Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH5687

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
12-03-2009
Zaaknummer
13/497545-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering België toegestaan en tevens afgifte van in beslag genomen voorwerpen.

De omstandigheid dat vordering ex artikel 23 OLW niet tevens vordering tot beslissing op het verzoek om afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit inhoudt, brengt niet mee dat de rechtbank niet op het verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit zou mogen beslissen.

De omstandigheid dat de officier van justitie - in strijd met artikel 49, derde lid, OLW - bij de vordering ex artikel 23 OLW niet een lijst van de in beslag genomen voorwerpen heeft overgelegd, heeft evenmin gevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/497545-08

RK nummer: 08/5828

Datum uitspraak: 9 december 2008

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 31 oktober 2008 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 19 oktober 2008 door de justitiële autoriteit, de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen (België). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen Nieuwersluis,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 november 2008. Daarbij is de officier van justitie gehoord. De opgeëiste persoon heeft bij schriftelijke verklaring van 24 november 2008 afstand gedaan van haar recht om te worden gehoord. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft voorafgaand aan de zitting laten weten dat hij niet aanwezig zal zijn.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een aanhoudingsbevel bij verstek van 19 oktober 2008, afgegeven door de uitvaardigende justitiële autoriteit, ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan vier naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en in de brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 7 november 2008, waarvan door de griffier gewaarmerkte fotokopieën als bijlagen I en II aan deze uitspraak zijn gehecht.

Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen in.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit.

4. Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De feiten zijn zowel naar het recht van België als naar Nederlands recht strafbaar.

Op deze feiten is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd

en

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

5. Onschuldverweer

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Haar overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de OLW bedoelde garantie geeft.

De Procureur des Konings te Antwerpen (België) heeft de volgende garantie gegeven:

Gelet op de Nederlandse nationaliteit van de opgeëiste persoon ga ik hierbij akkoord om de uit te leveren persoon, in geval van een veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of indien er een maatregel welke vrijheidsbeneming met zich brengt, wordt opgelegd in België, naar Nederland over te brengen op basis van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (TERUGKEERGARANTIE).

Ik deel U eveneens mede dat mijn ambt tevens instemt met de omzetting in Nederland van de in België op te leggen vrijheidsstraf zoals bedoeld in artikel 11 van het Verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen d.d. 21 maart 1983 (OMZETGARANTIE).

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, zij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

7. Afgifte in beslag genomen voorwerpen

Ter zitting heeft de officier van justitie gevorderd dat de bij gelegenheid van de aanhouding van de opgeëiste persoon in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit worden afgegeven. De officier van justitie heeft opgemerkt dat zij voor de zitting haar voornemen om de afgifte te vorderen telefonisch heeft meegedeeld aan de raadsman van de opgeëiste persoon en dat deze die mededeling voor kennisgeving heeft aangenomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het EAB bevat in rubriek g het verzoek om inbeslagneming en overdracht van voorwerpen die als bewijsmiddel moeten dienen en van voorwerpen die de gezochte persoon uit het strafbare feit heeft verkregen. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft daarbij opgemerkt dat de omschrijving en de plaats van de voorwerpen nog niet bekend zijn.

Op 19 oktober 2008 is de opgeëiste persoon aangehouden. In de auto waarin de opgeëiste persoon voor haar aanhouding als passagier had gezeten, zijn de voorwerpen in beslag genomen zoals vermeld in het proces-verbaal van bevindingen, nr. PL201C/08-284976 van 19 oktober 2008, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage III aan deze uitspraak is gehecht.

Bij brief van 5 november 2008 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de overdracht verzocht van “de voorwerpen die werden aangetroffen in het vluchtvoertuig, zodat kan nagezien worden of er voorwerpen bij zijn die afkomstig zijn van diefstallen waarvoor verdachten in aanmerking komen”.

De omstandigheid dat de vordering ex artikel 23 OLW niet tevens een vordering tot beslissing op het verzoek om afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit inhoudt, brengt niet mee dat de rechtbank niet op het verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit zou mogen beslissen. De OLW verzet zich er niet tegen dat de officier van justitie ter zitting alsnog een dergelijke vordering doet (vgl. HR 31 augustus 1982, NJ 1983, 217). Nu de officier van justitie de raadsman van de opgeëiste persoon tijdig op de hoogte heeft gebracht van haar voornemen om de vordering te doen, en niet gebleken is dat hij daartegen bezwaar heeft gemaakt, valt bovendien niet in te zien dat deze gang van zaken de belangen van de opgeëiste persoon heeft geschaad.

De omstandigheid dat de officier van justitie - in strijd met artikel 49, derde lid, OLW - bij de vordering ex artikel 23 OLW niet een lijst van de in beslag genomen voorwerpen heeft overgelegd, heeft evenmin gevolgen. Artikel 50 OLW stelt de beslissing van de rechtbank op het verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit niet afhankelijk van een door de officier van justitie overgelegde lijst, terwijl de OLW geen sanctie stelt op het verzuim om een lijst over te leggen. Het proces-verbaal waarin de inbeslagneming van de voorwerpen is gerelateerd, maakt deel uit van het dossier, zodat de opgeëiste persoon en haar raadsman daarvan kennis hebben kunnen nemen. Niet valt in te zien dat de opgeëiste persoon door het ontbreken van de in artikel 49, derde lid, OLW bedoelde lijst in haar belangen is geschaad (vgl. HR 20 november 1990, DD 91.111).

Nu de in beslag genomen voorwerpen zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon, zal komen die voorwerpen in aanmerking voor afgifte aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

Uit het hiervoor onder 7. overwogene volgt dat de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen.

9. Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2, 5, 6, 7, 49 en 50 van de OLW.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen (België) ten behoeve van het in België tegen haar gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor haar overlevering wordt verzocht.

BEVEELT de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen, zoals vermeld op bijlage III, aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Aldus gedaan door

mr. M.F.J.M. de Werd, voorzitter,

mrs. M.M. van der Nat en J.H.J. Evers, rechters,

in tegenwoordigheid van V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 9 december 2008.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.