Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BK6619

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
397200 / HA ZA 08-1289
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Huisbezoek door gemeente in het kader van de aanvraag om een uitkering: onrechtmatig?

Eiser heeft verschillende verzoeken tot het toekennen van een bijstandsuitkering gedaan. De gemeente heeft vier verzoeken afgewezen en pas het vijfde toegewezen. Later is naar aanleiding van het bezwaar tegen het tweede verzoek alsnog bijstand toegekend zoals in het tweede verzoek gevraagd. Eiser vordert van de gemeente schadevergoeding. Eiser legt aan het gevorderde kort gezegd ten grondslag dat de gemeente in het kader van de toekenning van een door hem aangevraagde bijstandsuitkering verschillende keren onrechtmatig heeft gehandeld, aangezien er zowel zonder 'redelijke grond' in de zin van de bestendige jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep als zonder toestemming in de zin van 'informed consent' op ernstige wijze inbreuk is gemaakt op zijn recht van privacy. Dit zou zijn gebeurd door dat er is aangebeld op een moment dat hij niet thuis was en doordat bij hem verschillende huisbezoeken zijn afgelegd.

De rechtbank komt evenwel tot het oordeel dat de gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld, aangezien er hier sprake was van een fraudevermoeden dat grond gaf om over te gaan tot een huisbezoek, waarvoor eiser zijn toestemming heeft gegeven.

Voor zover eiser heeft betoogd dat latere huisbezoeken onrechtmatig zijn geweest, stuit dit af op de bij het eerdere rechtmatige huisbezoek gebleken feiten, die zolang eiser hetzelfde woonadres opgaf in ieder geval grond gaven tot een nieuw huisbezoek alvorens een uitkering zou worden toegekend, steeds zonder dat ‘informed consent’ vereist was. Voor die huisbezoeken heeft eiser ook steeds zijn toestemming gegeven, zodat deze ook niet onrechtmatig waren.

De rechtbank acht het aanbellen bij eiser op een moment dat hij niet thuis was geen schending van zijn privacy, en dus niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 397200 / HA ZA 08-1289

Vonnis van 27 mei 2009

in de zaak van

[A],

wonende te -,

eiser,

advocaat mr. R.P. Kuijper,

tegen

het publiekrechtelijk lichaam

DE GEMEENTE AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E.A. Minderhoud.

Partijen zullen hierna [A] en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 juli 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 17 september 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

eerste aanvraag

2.1. [A] heeft op 27 april 2006 een aanvraag levensonderhoud gedaan bij de Gemeente op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).

2.2. Op 9 juni 2006 heeft een ambtenaar van de afdeling Controle en opsporing van de Dienst werk en inkomen van de Gemeente aan [A] verzocht hem toegang te geven tot zijn onzelfstandige woonruimte, zodat zijn woonsituatie beoordeeld zou kunnen worden. [A] heeft verklaard dat hij hier geen bezwaar tegen had, maar dat de hoofdbewoonster hiertegen bezwaar zou hebben. Vervolgens is telefonisch contact opgenomen met de hoofdbewoonster, die inderdaad heeft verklaard hiermee niet in te stemmen. Er heeft geen huisbezoek plaatsgevonden. De behandelend ambtenaar heeft hiervan een rapport van bevindingen opgemaakt, gedateerd 12 juni 2006.

2.3. De gemeente heeft de aanvraag van [A] afgewezen bij beslissing van 19 juni 2006 . Deze beslissing vermeldt de volgende grond van afwijzing.

“Het woonadres en de woonsituatie kunnen niet worden vastgesteld, aangezien u eerste toestemming van de hoofdbewoonster moet hebben.”

2.4. [A] heeft tegen deze afwijzing bezwaar ingesteld.

2.5. De gemeente heeft op het bezwaar beslist op 31 augustus 2006 en daarbij de eerder genomen beslissing gehandhaafd, welke beslissing onherroepelijk is geworden.

tweede aanvraag

2.6. [A] heeft op 23 juni 2006 een nieuwe aanvraag om levensonderhoud ingediend.

2.7. Naar aanleiding van de nieuwe aanvraag heeft de afdeling Controle en opsporing van de Dienst werk en inkomen van de Gemeente een onderzoek ingesteld. Het hiervan opgemaakte rapport luidt, voor zover hier van belang als volgt:

“Ik, [B], handhavingspecialist van de Dienst Werk en Inkomen Amsterdam, werkzaam binnen de afdeling "Controle en Opsporing" verklaar het volgende.

1 Aanleiding onderzoek

Klant [A] heeft op 23 juni 2006 een aanvraag levensonderhoud ingediend bij het Centrum VON Werk en Inkomen. Klant geeft op zijn aanvraagformulieren aan inwonend te zijn op het adres --. (…)

2 Vooronderzoek

2.1 Registratie Gemeentelijke Basisadministratie (GBA)

Op maandag 31 juli 2006 zag ik in de GBA, dat klant [A] vanaf 27 april 2006 ingeschreven staat op het adres --. Behalve klant staat alleen mevrouw [C]op het genoemde adres geregistreerd.

2.2 Raadpleging NUS/dossier

Uit registratie in het NUS-systeem van DWI blijkt dat klant de afgelopen 5 jaar geen uitkering op grond van de WWB (Abw) heeft ontvangen. Een eerdere aanvraag, d.d. 27 april 2006 werd afgewezen, omdat de hoofdbewoonster geen toestemming wilde geven voor een huisbezoek, waardoor de woonsituatie niet kon worden beoordeeld.

Uit de aan mij, rapporteur, in het kader van de aanvraag verstrekte stukken blijkt: (…)

- dat klant tot voor kort samenwoonde met partner, mevrouw [D], -; (…)

- dat klant een groene Alfa Romeo op zijn naam heeft staan met kenteken --.

3 Huisbezoek uitkeringsadres

3.1 Eerste huisbezoek

Op dinsdag 01 augustus 2006 omstreeks 09.35 uur, hebben wij, [B] en [E], handhavingsspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen Amsterdam, een bezoek gebracht aan het opgegeven uitkeringsadres -. Op ons herhaaldelijk aanbellen werd niet gereageerd.

3.2 Tweede huisbezoek

Op woensdag 02 augustus 2006 omstreeks 10.10 uur, hebben wij, [B] en [E], handhavingsspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen Amsterdam, wederom een bezoek gebracht aan het opgegeven uitkeringsadres -. Op ons aanbellen werd via de intercom gereageerd door een vrouw, die desgevraagd aangaf dat de heer [A] net was vertrokken.

Hierop heb ik, [B], een brief achtergelaten in de brievenbus behorende bij het opgegeven uitkeringsadres - met daarin de uitnodiging aan klant [A] om zich op donderdag 03 augustus 2006 om 10.30 uur te melden op het kantoor van de Dienst Werk en Inkomen aan de --.

4 Waarneming ter plaatse

4.1 Eerste waarneming

Diezelfde ochtend, op woensdag 02 augustus 2006 omstreeks 10.55 uur, zagen wij, [B] en [E], handhavingsspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen Amsterdam, in een parkeervak op de parkeerplaats recht tegenover het adres --, de groene Alfa Rome, met kenteken --, die op naam staat van klant.

4.2 Tweede waarneming

Voorafgaand aan het gesprek ten kantore, op donderdag 03 augustus 2006 omstreeks 09.40 uur, zagen wij, [B] en [F], handhavingsspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen Amsterdam, op dezelfde parkeerplek als de dag ervoor, op de parkeerplaats recht tegenover het adres -, de groene Alfa Romeo, met kenteken --, die op naam staat van klant. Ik voelde dat de motorkap koud was. Wij posteerden ons met onze dienstauto achter de auto van klant, zodat wij goed uitzicht hadden op het portiek, behorende bij het adres --.

Omstreeks 09.50 uur zagen wij een man uit het desbetreffende portiek komen. Het gezicht van de man kwam overeen met het gezicht op de foto van klant [A], waarvan ik een exemplaar had uit het dossier. Wij zagen de man in de groene Alfa met kenteken -- stappen en wegrijden. Wij zijn vervolgens naar het uitkeringsadres -- gereden, via een andere richting, dan waarin we klant zagen wegrijden. Omstreeks 10.05 uur posteerden wij ons tussen twee auto's ter hoogte van --. Ongeveer een minuut later zagen wij de groene Alfa bij het uitkeringsadres parkeren en na vijf minuten zagen wij de man uitstappen, die wij eerder uit het portiek van -- hadden zien komen. Wij zagen de man bij het uitkeringsadres naar binnen gaan, waarbij wij niet konden zien of hij hierbij gebruik maakte van een eigen sleutel.

5 Gesprek ten kantore

Op donderdag 03 augustus 2006 om 10.30 verscheen voor mij, rapporteur en collega handhavingsspecialist [F], de man die wij kort daarvoor tijdens onze waarneming ter plaatse hadden gezien. (…)

Nadat wij ons op de gebruikelijke wijze hadden gelegitimeerd en ik het doel van het gesprek had uitgelegd, verklaarde klant [A] desgevraagd, althans in woorden van gelijke strekking:

U heeft zich gelegitimeerd en het doel van het gesprek uitgelegd; U legt mij de inlichtingenplicht van de WWB uit;

Er is ten opzichte van de vorige aanvraag, d.d. 27 april 2006 niks veranderd, met dien verstande dat ik nu wel toestemming krijg van de hoofdbewoonster voor een huisbezoek, denk ik; 27 april 2006 ben ik verhuisd naar --, vanwege ruzie met mijn partner, mevrouw [D];

We zijn niet getrouwd, ik heb wel een dochter met haar; Ze is bijna 18. Ik heb haar net nog naar Osdorp gebracht;

Ik slaap elke nacht thuis op de --, waar ik een eigen kamer heb; (…)

Vanochtend ben ik eerst van de -- naar mijn dochter gereden, om haar naar -- te rijden, want daar werkt ze. Ze had dat mij gevraagd gisteravond;

Ik heb haar na 08.00 uur opgehaald. Zij moest om 09.00 uur in -- zijn. Daarna ben ik bij een kennis geweest;

U confronteert mij met het feit dat u mij 09.50 uur uit de -- heeft zien komen. Ik zeg u dat dat niet kan; (…)

U vraagt mij nogmaals waarom ik lieg over waar ik deze ochtend was. Oké, ik zal eerlijk zijn. Ik ben teruggegaan naar de --, omdat mijn dochter dacht dat zij vergeten was het gas uit te doen. Mijn ex was er niet, ik heb de sleutel van mijn dochter gebruikt om binnen te komen en ik toon u sleutels;

Ik weet niet wie mijn buren zijn op de --;

Ik heb geen koelkast thuis; (…)

Met klant is afgesproken om meteen aansluitend aan dit gesprek gezamenlijk naar het opgegeven uitkeringsadres -- in verband met het afleggen van een huisbezoek. (…)

6 Aangekondigd huisbezoek uitkeringsadres

Op dinsdag 03 augustus 2006 omstreeks 12.05 uur, kwamen wij, [B] en [F], handhavingsspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen Amsterdam, aan bij het opgegeven uitkeringsadres --. Wij zagen dat klant met een eigen sleutel de portiekdeur opende en vervolgens de voordeur op drie hoog. Klant verleende ons toestemming om binnen te komen.

6.1 Woonsituatie

Tijdens bovengenoemd huisbezoek toonde klant ons met toestemming zijn kamer. (…)

6.2 Verklaring van klant met betrekking tot aangetroffen situatie

Wij hoorden klant [A] desgevraagd zeggen, althans in woorden van gelijke strekking: U zegt dat er grijze vloerbedekking ligt in plaats van hout en dat er geen gordijnen hangen, terwijl ik had verklaard dat ik de kleur van de gordijnen niet meer wist. Ik onthoud dat soort dingen niet, ik heb mijn hoofd vol met andere dingen; U vraagt van wie de tuinstoelen zijn. Die zijn van mevrouw [C]; U vraagt naar mijn blauwe handdoek die ik vanmorgen zou hebben gebruikt, omdat u alleen een kleine rose ziet die droog is. Ik weet het niet precies meer. Ik heb denk ik meteen mijn badjas aan gedaan; U vraagt waarom ik niet weet wie mijn buren zijn. Ik heb geen contact met ze; U vraagt van wie de post in de houder is. Dat kan ik niet zeggen, dat is privé; U vraagt waar ik mijn post en administratie bewaar. Ik zeg u dat dat bij mijn dochter ligt; U vraagt of ik niks in de koelkast heb, zelfs geen drinken. Nee, ik heb hier geen eten en drinken in huis;

7 Standpunt DWI

Uit het onderzoek is gebleken dat klant [A] niet zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres --. Zulks blijkt uit het feit dat klant desgevraagd geen aan hem geadresseerde post en/of bankafschriften kan tonen en uit het feit dat hij zijn eigen kamer niet kent, ondanks het feit dat hij er al vier maanden zou wonen. Klant verklaart een houten voer te hebben, terwijl er grijze vloerbedekking ligt. Klant verklaart de kleur van de gordijnen niet te weten, terwijl er geen gordijnen hangen. Een blauwe handdoek waarmee klant zich zou hebben afgedroogd is niet aanwezig. Klant heeft niks van eten of drinken in huis en heeft geen enkel idee wie zijn buren zijn.”

2.8. De gemeente heeft het verzoek afgewezen op 7 augustus 2006 op de grond dat uit een huisbezoek op 3 augustus 2006 is gebleken dat [A] niet woonde op het door hem opgegeven adres.

2.9. [A] heeft tegen deze beslissing een bezwaarschrift ingediend op 11 september 2006.

2.10. Bij beslissing van 23 november 2006 is het bezwaar ongegrond verklaard en is de afwijzende beslissing gehandhaafd. (zie nader onder 2.16)

derde aanvraag

2.11. [A] heeft op 10 augustus 2006 nogmaals een aanvraag om levensonderhoud ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de afdeling Controle en opsporing van de Dienst werk en inkomen van de Gemeente opnieuw een huisbezoek gebracht, waarvoor [A] zijn toestemming heeft gegeven. Deze aanvraag is afgewezen.

voorlopige voorziening

2.12. [A] heeft in oktober 2006 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan, inhoudende dat de gemeente hem voorschotten zou verstrekken op een toe te kennen uitkering op grond van de WWB. Bij vonnis van 16 november 2006 heeft de voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht van de rechtbank Amsterdam dit verzoek afgewezen.

vierde aanvraag

2.13. [A] heeft op 21 november 2006 een vierde aanvraag om levensonderhoud ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de afdeling Controle en opsporing van de Dienst werk en inkomen van de Gemeente opnieuw een huisbezoek gebracht, waarvoor [A] zijn toestemming heeft gegeven. Ook deze aanvraag is afgewezen.

vijfde aanvraag

2.14. [A] heeft op 12 januari 2007 een vijfde aanvraag om levensonderhoud ingediend. Hij heeft hierbij een ander woonadres opgegeven dat in de eerste vier aanvragen.

2.15. Bij besluit van 7 februari 2007 is per 12 januari 2007 aan [A] bijstand toegekend.

beslissing op bezwaar (m.b.t. de tweede aanvraag)

2.16. Op 30 oktober 2007 heeft de gemeente een beslissing op bezwaar ingevolge de Algemene wet bestuursrecht genomen. Deze luidt voor zover hier van belang als volgt:

“Uw bezwaarschrift van 11 september 2006 is gericht tegen het besluit 6 augustus 2006 (lees: 7 augustus 2006, zie onder 2.8, Rb). Bij dit besluit is u medegedeeld dat uw bijstandsaanvraag van 23 juni 2006 werd afgewezen. Uw bezwaar tegen dit besluit is bij onze beslissing van 23 november 2006 ongegrond verklaard. Tegen laatstgenoemd besluit heeft u vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank van Amsterdam. Het beroep is voor ons aanleiding om onze beslissing van 23 november 2006 als volgt te herzien.

In onderhavige procedure heeft zijn uw bezwaren (telefonisch) toegelicht op 10 oktober 2006. Een verslag van dit gesprek is reeds verzonden aan uw gemachtigde. Wij hebben besloten uw bezwaren gegrond te verklaren. Hieronder leggen wij uit hoe wij tot onze beslissing zijn gekomen.

Uw bijstandsaanvraag van 23 juni 2006 is afgewezen op grond van de bevindingen bij een huisbezoek, dat op 3 augustus 2006 bij u is verricht. Over de gang van zaken bij het huisbezoeken alsmede over het gebruik van de informatie die voortkomt uit een huisbezoek, heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) nadien een aantal uitspraken gedaan. In het licht van deze uitspraken zijn wij thans van mening dat het bij u afgelegde huisbezoek niet aan alle door de CRvB geformuleerde zorgvuldigheidseisen heeft voldaan en dat de bevindingen bij voornoemd huisbezoek niet als geldige grond kunnen dienen om uw bijstandsaanvraag af te wijzen. Omdat ons geen andere feiten bekend zijn die aan de toekenning van bijstand met ingang van 23 juni 2006 in de weg staan, wordt uw bijstandsaanvraag toegewezen.”

3. Het geschil

3.1. [A] vordert, in de bewoording van de dagvaarding, zoals ter comparitie van partijen gewijzigd,

“Mitsdien het u edelachtbare heer/vrouwe rechter moge behagen, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de gemeente bij wijze van voorschot te bevelen tot betaling van een bedrag van € 10.000, , althans een door u edelachtbare heer/vrouwe rechter in goede justitie te bepalen bedrag, ter vergoeding van de door appellante als gevolg van voornoemd onrechtmatig overheidshandelen nader bij staat op te maken geleden materiële schade;

II. de gemeente te bevelen tot betaling van een bedrag van € 8.750,-, althans een door u edelachtbare heer/vrouwe rechter in goede justitie te bepalen bedrag, ter vergoeding van de door appellante als gevolg van voornoemd onrechtmatig overheidshandelen geleden immateriële schade;

III. primair:

de gemeente bij wijze van punitieve schadevergoeding te bevelen tot betaling van een bedrag van € 50.000,-, althans een door u edelachtbare heer/vrouwe rechter in goede justitie te bepalen schadevergoeding;

subsidiair:

de gemeente om overeenkomstig art 6:104 BW schadevergoeding ter hoogte van het door de gemeente door de in deze gepleegde onrechtmatige overheidsda(a)d(en) genoten voordeel bevelen tot betaling van een bedrag van € 13.500,-, althans een door u edelachtbare heer/vrouwe rechter in goede justitie te bepalen schadevergoeding per onrechtmatige handeling;

III. artikel 53a lid 2 WWB vanwege strijdigheid met art 6, 8 en 14 EVRM, en/ of art. 12, 17 en 26 IVBPR, krachtens art. 94 Grondwet buiten toepassing te verklaren binnen de grenzen van het Koninkrijk voor zover op grond hiervan de bevoegdheid zou toekomen om in vergaande mate inbreuk te maken op het recht op eerbiediging van de privacy van al dan niet verdachte burgers middels het (on-)aangekondigd huisbezoek en de (al niet niet-stelselmatige) observatie;

IV. primair:

artikel 53a lid 2 WWB vanwege strijdigheid met art 6, 8 en 14 EVRM, en/of art. 12, 17 en 26 IVBPR, te vernietigen en voor recht te verklaren dat het afleggen van een (on )aangekondigd huisbezoek vanwege het ontbreken van een wettelijke bevoegdheid in de zin van de 'rule of law' uitsluitend is toegestaan in geval van concrete, verifieerbare en objectiveerbare verdenking van schending van de informatieplicht in de zin van art 27 Sv jo art. 227a c.q 227b danwel 447c danwel 447d Sr, zulks alsdan uitsluitend op grond van een op gezag van de rechter-commissaris afgegeven machtiging tot het betreden en doorzoeken van de woning, dan wel op grond van toestemming in de zin van 'informed consent' in de zin van bestendige jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, in die verstande dat tenminste aan betrokkene is medegedeeld dat jegens hem benevens een bestuursrechtelijk onderzoek sprake is van een strafrechtelijk onderzoek en hem in dat kader het recht om te zwijgen in de zin van art 29 Sv toekomt;

subsidiair:

artikel 53a lid 2 WWB vanwege strijdigheid met art 6, 8 en 14 EVRM, en/ of art. 12, 17 en 26 IVBPR, te vernietigen en in het kader van de rechtsvormende bevoegdheid van u edelachtbare heer/vrouwe rechter een dusdanig oordeel te wijzen als u in goede justitie zal vermenen te behoren.

V. De gemeente te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure, het honorarium van de procureur van [A] daaronder begrepen.”

3.2. [A] legt aan het gevorderde kort gezegd ten grondslag dat de gemeente in het kader van de toekenning van een door hem aangevraagde bijstandsuitkering verschillende keren onrechtmatig heeft gehandeld, aangezien er zowel zonder 'redelijke grond' in de zin van de bestendige jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep als zonder toestemming in de zin van 'informed consent' op ernstige wijze inbreuk is gemaakt op het recht van privacy van [A]. Dit is gebeurd door dat er is aangebeld op een moment dat [A] niet thuis was en doordat bij hem verschillende huisbezoeken zijn afgelegd.

3.3. Volgens [A] blijkt uit de onder 2.16 aangehaalde beslissing op bezwaar van 30 oktober 2007 dat tussen partijen in confesso is dat het huisbezoek van 3 augustus 2006 onrechtmatig was. Bovendien heeft de gemeente zonder goede reden onnodig lang volhar¬d in een van meet af aan onverdedigbaar standpunt. [A] beroept zich hierbij op de uitspraken van de Rechtbank Amsterdam van 7 september 2006 (LJN: YA7854) en (in dezelfde zaak) de Centrale Raad van Beroep van 11 april 2007 (LJN: BA2410).

De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Kern van het geschil is de vraag of de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door in het kader van de aanvraag van [A] om een uitkering op grond van de WWB bij [A] op 3 september 2006 op huisbezoek te gaan op de manier zoals zij dat gedaan heeft.

4.2. Bestuursorganen hebben een groot belang bij een effectieve controle op de rechtmatigheid van te verlenen bijstand. Doorgaans kan in dat verband worden volstaan met andere middelen dan huisbezoek zoals administratief onderzoek, koppeling/uitwisseling van gegevensbestanden, omgevingsonderzoek, observaties en horen van belanghebbenden en derden. Onder omstandigheden kan ook het huisbezoek een noodzakelijk en adequaat (aanvullend) controlemiddel zijn. Voor de vraag of de Gemeente door het afleggen van het huisbezoek al dan niet onrechtmatig heeft gehandeld dient de rechtbank na te gaan of in het onderhavige geval voldoende acht is geslagen op de waarborgen die verankerd liggen in artikel 8 EVRM.

Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de op de woning betrekking hebbende persoonlijke levenssfeer (het huisrecht) valt af te leiden dat eerst van een inbreuk op het huisrecht sprake is wanneer wordt binnengetreden tegen de wil van degene die zich op dat recht beroept. Van een inbreuk op het huisrecht is derhalve geen sprake wanneer de rechthebbende toestemming voor het binnentreden heeft gegeven. De toestemming moet dan echter wel op basis van vrijwilligheid zijn verleend, waarbij heeft te gelden dat er sprake moet zijn van een "informed consent". Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende gebaseerd moet zijn op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek. Voor een geval waar voorafgaand aan het huisbezoek geen aanleiding bestond om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de door betrokkene voor het vaststellen van het recht op bijstand verstrekte gegevens, moet hem duidelijk zijn gemaakt dat het niet geven van toestemming zonder (directe) consequenties zal blijven voor de verlening van de bijstand.

Bestaat daarentegen voorafgaande aan het huisbezoek wèl aanleiding redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de voor het vaststellen van het recht op bijstand verstrekte gegevens en wordt om die reden tot het afleggen van een huisbezoek besloten, dan is het bestuursorgaan bij het vragen om medewerking aan dat huisbezoek niet gehouden betrokkene mee te delen dat het weigeren van de toestemming tot binnentreden zonder (directe) gevolgen voor de uitkering zal blijven. Een en ander is af te leiden uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (o.a. 11 april 2007, AB 2007, 149 en 150 = LJN BA22410 en BA2447) en deze rechtbank (22 juli 2008, LJN BG3667, waaraan het vorenstaande deels letterlijk is ontleend).

4.3. Ten aanzien van het huisbezoek op 3 augustus 2006 heeft de Gemeente in het besluit van 30 oktober 2007 overwogen zoals onder 2.16 weergegeven. [A] leidt hieruit af dat de onrechtmatigheid van dit huisbezoek in confesso is. De Gemeente betwist echter dat uit het besluit van 30 oktober 2007 volgt dat de onrechtmatigheid van dit huisbezoek vaststaat. Voor zover [A] stelt dat "informed consent" ontbreekt, merkt de Gemeente op dat dit voor dit huisbezoek niet nodig was, omdat op dat moment een redelijk vermoeden bestond dat de door [A] verstrekte gegevens onjuist waren.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat de door de gemeente op 30 oktober 2007 genomen beslissing op het bezwaar formele rechtskracht heeft. Dat betekent dat voor zover aan bepaalde feiten rechtsgevolgen zijn verbonden, van die rechtsgevolgen ook in dit geding moet worden uitgegaan.

Nu genoemde beslissing inhoudt dat het bij [A] afgelegde huisbezoek niet aan alle door de CRvB geformuleerde zorgvuldigheidseisen heeft voldaan en daaraan het rechtsgevolg is verbonden dat de bevindingen bij voornoemd huisbezoek niet als geldige grond kunnen dienen om [A]’s bijstandsaanvraag af te wijzen, moet dit rechtsgevolg in het onderhavige geding ook worden aanvaard. Daarmee is echter niet zonder meer gegeven dat het huisbezoek ook als onrechtmatig handelen van de gemeente kan worden gezien waaraan het rechtsgevolg dient te worden verbonden dat de gemeente verplicht is de daaruit ontstane schade te vergoeden.

Het staat de gemeente dan ook vrij in deze procedure het standpunt in te nemen dat het huisbezoek van 3 augustus 2006 niet onrechtmatig was. De rechtbank zal die rechtmatigheid dienen te beoordelen.

4.5. Gezien de in het onder 2.7 aangehaalde rapport weergegeven feiten, die als zodanig in dit geding niet zijn betwist, is de rechtbank van oordeel dat het huisbezoek van 3 augustus 2006 niet onrechtmatig was. Er was voor de gemeente grond om aan de juistheid van hetgeen [A] over zijn woonsituatie in zijn aanvraag had vermeld te twijfelen. Zo was een eerder verzoek geweigerd omdat [A] geen toegang tot de woning wilde verschaffen, en werd thans een aanvraag gedaan waarbij [A] opgaf nog steeds op hetzelfde adres te wonen. Ook waren er observaties verricht zoals onder 2.7 weergegeven, die grond gaven te twijfelen aan de juistheid van de opgegeven woonsituatie. Immers was uit die observaties gebleken dat de auto van [A] (met koude motorkap) geparkeerd stond voor het huis van zijn voormalige partner en dat hij uit dat huis naar buiten kwam. In het aan het huisbezoek voorafgaande gesprek met de rapporterende handhavingsspecialisten heeft [A] toen hij werd geconfronteerd met de genoemde bevindingen wisselende verklaringen afgelegd. Deze omstandigheden gaven naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond voor een verzoek aan [A] om toestemming te geven voor een huisbezoek. Bovendien was hier aanleiding redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid van de voor het vaststellen van het recht op bijstand verstrekte gegevens, zodat ‘informed consent’ in die zin dat duidelijkheid werd verschaft over de gevolgen van een eventueel onthouden van toestemming voor de verlening van bijstand, niet vereist was. Voldoende voor de rechtmatigheid van het huisbezoek, ook in civielrechtelijke zin, was in de gegeven situatie dat [A] daarvoor zijn toestemming gaf. Dit heeft [A] blijkens het onder 2.7 aangehaalde rapport gedaan en dat wordt in dit geding ook niet betwist.

4.6. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de gemeente niet op onrechtmatige wijze inbreuk heeft gemaakt op de privacy van [A], aangezien er hier sprake was van een fraudevermoeden dat grond gaf om over te gaan tot een huisbezoek, waarvoor [A] zijn toestemming heeft gegeven.

4.7. Voor zover [A] heeft betoogd dat latere huisbezoeken onrechtmatig zijn geweest, stuit dit af op de bij het rechtmatige huisbezoek van 3 augustus 2006 gebleken feiten, die zolang [A] hetzelfde woonadres opgaf in ieder geval grond gaven tot een nieuw huisbezoek alvorens een uitkering zou worden toegekend, steeds zonder dat ‘informed consent’ vereist was. Voor die huisbezoeken heeft [A] ook steeds zijn toestemming gegeven, zodat deze ook niet onrechtmatig waren.

4.8. De rechtbank acht het aanbellen bij [A] op een moment dat hij niet thuis was geen schending van zijn privacy, en dus niet onrechtmatig. In de uitspraken waarop [A] zich ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft beroepen (Rb Amsterdam 7 september 2006, LJN AY7854 en Rb Arnhem 17 januari 2008, LJN BC6852) staat dit ook niet te lezen. Ook als wordt aangenomen het aanbellen en de daarbij gebleken afwezigheid voor de gemeente aanleiding was om [A] op te roepen voor een gesprek, maakt dat het aanbellen niet onrechtmatig. Dat deze oproep voor een gesprek onrechtmatig was, is immers niet gesteld.

4.9. Nu de gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld, kan hetgeen partijen over de schade naar voren hebben gebracht onbesproken blijven. De vorderingen van [A] onder I, II en (eerste) III zullen geheel worden afgewezen.

4.10. Het onder (tweede) III en IV gevorderde komt erop neer dat van de rechtbank gevraagd wordt een wettelijke bepaling buiten werking te stellen dan wel van nadere voorwaarden te voorzien. Het gaat hier om een wet in formele zin, die ingevolge art. 81 Grondwet worden vastgesteld door de regering en de Staten-Generaal, op grond van politieke besluitvorming en afweging van de erbij betrokken belangen. De evenzeer op de Grondwet berustende verdeling van bevoegdheden van de verschillende staatsorganen brengt mee dat de rechter niet vermag in te grijpen in die procedure van politieke besluitvorming. Weliswaar kan het wel zo zijn dat de rechter in een individueel geval tot het oordeel kan komen dat een aldus vastgestelde wet strijdig is met een grondrecht en dus buiten toepassing dient te blijven, maar in het onderhavige geval is van een dergelijke strijdigheid niet gebleken. Een vordering die een algemene strekking heeft zoals het onder (tweede) III en IV gevorderde gaat de taak van de rechter in het Nederlandse staatsbestel te buiten. Deze vorderingen dienen daarom te worden afgewezen.

4.11. [A] wordt volledig in het ongelijk gesteld, zodat ook het onder V gevorderde dient te worden afgewezen. Hij zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- vast recht 1.515,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.303,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op EUR 3.303,00,

5.3. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Overbosch, mr. R.H.C. Jongeneel en mr. K. Mans en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2009.?