Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH5647

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
375467
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Verwijzing naar HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 257. Aansprakelijkheid organiserende sportvereniging (ijsclub) voor schaatsongeval. Geen eigen schuld. Matiging schade.

Ter beoordeling staat of het Hof in hoger beroep zou hebben geoordeeld dat de Rijnsburgse ijsclub jegens het slachtoffer onrechtmatig heeft gehandeld en haar aansprakelijk zou hebben geacht voor de door haar geleden schade.

In dat verband is de rechtbank allereerst van oordeel dat de Rijnsburgse IJsclub samen met – of naast – de IJsclub Zoeterwoude (mede)verantwoordelijk was voor de veiligheid op de ijsbaan te Leiden tijdens de wedstrijden die daar op 3 november 1990 plaatsvonden. Beide ijsclubs hebben de beveiliging van de gehele baan verzorgd. Voor aansprakelijkheid van de Rijnsburgse IJsclub is niet vereist dat het slachtoffer een lidmaatschapsrelatie (of andere rechtens relevante relatie) had met deze club. Doorslaggevend is uitsluitend of de Rijnsburgse IJsclub (mede)verantwoordelijk was voor de veiligheid op de baan op het moment dat de onderlinge wedstrijden plaatsvonden tijdens welke het slachtoffer ten val is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval was.

Vervolgens wordt beoordeeld of de Rijnsburgse IJsclub, gelet op alle omstandigheden van het geval, is tekortgeschoten in de zorg die van haar jegens het slachtoffer als deelnemer aan de onderlinge schaatswedstrijden kon worden gevergd. Uitgangspunt hierbij is dat organisaties, zoals sportverenigingen, die een zekere verantwoordelijkheid voor en zeggenschap hebben over personen of activiteiten, zoals sportwedstrijden, en invloed uit kunnen oefenen op de inrichting van de (sport)omgeving en daarmee op de gevaren waaraan derden worden blootgesteld, in beginsel een zekere zorgplicht jegens deze personen hebben. Hoever deze zorgplicht strekt, en welke voorzorgsmaatregelen getroffen dienen te worden, dient volgens vaste rechtspraak te worden vastgesteld aan de hand van factoren als de kans dat een ongeluk zich voordoet (de kans op schade), de aard en ernst van de gevolgen en de bezwaarlijkheid van voorzorgsmaatregelen.

De IJsclub Rijnsburg had een zorgplicht jegens het slachtoffer: de Rijnsburgse IJsclub was (mede)verantwoordelijk voor de veiligheid op de ijsbaan.

De volgende vraag is of de ijsclubs voldoende voorzorgsmaatregelen hebben getroffen. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Schaatsen is, zeker in wedstrijdverband, geen ongevaarlijke sport. Er worden, met name in de bochten, relatief hoge snelheiden bereikt en er moet rekening mee worden gehouden dat schaatsers bij het uitkomen van de bocht met hoge snelheid ten val komen, ook na de bocht, met het risico van ernstig letsel. Van de Rijnsburgse IJsclub mocht worden verwacht dat zij dit risico had onderkend en voldoende veiligheidsmaatregelen had getroffen om een ernstig ongeval als het slachtoffer is overkomen, te voorkomen, althans de gevolgen van haar val te beperken. De ijsclubs hadden moeten onderkennen dat een schaats(t)er bij het uitkomen van de bocht met hoge snelheid op een zodanige wijze ten val zou kunnen komen dat zij met de boarding in aanraking zou komen op een plaats op het rechte stuk (vlak) ná de bocht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ongeval van het slachtoffer niet zodanig onvoorzienbaar was dat de ijsclubs daarmee geen rekening hadden behoeven te houden. Dit oordeel vindt steun in het feit dat volgens de regels van de International Skating Union (ISU) ook in 1990 al enige vorm van bescherming werd vereist voor de rechte einden van de baan. Dat de regels van de ISU niet (rechtstreeks) van toepassing waren voor de onderhavige wedstrijden is voor de beoordeling van de vraag of de Rijnsburgse IJsclub aan haar zorgplicht heeft voldaan, niet relevant. Evenmin is in dit kader van belang of de getroffen veiligheidsmaatregelen – hetgeen door het slachtoffer overigens wordt betwist – voldeden aan de toenmalige eisen van de KNSB of overeenkwamen met wat gebruikelijk was ten tijde van het ongeval en dat de situatie, zoals gedaagde stelt, was zoals die altijd was. De Rijnsburgse IJsclub had een eigen verantwoordelijkheid om de gevolgen van valpartijen van schaats(t)ers zoveel mogelijk te voorkomen en het betoog van gedaagde dat de ijsclub de geldende regels van de KNSB heeft nageleefd en de destijds gebruikelijke maatregelen heeft getroffen doet daaraan niet af.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank de kans groot acht dat het Hof in hoger beroep het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage zou hebben vernietigd en zou hebben geoordeeld dat de Rijnsburgse IJsclub onrechtmatig jegens het slachtoffer heeft gehandeld en dat het Hof de Rijnsburgse IJsclub hoofdelijk aansprakelijk zou hebben gehouden voor de door het slachtoffer geleden en nog te lijden schade. Daarmee staat vast dat het slachtoffer ten gevolge van de beroepsfout van gedaagde schade heeft geleden. Gedaagde is aansprakelijk voor de door het slachtoffer ten gevolge van zijn beroepsfout geleden schade op grond van onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 26 maart 2008

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 360194 / HA ZA 07-68 van

[A],

wonende te --,

eiseres,

procureur mr. P.N. van Regteren Altena,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BUREAU PALS B.V.,

gevestigd te Emmen,

gedaagde,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOUKES C.S. ONDERNEMERS ADVOCATEN AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. I.A. Bekker,

3. MR. [B],

wonende te --,

gedaagde,

procureur mr. I.A. Bekker,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 375467 / HA ZA 07-2044 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BUREAU PALS B.V.,

gevestigd te Emmen,

eiseres,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOUKES C.S. ONDERNEMERS ADVOCATEN AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. MR. [B],

wonende te --,

gedaagden,

procureur mr. P.N. van Regteren Altena.

Partijen zullen hierna [A], Bureau Pals, Houkes en [B] worden genoemd. Bureau Pals, Houkes en [B] zullen gezamenlijk ook wel worden aangeduid als

[B] c.s.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 29 december 2006;

- de akte overlegging producties van [A], met bewijsstukken;

- de conclusie van antwoord van Houkes en [B];

- de incidentele conclusie (tot oproeping in vrijwaring) van Bureau Pals;

- conclusie van antwoord in het incident van [A];

- het extract uit de minuten berustende ter griffie van de rechtbank Amsterdam waarin het Bureau Pals wordt vergund om Houkes en [B] in vrijwaring op te roepen;

- de conclusie van antwoord van Bureau Pals, met bewijsstukken;

- het tussenvonnis van 22 augustus 2007, waarbij een comparitie van partijen is bepaald; en

- het proces-verbaal van comparitie van 12 februari 2008 met de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 16 juli 2007, met bewijsstukken;

- de conclusie van antwoord in vrijwaring;

- het tussenvonnis van 3 oktober 2007 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

- het proces-verbaal van comparitie van 12 februari 2008 met de daarin genoemde stukken.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak

3.1. In 1990 was [A] lid van de IJsclub Zoeterwoude.

3.2. Op 3 november 1990 hadden de IJsclub Zoeterwoude en de Rijnsburgse IJsclub wedstrijden georganiseerd op de ijsbaan te Leiden. Tijdens deze wedstrijden is [A], toen 18 jaar oud, ten val gekomen. [A] is in aanraking gekomen met de boarding. Als gevolg van deze val heeft [A] een partiële dwarslaesie opgelopen en is zij gedeeltelijk rolstoelgebonden geraakt.

3.3. De heer [C] was namens de Rijnsburgse IJsclub en de heer [D] was namens de IJsclub Zoeterwoude verantwoordelijk voor de opbouw van de ijsbaan en het plaatsen van de kussens tegen de boarding. De heer [E] was in 1990 voorzitter van de schaatstrainingsgroep van [A] (hierna: [E]).

3.4. Op 26 oktober 1995 heeft [A] een schaderegelingsovereenkomst gesloten met Bureau Pals. In de schaderegelingsovereenkomst staat, voor zover van belang, het volgende:

“Hiermede bevestigt Bureau Pals BV, specialisten in letselschade te Emmen, de bereidheid te trachten de door u geleden en nog te lijden schade – in verband met het u op 3 november 1990 overkomene – namens u op de aansprakelijk gestelde te verhalen.”

3.5. De verzekeraar van IJsclub Zoeterwoude, de (toenmalige) Amev Interlloyd Schadeverzekering N.V. (hierna: Amev Interlloyd) heeft aansprakelijkheid erkend voor de schade die [A] ten gevolge van het ongeval heeft geleden. Amev Interlloyd heeft aan [A] de totale verzekerde som, te weten NLG 250.000,= uitgekeerd. De Rijnsburgse IJsclub, althans haar verzekeraar Tiel Utrecht Schadeverzekering N.V., heeft uitkering geweigerd, stellende dat de toedracht van het ongeval niet leidt tot de conclusie dat onrechtmatig is gehandeld en dat de Rijnsburgse IJsclub niet voor de betreffende wedstrijd verantwoordelijk was.

3.6. In opdracht van Amev Interlloyd heeft het bureau Toplis and Harding (Nederland) B.V. (hierna: Toplis) gerapporteerd over de toedracht van het ongeval. De rapportage van Toplis is vastgelegd in haar voorlopig rapport van expertise van 21 december 1995 en haar brieven aan Amev Interlloyd van 22 januari 1996, 9 februari 1996, 21 maart 1996,

7 augustus 1997 en 24 oktober 1997 (hierna tezamen: de rapportage van Toplis). De rapportage van Toplis is eerst na de procedure bij de rechtbank ’s-Gravenhage (zie hierna onder 3.7-3.11) ter beschikking van [A] gekomen.

3.7. Via Bureau Pals is [B], advocaat, werkzaam bij Houkes, ingeschakeld om namens [A] een procedure tegen de Rijnsburgse IJsclub en [C] te starten.

3.8. In 2000 heeft op verzoek van [A], bijgestaan door [B] als advocaat, voor de rechtbank ’s-Gravenhage een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden over de toedracht van het ongeval. [D] is voor 2000 overleden en kon in het voorlopig getuigenverhoor niet meer worden gehoord.

3.9. Bij dagvaarding van 18 juni 2001 heeft [A], daarin bijgestaan door [B] als advocaat, de Rijnsburgse IJsclub en [C] gedagvaard voor de rechtbank ’s-Gravenhage en gevorderd, kort gezegd, de Rijnsburgse IJsclub en [C] te veroordelen aan [A] te vergoeden de door haar geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het haar overkomen ongeval op 3 november 1990 op te maken bij staat.

3.10. Aan haar vordering in de procedure bij de rechtbank ’s-Gravenhage heeft [A], kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Op de dag van het ongeval waren er onvoldoende kussens geplaatst tegen de boarding waardoor een onnodig risico op letsel bij vallen in het leven is geroepen, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt. De beide ijsclubs en [C] zijn voor de gevolgen van dat nalaten aansprakelijk, nu zij hebben in te staan voor de veiligheid van de deelnemers tijdens de wedstrijden.

3.11. Bij vonnis van 25 juni 2003 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage) geoordeeld dat de Rijnsburgse IJsclub niet aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [A] is overkomen en de vorderingen van [A] tegen de Rijnsburgse IJsclub en [C] afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe, onder meer, het volgende overwogen:

“3.1 [ ] Op 3 november 1990 was derhalve geen sprake van een wedstrijd in het kader van een competitie of anderszins tussen beide trainingsgroepen. [ ] Er was geen sprake van een door beide trainingsgroepen aangestelde veiligheidscoördinator of scheidsrechter die (mede) op de beveiliging van de baan door middel van kussens toezag, maar zowel binnen de trainingsgroep Zoeterwoude als binnen de trainingsgroep Rijnsburg was een persoon belast met de controle op de (door vrijwilligers) aangebrachte kussens. [ ]

3.2 [ ] Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel , dat – wat er ook zij van de stelling dat te weinig kussens waren aangebracht – de Rijnsburgse IJsclub niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de gevolgen van het ongeval dat [A] is overkomen. [A] deed immers mee aan de onderlinge wedstrijden van IJsclub Zoeterwoude. Daaraan doet niet af, dat gelijktijdig ook onderlinge wedstrijden van de Rijnsburgse IJsclub werden gehouden. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen op grond van de overweging dat geen sprake was van een gezamenlijke veiligheidscoördinator en/of scheidsrechter die verantwoordelijkheid had voor de beveiliging van de baan, maar dat iedere club zijn eigen verantwoordelijke had. Voorts is niet gesteld of gebleken dat de ijsclubs de verantwoordelijkheid voor de beveiliging van de baan hadden verdeeld, in die zin dat de ene club toezag op de veiligheid van een deel van de baan en de ander voor een ander deel van de baan. De enkele omstandigheid dat de onderlinge wedstrijden van de beide clubs gelijktijdig plaatsvonden op een gezamenlijk afgehuurde baan, acht de rechtbank onvoldoende om te oordelen dat van een gezamenlijke verantwoordelijkheid sprake was. Dit betekent dat de vordering van [A] reeds om deze reden dient te worden afgewezen. Aan bespreking van de overige verweren komt de rechtbank niet toe.”

3.12. [A] heeft met [B] afgesproken dat hoger beroep zou worden ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, hetgeen niet tijdig is gebeurd.

3.13. [A] heeft vervolgens (de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van) [B] aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van deze beroepsfout.

3.14. [B] heeft bij brief van 21 november 2003, gericht aan [A], erkend dat hij een beroepsfout heeft gemaakt. [B] was op het moment dat de appèltermijn verliep vennoot bij Houkes.

4. Het geschil

in de hoofdzaak

4.1. [A] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat [B] c.s. toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van hun verplichtingen jegens [A] althans te verklaren voor recht dat [B] c.s. onrechtmatig gehandeld hebben jegens [A];

- [B] c.s. te veroordelen tot betaling aan [A] van de als gevolg daarvan geleden en nog te lijden materiële schade, nader op te maken bij staat, met inbegrip van de wettelijke rente over het verschuldigde bedrag vanaf 26 september 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

- met veroordeling van [B] c.s. in de kosten van deze procedure, met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen te wijzen vonnis.

4.2. [A] voert hiertoe het volgende aan. [B] is jegens [A] toerekenbaar tekort geschoten in de behoorlijke nakoming van zijn verbintenissen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht, dan wel heeft onrechtmatig jegens [A] gehandeld door te verzuimen tijdig hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage. Bureau Pals is toerekenbaar tekort geschoten in de behoorlijke nakoming van haar verbintenissen op grond van de schaderegelingsovereenkomst jegens [A] binnen welk kader Bureau Pals Houkes heeft ingeschakeld. Bureau Pals heeft als opdrachtnemer in te staan voor de door haar ingeschakelde hulppersoon Houkes. Houkes heeft als opdrachtnemer in te staan voor de door [B] gemaakte beroepsfout op grond van artikel 6:76, 6:170 en/of 6:171 Burgerlijk Wetboek (BW). [A] heeft ten gevolge van de beroepsfout van [B] en de tekortkoming van Bureau Pals en Houkes schade geleden.

4.3. [A] stelt zich op het standpunt dat zij jegens [B] c.s. aanspraak heeft op schadevergoeding, aangezien – naar zij meent – de kans dat het Gerechtshof

’s-Gravenhage in hoger beroep tot aansprakelijkheid van de Rijnsburgse IJsclub en van [C] zou hebben geconcludeerd en de Rijnsburgse IJsclub en [C] zou hebben veroordeeld tot vergoeding van de door [A] geleden schade, reëel moet worden geacht. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1997 (NJ 1998, 257, m.n. PAS) meent [A] dat het van belang is om vast te stellen welke kans het hoger beroep, als dit zou zijn ingesteld, zou hebben gemaakt.

4.4. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij de procedure in hoger beroep met succes zou hebben gevoerd voert [A], samengevat, het volgende aan.

In hoger beroep zou [A] allereerst grieven hebben gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van gezamenlijke verantwoordelijkheid. Naar de mening van [A] was er wel sprake van een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de ijsbaan. Het criterium dat moet worden aangelegd is of de inbreng van de Rijnsburgse IJsclub bij de organisatie van de wedstrijd zodanig was dat zij verantwoordelijk is te achten als toezichthouder op, dan wel medeverantwoordelijke voor, de georganiseerde wedstrijd. Beoordeeld aan de hand van dit criterium kan op basis van de feiten wel degelijk worden geconcludeerd dat de Rijnsburgse IJsclub medeverantwoordelijk was voor de wedstrijd en de veiligheid van de deelnemers tijdens de wedstrijd. [A] wijst hierbij, kort weergegeven, op het volgende: (i) er was sprake van een gezamenlijk georganiseerde wedstrijd; en (ii) op het gebied van opbouw en beveiliging van de baan liepen de afspraken en de feitelijke uitvoering met betrekking tot de veiligheid op de baan tussen de beide clubs zo in elkaar over dat niet kan worden gedifferentieerd tussen de twee clubs wie van beide welke toezichthoudende taken ten behoeve van wie uitoefende. In geval van aansprakelijkheid van beide ijsclubs rust de – hoofdelijke – verplichting om schade te vergoeden op ieder van deze clubs tenzij de club bewijst dat deze niet het gevolg was van een gebeurtenis waarvoor de club aansprakelijk is (artikel 6:99 BW).

Ook als er geen gezamenlijke verantwoordelijkheid zou worden aangenomen, zou er aansprakelijkheid van de Rijnsburgse IJsclub kunnen bestaan nu het bij gevaarzetting niet alleen gaat om gevaren die men zelf voor anderen in het leven roept, maar ook om gevaren die men kent of zou moeten kennen, maar waarvoor men de ander niet behoedt. Hieraan doet niet af dat [A] geen lid was van de Rijnsburgse IJsclub, aldus steeds [A].

4.5. Vervolgens zou het Hof in hoger beroep zijn toegekomen aan de beoordeling van de toedracht van het ongeval en de aansprakelijkheid van de Rijnsburgse IJsclub en van [C]. Ten aanzien van de toedracht van het ongeval stelt [A] dat zij ten val is gekomen tegen de buitenboarding van de baan, net na de bocht op een plaats waar geen kussens waren geplaatst. Het Hof zou het verweer van de Rijnsburgse IJsclub en van [C] dat zij tegen de binnenboarding terecht zou zijn gekomen, hebben verworpen. Het Hof zou uiteindelijk tot het oordeel zijn gekomen dat de Rijnsburgse IJsclub en [C] aansprakelijk zijn jegens [A] omdat zij hun (algemene) zorgplicht jegens haar hebben geschonden door na te laten voldoende veiligheidsmaatregelen te (doen) treffen om de schaatsers, waaronder [A], zoveel als redelijkerwijs mogelijk te beschermen tegen de risico’s die aan een gevaarlijke sport als schaatsen zijn verbonden.

4.6. [B] c.s. betwisten dat [A] schade heeft geleden ten gevolge van de beroepsfout van [B]. Volgens hen mag niet worden aangenomen dat het Hof in hoger beroep tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Allereerst moet worden aangenomen dat het Hof het oordeel van de rechtbank ’s-Gravenhage zou hebben gevolgd dat de IJsclub Rijnsburg geen zorgplicht had ten opzichte van [A]. De rechtbank ’s-Gravenhage is niet toegekomen aan de vraag of de IJsclub Rijnsburg onrechtmatig heeft gehandeld en de vraag of er sprake is van causaal verband tussen het handelen van de ijsclub en het ontstaan van het ongeval. Evenmin heeft de rechtbank geoordeeld over het beroep van de Rijnsburgse IJsclub op matiging in verband met de hoogte van de verzekerde som van IJsclub Rijnsburg. Het hoger beroep zou, ook indien het Hof wel aan de beoordeling van deze andere vragen was toegkomen, niet tot een toewijzing van de vordering van [A] hebben geleid, omdat in die procedure door de Rijnsburgse IJsclub op goede gronden zou zijn betwist dat er sprake was van causaal verband tussen het ongeval en het ontbreken van kussens aan de buitenboarding omdat [A] niet tegen de buitenboarding maar tegen de binnenboarding ten val is gekomen. Verder zou de Rijnsburgse IJsclub in hoger beroep op goede gronden hebben betoogd dat de getroffen veiligheidsmaatregelen voldoende waren.

4.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.8. Bureau Pals vordert, kort weergegeven, dat Houkes en [B] worden veroordeeld om aan Bureau Pals te betalen al hetgeen waartoe Bureau Pals jegens [A] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van Houkes en [B] in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.

4.9. Houkes en [B] voeren verweer.

4.10. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in de hoofdzaak

5.1. Niet in geschil is dat [B] een beroepsfout heeft gemaakt door niet tijdig hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage. Het gaat in deze procedure om de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag [A] schade heeft geleden als gevolg van het feit dat geen hoger beroep is ingesteld. Voor het antwoord op deze vraag moet worden beoordeeld hoe de rechter in hoger beroep – als dit zou zijn ingesteld – had behoren te beslissen.

5.2. Gelet op de stellingen van [A] met betrekking tot het standpunt dat zij in hoger beroep zou hebben ingenomen dient in de onderhavige procedure het gehele samenstel van feiten dat [A] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd in aanmerking te worden genomen. Daarbij wordt opgemerkt dat, gelet op de devolutieve werking van het hogere beroep, ook in eerste aanleg nog niet aangevoerde feiten of rechtsgronden, waarvan [A] stelt dat zij deze in hoger beroep zou hebben aangevoerd, bij de beoordeling in de onderhavige procedure moeten worden betrokken.

5.3. Ter beoordeling staat derhalve of het Hof in hoger beroep zou hebben geoordeeld dat de Rijnsburgse IJsclub en/of [C] onrechtmatig jegens [A] hebben gehandeld en hen aansprakelijk zouden hebben geacht voor de door haar geleden schade. Eerst zal de mogelijke aansprakelijkheid van de Rijnsburgse IJsclub worden beoordeeld. Vervolgens zal worden ingegaan op de mogelijke aansprakelijkheid van [C].

Verantwoordelijkheid Rijnsburgse IJsclub

5.4. Allereerst moet de vraag worden beantwoord of de Rijnsburgse IJsclub samen met – of naast – de IJsclub Zoeterwoude (mede)verantwoordelijk was voor de veiligheid op de ijsbaan te Leiden tijdens de wedstrijden die daar op 3 november 1990 plaatsvonden. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval was. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Het was, anders dan [B] betoogt, geen eenmalige toevallige omstandigheid dat de beide clubs tegelijkertijd wedstrijden verreden op de ijsbaan te Leiden. Uit diverse getuigenverklaringen en de rapportage van Toplis blijkt dat de wedstrijden waren aangekondigd als een gezamenlijke wedstrijd (een ‘clubontmoeting’) en door de leden van de beide ijsclubs ook als zodanig werden beschouwd. Dergelijke onderlinge wedstrijden werden – en worden nog steeds – een aantal keren per jaar georganiseerd, zoals blijkt uit onder meer de volgende verklaringen:

In de brief van Toplis van 7 augustus 1997:

“Wij vernamen van hem [[D]] dat de beide ijsverenigingen (IJsclub Rijnsburg en Verzekerde) circa 2 á 3 keer per jaar onderlinge wedstrijden verreden op de ijsbaan van de Menken IJshal te Leiden. Ook het onderhavige ongeval vond plaats tijdens een onderlinge wedstrijd met IJsclub Rijnsburg.”

[A] (voorlopig getuigenverhoor):

“Op 3 november 1990 deed ik mee aan een schaatswedstrijd in de ijshal in Leiden. Die wedstrijd was georganiseerd door de IJsclub Zoeterwoude en de IJsclub Rijnsburg. Het was een van de ongeveer vier wedstrijden die die clubs elk jaar gezamenlijk organiseren. Ik weet dat ze dat gezamenlijk deden omdat dat altijd zo werd aangekondigd. Ik las dat in het clubblad IJs-Kout van de IJsclub Zoeterwoude waarvan ik lid was.”

[E] (voorlopig getuigenverhoor):

“Die wedstrijd was georganiseerd door de ijsclub Rijnsburg en de ijsclub Zoeterwoude gezamenlijk. Dat deden die clubs al een groot aantal jaren samen.”

[F] (voorlopig getuigenverhoor):

“De wedstrijd werd georganiseerd door de ijsclubs Zoeterwoude en Rijnsburg gezamenlijk; zo stond het in het clubblad van de ijsclub Zoeterwoude.”

[G] (voorlopig getuigenverhoor):

“De wedstrijd was georganiseerd door de ijsclubs Zoeterwoude en Rijnsburg. Die clubs organiseerden elk jaar vier van dit soort wedstrijden. Zij doen dat nog steeds. De wedstrijden waren gezamenlijk, maar de competitie was van iedere club voor zich. De deelnemers werden gezamenlijk op niveau ingedeeld. Dat de wedstrijden door beide clubs gezamenlijk werden georganiseerd heb ik gelezen in het clubblad IJs-Kout van de ijsvereniging Zoeterwoude, waar ik lid van ben.”

5.5. Niet van belang is in dit verband dat de leden van beide ijsclubs reden voor een eigen klassement en dat de uitslagen alleen in het eigen clubblad werden gepubliceerd. Leden van beide ijsclubs reden immers tijdens de wedstrijden (soms) tegen elkaar en waren dan tegelijkertijd op de baan. De wedstrijd werd beoordeeld door één gezamenlijke jury die bestond uit leden van beide ijsclubs.

5.6. Uit de getuigenverklaringen en de rapportage van Toplis blijkt - hetgeen door [B] niet wordt betwist - dat vertegenwoordigers van beide ijsclubs gezamenlijk de baan hebben ‘klaargemaakt’ door het aanbrengen van blokjes, het markeren van start en finish en ook het aanbrengen van de kussens tegen de boarding. Onder verantwoordelijkheid van [C] (van de Rijnsburgse IJsclub) en [D] (van IJsclub Zoeterwoude) verzorgden vrijwilligers van beide ijsclubs samen de beveiliging van de baan.

5.7. Uit het voorgaande volgt dat beide ijsclubs de beveiliging van de gehele baan hebben verzorgd. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat de beide clubs de taken (en/of de baan) hadden verdeeld in die zin dat elke club slechts voor bepaalde taken (of delen van de baan) verantwoordelijk was. In het licht van al deze feiten en omstandigheden valt niet in te zien dat alleen de IJsclub Zoeterwoude jegens [A] verantwoordelijk zou zijn geweest voor de veiligheid op de baan. Voor aansprakelijkheid van de Rijnsburgse IJsclub is, anders dan [B] betoogt, niet vereist dat [A] een lidmaatschapsrelatie (of andere rechtens relevante relatie) had met deze club. Doorslaggevend is uitsluitend of de Rijnsburgse IJsclub (mede)verantwoordelijk was voor de veiligheid op de baan op het moment dat de onderlinge wedstrijden plaatsvonden tijdens welke [A] ten val is gekomen. Uit het voorgaande volgt dat dit het geval was.

Toedracht ongeval

5.8. Aangezien [A] en [B] een andere lezing geven van de toedracht van het ongeval, dient vervolgens te worden vastgesteld hoe het ongeval heeft plaatsgevonden. [A] heeft ter comparitie in deze procedure over de toedracht van het ongeval het volgende verklaard:

“Ik ben in de laatste overstap in de bocht gevallen. Ik was me ervan bewust dat ik toen hard over het ijs gleed en wilde met mijn schaats nog remmen, maar daar was eenvoudigweg geen tijd meer voor. Ik ben toen tegen de buitenboarding geklapt en teruggeslagen tot het midden van de baan. Er valt nooit iemand tegen de binnenzijde, daarom hoeven daar ook geen kussens geplaatst te worden.”

Deze verklaring komt overeen met hetgeen [A] tijdens het voorlopig getuigenverhoor, op 23 mei 2000, over de toedracht van het ongeval heeft verklaard.

Ook de door [A] na het ongeval gemaakte schets na het ongeval (die als productie 5 bij de inleidende dagvaarding tot de procedure bij de rechtbank ’s-Gravenhage is overgelegd) toont dezelfde toedracht.

De volgende verklaringen afgelegd tijdens het voorlopig getuigenverhoor, op 23 mei 2000, steunen de door [A] gegeven lezing van de toedracht van het ongeval:

[G]:

“[ ] Ik stond bij de boarding. Ik hoorde op een gegeven moment iemand vallen. [ ] Ik ben op de plaats blijven staan waar ik stond. De persoon naast me liep naar de plek waar de klap gevallen was. [ ]

De raadsman laat mij productie 5 uit het verzoekschrift [= de door [A] na het ongeval gemaakte schets] zien. Ik stond aan de andere kant van de baan in het midden van het rechte stuk. Dat het ongeluk schuin aan de overkant is gebeurd heb ik afgeleid uit het feit dat iedereen daarheen liep. Ik kon het niet zien omdat de boarding van het middenterrein in de weg stond.”

[H]:

“[ ] Ik heb het ongeluk zelf niet zien gebeuren. Ik stond aan de andere kant van de baan als waar zij gevallen is. Ik zag in de bocht een koppetje gaan; dat was inenen weg. [ ] Ik heb haar zien liggen. Zij lag met het hoofd naar de boarding, een beetje schuin naar achteren. Ik weet niet meer precies waar ze tegen de boarding lag, maar het was in de overgang van de bocht naar het rechte stuk.

[ ]

Ik heb gezien dat er bescherming stond in de bocht. Ik weet niet meer of dat ook op de plaats was waar zij lag. [ ]”.

5.9. [B] stelt zich daarentegen op het standpunt dat [A] tegen de binnenboarding terecht is gekomen. Hij verwijst naar de door [C] tijdens het voorlopig tegengetuigenverhoor, op 18 oktober 2000, afgelegde verklaring. [C] heeft het volgende verklaard:

“Tijdens een van de wedstrijden heb ik een ongeluk zien gebeuren. [A], een pupil van mij van de zondagmorgen die ik vrij goed kende, kwam met haar startsnelheid de eerste bocht uit. Bij het ingaan van de tweede bocht bleef zij bij het pootje-over met haar linker schaats achter haar rechter hangen. Daardoor viel zij. Zij draaide met haar bovenlichaam naar de binnenkant van de baan toe en sloeg vervolgens tegen de boarding van de binnenkant van de baan aan.”

Ook [C] heeft van de toedracht van het ongeval een tekening gemaakt. Deze is aan het proces-verbaal van het verhoor gehecht.

5.10. Er zijn naast [C] en [A] geen andere getuigen die het ongeval hebben zien gebeuren. Niet duidelijk is of [D] het ongeval heeft zien gebeuren. Zijn (in de rapportage van Toplis opgenomen) verklaringen spreken elkaar op dit punt enigszins tegen. Uit de rapportage van Toplis blijkt wel dat ook dit bureau er steeds vanuit is gegaan dat [A] tegen de buitenboarding terecht is gekomen.

In de rapportage van Toplis is het volgende over de toedracht van het ongeval opgenomen:

(in het voorlopige rapport van expertise van 21 december 1995)

“Op 3 november 1990 is tegenpartij tijdens een wedstrijd op de Menken IJsbaan gevallen en tegen de boarding rond de ijsbaan terecht gekomen. [ ]

De boarding langs de buitenzijde van de ijsvloer kan worden afgeschermd met behulp van kussens. [ ]

De heer [E] deelde ons voorts mee, dat in elk geval een vrijwilliger van de vereniging, de heer [D], het ongeval daadwerkelijk heeft zien gebeuren. [ ]

Volgens de heer [E] heeft de heer [D] tegenover hem verklaard, dat bij het uitkomen van een bocht, tijdens het zogenaamde overstappen, de schaatsen van tegenpartij elkaar hebben geraakt en dat zij daardoor is gevallen. Door haar snelheid gleed zij over het ijs en kwam zij tegen de boarding terecht. Het is de heer [E] vooralsnog niet bekend op welke plaats tegenpartij exact tegen de boarding aan is gekomen. Het is tot op heden evenmin bekend of zich op de plaats waar tegenpartij tegen de boarding aankwam, daadwerkelijk geen kussens hebben bevonden of dat zij wellicht tussen twee kussens door, tegen de boarding is aangekomen.”

(in de brief van Toplis van 22 januari 1996)

“Wel hebben wij inmiddels telefonisch contact gehad met de heer [D] [ ]. De heer [D] deelde ons mee dat ook hij het ongeval niet daadwerkelijk heeft zien gebeuren. Hij heeft van andere vrijwilligers vernomen dat de oorzaak van de valpartij zou zijn gelegen in het haken van een schaats bij het uitkomen van één van de bochten. Hij deelde ons voorts mee dat hij direct na de valpartij samen met een aantal andere vrijwilligers naar de plaats is gelopen waar tegenpartij op dat moment tegen de boarding aanlag. Hij kan zich niet meer ‘op de meter nauwkeurig’ herinneren waar zij lag, of waar zij de boarding heeft geraakt, maar het staat hem wel bij dat dit een plaats moet zijn geweest vlak na het einde van de bocht, dus waar het rechte eind begint. Vanaf dat punt zijn geen kussens meer geplaatst, zodat het volgens hem inderdaad kan kloppen dat tegenpartij tegen de boarding is aangekomen op een plaats waar zich geen kussens bevonden.”

(in de brief van 7 augustus 1997 van Toplis)

“Ten tijde van het ongeval stond de heer [D] in de bocht waar tegenpartij ten val kwam. Volgens hem viel zij bij het uitgaan van deze bocht, doordat de punt van een schaats tegen haar hiel kwam en vervolgens gleed zij door over het ijs en klapte zij, even na het uitkomen van de bocht, tegen de boarding langs het rechte stuk van de baan. Hoeveel meter na het uitkomen van de bocht tegenpartij tegen de boarding klapte, kon hij zich niet meer herinneren, maar hij is er wel zeker van dat zich op dat stuk geen kussens (meer) bevonden.”

5.11. De verklaring van [C] over de toedracht van het ongeval wordt door geen enkele andere verklaring of omstandigheid bevestigd. De verklaringen van [A] en [C] komen in zoverre overeen dat zij beiden verklaren dat [A] in een bocht ten val is gekomen. Hoewel in de verklaring van [C] staat dat zij “bij het ingaan van de tweede bocht [ ] met haar linker schaats achter haar rechter [bleef] hangen”, blijkt uit de door [C] gemaakte tekening dat zij aan het eind van de bocht ten val is gekomen (onderstreping rechtbank). Dit laatste komt overeen met de verklaring van [A] van de toedracht van het ongeval. De verklaringen van [G] en van [H], zoals geciteerd, ondersteunen de verklaring van [A] over de toedracht van het ongeval. Al het voorgaande overwegende en mede in aanmerking nemende dat het een feit van algemene bekendheid is dat door de werking van de middelpuntvliedende kracht schaatsers bij een val in de bocht (vrijwel) altijd tegen de buitenboarding vallen, gaat de rechtbank er vanuit dat de toedracht van het ongeval is geweest zoals [A] heeft verklaard.

5.12. Voor zover [B] betoogt dat het niet vaststaat dat [A] op een plaats tegen de boarding terecht is gekomen waar zich geen kussens (meer) bevonden, faalt dit betoog. Een aantal getuigen heeft immers verklaard dat zij een ‘(harde) klap’ hebben gehoord.

[F] (voorlopig getuigenverhoor):

“Ik hoorde op een gegeven moment een harde klap van iemand die tegen de boarding kwam.”

[H] (voorlopig getuigenverhoor):

“Ik heb het ongeluk zelf niet zien gebeuren. [ ] Ik zag in de bocht een koppetje gaan; dat was inenen weg. Daarna hoorde ik een boem. Die boem was van een klap tegen de boarding.”

[I] (voorlopig getuigenverhoor):

“Ik heb niet gezien of en waar het meisje tegen de boarding is aangekomen. Ze lag midden op de baan toen ik haar aantrof. Aan het geluid te horen is ze tegen een boarding aangeklapt. [ ] Als iemand op het ijs valt hoor je een dreun; dit was een klap.”

Het gebruik van het woord ‘klap’ wijst er, naar het oordeel van de rechtbank, op dat [A] tegen de boarding is gevallen (bij een val in de kussens hadden de getuigen het woord ‘klap’ niet gebruikt).

Bovendien is het onwaarschijnlijk dat iemand een dwarslaesie oploopt als zij ten val komt tegen de kussens die juist zijn aangebracht om (ernstig) letsel bij vallen te voorkomen.

In het navolgende zal er dan ook vanuit worden gegaan dat [A] bij het uitgaan van de bocht ten val is gekomen tegen de buitenboarding van de ijsbaan op een plek waar geen kussens (meer) waren geplaatst.

Onrechtmatige daad Rijnsburgse IJsclub?

5.13. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de Rijnsburgse IJsclub, gelet op alle omstandigheden van het geval, is tekortgeschoten in de zorg die van haar jegens [A] als deelnemer aan de onderlinge schaatswedstrijden kon worden gevergd. Uitgangspunt hierbij is dat organisaties, zoals sportverenigingen, die een zekere verantwoordelijkheid voor en zeggenschap hebben over personen of activiteiten, zoals sportwedstrijden, en invloed uit kunnen oefenen op de inrichting van de (sport)omgeving en daarmee op de gevaren waaraan derden worden blootgesteld, in beginsel een zekere zorgplicht jegens deze personen hebben. Hoever deze zorgplicht strekt, en welke voorzorgsmaatregelen getroffen dienen te worden, dient volgens vaste rechtspraak te worden vastgesteld aan de hand van factoren als de kans dat een ongeluk zich voordoet (de kans op schade), de aard en ernst van de gevolgen en de bezwaarlijkheid van voorzorgsmaatregelen.

5.14. Uit hetgeen hiervoor (onder 5.7) is overwogen, volgt dat de IJsclub Rijnsburg een zorgplicht jegens [A] had: de Rijnsburgse IJsclub was (mede)verantwoordelijk voor de veiligheid op de ijsbaan. De beide ijsclubs hebben zich gerealiseerd dat er veiligheidsmaatregelen getroffen moesten worden en hebben ook daadwerkelijk voorzorgsmaatregelen getroffen om de gevolgen van mogelijke valpartijen te beperken. Zij hebben immers kussens geplaatst tegen de buitenboarding van de ijsbaan. De ijsclubs zagen het als hun eigen verantwoordelijkheid om veiligheidsmaatregelen te treffen.

[A] stelt dat de ijsclubs onvoldoende maatregelen hebben getroffen. Het gedeelte van de boarding waartegen zij ten val is gekomen had ook moeten zijn voorzien van een kussen. [B] stelt hiertegenover dat de Rijnsburgse IJsclub niet nalatig is geweest. De ijsclubs hebben, kort gezegd, in 1990 de destijds gebruikelijke veiligheidsmaatregelen getroffen en van hen kon niet worden verwacht dat zij meer deden dan zij hebben gedaan. De veiligheidsmaatregelen voldeden aan de toenmalige eisen van de KNSB en niet kan worden gezegd dat de getroffen veiligheidsmaatregelen niet voldeden aan de daarvoor geldende eisen of dat de situatie anderszins gebrekkig was, aldus [B].

5.15. Het meest vèrgaande argument van [A] ter onderbouwing van haar standpunt dat de ijsclubs te kort zijn geschoten in hun zorgplicht is dat niet alle beschikbare kussens waren gebruikt, omdat een aantal kussens klaarstond om te worden uitgeleend aan een ijsbaan in Amsterdam. Aan dit argument van [A] wordt voorbij gegaan, aangezien zij dit tegenover de gemotiveerde betwisting van [B] onvoldoende heeft onderbouwd.

5.16. Voor zover [B] betoogt dat de ijsclubs geen andere veiligheidsmaatregelen konden nemen dan zij hebben gedaan, omdat zij alle kussens die in de ijshal aanwezig waren hebben gebruikt om de boarding te beschermen, faalt dit betoog. Uit de verklaring van [C] en de rapportage van Toplis blijkt immers dat de ijsclubs het treffen van de juiste veiligheidsmaatregelen als hun eigen verantwoordelijkheid zagen en deze verantwoordelijkheid ook hebben genomen. Leden van de beide ijsclubs hebben bij de KNSB zelf navraag gedaan met betrekking tot de veiligheidseisen en zelf bepaald waar de kussens het beste geplaatst konden worden.

In de brief van Toplis van 22 januari 1996 staat hierover het volgende:

“Volgens de heer [D] waren er in de Menken IJshal geen richtlijnen voorhanden op basis waarvan de kussens moesten worden geplaatst. De vrijwilligers van de diverse ijsverenigingen hebben gezamenlijk, proefondervindelijk, uitgedokterd waar de kussens het beste konden worden geplaatst.”

In de brief van Toplis van 7 augustus 1997 staat:

“Volgens hem [[D]] waren noch door Verzekerde, noch in de ijshal, specifieke richtlijnen en voorschriften (en zeker niet op schrift gesteld) uitgevaardigd ten aanzien van de wijze waarop de kussens dienden te worden geplaatst. Uit ervaring wisten deze vrijwilligers echter, waar de gevaarlijke plaatsen op de baan waren en hier werden dan ook de kussens geplaatst [ ].

De heer [E] deelde ons tevens mee dat hij in het verleden meerdere malen de KNSB had verzocht hem mee te delen welke veiligheidsvoorschriften bij welke schaatswedstrijden van toepassing zijn. Hij heeft hier, zo deelde hij ons mee, echter nooit een eenduidig antwoord op mogen ontvangen. Ook volgens de heer [D] was, zoals reeds eerder vermeld, destijds niet bekend aan welke specifieke veiligheidseisen een schaatswedstrijd zoals die ten tijde van het ongeval plaatsvond, diende te voldoen.”

[C] heeft hierover als volgt verklaard (voorlopig getuigenverhoor):

“Ik heb meermalen bij de KNSB navraag gedaan naar de veiligheidseisen. Mij is altijd gezegd dat wij meer dan voldeden aan de destijds geldende eisen.

[D] en ik zorgden altijd voor de beveiliging van de onderlinge wedstrijden en ook bij de wedstrijden van het district; zo’n vijftien wedstrijden per jaar.”

Voldoende voorzorgsmaatregelen getroffen?

5.17. Uit het voorgaande volgt dat het de eigen verantwoordelijkheid van de beide ijsclubs was om te zorgen voor de veiligheid van de ijsbaan. Vervolgens staat ter beoordeling de vraag of de ijsclubs voldoende voorzorgsmaatregelen hebben getroffen. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Schaatsen is, zeker in wedstrijdverband, geen ongevaarlijke sport. Er worden, met name in de bochten, relatief hoge snelheiden bereikt en er moet rekening mee worden gehouden dat schaatsers bij het uitkomen van de bocht met hoge snelheid ten val komen, ook na de bocht, met het risico van ernstig letsel. Van de Rijnsburgse IJsclub mocht worden verwacht dat zij dit risico had onderkend en voldoende veiligheidsmaatregelen had getroffen om een ernstig ongeval als [A] is overkomen, te voorkomen, althans de gevolgen van haar val te beperken. De ijsclubs hadden moeten onderkennen dat een schaats(t)er bij het uitkomen van de bocht met hoge snelheid op een zodanige wijze ten val zou kunnen komen dat zij met de boarding in aanraking zou komen op een plaats op het rechte stuk (vlak) ná de bocht. De Rijnsburgse IJsclub heeft in de procedure bij de rechtbank ’s-Gravenhage zelf ook gesteld dat het algemeen bekend is – en ook in 1990 al was – dat een val in de bochten kan leiden tot een aanraking met de buitenboarding. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ongeval van [A] niet zodanig onvoorzienbaar was dat de ijsclubs daarmee geen rekening hadden behoeven te houden. Dit oordeel vindt steun in het feit dat volgens de regels van de International Skating Union (ISU) ook in 1990 al enige vorm van bescherming werd vereist voor de rechte einden van de baan. Dat de regels van de ISU niet (rechtstreeks) van toepassing waren voor de onderhavige wedstrijden is voor de beoordeling van de vraag of de Rijnsburgse IJsclub aan haar zorgplicht heeft voldaan, niet relevant. Evenmin is in dit kader van belang of de getroffen veiligheidsmaatregelen – hetgeen door [A] overigens wordt betwist – voldeden aan de toenmalige eisen van de KNSB of overeenkwamen met wat gebruikelijk was ten tijde van het ongeval en dat de situatie, zoals [B] stelt, was zoals die altijd was. De Rijnsburgse IJsclub had een eigen verantwoordelijkheid om de gevolgen van valpartijen van schaats(t)ers zoveel mogelijk te voorkomen en het betoog van [B] dat de ijsclub de geldende regels van de KNSB heeft nageleefd en de destijds gebruikelijke maatregelen heeft getroffen doet daaraan niet af.

5.18. Tenslotte voert [B] in dit verband nog aan dat het treffen van verdergaande veiligheidsmaatregelen voor de organiserende schaatsclubs buitengewoon bezwaarlijk was, aangezien de clubs zelf niet beschikten over veiligheidskussens. Dit verweer kan [B] niet baten en neemt niet weg dat de ijsclubs in hun zorgplicht jegens [A] tekort zijn geschoten. Door de Rijnsburgse IJsclub is immers niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat men destijds, voorafgaand aan de wedstrijden, overwogen heeft meer kussens te plaatsen en hiervan heeft afgezien omdat dit te duur of anderszins onmogelijk was. Er bestond voor de ijsclubs overigens ook geen noodzaak om de wedstrijden te laten plaatsvinden. Indien de Rijnsburgse IJsclub van mening was geweest dat het gezien de (te) beperkte mogelijkheden om de veiligheid van de deelnemers te garanderen onverantwoord was om de wedstrijden doorgang te laten vinden, had zij deze kunnen afgelasten, uitstellen of elders kunnen houden. Ook dit is niet aan de orde geweest. In de procedure bij de rechtbank ’s-Gravenhage heeft [C] uitdrukkelijk gesteld dat er voor hem geen enkele aanleiding was om afgelasting van de wedstrijd te overwegen.

Aansprakelijkheid [B] en Houkes

5.19. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank de kans groot acht dat het Hof in hoger beroep het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage zou hebben vernietigd en zou hebben geoordeeld dat de Rijnsburgse IJsclub onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld en dat het Hof de Rijnsburgse IJsclub hoofdelijk aansprakelijk zou hebben gehouden voor de door [A] geleden en nog te lijden schade. Daarmee staat vast dat [A] ten gevolge van de beroepsfout van [B] schade heeft geleden. [B] is aansprakelijk voor de door [A] ten gevolge van zijn beroepsfout geleden schade op grond van onrechtmatige daad.

5.20. De rechtbank is van oordeel dat ook Houkes aansprakelijk is voor de door [A] geleden schade. Uit hetgeen door Houkes ter comparitie is verklaard, blijkt immers dat [A], op advies van Bureau Pals, Houkes – en niet specifiek [B] – opdracht heeft gegeven om namens haar een procedure tegen de Rijnsburgse IJsclub en [C] te starten. Houkes is aansprakelijk op grond van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verbintenissen uit de overeenkomst van opdracht tussen haar en [A] en aansprakelijk voor de beroepsfout van haar opdrachtnemer [B].

Aansprakelijkheid Bureau Pals?

5.21. [A] heeft op advies van Bureau Pals aan Houkes opdracht gegeven om namens haar te gaan procederen. Uit de schaderegelingsovereenkomst volgt – anders dan [A] stelt – niet dat Bureau Pals zich jegens [A] heeft verbonden om te procederen. Dit blijkt ook niet uit de door [A] ter gelegenheid van de comparitie overgelegde brief van Bureau Pals van 23 februari 2004, waarin Bureau Pals aan Houkes, ter attentie van [B], het volgende schrijft:

“U hebt geen hoger beroep ingesteld [ ] ondanks de opdracht daartoe van Bureau Pals handelend namens mevrouw [A] te Leiden.”

Uit deze zin blijkt dat de opdracht namens [A] is verstrekt.

Bovendien stelt Bureau Pals terecht dat een advocaat uitsluitend mag handelen op instructies van zijn client en geen instructies mag accepteren van een derde, zoals in dit geval Bureau Pals. Uit het voorgaande volgt dat er geen overeenkomst van opdracht heeft bestaan tussen Houkes en Bureau Pals en dat Bureau Pals niet als opdrachtgever van Houkes, en Houkes niet als opdrachtnemer van Bureau Pals heeft opgetreden. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Bureau Pals niet aansprakelijk is jegens [A] op grond van de door [B] gemaakte beroepsfout.

[C]

5.22. Vervolgens dient beoordeeld te worden of het Hof in hoger beroep tevens geoordeeld zou hebben dat [C] jegens [A] aansprakelijk moest worden gehouden voor de door haar geleden schade. Aan het gestelde onrechtmatig handelen van [C] heeft [A] geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd dan die welke tot aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad voor de Rijnsburgse IJsclub leiden. Nu [C] als vrijwilliger handelde namens de Rijnsburgse IJsclub wordt zijn onrechtmatig handelen toegerekend aan de Rijnsburgse IJsclub. De rechtbank is van oordeel dat dit samenstel van feiten en omstandigheden niet voldoende is om ook persoonlijke aansprakelijkheid van [C] aan te nemen. Van persoonlijke aansprakelijkheid van een vrijwilliger kan alleen dan sprake zijn indien hij zijn taken onbehoorlijk heeft vervuld. [A] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit geconcludeerd moet worden dat [C] zijn taken daadwerkelijk onbehoorlijk heeft vervuld.

Eigen schuld

5.23. Voorzover [B] betoogt dat de gevolgen van het ongeval (geheel of gedeeltelijk) voor rekening van [A] moeten blijven omdat er sprake is van eigen schuld van [A], faalt dit betoog. De Rijnsburgse IJsclub heeft aan haar beroep op eigen schuld in de procedure bij de rechtbank ’s-Gravenhage slechts ten grondslag gelegd dat [A] een (schaats)fout heeft gemaakt bij het ronden van de bocht en dat zij een geoefend schaatster was. De ijsclub heeft niet gesteld dat [A] onvoorzichtig of onoplettend zou zijn geweest en dat haar een verwijt treft ter zake van de val. Zoals ook eerder is overwogen en algemeen bekend is, bestaat bij schaatsen de kans op vallen, zeker in de bochten, en komt dit op elk niveau voor. Dat [A] een geoefend schaatster was, sluit dan ook niet uit dat zij buiten haar schuld ten val is gekomen.

Omvang schade - matiging

5.24. [B] stelt zich op het standpunt dat de schadevergoedingsvordering van [A] dient te worden gematigd tot in ieder geval het bedrag van NLG 1.000.000,=, te weten het maximum bedrag waarvoor de Rijnsburgse IJsclub was verzekerd voor het risico van aansprakelijkheid. Volgens [A] valt niet in te zien dat het beroep op matiging in hoger beroep kans van slagen zou hebben gehad, zeker niet in het licht van de ernstige letselschade die [A] op jonge leeftijd heeft geleden.

5.25. Naar het oordeel van de rechtbank dient in deze procedure het beroep op matiging tot het maximum van de verzekerde som van de Rijnsburgse IJsclub te worden gehonoreerd. [A] heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat, indien het Hof de Rijnsburgse IJsclub in hoger beroep aansprakelijk zou hebben gehouden voor de door [A] geleden schade, de Rijnsburgse IJsclub meer verhaal zou hebben geboden dan de maximale verzekerde som. Het moet dan ook aannemelijk worden geacht dat [A] in de oorspronkelijke procedure geen hoger bedrag aan schadevergoeding zou hebben ontvangen dan dit bedrag. De aansprakelijkheid van [B] en Houkes jegens [A] op grond van de door [B] gemaakte beroepsfout zal dan ook niet groter zijn dan NLG 1.000.000,=.

Proceskosten

5.26. [B] en Houkes zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,87

- vast recht 248,00

- salaris procureur 904,00 (2 punten × € 452,00)

Totaal EUR 1.236,87

5.27. [A] zal worden veroordeeld in de proceskosten voor zover het de vordering tegen Bureau Pals betreft. [A] dient ook de kosten te vergoeden die in de vrijwaringszaak ten laste van Bureau Pals zijn gebracht (zie 5.29) De kosten aan de zijde van Bureau Pals worden begroot op:

- vast recht EUR 248,00

- salaris procureur 1.356,00 (3 punten × € 452,00)

- kosten vrijwaring 522,85

Totaal EUR 2.126,85

in de vrijwaringszaak

5.28. De vordering in vrijwaring wordt, nu de vordering in de hoofdzaak jegens Bureau Pals zal worden afgewezen, bij gebrek aan belang afgewezen.

5.29. Bureau Pals zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de proceskosten. Aangezien Bureau Pals voldoende belang had om Houkes en [B] in vrijwaring op te roepen, zullen de proceskosten van de vrijwaringszaak uiteindelijk voor rekening van [A] komen (zie 5.27). De kosten aan de zijde van Bureau Pals worden begroot op:

- dagvaarding EUR 70,85

- salaris procureur 452,00 (1 punt × € 452,00)

Totaal EUR 522,85

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1. verklaart voor recht dat Houkes toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [A];

6.2. verklaart voor recht dat [B] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A];

6.3. veroordeelt [B] en Houkes hoofdelijk tot betaling aan [A] van de als gevolg daarvan geleden en nog te lijden materiële schade, nader op te maken bij staat, met dien verstande dat het te vergoeden bedrag ten hoogste (de tegenwaarde in euro’s van)

NLG 1.000.000,= zal bedragen, met inbegrip van de wettelijke rente over het verschuldigde bedrag vanaf 26 september 2003 tot aan de dag der algehele voldoening,

6.4. veroordeelt [B] en Houkes in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op EUR 1.236,87, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.5. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling onder 6.4 uitvoerbaar bij voorraad,

6.6. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van Bureau Pals tot op heden begroot op EUR 2.126,85,

6.7. wijst het meer of anders gevorderde af,

in de zaak in vrijwaring

6.8. wijst de vorderingen af,

6.9. veroordeelt Bureau Pals in de proceskosten, aan de zijde van Houkes en [B] tot op heden begroot op EUR 522,85.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Wijngaart, mr. C.N. Dalebout en

mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2008.?