Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH4402

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-12-2008
Datum publicatie
02-03-2009
Zaaknummer
AWB 08-963 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot beëindiging uitkering. Twijfel over wil bijstandgerechtigde tot beëindiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/963 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

vertegenwoordigd door mr. O.F.X. Roozemond

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. I. van Kesteren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2007 heeft verweerder eisers bijstandsuitkering met ingang van

1 oktober 2007 beëindigd, omdat eiser per 1 oktober 2007 samenwoont.

Bij besluit van 28 januari 2008 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2008.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

Eiser ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Op

19 september 2007 heeft tussen eiser en verweerder een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van verweerder met aansluitend een huisbezoek. Voorts heeft op 24 september 2007 een gesprek op het kantoor van verweerder plaatsgevonden. De bevindingen van de gesprekken en het huisbezoek zijn neergelegd in een “Rapport van bevindingen”, afgesloten op 26 september 2007.

In voornoemd rapport komt ondermeer naar voren dat eiser op 19 september 2007 heeft verklaard gemiddeld drie dagen in de week bij zijn vriendin mevrouw [vriendin eiser] (hierna [vriendin eiser]) in [woonplaats] te verblijven. Nadat verweerder aan eiser heeft medegedeeld verder onderzoek te zullen doen naar zijn woonsituatie heeft eiser verklaard dat hij gezien de situatie het moet gaan proberen weer bij [vriendin eiser] te gaan wonen. Eiser wilde dit wel eerst met haar bespreken. Vervolgens is de afspraak gemaakt dat eiser telefonisch zou laten weten wat hij met [vriendin eiser] heeft besproken. Naar aanleiding hiervan heeft er op 24 september 2007 een gesprek plaatsgevonden. Eiser heeft toen verklaard zijn uitkering per 1 oktober 2007 te willen intrekken. De verklaring van eiser is in concept opgenomen en na voorlezing door hem ondertekend.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat ten onrechte in het besluit van 5 oktober 2007 is vermeld dat het recht op bijstand is beëindigd omdat eiser per 1 oktober 2007 samenwoont met [vriendin eiser] in [woonplaats]. Eisers recht op bijstand is op zijn eigen verzoek beëindigd.

In geschil is of eiser daadwerkelijk een verzoek heeft ingediend om zijn uitkering te beëindigen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser een dergelijk verzoek heeft ingediend door op 24 september 2007 zijn handtekening te zetten op een door verweerder ingevuld formulier.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel uit zijn psychische gesteldheid, als uit de verklaring die hij heeft afgelegd, duidelijk mag blijken dat hij niet achter zijn verklaring staat om zijn bijstandsuitkering te beëindigen, althans mocht verweerder deze uitleg daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet toekennen.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep mag in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt.

De rechtbank is - in het onderhavige geval - van oordeel dat als verweerder een bijstandsgerechtigde tegenwerpt dat hij een verzoek tot beëindiging van de uitkering heeft ingediend, buiten twijfel moet staan dat dit conform de wens van de bijstandsgerechtigde is, aangezien de gevolgen van de beëindiging van de uitkering groot zijn.

In dit verband acht de rechtbank van belang dat de verklaring van de bijstandsgerechtigde van 24 september 2007 is aangetekend op een formulier van verweerder dat door verweerder zelf is ingevuld. De verklaring van 24 september 2007 beperkt zich tot de woorden: “Hierbij zeg ik mijn uitkering op per 1 oktober 2007.” Een reden daarvoor, bijvoorbeeld omdat betrokkene weer wil samenwonen of werken, ontbreekt. De verklaring is weliswaar ondertekend door eiser, maar de rechtbank hecht belang aan de omstandigheid dat eiser van Marokkaanse afkomst is en de Nederlandse taal niet goed beheerst. Bovendien blijkt uit het dossier dat eiser al geruime tijd psychische problemen heeft en medicijnen gebruikt. Voorts blijkt uit het dossier dat de zoon van eiser op 24 september 2007 met eiser is meegegaan omdat eiser nog enkele vragen had, en dat de zoon van eiser heeft aangegeven dat hij van zijn vader had gehoord wat er was gebeurd en dat hij zich afvroeg of zijn vader zich niet onder druk had laten overhalen deze beslissing te nemen.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet vaststaat dat eiser daadwerkelijk zelfstandig zijn uitkering heeft willen beëindigen en voorts dat niet vaststaat dat eiser de gevolgen van de ondertekening van het formulier heeft overzien, te meer waar verweerder hem op dat moment niet uitdrukkelijk op die gevolgen heeft gewezen.

Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, dient op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het door eiser betaalde griffierecht van € 39 aan hem te worden vergoed.

De rechtbank ziet tevens aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en verweerder in de proceskosten van eiser te veroordelen, welke kosten onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair worden begroot op een bedrag van € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 1 x € 322). Aangezien ten behoeve van eiser ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de Rechtsbijstand dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid van de Awb de betaling te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

3. Beslissing

De rechtbank :

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door eiser betaalde griffierecht van € 39 (zegge: negenendertig euro) aan eiser vergoedt;

- veroordeelt de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding, aan de zijde van eiser begroot op € 644 (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 8 december 2008, door mr. Y.A.A.G. de Vries, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.S.N. van Samson, griffier, en bekendgemaakt door

verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B