Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH7309

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
08.486
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking ingevolge art. 37 Rv. Verzoek afgewezen. Het wrakingsverzoek heeft betrekking op een kantonrechter. De kern van het verzoek berust op de geachte dat de rechter zich niet onafhankelijk opstelt in de procedure. Het vonnis bevat onjuistheden en is onvolledig. Niet alle stukken zijn aan verzoeker toegezonden, hetgeen de rechter had dienen te controleren. De rechter heeft de omvang van het geschil gewijzigd. Ten onrechte is geen verstekvonnis gewezen en is een comparitie bepaald.

In de wrakingsprocedure kunnen de bezwaren van verzoeker tegen het gewezen vonnis niet aan de orde komen. Gelet op de achterliggende gedachte bij het wrakingsincident – te waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid of het voorkomen van de schijn van rechterlijke partijdigheid – kan in een wrakingsprocedure niet worden opgekomen tegen onwelgevallige (proces) beslissingen. Het is immers niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn, maar om te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Er kan slechts dan aanleiding bestaan een vooringenomenheid te vermoeden, indien de wijze waarop de rechter de zaak behandelt en de door hem genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat redelijkerwijze daarvoor geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven. Daarvan getuigen de betreffende wijze van behandeling en genomen beslissingen niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op 10 juli 2008 gedane en onder rekestnummer 08.486 ingeschreven verzoek tot wraking van:

[ ],

wonende te [ ],

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [x], kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

? het wrakingsverzoek met producties,

? de schriftelijke reactie d.d. 11 augustus 2008 van de rechter.

De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 13 augustus 2008 alwaar de rechtbank verzoeker en de rechter heeft gehoord.Verzoeker heeft een pleitnota overgelegd.

De uitspraak is bepaald op 27 augustus 2008.

Bij brief ingekomen op 4 augustus 2008 heeft verzoeker om inzage van het griffiedossier verzocht.

Op 11 augustus 2008 is hij in de gelegenheid gesteld dat dossier in te zien.

1. Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Verzoeker is eiser in een bij de rechtbank onder rolnummer [ ] aanhangige zaak.

b) Op 27 juni 2008 heeft de rechter een vonnis gewezen. Daarbij heeft hij overwogen dat de rolrechter van de zitting van 16 mei 2008 heeft vastgesteld dat het recht tot het indienen van een conclusie van antwoord is vervallen en dat er geen grond is om op de beslissing van de rolrechter terug te komen. De rechter heeft een comparitie van partijen gelast omdat nadere inlichtingen over de vordering dienen te worden verstrekt.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende - verkort - zakelijk weergegeven gronden:

2.1 Volgens verzoeker zijn er zwaarwegende aanwijzingen dat de rechter vooringenomen is en

zich niet onafhankelijk opstelt in de procedure. Het vonnis van 27 juni 2008 bevat onjuistheden en is onvolledig. Niet alle stukken zijn hem toegezonden, hetgeen de rechter had dienen te controleren. De rechter heeft de omvang van het geschil gewijzigd. Ten onrechte is geen verstekvonnis gewezen en is een comparitie bepaald.

2.2 De veelheid aan verwijten die de rechter moeten worden gemaakt wijzen erop dat geen sprake is van een vergissing of een onbedachtzaamheid. De rechter heeft hem geen eerlijk proces gegund, aldus verzoeker.

3. Het verweer van de rechter

3.1 De rechter heeft aangevoerd dat iedere gedachte aan partijdigheid hem vreemd is. Voorts is hij van mening dat er geen feiten of omstandigheden zijn waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2 Ook indien de bezwaren van verzoeker juist zouden zijn, en als verzoeker door de tussenbeslissing benadeeld zou zijn, volgt daaruit niet dat de rechterlijke onpartijdigheid in het geding is.

3.3 Verzoeker kan zijn bezwaren op de comparitie aan de orde stellen. Daarbij blijft het uitgangspunt dat het recht van gedaagden om te antwoorden op de dagvaarding is vervallen. Dit betekent overigens niet dat, zoals verzoeker meent, sprake is van een verstekzaak, omdat de wederpartij wel is verschenen. Op de comparitie zal de rechter vragen stellen aan gedaagden en zij mogen die vragen beantwoorden. Het is niet de bedoeling dat zij alsnog de gelegenheid krijgen om te antwoorden op de dagvaarding.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.

4.2 In de onderhavige procedure kunnen de bezwaren van verzoeker tegen het vonnis van 27 juni 2008 niet aan de orde komen. Gelet op de achterliggende gedachte bij het wrakingsincident – te waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid of het voorkomen van de schijn van

rechterlijke partijdigheid – kan in een wrakingsprocedure niet worden opgekomen tegen onwelgevallige (proces) beslissingen. Het is immers niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk

juist zijn, maar om te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.3 Daarbij is van belang dat slechts dan aanleiding kan bestaan een vooringenomenheid te vermoeden, indien de wijze waarop de rechter de zaak behandelt en de door hem genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat redelijkerwijze daarvoor geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven. Daarvan getuigen de betreffende wijze van behandeling en genomen beslissingen niet.

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

B E S L I S S I N G :

De rechtbank:

? wijst het wrakingsverzoek af;

? bepaalt dat de zaak met het rolnummer [ ] wordt voorgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mrs. G.H. Marcus, M. van Hees en J.M.J. Lommen-van Alphen, leden van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.