Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH2896

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
13-02-2009
Zaaknummer
392712 / KG ZA 08-438 P/CN
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding tot afgifte kind ex. artikel 1:253s BW. Gezag over minderjarige rust bij de moeder. De minderjarige, geboren in 1998, woonde de eerste zeven jaar van haar leven bij de moeder. In februari 2006 hebben partijen afgesproken dat zij bij haar vader zou gaan wonen. Na een omgangsweekend bij de moeder in november 2007 is zij niet teruggebracht naar de vader. De vader vordert bij dagvaarding van 19 maart 2008 afgifte van de minderjarige met een beroep op het blokkaderecht van de verzorger ex. artikel 1:253s BW. Dit beroep slaagt niet. Onvoldoende vast is komen te staan dat de minderjarige langer dan een jaar in het gezin van de vader is opgevoed en verzorgd.

Ook indien dit wel het geval is, dient de vordering te worden afgewezen. De vader heeft vier maanden laten verstrijken alvorens in rechte afgifte te vorderen.

Indien de vordering nu zou worden toegewezen, zou dit er naar alle waarschijnlijkheid toe leiden dat de minderjarige korte tijd daarna opnieuw van verblijfplaats zou moeten veranderen, hetgeen niet in haar belang zal zijn. Een verzoek van de moeder om vervangende toestemming tot wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige kan immers alleen worden afgewezen indien de belangen van de minderjarige bij inwilliging van dit verzoek zouden worden verwaarloosd. Niet gebleken is dat het slecht met de minderjarige gaat bij de moeder. Ook indien de vervangende toestemming zou worden geweigerd is dat slechts tijdelijk, omdat een dergelijke beslissing in beginsel ten hoogste zes maanden van kracht is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 392712 / KG ZA 08-438 P/CN

Vonnis in kort geding van 17 april 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 19 maart 2008,

procureur mr. D.J.I. Kroezen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. W.H. Boomstra.

Partijen zullen hierna de vader en de moeder worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 9 april 2008 heeft de vader gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De moeder heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een relatie gehad. Op 27 september 1998 is uit die [kind][kind] (hierna: [kind]) geboren. De moeder heeft het gezag over [kind]. [kind] woonde tot haar zevende bij de moeder in [woonplaats 1].

2.2. In februari 2006 hebben partijen afgesproken dat [kind] bij de vader in [woonplaats 2] zou gaan wonen. De vader heeft [kind] is 2006 erkend. [kind] is in [woonplaats 2] naar de basisschool gegaan. In het schooljaar 2007/2008 is zij naar een school voor bijzonder onderwijs in Amersfoort gegaan.

2.3. [kind] is na het omgangsweekend van 11 november 2007 bij de moeder, niet meer teruggekomen bij de vader. [kind] woont sindsdien bij de moeder, die naar [woonplaats 3] is verhuisd. [kind] gaat in [woonplaats 3] naar de [school] voor speciaal basisonderwijs.

2.4. In een e-mail van 1 januari 2008 van de vader aan de moeder staat onder meer het volgende:

“(…) Als ik terugblik, constateren wij dat zij ([kind], vzr.) het de afgelopen periode in [woonplaats 2] erg naar haar zin heeft gehad. Zij had hier haar vrienden, sport, dansen en sociale leven. Ook op school ging het steeds beter, zeker nadat het probleem dyslexie en ADD naar boven water was gekomen. Het was hierbij van belang dat [kind] extra aandacht kreeg bij lezen, rekenen e.d. Helaas is daar nu een einde aan gekomen.

Voor de toekomst is voor [kind] niets geregeld of concreet afgesproken in de vorm van een omgangsregeling (via een advocaat). In de kerstvakantie is [kind] weer een paar keer bij ons geweest. Het lijkt ons beter om daar vaste afspraken voor te maken zodat iedereen (en dus ook [kind]) weet waar hij/zij aan toe is.

Mede omdat jouw situatie minder ideaal is om [kind] op te voeden en op te vangen, hebben wij een voorstel. Wij stellen voor om een officiële regeling te treffen waarbij [kind] in [woonplaats 2] kan verblijven en in Amersfoort naar school kan gaan. Om de week gaat zij in het weekend naar jou toe, waarbij jij haar ophaalt en wij haar op komen halen. In de omgangsregeling kunnen wij dan afspraken maken over de vakantieperiodes. Wij willen hierbij onderstrepen dat hierbij niet ons belang, maar dat van [kind] prioriteit heeft. (…)”

2.5. Nadien heeft overleg tussen partijen plaatsgevonden, maar dit heeft niet tot een overeenstemming geleid. Wel hebben de vader en [kind] inmiddels weer op regelmatige basis contact met elkaar.

2.6. De vader stelt een procedure te hebben opgestart tot het verkrijgen van het ouderlijk gezag over [kind] samen met de moeder.

3. Het geschil

3.1. De vader vordert samengevat - primair:

1. De moeder op straffe van een dwangsom te gebieden om binnen 24 uur na dit vonnis [kind] aan hem af te geven;

2. De moeder op straffe van een dwangsom te gebieden binnen 24 na dit vonnis de onder nummer 18 van de dagvaarding genoemde informatie ten aanzien van [kind] aan hem te verstrekken;

3. De moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure.

En subsidiair:

4. De moeder op straffe van een dwangsom te gebieden om binnen 24 uur na dit vonnis een omgangsregeling tussen hem en [kind] na te leven van een maal per 21 dagen van vrijdagmiddag uit school tot de daarop volgende zondagavond, alsmede gedurende een in onderling overleg overeen te komen deel van de schoolvakanties.

3.2. De vader stelt daartoe - kort gezegd - dat [kind] vanaf februari 2006 tot november 2007 bij hem heeft gewoond, vanwege gebrek aan structuur en aandacht in het gezin van de moeder. De moeder vond destijds dat [kind] beter af zou zijn bij hem. Volgens de vader heeft hij daar toen de voorwaarde aan verbonden dat [kind] minimaal voor de duur van de basisschool bij hem zou blijven wonen. De moeder heeft daarmee ingestemd. Inmiddels is gebleken dat [kind] zwaar dyslectisch is en een concentratiestoornis heeft. Zij is in het schooljaar 2007/2008 bij de vader naar een school voor bijzonder onderwijs gegaan. Zijn partner is parttime gaan werken om [kind] vanuit school op te vangen. [kind] heeft haar sociale leven bij de vader. Een weekend per veertien dagen had zij omgang met de moeder. De vader bracht en haalde haar. De moeder heeft [kind] in november 2007 na een omgangsweekend zonder overleg bij zich gehouden. De vader stelt dat hij aanvankelijk niet eens wist waar [kind] verbleef. Pas rond oud en nieuw kwam [kind] weer bij hem op bezoek. De vader wil dat [kind] weer bij hem komt wonen en stelt dat dit in het belang van [kind] is. Inmiddels is door hem een procedure aanhangig gemaakt om gezamenlijk met De moeder belast te worden met het ouderlijk gezag over [kind] alsmede de woonplaats van [kind] bij hem te bepalen.

3.3. De moeder voert verweer. [kind] heeft volgens haar op een gegeven moment gevraagd of zij bij de vader mocht wonen. De moeder is daarmee akkoord gegaan. De vader heeft [kind] toen ook erkend. Hij vond het destijds niet nodig ook het gezamenlijk gezag te regelen. Toen [kind] eenmaal bij de vader was, ging het anders dan afgesproken: [kind] werd ondergebracht bij de ouders van de vader, die de zorg over [kind] op zich namen omdat de vader het druk had met zijn werk. Wanneer zij naar [kind] belde werd er niet opgenomen. De vader hield haar overal buiten en gaf geen informatie over de school of sportactiviteiten van [kind]. In de omgangsweekenden had [kind] steeds vaker andere verplichtingen. [kind] vervreemdde van haar en daarom heeft de moeder besloten om [kind] weer terug te halen. De moeder stelt blij te zijn dat [kind] weer terug bij haar is. Het gezag wil zij niet met de vader delen. [kind] doet het prima op haar nieuwe school, waar zij speciaal basisonderwijs krijgt, en zij heeft veel vrienden en vriendinnen. De moeder werkt minder om thuis te kunnen zijn voor [kind]. Als [kind] naar de vader gaat voor een omgangsweekend, slaapt zij over het algemeen bij haar opa en oma. De moeder acht het niet in het belang van [kind] als zij nu weer van omgeving en school moet veranderen.

4. De beoordeling

4.1. De moeder heeft het eenhoofdige gezag over [kind]. De vader vordert primair afgifte van [kind] door de moeder. Op grond van artikel 1:253s van het Burgerlijk Wetboek (BW) is - kort gezegd - voor het wijzigen van de verblijfplaats van een kind de toestemming vereist van degenen die het kind met instemming van de met het gezag belaste ouder gedurende ten minste een jaar als behorende tot het gezin hebben opgevoed en verzorgd (het zogenaamde blokkaderecht). Wordt zonder deze toestemming een wijziging aangebracht in de verblijfplaats van het kind, dan kunnen de pleegouders afgifte van het kind vorderen. Alsdan dient een beslissing te worden genomen die in het belang van het kind het meest wenselijk voorkomt.

4.2. Vast staat dat de moeder akkoord is gegaan met het verblijf van [kind] bij de vader in februari 2006. Het is echter de vraag of de vader in dit geval een beroep op het blokkaderecht toekomt. De moeder heeft immers betwist dat [kind] ook daadwerkelijk gedurende een jaar in het gezin van de vader heeft gewoond. Volgens de moeder woonde [kind] het eerste jaar feitelijk bij de ouders van de vader. De vader heeft ter zitting verklaard dat zijn ouders hem de eerste periode hebben geholpen met de opvang van [kind], maar dat [kind] in elk geval vanaf de zomer van 2006 zeven dagen per week bij hem verbleef. In dit kort geding is gelet op de tegenstrijdige verklaringen van partijen onvoldoende komen vast te staan dat de vader [kind] langer dan een jaar in zijn gezin heeft opgevoed en verzorgd. Dit vergt nader onderzoek, waarvoor het kort geding zich niet leent. Reeds hierom dient de door de vader gevraagde voorziening tot afgifte van [kind] te worden afgewezen.

4.3. Ten overvloede wordt opgemerkt dat ook indien zou vaststaan dat de vader [kind] langer dan een jaar in zijn gezin heeft opgevoed en verzorgd, de vordering tot afgifte zou worden afgewezen. Een en ander ondanks de omstandigheid dat de handelwijze van de moeder om [kind] van de een op andere dag zonder overleg uit haar vertrouwde omgeving te halen en op een andere school te zetten niet in het belang van [kind] wordt geacht. De vader heeft echter vier maanden laten verstrijken alvorens in rechte afgifte van [kind] te vorderen. Indien die vordering nu zou worden toegewezen, zou dit er naar alle waarschijnlijkheid toe leiden dat [kind] korte tijd daarna opnieuw van verblijfplaats zou moeten veranderen, hetgeen niet in haar belang zal zijn. Een verzoek van de moeder om vervangende toestemming tot wijziging van de verblijfplaats van [kind] kan immers alleen worden afgewezen indien de belangen van [kind] bij inwilliging van dit verzoek zouden worden verwaarloosd. Niet gebleken is dat het slecht met [kind] gaat bij de moeder. Ook indien de vervangende toestemming zou worden geweigerd is dat slechts tijdelijk, omdat een dergelijke beslissing in beginsel ten hoogste zes maanden van kracht is.

4.4. De subsidiaire vordering van de vader tot het bepalen van de door hem voorgestelde omgangsregeling kan worden toegewezen, aangezien deze niet door de moeder is bestreden en omgang met de vader in het belang van [kind] is. Er bestaat geen aanleiding een dwangsom te verbinden aan deze omgangsregeling aangezien de moeder ter zitting heeft verklaard hieraan te zullen meewerken.

4.5. De vader heeft ten slotte gevorderd de moeder op straffe van een dwangsom een informatieverplichting op te leggen. Nu er weer sprake is van regelmatig contact tussen de vader en [kind] en niet gebleken is dat de moeder niet vrijwillig aan haar informatieplicht zal voldoen, is de noodzaak tot het vastleggen van de door de vader gevraagde informatieregeling niet aannemelijk geworden. Deze vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.6. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. bepaalt een omgangsregeling tussen de vader en [kind], waarbij de vader een weekend per 21 dagen van vrijdagmiddag uit school tot de daarop volgende zondagavond omgang met [kind] heeft alsmede gedurende een in onderling overleg overeen te komen deel van de schoolvakanties;

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Y.C. Poelmann, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. C. Neve, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2008.?