Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH4515

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
05-03-2009
Zaaknummer
AWB 08-256 AW en AWB 08-275 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Samenvatting van het geding met reg. nrs. AWB 08/256 AW en AWB 08/275 AW

Buitenfunctiestelling hoogleraar wegens klachten van derden. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld jegens verzoeker door sedert augustus 2007 geen onderzoek in te stellen naar de gegrondheid van de tegen verzoeker ingediende klachten, dit onderzoek vervolgens niet met voortvarendheid af te ronden (zodat verzoeker al een half jaar in onzekerheid verkeert) en niet na onderzoek een standpunt in te nemen over de gegrondheid van de klachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nrs. AWB 08/256 AW en AWB 08/275 AW

van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats],

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. K. Hillebrandt,

tegen:

het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. S. Jurkovich en [vertegenwoordiger verweerder ].

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter (hierna: de rechter) heeft op 22 januari 2008 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Het verzoek hangt samen met een door verzoeker ingediend bezwaarschrift van 5 december 2007, aangevuld op 11 januari 2008 gericht tegen een besluit van verweerder van 14 november 2007 (hierna: het bestreden besluit 1) (reg. nr. AWB 08/256 AW) en een besluit van verweerder van 28 november 2007 (hierna: het bestreden besluit 2) (reg. nr. AWB 08/275 AW).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 13 februari 2008.

2. OVERWEGINGEN

Verzoeker is sinds 2002 in dienst van de Universiteit van Amsterdam (hierna: de UvA). Bij besluit van 20 april 2006 is verzoeker aangesteld als hoogleraar bij de afdeling [naam afdeling] van de UVA met ingang van 1 januari 2006. Verzoeker geeft - onder meer - colleges, verricht onderzoek en begeleidt promotiekandidaten. Verzoeker is tevens sectiehoofd van de afdeling [naam afdeling].

Bij brief van 20 juli 2007 heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat een aantal van zijn medewerkers een klacht heeft ingediend over het gebrek aan begeleiding bij hun promotie, dat hij zijn taak als sectiehoofd niet op de juiste wijze vervult en dat sommige vrouwelijke studenten en vakgroepmedewerkers schriftelijke klachten hebben geuit over opmerkingen die verzoeker in werksituaties heeft gemaakt over hun uiterlijk en hun persoonlijke leven, waardoor zij zich ongemakkelijk voelden. Daarbij heeft verweerder verzoeker gevraagd zijn werkzaamheden als sectiehoofd en de begeleiding van promotiekandidaten te beëindigen en een sabbatical van 6 maanden te nemen.

Bij emailbericht van 30 juli 2007 heeft verweerder alle medewerkers van de vakgroep medegedeeld dat de werkzaamheden van verzoeker als sectiehoofd met onmiddellijke ingang worden beëindigd, dat alle contact met verzoeker dient te worden gemeden en dat er een formele onderzoeksprocedure zal worden gestart.

Bij emailbericht van 2 augustus 2007 heeft verweerder verzoeker bericht dat de maatregelen genoemd in het emailbericht van 30 juli 2007 ongedaan zijn gemaakt en aangekondigd dat de klachten jegens verzoeker door een onafhankelijke arbiter zullen worden beoordeeld.

Bij emailbericht van 3 augustus 2007 heeft verweerder verzoeker bericht dat [persoon 1] (verder: [persoon 1]), hoogleraar [naam afdeling 1] aan de UvA, bereid is gevonden om als onderzoeker op te treden.

Bij emailbericht van 21 augustus 2007 heeft [persoon 1] verzoeker bericht dat naar zijn mening het onderzoek in onvoldoende mate is gevorderd en dat de klachten dienen te worden voorgelegd aan het College van Bestuur. Voorts heeft [persoon 1] in dit emailbericht aangekondigd dat de decaan voornemens is om een aantal maatregelen te treffen voor de periode totdat het College van Bestuur zal hebben beslist. Deze maatregelen houden onder meer in dat verzoeker is ontheven van zijn onderzoeksverplichtingen, ontheven is van zijn taken met betrekking tot de begeleiding van promovendi en dat hem een andere werkplek wordt toegewezen.

Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder - voor zover hier van belang - aan verzoeker medegedeeld dat verwacht wordt dat verzoeker bij het begin van het nieuwe collegejaar weer college geeft en dat de decaan zal optreden als bemiddelaar.

Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder verzoeker bericht dat de bemiddelingspoging niet is gelukt en dat de zaak zal worden overgedragen aan het College voor Promoties. Voorts bericht verweerder dat hij verwacht dat verzoeker aan het begin van het nieuwe collegejaar zijn lesactiviteiten zal hervatten. Daartoe stelt verweerder verzoeker een ander kantoor, verwijderd van zijn sectie, alsmede een student-assistent ter beschikking. Verzoeker zal voorlopig niet terugkeren als sectiehoofd. Tevens zal een beoordelingsprocedure worden gestart, aldus verweerder.

Verzoeker heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 bezwaar gemaakt en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Verzoeker heeft ter zitting het verzoek om voorlopige voorziening in dier voege gewijzigd dat hij primair in de gelegenheid wordt gesteld om zonder belemmeringen zijn normale en volledige werkzaamheden en verantwoordelijkheden behorende bij zijn functie te hervatten, respectievelijk toe te laten en voort te zetten, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 50.000,-.

De rechter overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoekster dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

De rechter stelt vast dat de bestreden besluiten zijn ondertekend door de decaan van de faculteit. De rechter gaat er van uit dat de decaan ofwel zelf bevoegd was de bestreden besluiten te nemen, ofwel namens het College van Bestuur van de UvA is opgetreden. Dit gebrek zal in bezwaar kunnen worden hersteld.

Naar voorlopig oordeel van de rechter is het bestreden besluit 1 niet op rechtsgevolg is gericht, en mitsdien geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor zover het verzoek om voorlopige voorziening samenhangt met het bezwaar gericht tegen bestreden besluit 1 zal het worden afgewezen.

Naar voorlopig oordeel van de rechter is bestreden besluit 2 wel op rechtsgevolg gericht, omdat hiermee de eerdere buitenfunctiestelling van verzoeker voor wat betreft het geven van onderwijs wordt opgeheven en voorts verzoeker voor een nieuwe, onbepaalde, periode buiten functie wordt gesteld als sectiehoofd.

Voor wat betreft de vraag of het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van bestreden besluit 2 dient te worden toegewezen overweegt de rechter het navolgende.

Ter zitting is gebleken dat verzoeker niet heeft gewerkt vanaf eind juli 2007 tot eind januari 2008. Op dat moment zijn de door [persoon 1] in het emailbericht van 21 augustus 2007 aangekondigde maatregelen, te weten het toewijzen van een andere werkplek en het verbieden van contact met vakgroepgenoten, feitelijk ter uitvoering gebracht. De rechter is met verzoeker van oordeel dat het verzoeker door deze maatregelen praktisch onmogelijk wordt gemaakt om zijn functie op behoorlijke wijze te vervullen.

De rechter stelt vast dat verweerder in het emailbericht van 2 augustus 2007 een onderzoek naar de gegrondheid van de klachten en het (dis)functioneren van verzoeker heeft aangekondigd. [persoon 1] heeft evenwel reeds bij emailbericht van 21 augustus zijn “bemoeienissen met de zaak” beëindigd, omdat de klachten bij het College van Bestuur als werkgever zouden moeten worden ingediend. Het College van bestuur zou vervolgens een onderzoekscommissie in het leven roepen die advies aan het College van Bestuur zou uitbrengen.

Ter zitting heeft verweerder niet kunnen aangeven dat er een onderzoekscommissie is ingesteld, dat er enig onderzoek is begonnen, dan wel voorzover begonnen, dat een lopend onderzoek binnen afzienbare tijd zal leiden tot een gemotiveerd standpunt van verweerder over de gegrondheid van klachten en het functioneren van verzoeker. Zo heeft verweerder niet kunnen aangeven wat de stand van zaken is van een onderzoek door het College van Bestuur of het College van Promoties en of daar binnen afzienbare tijd een uitslag is te verwachten.

De rechter is voorlopig van oordeel dat verweerder onzorgvuldig jegens verzoeker handelt door het onderzoek naar de gegrondheid van klachten jegens verzoeker en het functioneren van verzoeker niet met voortvarendheid te beginnen en te voltooien. Voorts is de rechter van oordeel dat voor de opgetreden vertraging geen rechtvaardiging is. Niet gebleken is dat verzoeker het instellen dan wel voortzetten van een onderzoek heeft gefrustreerd. Daarentegen blijkt uit de stukken wel dat de waarnemend decaan per 1 september 2007 is opgevolgd door een nieuwe decaan die vervolgens geen concrete stappen heeft gezet. Juist indien verweerder aan alle medewerkers per email bekendmaakt dat er klachten zijn jegens een vakgroepgenoot vereist de zorgvuldigheid jegens verzoeker dat verweerder zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk een standpunt inneemt over de gegrondheid van die klachten en zulks ook aan verzoeker laat weten.

Nu verweerder gedurende een half jaar, te weten vanaf het emailbericht van 2 augustus 2007 tot aan de datum van de zitting, niet met het aangekondigde onderzoek is begonnen en dit niet heeft voltooid, alsmede gelet op het feit dat verweerder na een half jaar niet alleen geen formeel standpunt heeft ingenomen over het functioneren van verzoeker maar ook niet kan aangeven wanneer dit formele standpunt van verweerder beschikbaar komt, moet het er naar het oordeel van de rechter voor worden gehouden dat verweerder niet in staat is het disfunctioneren van verzoeker aan te tonen, en is er mitsdien ook geen grond voor het nemen van maatregelen zoals het ontheffen van verzoeker uit de functie van sectiehoofd en het verplaatsen van de werkplek van verzoeker teneinde te voorkómen dat verzoeker contact heeft met zijn vakgroepgenoten. Het staat verweerder daarbij vrij alsnog een onderzoek naar de gegrondheid van de klachten in te stellen en een standpunt daarover in te nemen, doch voor het nemen van maatregelen hangende dat onderzoek is thans, bij afweging van alle belangen, geen redelijke grond.

De rechter neemt, na kennisneming van de klachten in het dossier, hierbij tevens in aanmerking dat de klachten weliswaar in redelijkheid aanleiding geven tot nader onderzoek naar het functioneren van verzoeker, doch niet van dien aard en van zodanige gewicht zijn dat onmiddellijke verwijdering van verzoeker uit de vakgroep in de rede ligt.

De rechter neemt bij het voorgaande tevens in aanmerking dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij grote reputatieschade heeft geleden door de handelwijze van verweerder. Dit is door verweerder niet weersproken.

Naar het oordeel van de rechter bestaat er mitsdien gerede twijfel over de vraag of bestreden besluit 2 in rechte stand zal houden. De rechter ziet dan ook aanleiding om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen en het bestreden besluit te schorsen. De rechter zal voorts bepalen dat verweerder verzoeker binnen een week na bekendmaking van de uitspraak in de gelegenheid stelt zijn functie als voorheen uit te voeren. Dit betekent dat verzoeker zowel zijn oude kamer, in de nabijheid van zijn vakgroep dient te kunnen betrekken alsmede wederom als sectiehoofd van de afdeling [naam afdeling] van de UvA zal moeten kunnen functioneren.

Gelet op de reputatieschade die verweerder in het bijzonder met het emailbericht van 30 juli 2007 aan verzoeker heeft toegebracht ziet de rechter voorts aanleiding om te bepalen dat verweerder binnen een week na bekendmaking van deze uitspraak een email aan alle betrokkenen van de [naam faculteit] toestuurt inhoudend in ieder geval dat de voorzieningenrechter in deze uitspraak heeft bepaald dat verweerder onzorgvuldig handelt door:

a. sedert augustus 2007 geen onderzoek in te stellen naar de gegrondheid van de tegen verzoeker ingediende klachten,

b. dit onderzoek vervolgens niet met voortvarendheid af te ronden of te doen afronden,

c. niet na onderzoek een standpunt in te nemen over de gegrondheid van de klachten,

waardoor verzoeker langdurig in een onzekere positie verkeert, hetgeen voor de voorzieningenrechter aanleiding is geweest verweerder te gelasten verzoeker binnen een week na bekendmaking in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden als vanouds te hervatten.

De rechter ziet nog geen aanleiding verweerder een dwangsom op te leggen, omdat de rechter er van uit gaat dat verweerder deze uitspraak zal naleven.

De rechter ziet aanleiding om te bepalen dat het griffierecht aan verzoeker wordt vergoed. Voort is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze worden begroot op

€ 644 (zijnde 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift + 1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 1 x € 322).

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

1. wijst het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening, voor zover deze is gericht tegen het bestreden besluit 1 af;

2. wijst het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening, voor zover deze is gericht tegen het bestreden besluit 2 toe;

3. schorst het bestreden besluit 2 tot zes weken na de beslissing op bezwaar;

4. bepaalt dat verweerder verzoeker binnen een week na bekendmaking van deze uitspraak in de gelegenheid stelt al zijn werkzaamheden als vanouds te hervatten;

5. bepaalt dat verweerder binnen één week na bekendmaking van deze uitspraak een emailbericht stuurt naar alle betrokkenen met de inhoud als aangegeven in de uitspraak;

6. veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de verzoeker begroot op € 644 (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Universiteit van Amsterdam aan verzoeker;

7. bepaalt dat de Universiteit van Amsterdam het gestorte griffierecht ad € 143 (zegge: honderdendrieënveertig euro) aan verzoeker vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 21 februari 2008 door mr. Y.A.A.G. de Vries, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: B