Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH7398

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-12-2008
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
08.793
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking ingevolge art. 37 Rv. Verzoek afgewezen. Het wrakingsverzoek heeft betrekking op een kantonrechter.

Het verzoek berust op de gedachte dat het kantongerecht onbevoegd is van de vordering kennis te nemen omdat er al een procedure bij de Centrale Raad van Beroep loopt. Het kantongerecht is onbevoegd omdat verzoeker de overeenkomst heeft ontbonden wegens wanprestatie. De waarborgmaatschappij was namelijk niet in staat een deugdelijke boekhouding te voeren overeenkomstig boek 2 BW. Eiseres is op drie gronden niet-ontvankelijk. Wegens misbruik van procesrecht, omdat verzoeker de overeenkomst ontbonden heeft en omdat de zaak aanhangig is bij de Centrale Raad van Beroep. Omdat de rechter niet wilde luisteren heeft verzoeker de rechter gewraakt.

De door verzoeker aangevoerde gronden betreffen de zienswijze van verzoeker ten aanzien van hetgeen de rechter had moeten beslissen en overwegen. Die omstandigheid (de enkele omstandigheid dat de rechter in de visie van verzoeker kennelijk niet onmiddellijk wenste te beslissen op hetgeen door verzoeker werd aangevoerd) brengt niet mee dat de door verzoeker jegens de rechter gestelde vrees van partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. De rechtbank treft in hetgeen is aangevoerd geen aanwijzing voor het oordeel dat verzoekers vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is en levert geen aanwijzing op voor de hiervoor genoemde schijn van partijdigheid. Op een exceptief verweer hoeft niet onmiddellijk te worden beslist. Het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor brengt met zich dat een rechter geen beslissing op een opgeworpen verweer neemt, dan nadat de wederpartij in de gelegenheid is geweest op dat verweer te worden gehoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het ter zitting van 6 november 2008 mondeling gedane en onder rekestnummer 08.793 ingeschreven verzoek tot wraking van:

[ ],

wonende te [ ],

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [X], kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

? het proces-verbaal van de rolzitting van 6 november 2008,

? een brief met bijlagen van verzoeker d.d. 12 november 2008.

De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 3 december 2008.Verzoeker is verschenen.

De uitspraak is nader bepaald op 8 december 2008.

1. Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Verzoeker is gedaagde in een bij de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam door de onderlinge waarborgmaatschappij [ ] aanhangig gemaakte zaak. De zaak staat geregistreerd onder nummer [ ].

b) Op de rolzitting van 6 november 2008 is verzoeker verschenen en heeft bij mondeling antwoord aangevoerd dat hij de vordering niet erkend en dat de rechter de wederpartij niet-ontvankelijk moet verklaren.

c) Vervolgens heeft verzoeker medegedeeld de rechter te wraken.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek is gebaseerd op de - door klager mondeling ter zitting nader toegelichte – navolgende zakelijk weergegeven gronden. Op de rolzitting van 6 november heeft verzoeker de rechter gewraakt omdat hij een direct op het proces hebbende beslissing nam.

Het kantongerecht is onbevoegd van de vordering kennis te nemen omdat er al een procedure bij de Centrale Raad van Beroep loopt. Het kantongerecht is onbevoegd omdat verzoeker de overeenkomst heeft ontbonden wegens wanprestatie. De waarborgmaatschappij was namelijk niet in staat een deugdelijke boekhouding te voeren overeenkomstig boek 2 BW. Eiseres is op drie gronden niet-ontvankelijk. Wegens misbruik van procesrecht, omdat verzoeker de overeenkomst ontbonden heeft en omdat de zaak aanhangig is bij de Centrale Raad van Beroep. Omdat de rechter niet wilde luisteren heeft verzoeker de rechter gewraakt.

3. De beoordeling van het verzoek

4.1. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door verzoeker genoemde omstandigheden

geen grond op voor de vrees dat de rechter in dit geval de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen, dan wel dat het hem aan onpartijdigheid ontbreekt. De door verzoeker aangevoerde gronden betreffen de zienswijze van verzoeker ten aanzien van hetgeen de rechter had moeten beslissen en overwegen. Die omstandigheid (de enkele omstandigheid dat de rechter in de visie van verzoeker kennelijk niet onmiddellijk wenste te beslissen op hetgeen door verzoeker werd aangevoerd) brengt niet mee dat de door verzoeker jegens de rechter gestelde vrees van partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Niet de visie van verzoeker is beslissend; de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt moet, zoals hiervoor reeds overwogen, objectief gerechtvaardigd zijn. De rechtbank treft in hetgeen is aangevoerd geen aanwijzing voor het oordeel dat verzoekers vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is en levert geen aanwijzing op voor de hiervoor genoemde schijn van partijdigheid.

4.3 Ten overvloede overweegt de rechtbank dat op een exceptief verweer niet onmiddellijk moet worden beslist. Het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor brengt met zich dat een rechter geen beslissing op een opgeworpen verweer neemt, dan nadat de wederpartij in de gelegenheid is geweest op dat verweer te worden gehoord.

4.4. Nu feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken, dient het wrakingsverzoek als ongegrond te worden afgewezen.

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

B E S L I S S I N G :

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

Aldus gegeven door mrs. F.G. Bauduin, G.H. Marcus en M.M. Beins en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.