Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH4297

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-12-2008
Datum publicatie
27-02-2009
Zaaknummer
13/430728-06 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Plegen en doen plegen van valsheid in geschrift, gepleegd in een authentieke akte. Verdachte heeft een valse Spaanse notariële akte (algemene volmacht) geleverd aan een notaris. Het gaat om een volmacht van de ex-vrouw van verdachte aan de notaris. Met de volmacht wilde verdachte het huis van zijn ex-vrouw verkopen en het geld op zijn rekening laten zetten. De rechtbank heeft onder andere geoordeeld over de grenzen van het beroepsgeheim van notarissen. De verdediging heeft aangevoerd dat er sprake was van schending van de geheimhoudingsplicht, aangezien de notaris aangifte heeft gedaan en over verdachte heeft verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/430728-06 (PROMIS)

Datum uitspraak: 5 december 2008

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 november 2008.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze ter terechtzitting nader is omschreven. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

2.1. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat [notaris 1] (hierna te noemen: [notaris 1]) en zijn [kandidaat-notaris 1] (hierna te noemen: [kandidaat-notaris 1]) hun notarieel beroepsgeheim hebben geschonden. De aangifte en de door hen afgelegde verklaringen vormden de start van het strafrechtelijk onderzoek. De door de officier van justitie genomen vervolgingsbeslissing doet in ernstige mate afbreuk aan het vertrouwen dat in het beroepsgeheim moet worden gesteld. Het openbaar ministerie moet dan ook in zijn vervolging niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.1.1. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De rechtbank zal het gevoerde verweer stapsgewijs bespreken en de volgende vragen achtereenvolgens beantwoorden:

1. Heeft [notaris 1] en/of [kandidaat-notaris 1] gehandeld in de hoedanigheid van notaris?

2. Is in casu sprake van schending van de geheimhoudingsplicht?

Ad 1. Uit de aangifte volgt dat [notaris 1] weliswaar notaris van beroep is, maar hij op

3 december 2003 is opgetreden als gevolmachtigde bij de verkoop van de woning aan de [adres 1] te Amstelveen. [notaris 1] verklaart dat hij dit puur op vriendschappelijke basis heeft gedaan. [notaris 2] te Amstelveen was namelijk als notaris betrokken bij de verkoop en de levering van de woning. [persoon 1] van het notariskantoor van [notaris 2] heeft [notaris 1] benaderd en alle formaliteiten afgehandeld. Ook op 19 december 2003 zijn [notaris 1] en [kandidaat-notaris 1], aldus de verklaringen van [notaris 1] en [kandidaat-notaris 1], niet opgetreden als notaris, maar heeft [notaris 1] verdachte willen confronteren met de mogelijke vervalsing. [kandidaat-notaris 1] was hierbij slechts als getuige aanwezig. De hierboven genoemde omstandigheden in combinatie met de wederzijds erkende jarenlange vriendschapsband tussen verdachte en [notaris 1] doen de rechtbank concluderen dat [notaris 1] en [kandidaat-notaris 1] niet als notaris hebben gehandeld. Schending van het beroepsgeheim is dan ook niet aan de orde en mitsdien verwerpt de rechtbank zowel het niet-ontvankelijkheidsverweer als het onrechtmatig verkregen bewijs-verweer.

Ad 2. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zelfs al zouden [notaris 1] en [kandidaat-notaris 1] als notaris hebben opgetreden, in dit geval geen sprake is van schending van het beroepsgeheim. Het beroepsgeheim en het verschoningsrecht zijn niet absoluut. Het is de geheimhouder – in dit geval de notaris – zelf die een afweging maakt of het belang van de geheimhouding te rechtvaardigen is. Hij maakt daarbij een afweging tussen enerzijds het belang dat cliënten ervan uit moeten kunnen gaan dat de notaris geheim houdt hetgeen zij hem hebben toevertrouwd en anderzijds het belang van het maatschappelijk verkeer waarbij derden mogen vertrouwen op rechtsgeldig tot stand gekomen en juiste notariële akten.

Wanneer de cliënt de notaris bewust beweegt tot meewerking aan een strafbaar feit, is sprake van uitzonderlijke omstandigheden, die doorbreking van het beroepsgeheim rechtvaardigen.

De rechtbank merkt hierbij op dat zelfs indien sprake is van schending van de geheimhoudingsplicht van een notaris, dit nog geen directe gevolgen hoeft te hebben voor de rechtmatigheid van het bewijs en gebruik ervan. Uit de jurisprudentie volgt dat er sprake kan zijn van onrechtmatig bewijs wanneer de politie op onrechtmatige wijze informatie heeft vergaard door de geheimhouder uit te lokken tot het schenden van diens geheimhoudingsplicht. Van een dergelijk handelen door de politie of het openbaar ministerie is in casu niet gebleken. [notaris 1] heeft zelf aangifte gedaan en naar eigen inzicht verklaard over verdachte. Vervolgens brengt het opportuniteitsbeginsel met zich mee dat de officier van justitie zelf heeft beslist om verdachte te vervolgen ter zake de telastegelegde feiten. Dit staat uiteraard los van de vrijheid van de officier van justitie om [notaris 1] en/of [kandidaat-notaris 1] te vervolgen wegens schending van hun beroepsgeheim. Dat de politie tijdens het horen naar aanleiding van de aangifte aan [notaris 1] vragen heeft gesteld, doet hier niet aan af.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer door beide vragen negatief te beantwoorden en acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

2.2. Verzoek om deskundigen te horen

De raadsman van verdachte heeft het tijdig gedane schriftelijk verzoek van 10 november 2008 om de [persoon 2] en [persoon 3] te horen als deskundigen herhaald en heeft ter terechtzitting verzocht om het wijzen van een tussenvonnis. De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het horen van voornoemde deskundigen in het belang van de verdediging althans noodzakelijk is om zijn verweer te kunnen onderbouwen en de rechtbank voldoende voor te lichten over beroepsgeheimhouders en de gevolgen van schending van de geheimhoudingsplicht.

2.2.1. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De rechtbank acht het wijzen van tussenvonnis en vervolgens horen van deskundigen in het kader van de grenzen van het beroepsgeheim van notarissen in redelijkheid niet van belang voor enige in deze zaak te nemen beslissing. Gelet op hetgeen onder 2.1.1. reeds is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat door afzien van het horen van voornoemde deskundigen verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.

De rechtbank wijst derhalve het verzoek van de verdediging af.

3. De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

3.1 De rechtbank gaat bij de beoordeling van het ten laste gelegde uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[notaris 1] was sinds twintig jaar een goede vriend van verdachte en [persoon 4]. Verdachte en [persoon 4] zijn voormalige echtgenoten, die na hun echtscheiding een goede onderlinge verhouding hadden. In november 2003 heeft verdachte afschriften aan [notaris 1] verschaft van een Spaanse notariële akte , houdende een algemene volmacht van [persoon 4]. [notaris 1] kreeg een Spaanse algehele volmacht waarin [persoon 4] aan [notaris 1] en verdachte de volmacht gaf om voor haar op te treden. Deze volmacht zou gebruikt moeten worden in gevallen dat [persoon 4] in Nederland rechtshandelingen diende te verrichten, terwijl zij niet in staat was om naar Nederland te komen. Zij woonde immers in Spanje.

Vervolgens heeft verdachte [notaris 1] benaderd over de verkoop en levering van het huis aan de [adres 1] te Amstelveen. De woning was eerder op 3 januari 2003 aan [persoon 4] in eigendom toegedeeld.

De levering van de woning zou op 3 december 2003 bij notaris [notaris 2] te Amstelveen plaatsvinden. Kort voor het passeren van de akte bleek dat verdachte en [persoon 4] niet bij deze afspraak niet aanwezig zouden zijn. [notaris 1] werd gebeld door een notarisklerk, die hem heeft verzocht om op 3 december 2003 als gevolmachtigde op te treden bij de transport van een woning in Amstelveen.

Enkele dagen voordat de akte zou passeren heeft notariskantoor [notaris 2] contact opgenomen met [notaris 1]. [notaris 1] deelde hen mee dat hij de algemene volmacht liever niet zou gebruiken en graag zag dat het notariskantoor een aparte onderhandse volmacht zou laten opstellen. Aangezien het kort dag was en de onderhandse akte niet op tijd in Nederland zou zijn, heeft [notaris 1] toegestemd om de algemene volmacht te gebruiken. [notaris 1] heeft wel verzocht om contact op te nemen met [persoon 4] en van haar een akkoordverklaring te verkrijgen.

Bij het tekenen van de transportakte heeft het notariskantoor een kopie van een email aan [notaris 1] laten zien met daarop de handtekening van [persoon 4]. Hieruit volgde dat zij instemde met de verkoop van de woning. Ook ging zij akkoord met het overboeken van de netto opbrengst op de rekening van verdachte. Vervolgens heeft [notaris 1] als gevolmachtigde de akte van transport getekend. Het notariskantoor zou er zorg voor dragen dat [persoon 4] de originele nota van de afrekening toegezonden zou krijgen. De woning is op 3 december 2003 geleverd.

Op 29 november 2004 heeft [notaris 1] telefonisch contact gehad met [persoon 4]. Zij deelde hem mee dat zij niets wist van de verkoop van haar woning. Ook vertelde zij dat zij nooit een Spaanse volmacht had laten opmaken. [persoon 4] verklaart dat zij niets wist van een Spaanse notariële volmacht waarin onder meer verdachte en [notaris 1] als algemeen gevolmachtigden waren aangewezen. Ook verklaarde zij dat zij een dergelijke algehele volmacht zeker niet heeft ondertekend. Nadat verdachte zijn fout niet vrijwillig had hersteld heeft zij besloten aangifte te doen. Verdachte heeft onrechtmatig en onder valse voorwendselen een bedrag van 523.306,86 euro ontvangen door de woning te verkopen. [persoon 4] was de eigenaar van de woning en heeft geen toestemming gegeven tot verkoop van de woning en overboeking van de verkoopsom naar verdachte. Voorts verklaarde zij dat zij nooit contact had gehad met notariskantoor [notaris 2]. De volmacht en de akkoordverklaring per email zijn niet door haar ondertekend.

Op 19 december 2004 heeft [notaris 1] verdachte uitgenodigd op zijn kantoor. Hierbij was ook [kandidaat-notaris 1] als getuige aanwezig. [notaris 1] heeft verdachte destijds geconfronteerd met het verhaal van [persoon 4]. [notaris 1] heeft verdachte uitgelegd wat het voor hem betekende dat hij met een vals opgemaakte volmacht gewerkt had. Verdachte heeft tijdens het gesprek verklaard dat alles te regelen is, wanneer je er genoeg voor betaald. Hiermee insinueerde hij dat hij de gehele volmacht valselijk had laten opmaken.

Vervolgens is [persoon 4] met een kopie van de vermeende Spaanse volmacht naar de desbetreffende notaris [persoon 5]. [persoon 5] verklaart dat het een valselijk opgemaakt document betrof en dat hij dat niet gemaakt had. [persoon 5] heeft dit bij een notariële verklaring vastgelegd. Hieruit blijkt dat de volmacht niet voldoet aan de Spaanse wettelijke vereisten op het gebied van het notarisambt, aangezien deze niet is bekrachtigd door een Spaanse openbare notaris. Op de laatste bladzijde van de volmacht staat naast de handtekening en paraaf van de notaris welke deze zou hebben bekrachtigd, een andere handtekening, hetgeen volgens de Spaanse wet op het notarisambt bij de afgifte van notariële akten niet is toegestaan. Daarnaast bevat de laatste bladzijde een stempel van de Territoriale Diensten voor Economie en Financiën, onderafdeling van het ministerie van Economie, Financiën en Arbeid van de Generalitat van Valencia waarop de automatische betaling van een bepaald bedrag wordt vermeld, terwijl de volmacht niet aan voornoemde Territoriale Diensten overlegd hoeft te worden en deze diensten geen recht hebben op enigerlei betaling voor enigerlei zaak. Ten slotte verklaart de notaris dat de handtekening en paraaf welke op betreffende akte voor die van [persoon 5] (Spaanse notaris) zouden moeten doorgaan, vals zijn.

Op 7 januari 2005 heeft notaris [notaris 1] aangifte gedaan ter zake oplichting tegen verdachte en op 12 juli 2005 heeft ook [persoon 4] aangifte gedaan van oplichting en valsheid in geschrift.

Uit documentonderzoek van de Spaanse notariële akte , houdende een algehele volmacht en de verklaring van de Spaanse notaris over de valsheid van de eerste akte blijkt dat de notariële deskundige van oordeel is dat de afschriften niet van echt zijn te onderscheiden.

Uit documentonderzoek van de notariële akte is gebleken dat het zegel op de akte niet voorzien was van een stansing. Het zegel is vermoedelijk middels een buisje voorzien van een aantal rondjes. Tevens bleek dat de zegel niet geheel rond was. Het papier van de akte was niet voorzien van een uv beveiliging. Het papier van de akte was voorzien van een watermerk dat voorkomt op vrij verkrijgbaar schrijfpapier. De technische recherche concludeert dat de akte vrijwel zeker totaal vals is.

3.2 Standpunt(en) van de officier van justitie

3.2.1. Ten aanzien van feit 1

Ten aanzien van de onder 1 telastegelegde heeft de officier van justitie bewezenverklaring gevorderd, daar verdachte opzettelijk een valse authentieke akte heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad. De officier van justitie heeft aangevoerd dat het een vals geschrift betreft en verdachte dit geschrift opzettelijk heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad.

3.2.2. Ten aanzien van feit 2

Tevens acht de officier van justitie het onder 2 telastegelegde bewezen, te weten het doen plegen valsheid in geschrift. Verdachte heeft [notaris 1] opzettelijk gebruik laten maken van de valse authentieke akte. Hij wist dat [persoon 4] hiervoor geen toestemming had verleend.

3.3 Standpunt(en) van de verdediging

3.3.1. Primaire standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht om vrijspraak van het gehele telastegelegde, aangezien al het vergaarde bewijs als vrucht van onrechtmatige aangifte van notaris [notaris 1] kan worden aangemerkt en de officier van justitie van de onrechtmatige aangifte geen gebruik had mogen maken bij de opsporing.

3.3.2. Subsidiaire standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak verzocht van feit 2 en heeft hiertoe aangevoerd dat [notaris 1] niet als doen pleger valt te kwalificeren. Hij heeft betoogd dat [notaris 1] zich niet heeft gedragen als een willoos werktuig en dat hij zelf had moeten verifiëren of [persoon 4] met de verkoop instemde.

3.3.3. Meer subsidiaire standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft voorts aangevoerd dat de akte niet authentiek was, aangezien het een valse akte betrof. Derhalve valt het geschrift niet onder de reikwijdte van artikel 226 van het Wetboek van Strafrecht.

3.4 Het oordeel van de rechtbank

3.4.1. Ten aanzien van het primaire standpunt van de verdediging

De rechtbank ziet – evenals de officier van justitie – geen aanleiding tot enige vorm van bewijsuitsluiting. De rechtbank verwijst ten aanzien van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting naar hetgeen reeds onder 2.1.1. onder 3 is overwogen.

De rechtbank is – gelet op de feiten en omstandigheden zoals uiteengezet onder 3.1 – van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 telastegelegde valsheid in geschrift. De rechtbank komt tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte opzettelijk een valse notariële akte heeft verschaft en voorhanden heeft gehad en deze vervolgens heeft afgeleverd aan [notaris 1].

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2 volgt hieronder.

3.4.2. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van de verdediging

De rechtbank is – gelet op de feiten en omstandigheden zoals uiteengezet onder 3.1 – tevens van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 telastegelegde doen plegen van valsheid in geschrift. Verdachte heeft [notaris 1] opzettelijk gebruik laten maken van de valse notariële akte. Hiertoe heeft hij [notaris 1] een valse akte verschaft. Blijkens onderzoek van notarieel deskundige [persoon 6] was het document niet van echt te onderscheiden. Daarenboven betrekt de rechtbank in haar oordeel dat verdachte bewust gebruik heeft gemaakt van de goede verstandhouding tussen hem en zijn voormalige echtgenote en de verhouding tussen hem en zijn vriend [notaris 1] en hij derhalve geen reden had te twijfelen aan de oprechtheid van verdachte. Pas na uitvoerig documentonderzoek door de Nederlandse recherche en onderzoek door de Spaanse notaris [persoon 5] volgt dat de notariële akte vals is opgemaakt. De rechtbank is van oordeel dat [notaris 1] geen opzet had op het plegen van valsheid in geschrift en hij derhalve straffeloos heeft gehandeld. Verdachte heeft als middelijke dader echter wel strafbaar gehandeld.

3.4.3. Ten aanzien van het meer subsidiaire standpunt van de verdediging

De Hoge Raad heeft reeds in 1984 overwogen dat notariële akten als authentieke akten hebben te gelden (HR 26 juni 1984, NJ 1985, 75). De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte aan [notaris 1] verschafte geschrift als valse authentieke akte in de zin van artikel 225 juncto 226 van het Wetboek van Strafrecht dient te worden aangemerkt.

Alle door de raadsman van verdachte gevoerde bewijsverweren worden derhalve door de rechtbank verworpen.

3.5 Bewezenverklaring

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

3.5.1. ten aanzien van feit 1

hij in de periode van 1 juni 2003 tot en met 03 december 2003 te Amstelveen en Amsterdam opzettelijk heeft afgeleverd en voorhanden gehad een valse authentieke akte, namelijk een Spaanse notariële akte, houdende een algemene volmacht van [persoon 5] aan [notaris 1] en verdachte - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers heeft hij, verdachte, voornoemde valse akte, welke valsheid hierin bestaat dat,

- de volmacht niet voldoet aan de Spaanse wettelijke vereisten op het gebied

van het notarisambt, aangezien deze niet is bekrachtigd door een Spaanse openbare notaris en

- op de laatste bladzijde van de volmacht staat naast de handtekening en paraaf van de notaris welke deze zou hebben bekrachtigd, een andere handtekening, hetgeen volgens de Spaanse wet op het notarisambt bij de afgifte van notariële akten niet is toegestaan en

- de laatste bladzijde bevat een stempel van de Territoriale Diensten voor Economie en Financiën, onderafdeling van het ministerie van Economie, Financiën en Arbeid van de Generalitat van Valencia waarop de automatische betaling van een bepaald bedrag wordt vermeld, terwijl de volmacht niet aan voornoemde Territoriale Diensten overlegd hoeft te worden en deze diensten geen recht hebben op enigerlei betaling voor enigerlei zaak en

- de handtekening en paraaf welke op betreffende akte voor [persoon 5] (Spaanse notaris) moeten doorgaan, vals zijn en

- de zegel op de akte niet is voorzien van een stansing en de zegel met behulp van vermoedelijk een buisje en is voorzien van een aantal rondjes en de zegel niet geheel rond is en

- het papier van de akte niet is voorzien van een UV beveiliging en

- de akte is voorzien van een watermerk dat voorkomt bij vrij verkrijgbaar schrijfpapier,

op een tijdstip gelegen in de periode van 08 oktober 2003 tot en met 03 december 2003 aan [notaris 1] (notaris) verschaft;

3.5.2. ten aanzien van feit 2

hij op 3 december 2003 te Amstelveen [notaris 1] (notaris) opzettelijk gebruik heeft laten maken van een valse authentieke akte, namelijk een Spaanse notariële akte, houdende een volmacht van [persoon 5] aan [notaris 1] en verdachte, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat laten gebruikmaken hierin dat verdachte aan die [notaris 1] een afschrift heeft verschaft van de valse authentieke akte, namelijk een Spaanse notariële akte, houdende een volmacht van Y.M Jornet Hinarejos aan die [notaris 1] en verdachte en tegen die [notaris 1] heeft gezegd dat hij de volmacht van [persoon 5] kon gebruiken bij de levering van de woning gelegen aan perceel [adres 1] te Amstelveen, zijnde de woning van [persoon 5] en vervolgens die [notaris 1] met gebruikmaking van voornoemde valse akte is opgetreden als gevolmachtigde van die [persoon 5] bij de levering van voornoemde woning en bestaande die valsheid hierin dat,

- de volmacht niet voldoet aan de Spaanse wettelijke vereisten op het gebied van het notarisambt, aangezien deze niet is bekrachtigd door een Spaanse openbare notaris en

- op de laatste bladzijde van de volmacht staat naast de handtekening en paraaf van de notaris welke deze zou hebben bekrachtigd, een andere handtekening, hetgeen volgens de Spaanse wet op het notarisambt bij de afgifte van notariële akten niet is toegestaan en

- de laatste bladzijde bevat een stempel van de Territoriale Diensten voor Economie en Financiën, onderafdeling van het ministerie van Economie, Financiën en Arbeid van de Generalitat van Valencia waarop de automatische betaling van een bepaald bedrag wordt vermeld, terwijl de volmacht niet aan voornoemde Territoriale Diensten overlegd hoeft te worden en deze diensten geen recht hebben op enigerlei betaling voor enigerlei zaak en

- de handtekening en paraaf welke op betreffende akte voor [persoon 5] (Spaanse notaris) moeten doorgaan, vals zijn en

- de zegel op de akte niet is voorzien van een stansing en de zegel met behulp van vermoedelijk een buisje en is voorzien van een aantal rondjes en de zegel niet geheel rond is en

- het papier van de akte niet is voorzien van een UV beveiliging en

- de akte is voorzien van een watermerk dat voorkomt bij vrij verkrijgbaar schrijfpapier;

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. De strafbaarheid van de feiten

De bewezengeachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1 en 2 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren).

De raadsman van verdachte heeft uiterst subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Hij vraagt – zakelijk weergegeven - de eventueel op te leggen straf te matigen en rekening te houden met het aanzienlijke tijdsverloop, de afwezigheid van documentatie en bijzondere verhouding tussen verdachte en de aangevers. De raadsman van verdachte acht een voorwaardelijke straf passend.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op tweeërlei wijze schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hij heeft een valse notariële akte afgeleverd en voorhanden gehad teneinde zichzelf onrechtmatig te verrijken ten opzichte van zijn voormalige echtgenote. Door een valse akte aan [notaris 1] te verschaffen heeft hij aangeefster [persoon 4] benadeeld voor een bedrag van bijna 525.000,- euro. Verdachte heeft echter door zijn sluwe handelen niet alleen zijn voormalige echtgenote ernstige financiële schade toegebracht, maar ook heeft hij jegens [notaris 1] laakbaar gehandeld. Middels een doortrapt plan heeft hij immers notaris [notaris 1] voor zijn kar gespannen en een strafbaar feit laten plegen. Hij heeft hun jarenlange vriendschap misbruikt voor eigen financieel gewin en is achteloos voorbij gegaan aan de mogelijke gevolgen hiervan. Door het frauduleus handelen van verdachte is het vertrouwen dat in het notariële verkeer moet kunnen worden gesteld in ernstig mate geschaad. Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte voorts het verwijt worden gemaakt dat hij geen inzicht heeft verschaft in zijn handelen en op geen enkele wijze berouw heeft getoond. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking de afwezigheid van verdachte ter terechtzitting en het verschil in proceshouding tussen de nog lopende civiele- en de thans aan de orde zijnde strafrechtelijke procedure. Onder die omstandigheden is er voor de door de raadsman bepleite wijze van strafafdoening geen plaats.

Gelet op de ernst van het feit is een vrijheidsstraf op zijn plaats.

Ten slotte heeft de rechtbank ten voordele van verdachte gelet op het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 mei 2006. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie recht doet aan de ernst van de feiten. Gelet op het aanzienlijke tijdsverloop dat maar ten dele voor rekening kan worden gebracht van verdachte, zal de rechtbank echter enigszins afwijken van hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank acht een aanzienlijke gevangenisstraf naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Het voorwaardelijk deel heeft in het bijzonder nog als strafdoel verdachte ervan te weerhouden in de toekomst zich wederom aan strafbare gedragingen schuldig te maken.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 226 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

8. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk een vals geschrift, gepleegd in een authentieke akte, als bedoeld in artikel 226, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

ten aanzien van feit 2:

doen plegen van opzettelijk een vals geschrift, gepleegd in een authentieke akte, als bedoeld in artikel 226, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M. Beins, voorzitter,

mrs. L.I.M van Bergen en M.J. Vos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.L. Kop, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 december 2008.

De jongste rechter is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.