Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BI4200

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
08.0691 en 08.0692
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

dwangakkoord

Ambtshalve herberekening van de afloscapaciteit. Doorslaggevend is echter het volgende. Aangezien de inkomsten uit WAO-uitkering van verzoeker niet worden verrekend met eventuele inkomsten uit arbeid die verzoekster kan genereren, is er een reële kans dat verzoekers afloscapaciteit zullen verwerven. Daardoor is er, al dan niet in een wettelijke schuldsaneringsregeling, uitzicht op een hogere aflossing op de schulden aan de Belastingdienst en [A] dan thans is aangeboden. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de Belastingdienst en [A] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. Het verzoek moet reeds hierom worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 08.691 en 08.692

uitspraakdatum: 17 juni 2008

in de zaak van

[A],

geboren op -- te -- (Marokko),

en

[B],

geboren in -- te -- (Marokko),

beiden wonende te --, --,

- hierna te noemen: verzoeker onderscheidenlijk verzoekster, gezamenlijk verzoekers

tegen

BELASTINGDIENST,

gevestigd te Amsterdam,

- hierna te noemen: de Belastingdienst

en

[C],

gevestigd te --,

- hierna te noemen: [C]

1. De procedure

1.1. Verzoekers hebben op 14 mei 2008 een tweetal verzoekschriften ingediend, te weten een verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling alsmede een verzoekschrift dat ertoe strekt de Belastingdienst en [C] te bevelen in te stemmen met de door verzoekers aangeboden schuldregeling (hierna: dwangakkoord) ex artikel 287a Faillissementswet (Fw.)

1.2. Het dwangakkoord is behandeld ter terechtzitting van 10 juni 2008. Verzoekers, bijgestaan door mevrouw [D] (tolk Arabisch en Marokkaans) en mevrouw [E] (schuldhulpverleenster) zijn ter terechtzitting verschenen. Verder zijn verschenen mevrouw

[F] en de heer [G] namens de Belastingdienst. Namens [C] is, hoewel rechtsgeldig opgeroepen, niemand verschenen.

2. De feiten

2.1. Verzoekers zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Verzoekers hebben twee minderjarige kinderen. Verzoeker is volledig arbeidsongeschikt bevonden en ontvangt een WAO-uitkering. Ter terechtzitting heeft verzoekster desgevraagd verklaard niet in staat te zijn arbeid te verrichten. Naar eigen zeggen heeft zij suikerziekte. Op de vraag of zij in verband daarmee medicatie krijgt dan wel onder behandeling staat, heeft zij ontkennend geantwoord. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal haar in de weg staat om betaalde arbeid te verrichten.

2.2. Blijkens de verklaring ex artikel 285 Fw hebben verzoekers een totale schuldenlast van € 21.795,63 aan zes schuldeisers. Verzoekers hebben op 18 februari 2008 een minnelijke schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers, inhoudende dat de concurrente schuldeisers 7,46% en de preferente schuldeisers 14,92% voldaan krijgen tegen finale kwijting van de restvordering. De aangeboden schuldregeling is gebaseerd op een afloscapaciteit van € 62,- per maand.

2.3. De aangeboden schuldregeling is door alle schuldeisers aanvaard, behalve de Belastingdienst (€ 1.613,-) en Kesteren Medical Factoring namens tandarts [C] (€ 400,20). [C] heeft geen reden opgegeven voor het onthouden van zijn instemming met de aangeboden schuldregeling. Mevrouw [F] heeft namens de Belastingdienst ter terechtzitting verklaard niet in te stemmen met de aangeboden regeling, omdat de schuld is ontstaan door toekenning van een verleende voorlopige teruggave, waarvan verzoekers wisten dat bij de definitieve vaststelling terugvordering kon volgen.

2.4. Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat verzoeker maandelijks een inkomen uit WAO-uitkering ontvangt van € 1.028,- en verzoekster maandelijks heffingskorting ontvangt van € 173,-. De schuldhulpverleenster heeft het voor hun geldende vrij te laten bedrag berekend op € 1.245,71 per maand, zodat onder de huidige omstandigheden maandelijks geen bedrag voor betaling aan schuldeisers beschikbaar is.

2.5. Bij toelating tot de schuldsaneringsregeling zullen verzoekers over de looptijd van de schuldsaneringsregeling aan salaris van de bewindvoerder (ten minste) verschuldigd zijn: 36 x € 46,41 = € 1.670,76.

3. De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

3.1. Alvorens de rechtbank toekomt aan de beoordeling van onderliggend verzoekschrift, constateert zij dat de berekening van het vrij te laten bedrag voor verzoekers te hoog is, omdat er abusievelijk geen rekening is gehouden met de tegemoetkoming in de studiekosten van de minderjarige kinderen van verzoekers. Hierdoor komt hun vrij te laten bedrag - na ambtshalve berekening - op € 1.194,36 uit. Overigens leidt dat niet tot afloscapaciteit hoger dan het salaris van de bewindvoerder met het huidige inkomen van verzoekers.

3.2. Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als [C] en de Belastingdienst in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekers of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Uitgangspunt hierbij - blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 287a Fw - is dat verzoekers in de drie jaar durende looptijd van de schuldsaneringsregeling niet meer kunnen sparen ten behoeve van hun schuldeisers dan zij aanbieden met de minnelijke schuldregeling. Het ligt op de weg van verzoekers om een en ander aan te tonen.

3.3. Verzoekster heeft ter terechtzitting weliswaar verklaard niet in staat te zijn betaalde arbeid te verrichten vanwege haar suikerziekte, doch zij is - zoals zij ter terechtzitting heeft erkend - niet arbeidsongeschikt verklaard. In dit verband is nog van belang dat verzoekster – naar hetgeen zij desgevraagd heeft verklaard – geen medicijnen gebruikt en niet onder behandeling van een arts staat. Evenmin heeft verzoekster bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat zij niet in staat wordt geacht betaalde arbeid te verrichten.

Verzoekster heeft ter terechtzitting nog aangevoerd dat de gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal deelneming aan de arbeidsmarkt voor haar bemoeilijkt dan wel onmogelijk maakt. Ofschoon beheersing van de Nederlandse taal in zijn algemeenheid is gewenst bij toetreding tot de arbeidsmarkt, is de rechtbank van oordeel dat voor verzoekster voldoende aanbod van banen voorhanden is waarbij beheersing van de Nederlandse taal geen strikt vereiste is. Zoals de echtgenoot van verzoekster ter terechtzitting heeft verklaard valt daarbij te denken aan het verrichten van arbeid in de schoonmaakbranche.

3.4. Gelet op het vorenstaande is niet aannemelijk gemaakt dat verzoekster niet in staat is betaalde arbeid te verrichten.

Aangezien de inkomsten uit WAO-uitkering van verzoeker niet worden verrekend met eventuele inkomsten uit arbeid die verzoekster kan genereren, is er een reële kans dat verzoekers afloscapaciteit zullen verwerven. Daardoor is er, al dan niet in een wettelijke schuldsaneringsregeling, uitzicht op een hogere aflossing op de schulden aan de Belastingdienst en [C] dan thans is aangeboden. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de Belastingdienst en [C] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. Het verzoek moet reeds hierom worden afgewezen.

Op het gehandhaafde verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsanerings-regeling zal bij afzonderlijk vonnis worden beslist.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek af;

- bepaalt dat op het verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsanerings-regeling bij afzonderlijk vonnis zal worden beslist.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.D. Akkaya en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2008.