Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH7293

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
08.31
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking ingevolge art. 37 Rv. Verzoek toegewezen op grond van gebeurtenissen na de indiening van het wrakingsverzoek. Het wrakingsverzoek heeft betrekking op een civiele rechter. De kern van het wrakingsverzoek is gebaseerd op de weigering van de rechter om verzoeker nog nader schriftelijk te laten reageren en op de gang van zaken bij de comparitie.

De rechter heeft bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek erkend dat zij, nadat het wrakingsverzoek was gedaan, ter comparitie heeft gezegd dat het wrakingsverzoek een fout was, mede gelet op haar voorlopig oordeel dat gunstig voor verzoeker zou zijn geweest, althans woorden van deze strekking. Met deze uitlating heeft de rechter druk op verzoeker gelegd om het wrakingsverzoek in te trekken. Dit was voor gemachtigde van verzoeker aanleiding zich vervolgens met verzoeker te beraden over de handhaving van het wrakingsverzoek. Het verzoek om wraking is desondanks gehandhaafd. Door deze uitlating van de rechter met verwijzing naar haar voorlopig oordeel, in combinatie met de omstandigheid dat verzoeker niet is gezwicht voor deze druk om het wrakingsverzoek in te trekken, kan thans niet langer worden gesteld dat naar objectieve maatstaven de vrees ongerechtvaardigd is dat het de rechter bij de behandeling van de zaak jegens verzoeker aan onpartijdigheid ontbreekt.

Daarbij komt nog, dat de rechter door een uitlating tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek naar het oordeel van de rechtbank de schijn heeft gewekt dat een zekere irritatie of andere negatieve emotie jegens gemachtigde van verzoeker haar parten speelt, waardoor eveneens niet kan worden uitgesloten dat het de rechter bij de behandeling van deze zaak jegens verzoeker aan onpartijdigheid ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op 10 januari 2008 gedane en onder rekestnummer 08.31 ingeschreven verzoek tot wraking van:

[ ],

wonende te [ ],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.E. van Huet,

advocaat te Amsterdam,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [X], rechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

? het proces-verbaal van een comparitie van partijen d.d. 10 januari 2008 in een bij de rechtbank onder rolnummer [ ] aanhangige zaak, inhoudend een ter zitting gedaan verzoek tot wraking,

? een schriftelijke reactie van de rechter d.d. 14 januari 2008,

? een op 7 februari 2008 ontvangen schriftelijke nadere toelichting van het wrakingsverzoek d.d. 6 februari 2008 met producties, namelijk de overige processtukken in voornoemde zaak.

De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 8 februari 2008, alwaar de rechtbank verzoeker, zijn gemachtigde en de rechter heeft gehoord. De uitspraak is bepaald op 22 februari 2008.

1. Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Verzoeker is gedaagde in voornoemde bij de rechtbank onder rolnummer [ ] aanhangige zaak. Op 10 januari 2008 heeft in die zaak een comparitie van partijen plaatsgevonden ten overstaan van de rechter, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde aanwezig waren.

b) Tijdens de comparitie heeft de gemachtigde van verzoeker blijkens het proces-verbaal verklaard:"Ik ben van oordeel dat ik niet behoorlijk in de gelegenheid ben geweest om te reageren op de dagvaarding, nu deze uiterst summier was. Daarnaast ben ik van oordeel dat de conclusie van antwoord in reconventie een verkapte conclusie van repliek is. Hierop zou ik dus in een schriftelijke ronde nog nader willen reageren". Na een korte schorsing heeft de rechter dit verzoek afgewezen.

c) Daarop heeft verzoeker het wrakingsverzoek gedaan.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

2.1 Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de weigering van de rechter om verzoeker nog nader schriftelijk te laten reageren en op de gang van zaken bij de comparitie. Het verzoek is als volgt toegelicht.

2.2 Aan het begin van de comparitie heeft verzoeker gesteld dat hij zich nader schriftelijk wilde uitlaten. De wederpartij had in zijn conclusie van antwoord in reconventie dienen te volstaan met een korte reactie op de eis in reconventie, maar heeft volledig gereageerd op de conclusie van antwoord in conventie en heeft daarbij ook nog eens veertien producties in het geding gebracht. Deze conclusies werden op de dag voor Kerstmis ontvangen, zodat er gelet op de datum van de comparitie nauwelijks de gelegenheid was voor overleg. De rechter antwoordde dat niet ontkend kon worden dat de dagvaarding zeer summier was en geen recht deed aan het feitencomplex, maar dat zij eerst de comparitie wilde houden en dan op het verzoek zou beslissen.

Verzoeker acht dit niet juist. De comparitie duurde ongeveer anderhalf uur en er kwamen allerlei nieuwe feiten aan het licht. Het was duidelijk dat het onmogelijk was om nog tijdens de comparitie te reageren op de conclusie van antwoord in reconventie met alle producties. Daar komt nog bij dat een aantal voor het uitbrengen van de dagvaarding aan verzoeker toegezonden producties bleken te verschillen van op de eerste zitting overgelegde producties. Dit verschil was verzoeker en zijn gemachtigde niet eerder opgevallen. Na de schorsing heeft de rechter het verzoek afgewezen. Zij vond de conclusie van antwoord in reconventie geen verkapte conclusie van repliek, omdat verzoeker in zijn conclusie van eis in reconventie had verwezen naar de conventie. Verzoeker acht dit argument niet steekhoudend, omdat hij daarbij alleen heeft gesteld dat hij het in conventie gestelde handhaafde. De gemachtigde van verzoeker kreeg nog wel de gelegenheid om kort te reageren, maar de rechter heeft hem daarbij voorgehouden dat zij hem zou afkappen wanneer hij in herhaling zou vervallen. Volgens verzoeker kan onmogelijk van een procespartij worden verwacht om kort mondeling op pas veertien dagen daarvoor gedane stellingen te reageren met daarbij de druk van de rechter die elk moment kan affluiten. Dit vormde de aanleiding om tot wraking over te gaan.

Na het verzoek tot wraking ging de rechter vooralsnog door met dicteren. Tijdens het dictaat maakte zij de opmerking "U maakt een grote fout, meneer Van Huet", gevolgd door een zin met de strekking "Zeker als u had geweten wat ik wilde doen", dan wel "Zeker als u had geweten wat ik zou hebben besloten". Hierbij komt dat de rechter door haar houding gedurende de gehele comparitie de schijn van partijdigheid heeft gewekt en heeft gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. De tegenpartij kreeg alle gelegenheid om uit te weiden, terwijl verzoeker die ruimte niet kreeg. Op de opmerking van verzoeker dat hij de bewuste bij

dagvaarding overgelegde producties niet kende, toen de rechter hem juist over deze producties een om een reactie vroeg, ageerde de rechter met de opmerking dat dit voor zijn risico kwam. Verzoeker acht deze opmerking dubieus. Verzoeker acht zich ongelijkwaardig behandeld, ook omdat zijn wederpartij twee processtukken heeft kunnen indienen en hij slechts één.

3. Het verweer van de rechter

De rechter heeft het verzoek bestreden. Het verzoek is niet onderbouwd met feiten of omstandigheden die duiden op een gebrek aan onpartijdigheid. Zij is van mening dat het verzoek is bedoeld als verkapt hoger beroep tegen haar beslissing om geen nadere schriftelijke ronde toe te staan. Bij deze beslissing heeft zij zich echter gehouden aan de norm zoals omschreven in artikel 232, lid 2 en 3 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Zij heeft geoordeeld dat uit het oogpunt van hoor en wederhoor dan wel een goede instructie van de zaak een nadere schriftelijke ronde niet noodzakelijk was.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1 Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat het een rechter jegens een partij een onpartijdigheid ontbreekt, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen. Daarbij is van belang, dat slechts dan aanleiding kan bestaan om partijdigheid te vermoeden, indien de wijze waarop de rechter de zaak heeft behandeld alsmede de door haar genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn, dat redelijkerwijze daarvoor geen andere verklaring dan partijdigheid is te geven.

4.2 Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door verzoeker genoemde omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor het moment van indiening van het wrakingsverzoek, geen grond voor wraking op. De afwijzing van het verzoek om schriftelijk te mogen reageren op de stukken van de wederpartij levert noch op zichzelf, noch door de wijze waarop dit verzoek blijkens het proces-verbaal van de comparitie is afgewezen, geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker partijdig was. De juistheid of onjuistheid van die afwijzing kan slechts in hoger beroep worden getoetst, terwijl uit de door verzoeker geschetste gang van zaken slechts kan worden afgeleid dat de rechter zich op grond van de processtukken en het besprokene ter terechtzitting een bepaald oordeel had gevormd. Ongeacht de juistheid van dit oordeel, levert dat gelet op de hiervoor onder 4.1 omschreven norm geen grond voor wraking op.

4.3 In het onderhavige geval acht de rechtbank de gebeurtenissen na de indiening van het wrakingsverzoek echter eveneens van belang. Nu met het wrakingsverzoek aan de rechtbank de vraag wordt voorgelegd of de rechter voldoende onpartijdig is om de zaak te blijven behandelen, dienen ook die omstandigheden, voorzover van belang, bij de beoordeling van dat verzoek te worden betrokken.

4.4 De rechter heeft bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek erkend dat zij, nadat het wrakingsverzoek was gedaan, ter comparitie heeft gezegd dat het wrakingsverzoek een fout was, mede gelet op haar voorlopig oordeel dat gunstig voor verzoeker zou zijn geweest, althans woorden van deze strekking. Met deze uitlating heeft de rechter druk op verzoeker gelegd om het wrakingsverzoek in te trekken. Dit was voor gemachtigde van verzoeker aanleiding zich vervolgens met verzoeker te beraden over de handhaving van het wrakingsverzoek. Het verzoek om wraking is desondanks gehandhaafd.

Door deze uitlating van de rechter met verwijzing naar haar voorlopig oordeel, in combinatie met de omstandigheid dat verzoeker niet is gezwicht voor deze druk om het wrakingsverzoek in te trekken, kan thans niet langer worden gesteld dat naar objectieve maatstaven de vrees ongerechtvaardigd is dat het de rechter bij de behandeling van de zaak jegens verzoeker aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.5 Daarbij komt nog, dat de rechter zich tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek als volgt jegens de gemachtigde van verzoeker heeft uitgelaten.

Zij gaf te kennen dat zij de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek van 6 februari 2008 pas de dag voor de zitting om 5 uur 's middags had ontvangen en dat, als zij in staat was zich binnen zo korte tijd voor te bereiden op het wrakingsverzoek, de gemachtigde van verzoeker toch in staat zou moeten zijn om binnen twee weken te reageren op stukken van zijn wederpartij. Door deze uitlating heeft de rechter naar het oordeel van de rechtbank de schijn gewekt dat een zekere irritatie of andere negatieve emotie jegens gemachtigde van verzoeker haar parten speelt, waardoor eveneens niet kan worden uitgesloten dat het de rechter bij de behandeling van deze zaak jegens verzoeker aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.6 Hetgeen hiervoor onder 4.4 en 4.5 is overwogen betekent, dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van factoren van persoonlijke aard (irritatie dan wel animositeit van de rechter jegens de gemachtigde van verzoeker en daarmee jegens verzoeker zelf) die niet terug te voeren zijn op de zaak die zij behandelt, maar slechts op gebeurtenissen vanaf het moment dat de zaak in verband met het wrakingsverzoek was geschorst dan wel geschorst had moeten zijn.

5. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzoek moet worden toegewezen.

B E S L I S S I N G :

De rechtbank:

? wijst het wrakingsverzoek toe.

Aldus gegeven door mrs. G.W.K. van der Valk Bouman, F. Salomon en Y.A.A.G. de Vries, leden van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.