Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH7337

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2008
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
08.529
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking ingevolge art. 37 Sv. Verzoek afgewezen. Het wrakingsverzoek heeft betrekking op een civiele rechter. Het verzoek is in de kern gebaseerd op de stelling dat van vooringenomenheid van de rechter is gebleken nu elk argument dat door de wederpartij wordt aangevoerd wordt gehonoreerd, onder gelijktijdige verwerping van ieder bezwaar van de zijde van verzoekster. Een en ander gaat gepaard met onvoldoende motivering en heeft kennelijk slechts tot doel de wederpartij in een voordeligere procespositie te brengen. De rechter heeft onvoldoende kennis van de wet, dan wel past de wet op onjuiste wijze toe. Voorts miskent de rechter dat de wettelijke bepalingen van het procesrecht ook op de procedure tot het houden van een getuigenverhoor van toepassing zijn zodat het hoger beroep schorsende werking heeft. De stellingname van de rechter op dit punt is evident onjuist. De rechter zou geen belang mogen hebben bij voortzetting van het getuigenverhoor. Verzoekster interpreteert de wijze van het leiden van de procedure als een poging de geconstateerde fouten te verhullen.

De gronden van het verzoek zijn alle gericht tegen beslissingen van de rechter die in de ogen van verzoekster slechts tot doel hebben de wederpartij in een voordeliger procespositie te stellen. De afwijzing van het verzoek om het verhoor van de getuigen achter gesloten deuren te houden levert noch op zichzelf, noch door de wijze waarop dit verzoek is afgewezen, een zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de rechter jegens het verzoekster partijdig is. Hetzelfde geldt voor het oordeel van de rechter dat het hoger beroep geen schorsende werking met zich meebrengt. De juistheid of onjuistheid van die afwijzingen kan slechts in hoger beroep worden getoetst, terwijl uit de door verzoekster geschetste gang van zaken slechts kan worden afgeleid dat de rechter zich op grond van de briefwisseling tussen partijen en het besprokene ter terechtzitting een bepaald oordeel had gevormd. Ongeacht de juistheid van beide oordelen, levert dat geen grond voor wraking op. Er is geen sprake van persoonlijke opvattingen van de rechter die niet terug te voeren zijn op bestudering van de zaak zelf en de tot die zaak behorende stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beslissing op het op 26 augustus 2008 gedane en onder rekestnummer 08.529 ingeschreven verzoek tot wraking ingediend door:

de stichting STICHTING JOODS NATIONAAL FONDS,

gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. B.S. Friedberg,

advocaat te Amsterdam,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [X], rechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

? het verzoekschrift met bijlagen d.d. 26 augustus 2008

? de schriftelijke reactie van de rechter d.d. 11 september 2008,

De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 28 september 2008, alwaar de rechtbank verzoekster (hierna: het JNF), haar gemachtigde en de rechter heeft gehoord.

De gemachtigde van het JNF heeft een pleitnota overgelegd.

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat zo spoedig mogelijk uitspraak zal worden gedaan.

1. Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Het JNF is verweerster in een bij de rechtbank onder zaaknummer [ ] aanhangige zaak. De zaak betreft een verzoek van [ ] en [ ] (hierna: [ ] c.s.) tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor.

b) Bij brief van 29 mei 2008 heeft de raadsman van het JNF verzocht de behandeling van het voorlopig getuigenverhoor achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. Het verzoek is bij brief van 12 juni 2008 afgewezen.

c) In het proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor gehouden op 1 juli 2008 staat omtrent het verzoek van de gemachtigde van het JNF om de behandeling achter gesloten deuren te houden onder meer vermeld:”Mr. Friedberg verzoekt de behandeling van de zaak achter gesloten deuren te laten plaatsvinden, welk verzoek hij reeds bij brief van 29 mei 2008 en vervolgens bij brief van 24 juni 2008 heeft toegelicht. Mr. Friedberg stelt dat [ ]cs. oneigenlijk gebruik maakt van de verzoekschriftprocedure en alleen munitie probeert te verkrijgen voor een procedure tegen KKL. Wanneer de getuigen openbaar zouden worden gehoord, zou dit betekenen dat er vrijelijk kan worden beschikt over interne informatie die normaal gesproken binnen de Stichting Joods nationaal fonds zou blijven en niet in de openbaarheid zou komen. De Stichting Joods nationaal fonds zamelt geld in en dat gebeurt op vertrouwelijke basis en het is dan ook niet de bedoeling dat die informatie zomaar op straat komt te liggen. Mr. Loonstein verzet zich tegen honorering van het verzoek en wijst erop dat de strekking van het verhoor niet betreft wie hoeveel geld heeft gegeven, maar slechts de vraag of de derdenverklaringen juist zijn. De rechter wijst het verzoek van mr. Friedberg af. Zoals reeds bij brief van 12 juni 2008 uiteen is gezet is het uitgangspunt dat de behandeling in het openbaar geschiedt. Het onderwerp van het voorlopig getuigenverhoor betreft de juistheid van de verklaringen, niet de financiële informatie. Daarbij komt dat onvoldoende naar voren is gebracht waaruit het vertrouwelijke karakter van de informatie zou bestaan.” Vervolgens is overgegaan tot het horen van de getuigen. Uit de in het proces-verbaal opgenomen verklaringen van de getuigen blijkt dat de gemachtigde van verzoekster tegen twee door de rechter aan de getuigen gestelde vragen bezwaar heeft gemaakt.

d) De voortzetting van het voorlopig getuigenverhoor is bepaald op 9 september 2008.

e) Op 25 juli 2008 heeft het JNF hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam tegen de beslissing tot afwijzing van het verzoek om behandeling achter gesloten deuren en tegen de beslissing van de rechter dat de getuigen antwoord dienden te geven op de vragen waartegen bezwaar was gemaakt.

f) Bij brief van 11 augustus 2008 heeft de gemachtigde van het JNF de rechter onder meer medegedeeld dat het Gerechtshof een mondelinge behandeling van het beroep heeft vastgesteld op 11 december 2008 en dat door de schorsende werking van het hoger beroep de voor 9 september 2008 geplande voortzetting van het voorlopig getuigenverhoor geen doorgang kan vinden.

g) Bij brief van 19 augustus 2008 is de gemachtigde van het JNF namens de rechter medegedeeld dat het hoger beroep geen schorsende werking heeft en het voorlopig getuigenverhoor doorgang zal vinden.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

2.1 Het verzoek is gebaseerd op de stelling dat het JNF van vooringenomenheid van de rechter is gebleken nu elk argument dat door [ ] c.s. wordt aangevoerd wordt gehonoreerd, onder gelijktijdige verwerping van ieder bezwaar van de zijde van het JNF. Een en ander gaat gepaard met onvoldoende motivering en heeft kennelijk slechts tot doel [ ]c.s. in een voordeligere procespositie te brengen. Het verzoek is als volgt toegelicht.

2.2 Het JNF stelt dat de rechter onvoldoende kennis van de wet heeft, dan wel de wet op onjuiste wijze toepast. Zo kwalificeert de rechter haar beslissingen als ordemaatregel en is zich niet bewust van het feit dat haar beslissingen uitspraken zijn waartegen hoger beroep open staat.

Tevens heeft de rechter op 1 juli 2008 verzuimd aan de gehoorde getuigen, die bij een eventueel door [ ] c.s. tegen het JNF in te stellen vordering als partijgetuigen moeten worden gezien, nu zij bestuursleden van het JNF zijn, de waarborgen te bieden welke van toepassing zijn op het verhoor van een partij als getuige.Verwezen wordt naar rechtsoverweging 5.4 van de beschikking van 24 januari 2008 waarin de rechter overweegt dat het voorlopig getuigenverhoor ertoe kan dienen om de proceskansen in te schatten bij het eventueel voeren van een procedure op grond van artikel 477 a lid 2 Rv, dan wel op grond van onrechtmatige daad.

2.3 Voorts miskent de rechter dat de wettelijke bepalingen van het procesrecht ook op de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van toepassing zijn en dat haar beslissingen niet uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard zodat het hoger beroep schorsende werking heeft. Bovendien is er geen enkele noodzaak om de beschikking in hoger beroep niet af te wachten. Het JNF acht deze stellingname van de rechter evident onjuist.

2.4 De rechter zou geen belang mogen hebben bij voortzetting van het voorlopig getuigenverhoor. Nu de rechter ondanks de bezwaren het verhoor door wenst te zetten, heeft zij blijk gegeven van vooringenomenheid jegens het JNF en een schijn van partijdigheid gecreëerd die de rechtsgang uiterst negatief beïnvloedt. Het JNF interpreteert de wijze van het leiden van de procedure als een poging de geconstateerde fouten te verhullen, aldus het JNF.

3. Het verweer van de rechter

3.1 De rechter heeft schriftelijk het volgende aangevoerd. Het verwijt van het JNF dat zij [ ] c.s. structureel processueel heeft bevoordeeld en het JNF structureel processueel benadeeld zou hebben met het kennelijke doel [ ]c.s. in een voordelige positie te stellen, acht de rechter onjuist. Ieder verzoek en ieder bezwaar van zowel het JNF als [ ]c.s. heeft zij onbevooroordeeld en zonder vooringenomenheid behandeld.

3.2 De beslissing tot afwijzing van het verzoek van het JNF tot behandeling achter gesloten deuren van 1 juli 2008 betreft volgens de rechter een ordemaatregel, en geen tussenbeschikking. Ook indien dit wél het geval zou zijn, kan volgens de rechter slechts hoger beroep tegelijk met een eindbeschikking worden ingesteld, zodat het instellen van hoger beroep geen schorsende werking heeft. Dit geldt ook voor de beslissingen op de door het JNF gemaakte bezwaren tegen het stellen van bepaalde vragen.

3.3 De klacht dat is verzuimd de gehoorde getuigen de waarborgen te bieden die van toepassing zijn op het verhoor van een partijgetuige is niet nader onderbouwd. Uit punt 22 van het beroepschrift d.d. 25 juli 2008 begrijpt de rechter dat het JNF hiermee bedoelt dat zij de bestuursleden niet heeft gewezen op hun recht aanwezig te zijn bij het horen van de getuigen/andere bestuursleden. De rechter staat bij dat bij aanvang van de zitting de twee betreffende bestuursleden/getuigen niet in de zittingszaal aanwezig waren, zodat zij hen niet op dat recht heeft kunnen wijzen. Vervolgens is de eerste getuige, die op de gang zat te wachten, binnengelaten en gehoord. De rechter herinnert zich dat zij hem na afloop van het verhoor erop heeft gewezen dat hij aanwezig kon blijven bij het verhoor van de tweede getuige. Of de tweede getuige al bij het verhoor van de eerste getuige in het gerechtsgebouw aanwezig was, is de rechter niet bekend. In ieder geval is door of namens hem geen verzoek gedaan om tegenwoordig te zijn bij het verhoor van de eerste getuige, aldus de rechter.

3.4 De mededeling bij brief van 19 augustus 2008 dat het geplande getuigenverhoor van 9 september 2008 zou doorgaan, is de conclusie van haar constatering dat het ingestelde hoger beroep geen schorsende werking heeft. Van een persoonlijk belang en/of het trachten te verhullen van fouten of gebrekkige kennis is dan ook geen sprake.

3.5 Op grond van het voorgaande hebben zich geen feiten of omstandigheden voorgedaan die redenen opleveren voor (schijn van) partijdigheid of voor het oordeel dat zij jegens het JNF, dan wel aangaande een standpunt in de zaak van het JNF, een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij het JNF dienaangaande vrees gerechtvaardigd is.

De rechter betreurt het dat bij het JNF de indruk is ontstaan dat zij niet onbevooroordeeld tegenover de zaak staat, maar de rechter is van mening dat hiervoor objectief geen goede gronden zijn aan te voeren, aldus de rechter.

3.6 Ter zitting heeft de rechter hieraan toegevoegd dat het JNF het verzoek niet heeft gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan haar bekend zijn geworden. Immers het feit dat het getuigenverhoor niet achter gesloten deuren zou worden gehouden was al bekend en is ter zitting van 1 juli 2008 nogmaals aan de orde geweest. Het verzoek dat is ingediend op 26 augustus 2008 is daarom niet tijdig gedaan.

4. De beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek

4.1 Uit de stukken en ter terechtzitting nader toegelichte gronden is de rechtbank het volgende gebleken. Het verzoek berust op een reeks van door het JNF gestelde feiten en omstandigheden die maken dat het JNF de mening is toegedaan dat haar recht op een eerlijk proces door een onpartijdige rechter onvoldoende gewaarborgd wordt geacht.

4.2 De rechtbank acht het niet uitgesloten dat een opeenvolging van feiten, waarvan ieder feit op zich niet zonder meer voldoende grond voor een wraking zou kunnen opleveren, in samenhang bezien, op zeker moment bij het JNF de gerechtvaardige vrees zou kunnen doen ontstaan dat de rechterlijke onpartijdigheid jegens haar niet meer is gewaarborgd. Dit heeft tot gevolg dat in een dergelijke situatie aan wraking niet in de weg behoeft te staan dat één of meer van die feiten reeds wat langere tijd aan het JNF bekend waren. In een dergelijk geval vormt het totaal van feiten dan de grondslag waarop de wraking berust.

4.3 De beslissing de behandeling niet achter gesloten deuren te laten plaatsvinden is genomen op 1 juli 2008. Vervolgens is op 16 juli 2008 de voortzetting van het voorlopig getuigenverhoor bepaald. Het JNF heeft op 25 juli 2008 hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij brief van 25 juli 2008 is de rechter hiervan op de hoogte gesteld door toezending van een exemplaar van het beroepschrift. Bij schrijven van 11 augustus 2008 heeft het JNF de rechter op de hoogte gesteld van de datum van behandeling van het beroepschrift en gesteld dat gezien de schorsende werking van het hoger beroep de voortzetting van het voorlopig getuigenverhoor op 9 september 2008 geen doorgang kon vinden. Bij brief van 19 augustus 2008 heeft de rechter het JNF onder meer medegedeeld dat het hoger beroep geen schorsende werking heeft en dat het verzoek om het voorlopig getuigenverhoor op 9 september 2008 niet te laten doorgaan werd gepasseerd. Het JNF heeft voormelde brief van 19 augustus 2008 aangemerkt als omstandigheid die de aanleiding gaf tot indiening van het wrakingsverzoek.

4.4 Dat tot uitgangspunt nemende kan JNF die het verzoek op 26 augustus 2008 heeft ingediend in haar verzoek worden ontvangen.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat het een rechter jegens een partij aan onpartijdigheid ontbreekt, althans dat de bij het JNF dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.

5.2 Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door het JNF aangevoerde omstandigheden niet zo uitzonderlijk dat zij een zwaarwegende aanwijzing vormen voor het oordeel dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt dan wel dat zij de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen.

Niet enkel de visie van het JNF is beslissend; de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt, moet objectief gerechtvaardigd zijn.

5.3 De gronden van het verzoek zijn alle gericht tegen beslissingen van de rechter die in de ogen van het JNF slechts tot doel hebben [ ] cs in een voordeliger procespositie te stellen. Dat de rechter verzuimd heeft de bestuursleden de waarborgen te bieden welke van toepassing zijn op het verhoor van de partij als getuige is niet onderbouwd, althans kan door de wijze waarop het is onderbouwd geen grond opleveren voor het oordeel dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

5.4 De afwijzing van het verzoek om het verhoor van de getuigen achter gesloten deuren te houden levert noch op zichzelf, noch door de wijze waarop dit verzoek is afgewezen, een zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de rechter jegens het JNF partijdig is. Hetzelfde geldt voor het oordeel van de rechter dat het hoger beroep geen schorsende werking met zich meebrengt. De juistheid of onjuistheid van die afwijzingen kan slechts in hoger beroep worden getoetst, terwijl uit de door het JNF geschetste gang van zaken slechts kan worden afgeleid dat de rechter zich op grond van de briefwisseling tussen partijen en het besprokene ter terechtzitting een bepaald oordeel had gevormd. Ongeacht de juistheid van beide oordelen, levert dat gelet op de hiervoor onder 5.1 omschreven norm geen grond voor wraking op.

5.5 Dat de rechter op grond van persoonlijk belang heeft getracht fouten te verhullen is de rechtbank niet gebleken. Hetgeen hiervoor is overwogen betekent naar het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van persoonlijke opvattingen van de rechter die niet terug te voeren zijn op bestudering van de zaak zelf en de tot die zaak behorende stukken.

6. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzoek moet worden afgewezen.

B E S L I S S I N G :

De rechtbank:

? verklaart het JNF ontvankelijk in haar verzoek tot wraking;

? wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. F.G. Bauduin, E.R.S.M. Marres en H.L.L. Neervoort-Briët, leden van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.