Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH7268

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2008
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
08.24
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking ingevolge art. 37 Rv. Verzoek toegewezen. Het wrakingsverzoek heeft betrekking op een kantonrechter. De kern van het wrakingsverzoek berust op de gedachte dat de rechter er onvoldoende voor heeft gewaakt dat getuigen tijdens de schorsing van de behandeling onderling geen contact met elkaar konden hebben.

De rechtbank is van oordeel dat de bepaling, dat getuigen buiten aanwezigheid van andere getuigen dienen te worden gehoord, meebrengt dat het geboden is dat ook tijdens een schorsing van een verhoor getuigen niet met elkaar in contact komen. De rechter is zich er kennelijk onvoldoende bewust van geweest dat de mogelijkheid daartoe, als gevolg van de onverwachte schorsing, is ontstaan. De rechter had zich hier rekenschap van moeten geven. Nu hij partijen heeft verzocht tijdens de schorsing de zaal te verlaten en hij alleen met de gemachtigden wilde spreken, waren deze gemachtigden niet in staat om dit contact tussen de getuigen te voorkomen. De rechter is na de schorsing door de gemachtigde van verzoeker nadrukkelijk gewezen op de mogelijkheid van beïnvloeding van de getuigen. Door zijn weigering om dit te onderzoeken, is naar het oordeel van de rechtbank door de rechter de schijn gewekt dat het hem bij de behandeling van deze zaak jegens verzoeker aan onpartijdigheid ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op 20 december 2007 gedane en onder rekestnummer 08.24 ingeschreven verzoek tot wraking van:

[ ],

wonende te [ ],

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.A.A. van der Weijst,

advocaat gevestigd te Schijndel,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [X], kantonrechter te Hilversum, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

? het proces-verbaal van het getuigenverhoor d.d. 20 december 2007 en het ter zitting gedane verzoek toe wraking,

? de bij faxbrief van 20 december 2007 ontvangen nadere toelichting op het wrakingsverzoek,

? de schriftelijke reactie van de rechter daarop,

? de schriftelijke verklaring van de griffier van de rechter.

De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten en niet ter zitting te zullen verschijnen. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 januari 2008 alwaar de rechtbank verzoeker en zijn gemachtigde heeft gehoord. Verzoeker heeft pleitaantekeningen overgelegd. Als toehoorder is verschenen [ ], werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

De uitspraak is bepaald op 24 januari 2008.

1. Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Verzoeker is gedaagde in een bij de rechtbank onder rolnummer [ ] aanhangige zaak.

b) Bij vonnis van 24 oktober 2007 heeft de rechter aan de tegenpartij van verzoeker een bewijsopdracht verstrekt.

c) Het getuigenverhoor aan de zijde van de tegenpartij van verzoeker is bepaald op 20 december 2007. De tegenpartij had drie getuigen voorgedragen waaronder zichzelf. Tijdens het verhoor van deze partijgetuige heeft de rechter bij herhaling het stellen van

bepaalde vragen door de gemachtigde van verzoeker belet, op de grond dat hij van oordeel was dat die vragen buiten de bewijsopdracht lagen.

d) Tijdens het verhoor van de tweede getuige heeft de rechter de behandeling geschorst. In aanwezigheid van slechts de gemachtigden heeft de rechter de gemachtigde van verzoeker verzocht zich in het vervolg bij het stellen van vragen strikt aan de bewijsopdracht te houden.

e) Nadat de behandeling was hervat heeft verzoeker aan zijn gemachtigde meegedeeld dat hij op de gang had geconstateerd dat er overleg was tussen de getuigen over de af te leggen verklaring en dat de partijgetuige tegen een andere getuige had gezegd: "je moet dadelijk zeggen dat wij het werk in aanwezigheid van [ ] hebben gecontroleerd en met een duspel de goede werking hebben laten zien van de stopcontacten". De gemachtigde heeft daarvan melding gemaakt aan de kantonrechter en verzocht dit op te nemen in het proces-verbaal van de zitting.

f) De rechter heeft daarop meegedeeld dat geen rechtsregel zich er tegen verzet dat getuigen met elkaar in contact komen en de rechter heeft het getuigenverhoor voortgezet. De mededeling is niet in het proces-verbaal opgenomen.

g) Daarna heeft verzoeker het wrakingsverzoek gedaan en is de behandeling en het verhoor geschorst.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende zakelijk weergegeven gronden:

I. Toen verzoeker op het kantongerecht arriveerde waren de twee door de tegenpartij voorgedragen getuigen en de partijgetuige met elkaar in gesprek en was één getuige in het bezit van de processtukken van de tegenpartij. Verzoeker heeft van deze omstandigheid melding gemaakt bij de rechter, omdat daardoor beïnvloeding van deze getuige heeft plaatsgevonden.

De rechter heeft echter meegedeeld dat dit volgens het bepaalde in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) niet wordt verboden;

II. Tijdens het verhoor van de partijgetuige verklaarde deze “het was zo complectueus, er waren zo veel storingen dat ik het niet in een keer kon oplossen”. Toen de gemachtigde van verzoeker de getuige daarna met deze opmerking confronteerde, onderbrak de rechter onmiddellijk door te zeggen dat hij dat niet had gehoord. Daarop vroeg de gemachtigde van verzoeker om deze uitspraak in het proces-verbaal op te nemen. De rechter heeft dat geweigerd en de getuige deelde mee dat hij het niet had gezegd. De rechter ging toen over tot het opnemen van de gewijzigde ontkenning. De gemachtigde van verzoeker heeft ook daartegen bezwaar gemaakt. De getuige verklaarde vervolgens dat hij hard houten palen had gekocht benodigd voor de montage van de stopcontacten in de tuin van verzoeker. Dat was een omschrijving van stellingen van verzoeker zelf in diens verweer tegen de vordering. Toen de gemachtigde van verzoeker vroeg om deze verklaring in het proces-verbaal op te nemen, weigerde de rechter dat;

III. De gemachtigde van verzoeker heeft getracht de vragen te (doen) stellen die hij met het oog op de waarheidsvinding van belang vond. Daarop is de zitting door de rechter geschorst. Tijdens de schorsing heeft de rechter de gemachtigde van verzoeker meegedeeld dat deze zich aan zijn regie diende te houden en vragen diende te stellen die in overeenkwamen met de bewijsopdracht. De gemachtigde van verzoeker wenste echter die vragen te stellen die zijns inziens dienstbaar waren aan het aan het licht brengen van de waarheid. De rechter heeft daarna meegedeeld dat hij niet toestond dat de gemachtigde van verzoeker die vragen zou stellen. De rechter heeft ook geweigerd om deze mededeling in het proces-verbaal op te nemen, terwijl zijn gemachtigde dat uitdrukkelijk heeft gevraagd;

IV. Na de schorsing heeft de rechter geen enkele consequentie verbonden aan de mededeling van de gemachtigde van verzoeker. Volgens verzoeker heeft de rechter daarmee artikel 179 Rv miskend. De rechter heeft niet aan de getuigen gevraagd of het gestelde juist was en de rechter stelde de partijgetuige daarover evenmin vragen. De rechter heeft in zijn verweer ook erkend dat dit contact tussen de getuigen heeft plaatsgevonden. Nu de wetgever heeft bepaald dat getuigen buiten elkaars aanwezigheid gehoord dienen te worden, behoort er tijdens een schorsing van een getuigenverhoor ook geen enkel contact tussen de getuigen te zijn. De rechter is zich daarvan onvoldoende bewust geweest en hij had hier op zijn minst een vraag over moeten stellen. Verzoeker verwijst in dit verband naar artikel 303 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna:EVRM), waar onder meer is bepaald dat getuigen die zijn verhoord in de rechtszaal moeten blijven tot het einde van het verhoor. Getuigen mogen geen onderling contact hebben tijdens verhoren. De rechter heeft ook in strijd gehandeld met artikel 6 EVRM, omdat hij heeft toegelaten dat de getuigen onderling contact hebben gehad en doordat hij heeft nagelaten te onderzoeken waarover de getuigen tijdens de schorsing hebben gesproken. Verzoeker krijgt hierdoor geen eerlijk proces;

V. Ook al omdat de rechter daarna gesloten vragen bleef stellen in plaats van open vragen en meerdere vragen tegelijk, de verklaring van de griffier bevestigt dit, is verzoeker van oordeel dat de rechter de zaak onvoldoende onpartijdig heeft behandeld. De getuigenverklaringen zijn besmet en mogen niet meer meewerken tot bewijs.

3. Het verweer van de rechter

3.1 De rechter heeft het verzoek bestreden. Van enige vooringenomenheid of partijdigheid aan zijn kant is geen sprake. De gemachtigde van verzoeker heeft tijdens het verhoor bij herhaling

geweigerd zich te voegen naar de door hem gegeven instructies. Op de behandeling en de beoordeling van het geschil heeft dat geen invloed gehad.

3.2 Tijdens het verhoor van de eerste getuige heeft de gemachtigde van verzoeker zich niet

professioneel gedragen door hem bij herhaling hinderlijk te onderbreken, aldus de rechter. Omdat deze gemachtigde zich niet kon verenigen met de samenvatting van de verklaring van de getuige, heeft de rechter waar nodig de getuige opnieuw vragen gesteld en diens antwoord letterlijk geciteerd, tot ongenoegen van de gemachtigde. Bij het stellen van vragen door de gemachtigde, heeft de rechter bij herhaling vastgesteld dat hij vragen stelde die buiten de bewijsopdracht lagen. De rechter zag zich herhaaldelijk genoodzaakt om in te grijpen en de gemachtigde voor te houden dat hij zich strikt aan de bewijsopdracht moest houden. Ook bij het verhoor van de tweede getuige herhaalde de gemachtigde zijn hinderlijk gedrag jegens de rechter en de gang van zaken tijdens het verhoor. De rechter zag zich daarom genoodzaakt om het verhoor te schorsen en de gemachtigde te vermanen. Dat heeft geen blijvend effect gehad. Volgens de rechter heeft hij zich gehouden aan artikel 179 lid 1 Rv. Die bepaling ziet slechts op het horen van getuigen buiten de aanwezigheid van elkaar. Daaraan is strikt de hand gehouden. Er is geen rechtsregel die verbiedt dat getuigen buiten de rechtszaal contact met elkaar hebben.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.

4.2 Het belang van een ordelijke voortgang van het verhoor in ogenschouw nemend, heeft de rechter naar het oordeel van de rechtbank geen blijk gegeven van (de schijn van) vooringenomenheid door te weigeren dat vragen werden gesteld die naar zijn oordeel buiten de bewijsopdracht vielen en door zijn weigering om bepaalde opmerkingen van de gemachtigde van verzoeker in het proces-verbaal op te nemen. Het is de rechter die de orde bepaalt en daartoe instructies mag geven. In artikel 179, lid 2 en 3 Rv wordt uitdrukkelijk bepaald dat de rechter de bevoegdheid heeft om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven. Verzoeker heeft in dit verband ook onvoldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit de schijn van vooringenomenheid moet blijken.

4.3 De enkele omstandigheid dat de rechter tijdens de enquête een of meer beslissingen heeft genomen die verzoeker onwelgevallig zijn, brengt niet zonder meer mee dat de vrees voor

gebrek aan onpartijdigheid objectief is gerechtvaardigd en levert geen aanwijzing voor de schijn van vooringenomenheid. Het wrakingsincident is niet bedoeld om onwelgevallige beslissingen van de rechter aan de orde te stellen.

4.4 De rechtbank oordeelt echter anders met betrekking tot de gang van zaken direct na de schorsing. De rechtbank is van oordeel dat de bepaling, dat getuigen buiten aanwezigheid van andere getuigen dienen te worden gehoord, meebrengt dat het geboden is dat ook tijdens een schorsing van een verhoor getuigen niet met elkaar in contact komen. De rechter is zich er kennelijk onvoldoende bewust van geweest dat de mogelijkheid daartoe, als gevolg van de onverwachte schorsing, is ontstaan. De rechter had zich hier rekenschap van moeten geven. Nu hij partijen heeft verzocht tijdens de schorsing de zaal te verlaten en hij alleen met de gemachtigden wilde spreken, waren deze gemachtigden niet in staat om dit contact tussen de getuigen te voorkomen. De rechter is na de schorsing door de gemachtigde van verzoeker nadrukkelijk gewezen op de mogelijkheid van beïnvloeding van de getuigen. Door zijn weigering om dit te onderzoeken, is naar het oordeel van de rechtbank door de rechter de schijn gewekt dat het hem bij de behandeling van deze zaak jegens verzoeker aan onpartijdigheid ontbreekt. Daarbij overweegt de rechtbank dat deze schijn van partijdigheid mede is ontstaan ten gevolge van de gang van zaken voor de schorsing. Dit wrakingsverzoek dient daarom als gegrond te worden toegewezen.

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

B E S L I S S I N G :

De rechtbank:

? wijst het wrakingsverzoek toe.

Aldus gegeven door mrs. E.D. Bonga-Sigmond, T.J.M. Gijsberts en M.V. Ulrici leden van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.