëigendheid worden betrokken. De door eiseres getroffen maatregel komt als bereddingskosten voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 20 september 2006 in r.o. 5.4.3. derde volzin beslist, dat als de getroffen maatregel tevens als verbetering zou zijn aan te merken dit aan de vergoedingplicht niet af doet. De rechtbank acht zich op basis van hetgeen gedaagde nadien heeft aangevoerd niet vrij op deze zonder voorbehoud gegeven beslissing terug te komen. In het kader van de ingangsdatum van de wettelijke rente, is geoordeeld dat verzuim zonder ingebrekestelling is ingetreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 302173 / HA ZA 04-3446

Vonnis van 16 januari 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SRA SYSTEEM REALISATIE AFBOUW B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

procureur mr. B.J.H. Crans,

tegen

de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. F.B. Falkena.

Partijen zullen hierna Sra en Delta Lloyd genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 maart 2007,

- het deskundigenbericht, met twee bijlagen,

- de conclusie na deskundigenbericht tevens akte vermindering van eis van Sra, met bewijsstukken,

- de conclusie na deskundigenbericht, antwoordakte vermindering van eis van Delta Lloyd, met één bewijsstuk.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij tussenvonnis van 21 maart 2007 heeft de rechtbank de heer ir. P. de Jong van Adviesbureau ir. J.G. Hageman B.V. te Rijswijk ZH als deskundige benoemd ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Was de door Sra getroffen maatregel (zie rechtsoverweging 2.11. van het tussenvonnis van 20 september 2006) de meest geëigende wijze om het onmiddellijk dreigend gevaar af te wenden of zijn alternatieven denkbaar, zoals bijvoorbeeld het aftappen van water en het onderstempelen van bandrasters?

2. Hebt u nog andere opmerkingen die voor de beslissing van het geschil van belang kunnen zijn?

2.2. Bij brief van 3 augustus 2007 heeft de deskundige zijn definitieve deskundigenbericht naar de rechtbank verzonden. Het deskundige bericht houdt, voor zover hier van belang het volgende in:

[..]

Antwoord vraag 1

[..]

Dat er maatregelen nodig waren, wordt bevestigd door het onderzoek van TNO-Bouw. Hieruit volgt als belangrijkste conclusie dat in 4% van de beproefde verankeringen de sterkte kleiner was dan de belasting. Ook uit dien hoofde waren veiligheidsmaatregelen noodzakelijk. Er wordt echter nadrukkelijk op gewezen dat het TNO-onderzoek niet nodig is om te rechtvaardigen dat maatregelen nodig waren. Hiertoe waren de drie bezweken plafondgedeelten voldoende. Uit die gebeurtenissen bleek immers dat de veiligheid tegen (bezweken, de rechtbank leest: ) bezwijken op de betreffende plaatsen in ieder geval niet groter was dan 1.0. Het zou niet verantwoord zijn geweest om aan te nemen dat die veiligheidsmarge bij nog niet bezweken gedeelten veel groter zou zijn.

Het voorgaande houdt in dat het aftappen van water niet gezien kan worden als een goed alternatief voor het wegnemen van het dreigende gevaar. De ophangkracht zou hierdoor volgens productie 10 bij (Memorie de rechtbank leest:) Conclusie van Repliek namelijk maar zijn afgenomen van 37,8 tot 36,0 kg per ophangpunt, dus met ongeveer 5%. Hierdoor zou de veiligheid dus met 5% stijgen en dat is voor een situatie waarbij niet voor alle ophangpunten aangetoond kan worden dat de bestaande veiligheid groter was dan 1,0, geen significante verhoging. Ook voor tijdelijke situaties is een veiligheidsmarge voorgeschreven die minstens 1,2 bedraagt.

[..]

Als tweede alternatief voor de genomen maatregelen is het onderstempelen van de bandrasters genoemd. Dit was uiteraard wel mogelijk geweest. Daarbij moet echter wel bedacht worden dat dit een ingrijpende maatregel zou zijn geweest. Dit blijkt ook uit de toelichting die SRA op mijn verzoek heeft gegeven tijdens de bespreking op 21 juni. De omstandigheden voor het aanbrengen van die onderstempeling waren ongunstig. Zo is sprake van slechts één toegang tot het gebouw en waren allerlei beschermingsmaatregelen noodzakelijk, bijvoorbeeld in de liften en op de vloerbedekking. Hoewel mij dit niet gevraagd is, kan ik mij vorstellen dat het stempelen meer gekost zou hebben dan de in werkelijkheid genomen maatregelen. Volgens SRA zijn er destijds offertes gemaakt die dit ook laten zien. [..] Het lijkt mij goed deze in de definitieve beoordeling te betrekken.

Ander alternatieven voor het afwenden van het dreigend gevaar kan ik niet bedenken.

[..]

2.3. Sra heeft bij conclusie na deskundigenbericht haar eis verminderd zodanig dat zij nu vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Delta Lloyd veroordeelt tot nakoming van haar verplichtingen als voortvloeiende uit de CAR-verzekeringsovereenkomst (gesloten tussen Praevenio en Sra), meer in het bijzonder Delta Lloyd (als rechtsopvolger van Praevenio) tot betaling van en bedrag groot EUR 140.304,58 exclusief BTW (wegens gemaakte kosten samenhangend met de door Delta Lloyd getroffen beredderingsmaatregel), te vermeerderen met de omzetbelasting, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt.

Ter beoordeling ligt voor of de door Sra getroffen maatregel nodig was om het onmiddellijk dreigend gevaar af te wenden.

De rechtbank volgt de deskundige in zijn oordeel dat de getroffen maatregel de meest geëigende was om onmiddellijk dreigend gevaar te voorkomen.

Het aftappen van het water is door de deskundige als een onvoldoende maatregel aangemerkt kort gezegd omdat de gewichtsafname de veiligheid slechts in zo beperkte mate zou verbeteren, dat dit onvoldoende is om het risico dat verdere instorting zich zouden kunnen voordoen in aanvaardbare mate te kunnen terugdringen. De redenering van Delta Lloyd, die er in wezen op neer komt dat de veiligheid van de (nog) niet ingestorte delen voldoende want meer dan 1 was, blijkt uit de omstandigheid ze niet zijn ingestort, kan niet worden gevolgd. Ook de wel ingestorte delen hebben immers enige tijd gehouden, en zijn nadien toch onvoldoende veilig gebleken en ingestort. De deskundige heeft voldoende gemotiveerd de stelling van Delta Lloyd dat, in het licht van het TNO-onderzoek, het aftappen van water als een voldoende maatregel moet worden aangemerkt, verworpen.

Dan komt aan de orde de vraag of niet onderstempelen de meest geëigende maatregel was. De deskundige heeft aangegeven dat onderstempelen op zichzelf een adequate maatregel zou zijn geweest om het onmiddellijk dreigende gevaar te keren. De vraag of het een meer geëigende maatregel (en daar mee de meest geëigende) zou zijn, heeft de deskundige in feite niet beantwoord. In zoverre heeft de deskundige, zoals door Delta Lloyd terecht is opgemerkt zijn opdracht niet juist begrepen. De vraag of een maatregel de meest geëigende is kan immers niet worden beantwoord, zonder onderzoek naar de kosten, omdat, zoals de deskundige weer wel terecht opmerkt, dat aspect bij de beoordeling van de geëigendheid dient te worden betrokken.

Sra heeft zich kennelijk gerealiseerd dat dit aspect door de deskundige niet is meegenomen en heeft voor de onderstempeling een berekening van kosten gemaakt op basis van een tweetal door haar aangevraagde offertes. De juistheid van die offertes is door Delta Lloyd (behoudens met betrekking tot de keuze van de daarin voorziene stempels, waarover hierna meer) niet gemotiveerd betwist. Op basis van die offertes moet worden vastgesteld dat de kosten van onderstempeling (aanzienlijk) hoger zouden zijn geweest dan de kosten die door Sra voor de door haar genomen maatregel zijn gevorderd.

Delta Lloyd heeft aangevoerd dat de in de offertes voorziene stempels onnodig zwaar en duur waren, terwijl een lichter en aanzienlijk goedkoper alternatief beschikbaar was.

Sra heeft daartegen gemotiveerd aangevoerd dat de betreffende lichtere stempels ten tijde van het voorval niet in voldoende mate in voorraad waren en ter onderbouwing daarvan een

bericht van de leverancier in het geding gebracht waaruit kan worden opgemaakt dat deze slechts een beperkt aantal in voorraad heeft en het meerdere bij de importeur zou moeten bestellen, terwijl de importeur heeft bericht dat de levertijd 14 weken bedraagt. Delta Lloyd heeft er mee volstaan de juistheid van die gegevens te betwisten. In het licht van de gespecificeerde en met stukken onderbouwde stellingen van Sra had het op de weggelegen van Delta Lloyd haar betwisting met alternatieve informatie te onderbouwen. Nu zij dat heeft nagelaten gaat de rechtbank aan die betwisting, als onvoldoende gemotiveerd, voorbij.

De slotsom moet zijn dat de door Sra genomen maatregel de meest geëigende was om dreigend gevaar tegen te gaan en dus voor vergoeding als bereddingskosten in aanmerking komt.

2.5. Sra heeft voor de met de maatregel gepaard gaande kosten een gespecificeerde en met stukken onderbouwde berekening in het geding gebracht. Delta Lloyd heeft deze berekening betwist, maar behoudens na te noemen punten nagelaten die betwisting te onderbouwen.

In die omstandigheden moet de berekening van Sra voor het overige als onvoldoende gemotiveerd betwist voor juist worden gehouden.

Met betrekking tot de facturen van Dryden Interiors Ltd, overgelegd als producties 1 en 11 , wijst Delta Lloyd er op dat op die facturen wijzigingen zijn aangebracht. De rechtbank constateert dat kennelijk aanvankelijk op die facturen een uurprijs van EUR 27,-, is gehanteerd, resulterende in een factuurbedrag van EUR 6.075,- respectievelijk EUR 6.313,- hetgeen nadien gewijzigd is in een uurprijs van EUR 29,50, overeenkomende met een factuurbedrag van EUR 6.637,50.respectievelijk EUR 5.778,-.

Het gaat dus om een verschil van EUR 2,50 per uur voor een totaal van (225 + 214=) 439 uren ofwel EUR 1.097,50. De rechtbank zal dat bedrag op de vordering van Sra in mindering brengen.

Daarnaast wijst Delta Lloyd op de omstandigheid dat in de factuur van GAV, overgelegd als productie 14, een uurtarief is vermeld van EUR 28,00, terwijl in de berekening van Sra, ook die uren zijn begroot op EUR 29,50. De rechtbank zal ook hiervoor een bedrag van 166 keer het verschil van EUR 1,50 of wel EUR 249,- in mindering brengen.

Dat voor het overige de gehanteerde éénheidsprijs van EUR 29,50 bij Delta Lloyd verbazing wekt, kan niet als een gemotiveerde betwisting worden aangemerkt.

Delta Lloyd verzet zich tegen toewijzing van de omzetbelasting over de kosten. Dat verzet is terecht. Sra is een in Nederland gevestigde en werkende bouwonderneming. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke ondernemingen BTW-plichtig is, zodat Sra de door haar betaalde BTW / omzetbelasting in mindering kan brengen op de door haar af te dragen BTW c.q. daarvan de teruggave kan vorderen. De BTW vormt voor haar zodoende geen schade. De vordering zal in zoverre in ieder geval moeten worden afgewezen.

2.6. Subsidiair en meer subsidiair voert Delta Lloyd nog aan dat (volledige) vergoeding van de bereddingskosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat de kosten (grotendeels) overeenkomen met de kosten die Sra toch had moeten maken om voor deugdelijke de ophanging van de plafonds zorg te dragen. Dat argument is niet wezenlijk anders dan het eerder in de procedure reeds aangevoerde argument dat sprake is van een verbetering en Sra op die grond geen recht op vergoeding van de kosten heeft. Op dat punt heeft de rechtbank echter reeds in r.o. 5.4.3. derde volzin van het tussenvonnis van 20 september 2006 beslist, dat als de getroffen maatregel tevens als verbetering zou zijn aan te merken dit aan de vergoedingsverplichting niet af doet. De rechtbank acht zich op basis van hetgeen Delta Lloyd nadien heeft aangevoerd niet vrij op deze zonder voorbehoud gegeven beslissing terug te komen.

2.7. Het vorenstaande leidt ertoe dat aan Sra kan worden toegewezen een bedrag van EUR 140.304,58 EUR 1.097,50 EUR 249,- = EUR 138.958,08.

2.8. Delta Lloyd heeft betwist dat de rente is ingegaan op 15 november 2002, omdat geen schriftelijke ingebrekestelling heeft plaatsgevonden.

In het tussenvonnis van 20 september 2006 heeft de rechtbank bij de vaststaande feiten in r.o. 2.12 opgenomen dat Praevenio (de rechtsvoorganger van Delta Lloyd) op 15 november 2002 mondeling heeft meegedeeld dat de door Sra gemaakte kosten van de maatregel niet voor vergoeding op grond van de CAR-vezekering in aanmerking komen. Daarmee stond vast dat Delta Lloyd niet zou nakomen, zodat het verzuim toen zonder ingebrekestelling is ingetreden.

2.9. Delta Lloyd zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Sra worden begroot op:

- dagvaarding EUR 70,40

- vast recht 4.535,00

- deskundigen 2.856,00

- salaris procureur 4.973,50 (3,5 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 12.434,90

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt Delta Lloyd om aan Sra te betalen een bedrag van EUR 138.958,08 (éénhonderdachtendertig duizendnegenhonderdachtenvijftig euro en acht eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 15 november 2002 tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt Delta Lloyd in de proceskosten, aan de zijde van Sra tot op heden begroot op EUR 12.434,90,

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2008.?